Allochtonen en de geestelijke gezondheidszorg



Dovnload 179.92 Kb.
Pagina1/6
Datum25.08.2016
Grootte179.92 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Allochtonen en de geestelijke gezondheidszorg


W.A. Arrindell en F.A. Albersnagel

Handboek Klinische Psychologie (december 1999)

1. Inleiding


De ontwikkeling van de Nederlandse samenleving tot een multi-etnische samenleving is één van de demografische ontwikkelingen die verregaande consequenties zal hebben voor de gezondheidszorg in het algemeen en voor de geestelijke gezondheidszorg ( GGZ) in het bijzonder. Door de aanwezigheid van allochtonen in Nederland dienen zorgaanbieders te reageren op een andere ziektebeleving, op een ander ziektegedrag, en op andere verwachtingen ten aanzien van de geboden hulpverlening, nog afgezien van mogelijke communicatiestoornissen als gevolg van taalproblemen ( Veenman, 1996).

Rapportage minderheden 1997 van het Sociaal en Cultureel Planbureau vermeldt dat op 1 januari 1996 bijna 17% van de totale Nederlandse bevolking, dat zijn 2,6 miljoen personen, uit allochtonen bestond ( Tesser & Veenman, 1997). Het begrip ‘allochtonen’ dient als aanduiding voor alle bewoners van Nederland die één of twee in het buitenland geboren ouders hebben of daar zelf geboren zijn ( Sociaal en Cultureel Planbureau, 1998). Zo’n 36% van de allochtonen is zelf in Nederland geboren ( Sociaal en Cultureel Planbureau, 1998).

Herkomstgroepering ( niet verblijfsstatus) als criterium van het minderhedenbeleid van de rijksoverheid resulteert in vele ‘etnische minderheden’. Beperken we ons tot de vijf grootste minderheidsgroeperingen naar herkomst: Surinamers, Turken, Marokkanen, Arubanen en Antillianen, dan is tussen 1990 en 1997 de bevolking van deze vijf groeperingen met ruim 203.000 personen toegenomen ( Sociaal en Cultureel Planbureau, 1998). Door deze groei is de verwachting dat een steeds groter aantal allochtonen een beroep zal gaan doen op de geestelijke gezondheidszorg, wat belangrijke consequenties zal hebben voor behandeling en voor organisatie van de zorg. Hulpverlening aan een in cultureel opzicht gemengde patiëntenpopulatie nodigt uit tot reflectie op de gangbare, westers-gekleurde theoretische en beleidsmatige uitgangspunten en mogelijk ook tot aanpassing van de gangbare hulpverleningstechnieken ( Van Bekkum e.a., 1996; Paniagua, 1998). In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de huidige stand van zaken met betrekking tot interculturalisatie van de GGZ. Interculturalisatie van de gezondheidszorg houdt in dat de organisatiestructuur, het personeel, en het product van die zorg worden afgestemd op de multiculturele bevolking ( De Jong & Van den Berg, 1996, p. 271). Hier zal worden ingegaan op de geestelijke gezondheid van allochtonen, op klachtenpresentatie, hulpzoekgedrag, diagnostiek en behandeling, zoveel mogelijk toegespitst op de praktijk. Aspecten van interculturalisatie die betrekking hebben op personeelsbeleid en management vallen buiten het bestek van dit hoofdstuk. Men raadplege hiervoor De Jong en Van den Berg (1996, pp. 271-330) en Shadid (1998).


2. De geestelijke gezondheid van allochtonen


Zich vestigen in een vreemde cultuur (migratie) wordt vaak ingegeven door strikt persoonlijke motieven (bijvoorbeeld de wens tot verdere ontplooiing) en soms door sociaal-economische (armoede, beperkte maatschappelijke perspectieven), godsdienstige of politieke motieven (leven onder levensbedreigende omstandigheden waaronder schending van mensenrechten, onderdrukking, achterstelling en dergelijke).

Migranten worden vaak beschreven als een risicogroep voor geestelijke-gezondheidsproblemen. De basis hiervoor wordt wel gezocht in de volgende factoren ( Cochrane & Stopes-Roe, 1981; Littlewood & Lipsedge, 1981): (1) in internationaal empirisch onderzoek vanaf de jaren dertig is geconstateerd dat migranten, in vergelijking met de autochtone bevolking, hogere prevalentiecijfers vertonen voor psychische stoornissen (uitkomsten hierover zijn echter niet eenduidig, zie verderop); (2) stressvolle levensgebeurtenissen kunnen negatieve gevolgen hebben voor de geestelijke gezondheid, en migratie wordt beschouwd als een stressvolle levensgebeurtenis; (3) migratie brengt intensieve en continue aanpassingen met zich mee die negatieve gezondheidsimplicaties kunnen hebben (bijv. het leren beheersen van een nieuwe taal, het aanleren van de sociale normen en waarden van het gastland en vaak ook het zich verweren tegen vooroordeel en discriminatie).



Volgens het rapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning ( VTV) 1997 ( Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu [ RIVM], 1997) zijn over de gezondheidstoestand van de allochtone bevolking in Nederland weinig gegevens voorhanden. De informatie die er wel is, wijst in de meeste gevallen op een achterstand ten opzichte van de autochtone bevolking, ook als er vergeleken wordt met de autochtone bevolking met een lage sociaal economische status ( SES). Bij gebruikmaking van opname in een psychiatrisch ziekenhuis als een grove en indirecte indicator voor de psychische gezondheidstoestand vindt het RIVM (1997) dat de relevante opnamecijfers onder Surinamers (zowel mannen als vrouwen), Antillianen (zowel mannen als vrouwen) en jonge Marokkaanse mannen hoger zijn, terwijl bij Turkse mannen en vrouwen de cijfers lager zijn. Te snelle generalisaties uit deze uitkomsten over de allochtone bevolking als geheel zijn echter niet gerechtvaardigd. Zo geeft ook het VTV-rapport ( RIVM, 1997, p. 54) terecht aan dat de allochtone bevolking zeer heterogeen is en dat er onderling veel specifieke (diagnose-afhankelijke) verschillen zijn (zie verder Mackenbach, 1996). Belangrijker is nog dat in de statistische analyses van de studies waarop het RIVM (1997) zich baseert ( Uniken Venema & Wierdsma. 1993; Selten & Sijben, 1994; Mackenbach, 1996), geen rekening wordt gehouden met de variëteit aan bevolkingsgroepen uit de landen van herkomst. Zo kan men zich afvragen hoe de opnamecijfers voor Surinamers eruit zouden hebben gezien als deze voor de twee grootste etnische groepen in Suriname, te weten Hindoestanen en Creolen, afzonderlijk waren becijferd. En verder, wat zou een eventueel verschil hierin hebben uitgemaakt voor het in het VTV-rapport ( RIVM, 1997) beschreven verschil met de autochtone Nederlandse bevolking? (Onderzoek naar de gezondheidstoestand van Surinamers en autochtone Nederlanders laat inderdaad zien dat het misleidend is als de groep Surinamers niet wordt uitgesplitst naar Creolen en Hindoestanen ( Knipscheer e.a.,1999). Bij de interpretatie van dit soort gegevens dient men zich verder af te vragen in hoeverre de uitkomsten, behalve door groepsverschillen in SES, ook kunnen worden verklaard door allerlei relevante verschillen tussen de culturele groepen zoals: verschillen in sociale steun en sociodemografische factoren, verschillen in geboorteland van de allochtoon, verschillen qua land waarin (middelbaar) onderwijs is genoten en qua niveau van acculturatie of aanpassing in het gastland, verschillen ook voor wat betreft het in religieus opzicht al of niet praktiserend zijn, verschillen in burgerlijke staat, werksituatie, woonsituatie, evenals in het aantal verhuizingen in het gastland en in de basis waarop migratie heeft plaatsgevonden (gedwongen dan wel vrijwillig). Gegevens hierover ontbreken maar zijn cruciaal omdat constant houden van de invloeden van deze achtergrondkenmerken vaak aanleiding zal geven tot een sterke relativering van de aard en/of omvang van het oorspronkelijk geconstateerde verband tussen migratie en psychiatrische opnames (zie Murphy, 1977; Betancourt & López, 1993; Berry & Sam, 1997, p. 304; Johansson e.a., 1998; Lloyd, 1998).

Verder zouden sommige van de in het VTV-rapport ( RIVM, 1997) beschreven verschillen heel goed kunnen berusten op vertekeningen die samenhangen met de wijze van gegevens-verzameling. Uniken Venema en Wierdsma (1993), Selten en Sijben (1994) en Mackenbach (1996) specificeren de verschillen in opnamecijfers ook naar diagnostische categorie. De auteurs rapporteren bijvoorbeeld dat de hogere opnamecijfers in een intramurale psychiatrische voorziening van Surinaamse mannen en vrouwen vooral gelden voor schizofrenie en andere psychosen en voor stoornissen door druggebruik ( Mackenbach, 1996, p. 34). Depressie of verslaving aan alcohol kwam echter als reden voor opname bij Nederlanders veel meer voor dan bij Surinamers ( Uniken Venema & Wierdsma, 1993, p. 41). De diagnosen zijn gebaseerd op de International Classification of Diseases ( ICD) van de Wereldgezondheidsorganisatie ( World Health Organization, 1993). Overigens staat nog altijd ter discussie of westerse diagnostische criteria bij patiënten met een niet-westerse of andere culturele achtergrond wel even valide zijn als bij Nederlandse ( Kortmann, 1993; De Jong, 1996; Mezzich e.a., 1996). Daarnaast is bekend dat patiëntgebonden variabelen als etniciteit, ras, sekse en sociale klasse, het klinisch oordeel kunnen vertekenen wat kan leiden tot onder- of overrapportage van bepaalde diagnosen ( Tanaka-Matsumi & Draguns, 1997). Vermeldenswaard in dit verband is de hypothese van López (1989) dat:



  1. de subjectieve drempelwaarden die clinici hanteren bij het stellen van bepaalde diagnosen voor autochtonen en allochtonen verschillend zijn;

  2. het proces van klinische informatie-verwerking een functie is van de culturele achtergrond van de clinicus;

  3. clinici bij het stellen van een diagnose geneigd zijn eigen hypothesen te toetsen (zie ook Kortmann, 1989, p. 27; De Jong, 1997, p. 29).

Op grond van relevante empirische gegevens concluderen Tanaka-Matsumi en Draguns (1997) dat waardeoordelen en percepties van behandelaars, zelfs als deze gestandaardiseerde interviews hanteren, het diagnostisch proces, de invulling van een behandeling en de kwaliteit van de communicatie met patiënten kunnen beïnvloeden. Een laatste hypothetische factor ter verklaring van gezondheidsverschillen tussen allochtonen en autochtonen betreft de geneigdheid (van allochtonen) tot somatiseren van psychosociale problematiek. Zo zou somatisatie een gedeeltelijke verklaring zijn voor de relatief lagere GGZ-opname-cijfers bij Turken ( Avezaat, 1990; Avezaat & Lutjenhuis, 1986). De hierbij gevolgde redenering gaat als volgt: de huisarts is voor Turken een tamelijk laagdrempelige voorziening en veel huisartsen ervaren het als een groot probleem om – bij allochtonen – het gesprek van de somatische klacht op vermoede psychosociale achtergronden te brengen. Doorverwijzing naar GGZ-instellingen ligt zo minder voor de hand ( Uniken Venema & Wierdsma, 1993). Aldus bestaat de mogelijkheid dat verschillen tussen allochtonen en autochtonen in het traject dat meestal doorlopen wordt alvorens tot een opname wordt overgegaan, ook aard en omvang van cijfers met betrekking tot opname in GGZ-instellingen beïnvloeden. In het verlengde hiervan wordt in een internationaal overzicht naar het verband tussen migratie en geestelijke ongezondheid dan ook geconcludeerd dat, wanneer rekening wordt gehouden met de invloed van demografische en culturele factoren op ziekenhuisopname, geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken ( Berry & Sam, 1997, p. 304). Onder verwijzing naar het werk van Murphy (1977) benadrukken deze auteurs, dat het er niet zozeer om gaat te vragen waarom migranten hogere prevalentiecijfers voor psychische stoornissen hebben (voor een samenvatting van de theorieën die hierover voorspellingen doen, zie Knipscheer & Kleber, 1998). Het is wellicht relevanter om de vraag te stellen: onder welke omstandigheden hebben migranten hogere opnamecijfers? Hieraan gerelateerd is de constatering van Knipscheer en Kleber (1998) dat het opmerkelijk is hoe in de wetenschappelijke literatuur steeds weer de problematische kanten van migratie en de daaraan gerelateerde acculturatie-stress worden benadrukt. Knipscheer en Kleber stellen dat dit niet terecht is en dat lang niet altijd de voorspelde gezondheidsproblemen bij migranten worden aangetoond. In sommige gevallen hangt migratie juist samen met positieve gezondheidseffecten (zie bijv. Escobar, 1998; Vega e.a., 1998).



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina