Alle vogels vliegen



Dovnload 11.52 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte11.52 Kb.
10 energiespelletjes

voor alle leeftijden

  1. Alle vogels vliegen


De kinderen staan verspreid in de ruimte. De docent zegt “al de vogels vliegen”. De kinderen doen vogels na die vliegen. Daarna noemt de docent een ander beest, zoals vlinder, aap of paard. De kinderen moeten het vliegen van het beest nadoen als deze vliegt en stil staan als hij zich op een andere manier voortbeweegt. Als een kind het verkeert doet, is deze af.

  1. Commando


De kinderen staan verspreid in de ruimte, De docent geeft een commando, zoals rennen, lopen of hinkelen en de kinderen doen het na. Belangrijk is dat de docent “commando…” zegt. Als het woord commando namelijk wordt weggelaten telt het niet als een commando en moeten de kinderen doorgaan met waar ze mee bezig waren. Als een kind het verkeert doet, is deze af.

  1. Stopdans


De docent zet een muziekje aan, en alle kinderen mogen gaan dansen. Als de docent de muziek uitzet, moet iedereen meteen stil staan. Degene die nog doordanst is af en moet aan de kant gaan zitten.

  1. Estafette


De kinderen worden verdeeld in groepjes van maximaal vier personen. Per groepje wordt afgesproken wie nummer 1, 2, 3 of 4 is. Nummer 1 gaat dadelijk als eerste naar de overkant en weer terug. De docent vertelt op welke manier hij zich mag verplaatsen, zoals rennen, hinkelen of achterstevoren lopen. Op het moment dat nummer 1 terugkomt bij het begin, tikt hij nummer 2 aan. Deze gaat meteen door. Welk groepje is al eerste klaar?


  1. De juf

De kinderen zitten op stoelen in een kring. Een kind mag in het midden van de kring gaan staan, deze stoel wordt weggehaald. Het kind in het midden van de kring is de juf. De juf gaat zeggen wat de kinderen moeten doen. Bij “rekenen” gaan ze een stoel naar links. Bij “taal” gaan ze een stoel naar rechts. Bij “speelkwartier” rennen ze allemaal door elkaar heen en moeten ze zo snel mogelijk een nieuwe stoel vinden. Ook de juf mag een plek zoeken, zodat er een nieuw kind overblijft die de juf gaat spelen.

  1. Hobbydans


De kinderen staan in een kring, de docent zet een leuk muziekje op. Elk kind verzint wat zijn hobby is en welke beweging daarbij hoort. Een kind begint met zichzelf voor te stellen en zijn hobby uit te beelden. De andere kinderen doen hem na. Daarna beeld het volgend kind uit wat zijn hobby is. De kinderen herhalen de eerste hobby en voegen daar deze nieuwe hobby aan toe. Het spel gaat net zo lang door tot dat iedereen geweest is en er een lange hobbydans is ontstaan.

  1. De koning is de baas


De kinderen staan verspreid door de ruimte. Een van hen krijgt een kroontje en is de koning. De koning mag bepalen wat de andere kinderen doen en geeft de commando’s, zoals de vloer boenen, rennen en de ramen wassen. De kinderen doen dit na. Na een tijdje kan er gewisseld worden van koningin.


  1. Fruitmand

Alle kinderen zitten in de kring. Een kind mag in het midden van de kring gaan staan, deze stoel wordt weggehaald. De andere kinderen krijgen van de docent een fruitnaam, zoals appel, peer, banaan. De docent roept nu twee fruitsoorten om en deze kinderen moeten wisselen van plek. Als hij “milkshake” roept moeten alle kinderen van plek wisselen. Het kind dat in het midden van de kring staat moet proberen om een lege stoel te veroveren.

  1. Zip-zap-zop


Alle kinderen staan in een kring. De docent start met het naar links doorgeven van het woord “zip”. Het doorgeven gebeurt door met twee handen naar je buurman te wijzen (alsof je een doos vast hebt). Als het woord zip goed wordt doorgegeven wordt het woord “zap” geïntroduceerd. Dit is precies hetzelfde, alleen dan naar rechts. Er wordt afgewisseld tussen zip en zap, kinderen mogen zelf bepalen welke kant ze opgaan als zij aan de beurt komen. Daarna wordt “zop” erbij gevoegd. Ook hierbij weer precies dezelfde handeling, maar nu naar diegene die recht tegenover je staat. Het spel kan nog veel verder worden uitgebreid door zelf nieuwe bewegingen, woorden en acties toe te voegen.


  1. Danskring

Alle kinderen staan in de kring. Een van hen mag naar de gang. De docent zet een muziekje aan en wijst een van de kinderen aan die de leider mag zijn. De andere kinderen doen zijn bewegingen zo goed mogelijk na. Het kind dat op de gang stond wordt naar binnen gehaald en moet raden wie de leider is.

Dit is een download van carolijn.leisink.nl

Voor meer downloads of informatie over workshops en cursussen kunt u kijken op de website, of contact opnemen met:
Carolijn Leisink

Sloetstraat 22b



6821 CV Arnhem

Tel: 06-40130893


carolijncarolijn@hotmail.com




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina