Allen: Zingen “Zie de zon met haar machtige gloed.” zeemanskind Er worden gaap gebaren gemaakt. Lieden staan op, ieder gaat aan z’n eigen werk. Richting stoel. Boer en boerin blijven zitten slapen. Bij de boer



Dovnload 83.66 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte83.66 Kb.
Boer en Ambachtenspel


( Met tekst uit “de oude olm”, “de boerderij”, “de weg van het tarwe”, “spreuken, gedichten en oefeningen”


en liedjes uit “Ik ben een zeemanskind” “de gouden poort” en “prisma liederenboek”.)
Samengesteld en geschreven door Kirstin Balm

Iedereen zit in slaap houding.



Allen: Zingen “Zie de zon met haar machtige gloed.” zeemanskind

Er worden gaap gebaren gemaakt. Lieden staan op, ieder gaat aan z’n eigen werk. Richting stoel.

Boer en boerin blijven zitten slapen.
BIJ DE BOER
Haantje “Kukeleku, kukeleku, Wat zie ik nu, wat zie ik nu?

Allemaal nog op één oor? Sorry dat ik jullie stoor,

Maar het is tijd om op de staan en snel aan het werk te gaan!”

Boerin (gapend): “Zeg boer, hoor jij ook de haan? Ik geloof dat het tijd is om op te staan”.

Haantje: “Kukeleku, kukeleku, opstaan nu, opstaan nu!”

Boerin: “Ik geef dat beestje wel wat graan, dan kunnen we tenminste rustig opstaan”.

Haantje: “Kukeleku, kukeleku, waar blijft mijn graantje nu?”

Boerin: “Het komt er aan, het komt er aan!

Kijk eens beestje, hier is je handje graan”.



Boer en Boerin: “Rekken en strekken, geeuwen en zuchten,
Ruiken van de boeren luchten.
Elke dag, vroeg opstaan
En dan maar aan het werk gaan”.

Boer: “Mesten en ploegen, in de zwarte aarde zwoegen
Onkruid wieden en zaaien, gras voor de koeien maaien
Ik zal maar gauw aan ’t werk gaan, in plaats van hier te blijven staan”.

(Boer loopt naar de stal, boerin gaat af)



Boer (tegen paard): “Kom Bes, we gaan hard aan het werk, de aarde wakker maken,
Zo zal de oogst ons straks heerlijk smaken”.

Allen: “Bij het krieken van de dag, ben jij al hard voor ons aan de slag.

Boer met je zeis op het veld, op je oogst ben je zeer gesteld.”



Knecht: “Goedemorgen Baas, zoals altijd vroeg wakker,
Kan ik u nog helpen op de akker?”
Boer: “De aardappeloogst was opperbest,
maar nu moet het veld eerst goed bemest,

Voordat ik weer iets nieuws kan telen.


Je hoeft als boer echt nooit te vervelen”.

Allen: “De boer en zijn knecht gaan aan het werk,

Het paard voor de kar, wat is dat dier sterk.

De mest wordt verspreid met sterke hand,

Zo wordt het verdeeld over het land.”



Boer en knecht: “Ook het ploegen, dat kunnen wij heel goed,

Wij helpen het paard dat met de ploeg door de aarde wroet.”



Allen: “De boer en zijn knecht stappen stevig in t rond,

En verdelen nieuwe zaden over de grond.”



Boer en knecht: “In de voren, daar zaaien wij het graan, straks zal de hele akker er vol mee staan”.

Knecht: “Het deinende haver is sierlijk en sterk.

In ’t stralende gerst doet het licht trouw haar werk.

Het stugge rogge verschraalt niet in de kou.

Het opgerichte tarwe is waar ik van hou!



Allen: “Nu heeft de zon haar werk gedaan, en kan de boer oogsten al dit graan”.

Boer (tegen knecht): “Breng jij het graan naar de molenaar,

Ons werk op ‘t veld is voor nu even klaar.”

(Boer gaat af. Knecht maakt beweging alsof hij zakken op een wagen laadt.

Wandelt over het toneel en gaat af.)


BIJ DE MOLENAAR
Molenaar: “Dit is een prima wind die nu waait, snel de wieken op de wind gedraaid”.

(kinderen in 4 rijen met een bruine lap vast houdend, als molen wieken)



Allen: Zingen “molenaarswind is noordenwind”.

2 wieken: “Hoe gaat de molen, de molen rond?”

2 andere wieken: “Zo gaat de molen, de molen rond”.

2 wieken: “Hoe gaan de wieken, de wieken rond?”

2 andere wieken: “Zo gaan de wieken, de wieken rond”.

(ondertussen lopen de 4 rijen als wieken van de molen rond)



Molenaar: “De wieken bewegen, en vliegen en vegen hun schaduwen tegen de grond.

De stenen die steunen en draaien en dreunen en kraken al kreunende rond”.

(Knecht van boer komt aangelopen)

Knecht van boer: “Hei molentje, wat sta je toch dapper te draaien.

Je doet of je ’t uiterst noodzakelijk vindt, te malen wat de boer kon zaaien”.



4 wieken: “Als molen vind ik mijn bestaan in het malen van het graan.

Draaien op de wind dat is mijn leven, zo kan ik de mensen voedsel geven”.

(molen stopt, kinderen gaan af.)

Knecht van de boer: “Goede morgen molenaar, ik heb een kar vol met zakken graan,

Die kan de molen dadelijk malen gaan”.

(Molenaar en knecht lopen naar de kar, en laden samen de zakken uit de kar)

Molenaar: “Dit is puik graan wat ik mag malen!

De bakker zal me er goed voor betalen.

Samen met de boer verzorgen wij het brood.

De kinderen eten en worden langzaam groot.


Grote mensen eten en krijgen steeds meer kracht,

’t is toch maar prachtig zo samen bedacht”.



Allen: “De molenaar, de molenaar, hij maakt de molen klaar

De harde wind moet waaien, zo kan de molen draaien

Hij maalt de korrels van het graan, zo kan het zachte meel ontstaan

In zakken wordt het opgeslagen en naar de bakker toe gedragen”.

(knecht loop al af)

Molenaar: “Zeg knecht, niet zo vlug! Kom nog eens even terug!”

(naar publiek) “Ik zal die knecht eens te denken geven, dan zullen we wat beleven”.

(knecht is terug)

Molenaar: “Luister eens goed, weet jij hoe je het oplossen moet?

Vier oude wijven, die konden elkaar niet krijgen.

Ze liepen als de wind zo snel, haalde geen adem maar gingen wel.

Ze weken geen duimbreed van hun baan, hoe snel ze ook wel zouden gaan.

Ze liepen allemaal even hard, ra ra ra wat is dat?”

Knecht: “Hmmm, ik zou toch echt niet weten, hoe die vier oude wijven moeten heten”.

(wandelt hoofdschuddend af..)



Molenaar (naar publiek): “T zal mij benieuwen of hij ’t antwoord ooit zal kennen,

En er achter komt welke vier er zo hard rennen”.



BIJ DE BAKKER
Allen: “De molenaar brengt al zijn zakken, naar degene die ’t brood kan bakken.

Bruin of wit en soms met krenten. Zo verdient de man zijn centen.

Hij kneedt het deeg, het rijst en klaar!

De oven bakt het bruin en gaar.”



Molenaar: “Goede morgen bakker, bent u ook al wakker?”

Bakker: “Goede morgen, goede morgen,
maar natuurlijk, ik moet voor ieder zijn ontbijt verzorgen.”

Molenaar: “Ik heb een lading volle zakken,

T is meel om brood van te bakken”.

(molenaar en bakker laden samen de zakken van de kar)

Bakker: “Als bakker krijg ik ook mijn deel

Van alle zakken vol met meel

Ik kneed het deeg, het rijst en klaar!

Ik schuif het in de oven daar.

Ik stook nu flink het vuurtje, het wordt een felle gloed.

En binnen een goed uurtje is het brood gaar en goed”.



Allen: Zingen “als korrel gezaaid” (gouden poort)

Bakker: “Zo bak ik van t graan dat de boer heeft geteeld,
van allerlei lekkers, zodat het nooit verveelt.

Vele soorten brood en koek uiteraard.

Maar dat gaat ook met een hoop werk gepaard:

De schoorsteen moet roken, ik moet de oven stoken.

En is de oven heet, dan heb ik ook het deeg gereed.

In de oven wordt het gaar, daar bakt het kant en klaar.

Dan haal ik t er gauw weer uit; kadetjes, koekjes en beschuit.

Er is voor ieder wel wat bij, hier in mijn bakkerij”.



TERUG BIJ DE BOERIN
Boerin (tegen boer): “Kom je eten! Er ligt vers brood op je te wachten.

Daarvan kom je snel weer op krachten!”



Boer: “Wat is dit voor brood? Zo grof en zo groot?”

Boerin: “Zeg niet zo onbeleefd! Je kijkt als een boer die kiespijn heeft!”

(naar publiek): “Hij heeft nog nooit gerstebrood gegeten,

Maar snel zal hij wel beter weten!”

(Boer en boerin smeren brood en eten)



Knecht (komt denkend op): “Hmmm… vier oude wijven?”

Boer: “Ha knecht! Goed laat ik hier niet zitten blijven!

Nu heb ik zelf lekker gegeten, maar de dieren willen ook wat eten!”



Boerin: “Ik ga ook maar snel aan de slag. Er zijn nog een hoop taken deze dag:

Kippen voeren, eieren rapen en ook nog het scheren van de schapen.

Eerst naar de koeien in de stal, luister maar dan hoor je ze al!”

(kinderen in de coulisse maken loei geluid.)

(In de stal bij de koeien)

Hulp van de boerin: “Goede morgen vrouw boerin, de koeien hebben het goed naar hun zin.

Toont u me hoe ik ze melken moet, dan kan ik het voortaan ook zo goed!”


Boerin: “Juist! Let goed op! dan zie je hoe. Eerst de melkkruk dichtbij de koe.

De emmer gaat op de grond. Onder de uier vol en rond!

Dan melken,melken, melken maar! En voor je ’t weet is ’t werk alweer klaar!”

Hulp: “Dus zo! De emmer die gaat op de grond .. Onder de uier vol en rond..

Melken, melken, melken maar! En voor je ’t weet is ’t werk alweer klaar!”

(herhaalt de boerin, maar langzamer)

Boerin: “Helemaal goed, geen druppel ernaast. Werk zo door, maak geen haast.”

Hulp: “Niet dat ik mij ergens mee wil bemoeien, maar als ik klaar ben met het melken van de koeien

Zal ik de melk dan naar de kaasboer dragen? Ik hoorde hem er gister al om vragen.”



Boerin: “Dat vindt hij vast ontzettend fijn! Tja, kaas maken is meer zijn terrein.

Hij kan de melk karnen en boter maken. Zijn slagroom wil ook heerlijk smaken”.



Hulp: “Dat is dan afgesproken. Dan zal ik zo naar de kaasboer lopen.”

(Zeggen elkaar gedag, boerin gaat af)



BIJ DE HERDERIN & DE SCHEERDERS
Boerin: “Goede dag, herderin, hoe is het met m’n schaapjes gesteld?

Herderin: “Heel goed, mevrouw. Ze lopen blij in het veld.”

Boerin: “Wil je de schapen snel laten scheren, want het worden al warmere weren”.

Herderin: “Dat zal ik doen. Met dit weer,

draag ik ook geen wollen vesten meer.

Hoewel, in de winter, dan zou ik erg blij zijn met zo’n vest.

Dan verwarmt wol je toch het best.

Maar hoe is het met de andere dieren op de boerderij?

Ik sta hier alleen maar in de wei,

En zie heel de dag de schapen.”

Boerin: “Alles is tevreden. Maar nu je het zegt; Ik moet nog eieren rapen!

Fijne dag!”

(boerin gaat af)

Allen: Zingen “Tengo, tengo, tengo - kijk ik heb 3 schaapjes” zeemanskind

Herderin: “Ik loop hier op de heide rond, met de kudde schapen en mijn herdershond.
Mijn trouwe hond loopt achter mijn aan, en helpt mij met mijn baan.

Ik loop dagen in het rond, over de groene weidegrond.


Soms kleine stukjes, soms heel ver.
De schaapjes huppelen her en der.

Ik ben het die de schapen telt, en met hen meeloopt over het veld.


Zo doe ik mijn werk opperbest, en mijn herdershond die doet de rest.”

(Herderin gaat naar schaapsscheerders, al schaapjes begeleidend)



Scheerder 1: “Goede dag herderin. Hoe is het met de schapen gesteld?”

Herderin: “Prima! Ik heb ze net nog geteld.”

Scheerder 2: “Hebben ze het niet warm in de zon?”

Herderin: “Dat is precies waarvoor ik kom!

Zouden jullie ze willen scheren?

Dat is een klusje wat ik nooit zal leren!”

Scheerder 2: “Ach kijk maar goed, wij zullen het je laten zien,

Als je goed oplet kan je het straks zelf misschien!”



Schaapscheerders: “In de maand van mei! Alle schapen op een rij.

Eerst scheren we de ene kant. Houd hem goed in de hand.

Dan de rest en het schaap is weer opperbest!”

Herderin: “Ja, jullie werken bij de vleet, maar dat karwei is niet aan mij besteed.

Ik loop liever met de schapen vrij rond, met de hulp van mij trouwe herdershond.”



Allen: Zingen “la laine des moutons” couplet 1 - 3

(Herderin gaat af, scheerders vullen zakken met vachten)



Scheerder 1: “Het zijn heerlijk zachte vachten.”

Scheerder 2: “Kom we brengen ze direct naar de spinster, zij zal er wel op wachten.”

(gaan op weg naar de spinner en wever.)



BIJ DE SPINNER & DE WEVER
Scheerder 1: “Goede dag!

Scheerder 2: “Goede morgen. Wij komen u een paar vachten bezorgen.”

Spinster: “Wat fijn, breng maar gauw hier, dan kan ik direct beginnen.

Ik zal er een mooie fijne draad van spinnen.”



Scheerder 2: “We zullen ze gauw naar binnen dragen, en uw werk niet langer vertragen.”

Scheerder 1: “Ik ben benieuwd wat het zal worden, die vacht.
Welke jas of trui deze wol tot leven bracht?”

Spinster: “Ik maak van de zachte schapen wol, een dunne draad, een grote bol.

Dat doe ik door de wol te spinnen, maar met een vacht moet ik beginnen.

Mijn voet gaat rustig heen en weer, ik geef van de wol steeds wat meer.

Kijk maar hoe mijn wiel draaien gaat, zo ontstaat de lange draad.

De draad zal in een verfbad gaan, zodat er mooie kleuren ontstaan.

Daarna geef ik het aan mijn man, die er prachtige lappen van weven kan.”



Scheerders: “Zeg maar wever, hoe bewerk je die draad?

Zodat er een hele lap van ontstaat?”



Wever: “Geduldig werk ik op mijn weefgetouw, met allerlei kleuren, groen, geel of blauw.

De draad gaat onder, de draad gaat boven, zo ontstaat een lap, bijna niet te geloven.

Ik ben de hele dag met draden in de weer, onder en boven en nog een keer.

Het enige waar ik steeds op hoop, is raken de draden niet in de knoop.

Daar moet ik altijd goed op letten, want dat zal me mijn werk beletten.

Ik kan weven fijn en grof, en als ik klaar ben is er ‘n mooie lap stof.

Dan ben ik klaar met het weven en kan ik de lap aan de kleermaker geven.”

Allen: Zingen “La laines des moutons” couplet 4 - 6, zeemanskind

Scheerder 1: “Goed, ons werk is hier weer gedaan,
laten we maar gauw weer naar de schapen gaan”.

Scheerder 2: “Een goede dag, en tot over een tijd, dan bekijken wij weer graag uw nijverheid”.

(scheerders gaan af)



Spinster: “Zeg, het wordt voor ons doorwerken met die vachten,
er ligt werkelijk een hele stapel te wachten.”

Wever: “Och, het is niets wat we niet eerder hebben gedaan,

Laten we maar snel weer aan het werken gaan”.

(Spinster en wever werken aan hun taken)

Wever: “Ik zal de stoffen eens netjes opvouwen,

Dan kunnen we ze dadelijk naar de kleermaker sjouwen.

Het is te veel om in mijn eentje te tillen.

En de kleermaker zal wel de hele lading willen.”



Spinster: “Dat is goed, ik help je wel dragen,

De kleermaker wacht al een paar dagen.”

(vouwen samen lappen op, en brengen ze naar de kleermaker)

BIJ DE KLEERMAKER & DE SCHOENLAPPER

Spinster: “Goede dag, kleerfrik. Hier zijn we dan, mijn man en ik.

We komen de stof brengen waar u om vroeg.”



Kleermaker: “Wat prachtig weer, er is keuze genoeg!

Daar kan ik direct mee aan de slag”.


Wever: “Ik ben blij te horen dat het u bekoren mag.
Wij zien u weer over enkele dagen,

Heeft u meer nodig dan hoeft u het enkel maar te vragen!”.



Spinster: “Ik kom snel nog even bij u aangelopen,

Om zo’n mooie omslagdoek van u te kopen,

Tot ziens maar weer!”

Wever: “Goede dag, tot de volgende keer”.

(spinster en wever gaan af)



Allen: Zingen “zeg snijdertje” 3e couplet, blz. 96 gouden poort

Kleermaker: “Eerst wilde de spinster de vachten spinnen.

Ach wat moet ik zonder haar beginnen?

Haar man wilde de draad wel weven,

En bracht deze lappen in het leven.

Nu kan ik er kleren van gaan maken.

Spelden, naaien en knippen; Dat zijn mijn taken.

Truien breien, sokken en dassen.

En alles moet ook nog precies passen!

Zo maak ik kleding voor de mensen,

En voldoe aan iedereen zijn wensen.”

(Schoenlapper komt binnen)

Schoenlapper: (op vriendelijk lachende toon)

“Zeg als je voldoet aan ieder z’n wensen, kun je dan ook voldoen aan mijn wens?

Ik ben ten slotte ook een mens”.

Kleermaker: “Maar natuurlijk kan ik dat proberen. Wat heb je nodig van mijn kleren?”

Schoenlapper: “Nou eigenlijk ben ik op zoek naar wat lappen,

om oude schoenen mee op te knappen.

Daar ben ik al ’n poosje naar op zoek, heb je voor mij nog wat stukjes doek?”

Kleermaker: “Ik heb vast nog wel wat resten van het snijden, die je misschien kunnen verblijden.

(kleermaker zoekt even tussen zijn spullen)

Kijk eens aan, hier heb ik het al. En van deze stukken heb ik er altijd wel een aantal.”

Schoenlapper: “Daar zal ik zeker mee slagen, straks kan men z’n schoenen weer met trots dragen.”

Kleermaker: “Ik zal de restjes voor je opsparen, en alles bij elkaar bewaren.

Na een week zal het al flink wat zijn, want die stukjes zijn voor mij veel te klein.”



Schoenlapper: “Dan kom ik ze volgende week weer bij je halen,

Oh, Laat ik je niet vergeten te betalen”.

(kleermaker en schoenlapper wisselen wat munten uit)

Kleermaker: “Fijne dag! Ik ga gauw weer aan mijn taken, ik heb nog heel wat kleding te maken”.

(kleermaker gaat af, schoenlapper pakt kruk en gereedschap)



Allen: zingen “zeg schoenmaker” 1e couplet blz. 96 gouden poort)

Schoenlapper: “Ik gebruik stukken stof en leer

en maak er schoenen van keer op keer.

Nieuwe veters er in of een nieuwe hak;

ik doe het werkje met gemak.

Hoor ik mensen over hun schoenen klagen?

Ze hoeven enkel mij maar te vragen.

Ik laat ze weer glimmen en weer stralen,

Zo hoeft er niemand meer van zijn schoeisel te balen.”







BIJ DE KAASBOER
(terug in de stal)

Hulp: “Zo dat karwei is nu gedaan, laat ik maar snel naar de kaasboer gaan”.

(hulp laadt melktonnen op een kar, of emmers met melk en gaat op weg naar kaasboer, gebaren)



Hulp: “Goede dag boer! Ik breng u verse melk, dan kunt u weer aan het werk”.

Kaasboer: “Goede morgen dame. Kom ik help u, dan tillen we het samen”.

(hulp en kaasboer laden samen de melk uit de kar)



Hulp: “De melk is vers, direct uit de koe, mijn armen zijn nog steeds wat moe.

Gaat u er kaas van maken vandaag?

Of is dat een hele vreemde vraag?”

Kaasboer: “Ja zeker zal ik van deze melk kaas gaan maken.

Jong, oud en belegen, daarmee doe ik mijn zaken.”



Hulp: “Maar hoe maakt u van de melk dan kaas?

Dat is waar ik mij steeds over verbaas!”.



Kaasboer: “Dat zal ik je laten zien, dan snap je het later wel misschien.

Zuursel en stremsel bij de melk in het vat.

Kaasmaken, zo doe je dat!

En is de melk dik en sterk,

dan gaan de messen aan het werk.

Snijden, snijden, snijden maar

en dan is de wrongel klaar.

Nu de korrels geperst in een vat

Daarna in het zoute pekelbad!

Een laagje plastic houdt de kaas goed

Omdat de kaas nog rijpen moet!”

Hulp: “Dus als ik het goed begrijp, is de kaas nog lang niet rijp.

Eerst is de kaas nog jong en wit

Later krijgt ze meer smaak en pit.

Dan wordt ze steeds geler van kleur,

En krijgt ze ook een sterkere geur.

Die kaas noemen we belegen of oud,

En die smaakt stevig, krachtig en zout?”

Kaasboer: “Volgens mij begrijp je het helemaal goed, dat is precies zoals het moet.

Dankzij jouw werk met de koe, kom ik aan het kaas maken toe.”



Hulp: “Maar u maakt toch ook boter voor op brood? En slagroom, een lekkernij voor klein en groot?

Hoe kunt u dat dan maken? Of zijn dat niet uw taken?”



Kaasboer: “Ja zeker wel, dat maak ik ook, die lekkernij.

Vooral slagroom dat maakt de mensen blij.

Maar boter is ook heerlijk op een boterham,

zodat je beleg er niet vanaf vallen kan.

Neem de melk en schudden maar.

Schud een tijd en de room is klaar.

Nog meer schudden, schudden maar,

en ook je roomboter is klaar.”



Allen: “De kaasboer krijgt van de koe haar melk,

Hij gaat er hard mee aan het werk,

Hij maakt er room, boter en kazen van

Waarvan een ieder eten kan.”



Hulp: “Zeg bedankt voor deze lessen, maar ik sta alweer veel te lang te kletsen.

Ik ga snel weer aan mijn taken, maar uw kaas zal me zeker smaken”.

(kaasboer en hulp zeggen elkaar gedag)


BIJ DE SMID
Allen: “Intussen bij de smid, brand het vuur al met veel pit”.

Knecht van de boer: “Goede dag heer smid. Ik wil u namens de boer graag vragen

of u nieuwe hoefijzers kunt maken, voor Bes om te dragen?

De oude zijn versleten door het trouwe paardje,

En op nieuwe loopt ze vast weer met een vaartje”.

(smid heeft geen tijd om antwoord te geven, want daar komt de volgende alweer binnen)

Timmerman: “Zeg smid, kun je voor mij nieuwe spijkers en nagels smeden?

Zonder kan ik mijn werk niet doen en worden mijn klanten ontevreden.”

(weer is er geen tijd om te antwoorden, de volgende komt naar voren)

Houthakker: “Ik heb een nieuwe bijl nodig om hout mee te hakken,

De ander is op, daarmee kom ik niet eens meer door dunne takken.”

(de een na de ander blijft dringen met zijn vraag)

Slager: “Misschien kunt u gelijk mijn messen slijpen,

Met botte kan ik niet werken, zo kunt u wel begrijpen.”



Smid: (naar publiek) Zo gaat het nu elke dag.

Er is altijd wel iemand voor wie ik gereedschap maken mag.”

(tot klanten) “Ik help eerst de knecht, dan de timmerman en de houthakker.

Maar voor dat alles, is het goed als ik even mijn vuurtje aanwakker?

En beste slager, jou kan ik niet helpen met je messen.

Daarvoor kun je langs de scharensliep, van ’s morgens tot zessen.

Hij heeft er een prachtig wiel voor staan,
je kunt echt beter naar hem toe gaan”.
Knecht: “Eén set hoefijzers graag, dat is alles wat ik vraag.

Hoewel, misschien kunt u mij hierop antwoord geven,

Dit raadsel is me door de molenaar gegeven:

weet u misschien hoe het zit met 4 oude wijven.

Die elkaar niet konden krijgen?

Ik hoorde het van de molenaar,

Maar het klinkt mij zo raar.

Is het waar of is het verzonnen, ik weet niet waar ik aan ben begonnen.”



Smid: “Daar antwoord moet ik je verschuldigd blijven, ik weet echt niets van oude wijven.

Maar een paar hoefijzer zal ik voor je smeden, dan is je paardje zo weer tevreden.

Breng je haar naar de smederij, dan maken we haar met 4 nieuwe ijzers blij.”

(knecht gaat af)



Smid (tegen houthakker en timmerman)

“Die is flink in het ootje genomen.

Ik vraag me af of hij achter het antwoord zal komen.

Maar beste timmerman, vertel me waarmee ik u helpen kan.”



Timmerman: “Help hem maar eerst met zijn bijl,
want hij hakt het hout wat ik straks timmer en vijl.

Ik heb hem nodig om mijn werk te kunnen doen,


zonder hem verdien ik nooit mijn poen”

Smid: (naar houthakker) Wat zal ‘t wezen? Zeg het maar.

Een nieuwe bijl? Die ligt straks klaar.

Over een uur of twee kun je ‘m komen halen.

Dan hoeft u ‘m ook pas te betalen.”

(houthakker zegt gedag aan beide heren en gaat af)

Smid: “Voor u een stel spijkers en nagels heb ik gehoord.

Die heb ik juist nog liggen. Welke soort?

3 duims lang genoeg? Of moeten ze vier duims zijn?

Of wilt u ze juist een beetje klein?”



Timmerman: “Heeft u ook kleintjes van 2 duims lang,

waarmee ik wat fijner werk maken kan?”



Smid: “Een gros is dat genoeg?

Ik heb niet verstaan om hoeveel u vroeg.”



Timmerman: “Dat is dubbel zoveel, als dat ik eigenlijk wil.

Geef mij maar 6 dozijn, dat moet meer dan genoeg zijn”.

(smid en timmerman zeggen gedag)

Allen: “De smid werkt met het vlammende vuur.

Dit werk doet hij uur na uur.

Zo maakt hij het ijzer hard en sterk

En doet het vuur voor hem het werk

Zijn hamer slaat, zijn hamer slaat,

op ‘t aambeeld van vroeg tot laat

Sterke slagen op het ijzer zo heet

Dat is hoe de smid het ijzer smeed.”

(knecht komt terug met het paardje)

Knecht: “Zoals afgesproken, heb ik het paardje gebracht.

Geeft u haar nieuwe ijzers, terwijl ik hier wacht?”



Smid: “Het vuurtje vlamt nu rood en fel. De slagen klinken hard en schel.
Ik smeed de ijzers voor het paard, ik vorm ze rond en sla met vaart.
Kom maar paardje, kom hier staan, dan leg ik je ijzers aan.
Straks kun je weer draven bij je werk want je hoeven zijn weer sterk.
'K sla de spijkers één voor één door de kleine gaatjes heen.
Klip, klap, klop, zeg, hoor je 't wel, straks draaf jij weer flink en snel.”
(knecht neemt paardje mee en gaat af)

(houthakker komt binnen)



Houthakker: “Ik kom mijn nieuwe bijl ophalen, en zal hem direct bij je betalen”.

(smid en houthakker wisselen bijl en munten uit)



BIJ DE SCHARENSLIEP

(scharensliep zit achter slijperswiel, of zit met slijpsteen messen de slijpen,


stille rol: knecht zit zilver te poetsen)

Slager: “Zeg scharensliep, kunt u mijn messen scherper maken.

Ik hoorde van de smid, dat dit behoort tot uw taken”.



Scharensliep: “Dat heeft de smid u juist verteld,

Slijpen is wat ik doe voor mijn geld.

Er is altijd wel iemand voor wie ik gereedschap scherper kan maken.

Een rustige dag heb ik nog niet hoeven meemaken.”

(gaat aan het werk met de messen)

Slager: “Mijn messen snijden weer helemaal goed!

Het is toch maar knap werk wat u doet”.

(Slager gaat af)

Scharensliep: “Ik heb als scharensliep niets te klagen,

Want steeds komen mensen om mijn werk vragen.

Mijn knecht helpt met het poetsen van zilver en bestek

Hij poetst ’t weer glimmend, zonder enige vlek.

Zelf slijp ik van alles voor de mensen,

Zo voldoe ik aan iedereen zijn wensen”.



Allen: Zingen “komt vrienden in het ronde”, couplet 1, 6 en 7

Scharensliep: “Met mijn kar en mijn wiel werk ik ook op straat,

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.

Ik roep door de straat en klop aan bij ieder huis,

Want iedereen heeft wel slijpwerk thuis.

Zo werk ik dag aan dag,

Aan alles wat ik slijpen mag.

Mijn werk maakt me elke dag weer blij.

Ja, slijpen aan ’t wiel is echt mijn karwei.”



BIJ DE HOUTHAKKER
(houthakker staat z’n nieuwe bijl te bewonderen)
Vrouw van bakker: “Goede dag houthakker. Heeft u nog wat hout voor mijn man, de bakker?”

Houthakker: “Maar natuurlijk! Moeten het mooie stukken zijn? Lekker groot of juist klein?

Waarvoor gaat hij het gebruiken, uw man? Dan weet ik welke stukken ik pakken kan.”



Vrouw: “Het is om de oven op te stoken, zodat de schoorsteen weer flink kan roken.

Zonder warme oven kan hij geen broden bakken, dus geef me maar een aantal volle zakken.

De een wat groter, de ander klein, dan zal de oven weer snel opgestookt zijn.”

Houthakker: “Deze stukken branden goed in de oven, dat kan ik u op mijn woord beloven.”

Vrouw: “Ik dank u zeer, ’t was me een genoegen, tot de volgende keer”.

Houthakker: “Ik woon en ik werk in het bos.
Daar hak ik niet zo maar op los.

Ik kijk in het bos goed naar de bomen.

Zijn er misschien dieren die in deze boom wonen?

Is een boom al erg oud, aan het eind van het leven?

Zou hij aan mij zijn hout willen geven?

Dan wil ik hem eerst voor zijn groeikracht bedanken.

Voordat ik hem voorzichtig om zal hakken.

Gebruik ik mijn hakbijl of mijn zaag?

Dat is bij ieder karwei de vraag.

Dan kan ik beginnen met zagen of hakken,

Mijn gereedschap voorziet mij van alle gemakken.

Na hard werken kan ik met het hout naar huis toe gaan,

En is mijn werk voor de dag weer gedaan.”

(smid komt binnen)



Smid: “Zeg houthakker, mijn oude makker!

Hoe wil de nieuwe bijl bevallen?

Is er al een boom door omgevallen?”

Houthakker: “De bijl is prachtig, zeer scherp en ook krachtig!

Zo’n bijl is een geschenk voor mijn werk,

Hiermee is geen boom me te sterk”.

Smid: “Dat stemt me tevreden, het is altijd fijn

om te horen dat mijn klanten tevreden zijn!

Maar ik kom hier ook om wat stookhout te halen.

Ik zal je er rijkelijk voor betalen”.



Houthakker: “Ik geef je deze kleine boomstammen,

Dat zal je vuurtje wel weer op doen vlammen.

Ik zal er ook een zak kolen bij geven

dan blijft je vuur helemaal lang leven”.



Smid: “Dank je wel, mijn goede vriend, het was fijn je weer even te zien!”

(smid gaat af met zijn hout en kolen)



Houthakker: “Ik breng het mooie hout naar de timmerman,

Zodat hij er van alles van maken kan”.



BIJ DE TIMMERMAN
Houthakker: “Goede dag timmerman! Ik heb nog hout waar je mee aan ’t werk kan”.

Timmerman: “Dat is mooi! Wat fijn! Ik ben benieuwd wat voor hout het zal zijn”.

Houthakker: “Er is eiken, vuren, beuken en linde,

Mooier hout is er niet te vinden”



Timmerman: “Met alle soorten maak je me blij,

Voor ieder hout is er wel een karwei.

Ik kan er met mijn gereedschap van alles van maken,

Meubels, tafels en stoelen vallen ook onder mijn taken.

Ik maak speelgoed en meubels, een slee of een juk,
met mijn werk heb ik het altijd druk

Een duimstok, een hamer of een tang,

Dat is mijn gereedschap als timmerman.

Een zaag heb ik ook moeten leren hanteren

Wilde ik mijn vak als timmerman leren.”

Allen: Zingen “Houthakkers en timmermanslied” (zeemanskind)

(houthakker gaat af)



Timmerman: “Ik heb niets aan deze dunne takken en twijgen,

Die mogen de bezembinder en de mandenvlechter krijgen.”



BIJ BEZEMBINDER EN MANDENVLECHTER
Timmerman: “Kijk eens aan, ik heb nog twijgen voor jullie werk.

Ze zijn dun en flexibel, maar wel heel sterk”.



Bezembinder: “Als ze nog goed zijn voor het vlechten van manden,

Dan mogen ze bij haar belanden.

Zij vlecht er zulke mooie manden van.

Dat is een werkje wat ik nooit leren kan.

Ik gebruik twijgen, stevig en stug,

En bind er een bezem van, vliegensvlug.

De twijgen die bind ik om een lange steel,

En verkoop de bezems aan wie ze hebben wil.

Maar timmerman, mijn beste man,

Kun je zien of je mij weer nieuwe stelen leveren kan?”



Timmerman: “Daar zal ik zo snel mogelijk voor zorgen,

Ik denk dat het wel moet lukken voor morgen.

Ik breng eerst de mandenvlechter haar twijgen,

Dan kan ze er weer mooie manden van rijgen.”



Mandenvlechter: “Laat eens zien wat u heeft mee genomen?

Van welk hout zijn de twijgen gekomen?”



Timmerman: “Het zijn wilgentwijgen mevrouw,

Ik dacht dat u er wel iets aan hebben zou.”



Mandenvlechter: “Dat heb ik zeker, ontzettend veel dank.

Dit zijn mooie twijgen, zeer soepel en slank.”

(wisselen waar uit, timmerman gaat af)

Allen: “Zeg binder en vlechter, wat zal jullie werk wel zijn?

Als je werkt met takken zo dun en zo klein?”



Mandenvlechter en bezembinder:

“Wanneer wilg of berk te hard zijn gegroeid, dan moeten ze door sterke handen worden gesnoeid.

Het hout van de takken en de twijgen, dat willen wij voor ons werk graag krijgen.

Wij binden bezems en vlechten manden, zijn heel de dag bezig met onze handen.”



Bezembinder: “Met mijn bezems vegen de mensen hun huizen

Hoor je de twijgen over de vloeren ruisen.

Al het vuil gaat aan de kant,

Geen stof meer te zien en ook geen zand.

Zo vegen mijn bezems de huizen schoon,

Dat is waarmee ik de mensen beloon.”



Mandenvlechter: “Mijn manden heeft iedereen in huis.

Voor hout voor onder in het fornuis.

of om de oogst in rond te sjouwen,

de groente die de boeren op ’t land verbouwen.

Of voor de broden in de bakkerij.

Met mijn gevlochten manden maak ik iedereen blij.”



BIJ DE FRUITTELER
(nog bij de mandenvlechter en bezembinder)

Fruitteler: “Goede morgen allebei, heeft u nog een paar manden voor mij?

De fruitoogst komt al van het land, voor iedere soort wil ik graag een mand”.



Mandenvlechter: “Ik heb net een aantal manden klaar. Kijk ze staan in de hoek aldaar

Zijn dat er te weinig of is het genoeg? Is dat de maat waar je om vroeg?”



Fruitteler: “Dat is precies de maat die ik zoek, dit was weer een heel prettig bezoek.

Uw handel stelt me altijd zeer tevree, ik neem deze manden met me mee”.

(zeggen elkaar gedag, mandenvlechter en bezembinder gaan af)

(Fruitteler zet manden neer en gebaard alsof hij vruchten plukt)



Fruitteler: “Wanneer de appels hangen in de bomen

Kan ik er met de ladder bij komen

Ik pluk de vruchten met mijn handen

En stop ze dan in grote manden

Zo verzamel ik de oogst voor de mensen

Heel veel vruchten voor ieders wensen

Van het fruit moet ik alles weten,

Zodat de mensen gezond kunnen eten.”

(Bakkersvrouw komt binnen)

Bakkersvrouw: “Goede dag fruitteler, goede dag!”

Fruitteler: “Goede dag, mevrouw, zeg maar waarmee ik u helpen mag”

Vrouw: “Ziet u, mijn man is een taart aan het bakken,
hij wel graag jam voor tussen de plakken.

Nu fruit en jam, dat zijn uw zaken, het laat ons altijd heerlijk smaken!”



Fruitteler: “Wilt u pruimenjam, aardbei, perzik of peer?

Rozenbottel, bosvruchten, ik heb nog veel meer.”



Vrouw: “Mijn man had gevraagd om jam van de kers.”

Fruitteler: “ Ah, kijkt u eens, die is net vers.

De kersen waren heerlijk zoet, die jam blijft nog zeker een tijd goed”.



Allen: lied “wat ga je kopen bij de groenteboer” couplet 2 - 7

Vrouw: “Zeg dank u wel, dit zal zeker smaken in de taart,

Ik zorg dat mijn man voor u een stukje bewaart.

Maar ik moet niet te lang blijven dwalen,
want ik moet ook nog slagroom halen.

Zie ik u morgen op de markt ook staan?

Wij hebben daar altijd een kraam”.

Fruitteler: “Ja zeker, u ziet mij morgen daar.
Ik heb ook een kraam met mijn waar.”

(bakkersvrouw gaat af, fruitteler gaat af, markt wordt gebouwd)



OP DE MARKT
(Iedereen staat achter ’n eigen kraampje:
boer en boerin met hulp, bakker en zijn vrouw, kaasboer, spinner en wever, kleermaker, smid, timmerman, mandenvlechter en bezembinder, fruitteler. De rest loopt rond als klant)

Molenaar: “Zeg boer, wat eten we vandaag?”

Boer: “Nou, ik heb kratten vol met bloemkolen, dus als je het mij vraagt.”

Molenaar: “Mooi mooi, ik heb ‘n zak meel en brood meegenomen,

Daar moet je de week wel mee door kunnen komen”

(molenaar en boer wisselen uit)

Houthakker: “Doe mij maar een pond kaas. Zo lekker als bij jou is er geen.”

Kaasboer: “Zal ik ’n onsje minder doen? De kaas is duur, en je bent maar alleen.”

Houthakker: “Goed doe dan maar een half pond. Teveel kaas is vast ook niet gezond”.

Kaasboer: “Dat wordt dan dus 250 gram.”

Houthakker: “Gram? Nog nooit van gehoord, daar weet ik niets van.

Maar goed, ik zal er niet voor vrezen, als jij ’t zegt dan zal ’t wel zo wezen.”

(houthakker en kaasboer wisselen uit)

(knecht komt op)



Boeren knecht: “Vier oude wijven, die konden elkaar niet krijgen.

Ze liepen als de wind zo snel, haalde geen adem maar gingen wel.

Ze weken geen duimbreed van hun baan, hoe snel ze ook wel zouden gaan.

Ze liepen allemaal even hard, ra ra ra wat is dat?”



Allen: “We zullen je eindelijk het antwoord geven, wie draaien er nu heel hun leven?

Het zijn de wieken van de molenaar. Klinkt het raadsel nu nog zo raar?”



Knecht: “Aha! Ik zal direct naar de molenaar snellen, dan kan ik hem het antwoord vertellen”.

(knecht gaat af)



Fruitteler: “Prachtig fruit, gisteren nog aan de boom.”

Bakker en vrouw: “Proef onze taart, met heerlijke room!”

Boerin: “Verse eieren, van mijn scharrelkippen”.

Smid: “Aan mijn smeedwerk kan niemand tippen”.

Spinner en wever: “Prachtige wollen lappen, kom ze bij ons kopen.”

Scheerders en herderin: “Van onze schaapjes die heerlijk in de wei rond mogen lopen”.

Hulp van boerin: “Verse melk, verse melk! Heerlijk gezond en goed voor elk!”

Schoenlapper: “Schoenen of laarzen, niets wat ik niet poets”.

Mandenvlechter en bezembinder: “Bij ons koopt u niets dan goeds.”

Kleermaker: “Ik bezorg u al uw kleren”

Scharensliep: “Bij mij kunt u het slijpersvak leren”.

Timmerman en houthakker: “Houten speelgoed kunt u hier halen.

Allen vandaag 2 halen 1 betalen”



Allen: “Zo doet iedereen zijn eigen werk.

Door samen te werken staan we sterk.

Ieder heeft zijn eigen krachten,

Zie hoe we ze samen brachten.

Wij danken voor wat de aarde ons heeft gegeven,

Zo kunnen wij dankbaar samen leven.”


EINDE




Rollen:
(haantje)

  1. Boerin

  2. Boer

  3. Knecht van boer

  4. Molenaar

  5. Bakker

  6. Hulp van boerin

  7. Herderin




  1. Schaapsscheerder 1

  2. Schaapsscheerder 2

  3. Spinner

  4. Wever

  5. Kleermaker

  6. Schoenlapper

  7. Kaasboer

  8. Smid
    (slager)




  1. Scharensliep
    (knecht)

  2. Houthakker

  3. Timmerman

  4. Mandenmaker

  5. Bezembinder

  6. Fruitteler

  7. Vrouw van bakker








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina