Aminal vmm ovam vlm arohml lin a gezondheidszorg a economie vvp vvsg advies aan mevrouw de minister



Dovnload 29.62 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte29.62 Kb.



Technisch Overleg Milieuregelgeving



TOM




AMINAL - VMM - OVAM - VLM - AROHML - LIN - A Gezondheidszorg - A Economie - VVP - VVSG



Advies aan mevrouw de minister


met reactie van de minister

Nummer: A 11 verwerking van V 14

Datum: 28/11/2001

1. Naam van het advies
Het hergebruik en de vergunningsplicht van niet verontreinigd beton- en metselwerkpuin op de bouwplaats zelf éénduidig regelen.
2. Indiener van het voorstel
OVAM.
3. Rechtsregel, artikel… waar het probleem zich situeert
Vlarem I (en II), bijlage I, rubriek 2.2.2.a: De uitzonderingsbepaling voor het mechanisch behandelen op de bouwplaats zelf, nl. “ Het mechanisch behandelen op de bouwplaats zelf van inerte stoffen die bij de uitvoering van wegenis- en/of sloopwerken ontstaan, wordt in deze context evenmin als een behandeling van afvalstoffen beschouwd.”

4. Doel: tekstwijziging in Vlarem I
5. Het probleem
5.1 Bestaande andere regelgeving die relevant is

Vlarea: dit besluit regelt de voorwaarden waardoor ‘inerte stoffen’ (lees niet-verontreinigde beton- en metselwerkpuingranulaten) het statuut van afvalstof verliezen en secundaire grondstof kunnen worden. Het begrip ‘inerte stoffen’ verwijst dus duidelijk naar Vlarea waar niet-verontreinigd puin wordt gedefiniëerd.


5.2 Historiek

De interpretatieproblematiek m.b.t. voormelde Vlarem-bepaling werd parallel aangekaart door twee verenigingen, actief in het bouwwezen:



  • De VCB (Vlaamse Confederatie van de Bouw): deze heeft in juli 1999 in samenwerking met VLAWEBO (Vlaamse Wegenbouwers) een standpuntennota opgemaakt over de problematiek van de mobiele breekinstallaties.
    Het breken op de bouwplaats zelf gebeurt door ‘mobiele’ brekers, die vertegenwoordigd worden door VLAWEBO.

  • De V.V.S. (Vereniging van Verwerkers van Steenpuin): op 20.09.99 ontving de OVAM via het kabinet van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw een vraagstelling van de V.V.S. i.v.m. deze uitzonderingsbepaling en ook in verband met enkele termen uit Vlarea. Deze vereniging vertegenwoordigt de ‘vaste’ brekers.

Zowel de VVS als VLAWEBO worden vertegenwoordigd in de Coördinatiegroep Bouw-en Sloopafval. De Coördinatiegroep Bouw- en Sloopafval werd door OVAM opgericht en heeft een centrale rol bij de uitvoering en de voortgang van het Uitvoeringsplan Bouw- en Sloopafval. De problematiek van de mobiele brekers kwam reeds meerdere malen ter sprake op de vergaderingen van de Coördinatiegroep Bouw-en Sloopafval.


Gelet op de specifieke bevoegdheid werd besloten om AMINAL afdeling Milieuvergunningen, te betrekken bij de problematiek.
Op 04.11.1999 werd een vergadering belegd met het Hoofdbestuur Milieuvergunningen van AMINAL en met LIN, waarbij werd afgesproken dat elke overheidsinstelling zich beperkt tot de haar toegewezen bevoegdheden.
Uit de vergadering blijkt tevens dat AMINAL en OVAM dezelfde interpretatie geven aan de uitzonderingsbepaling voor wat betreft de vergunningsplicht, nl. geen aan- of afvoer van puin, enkel betrekking op wegeniswerken, beperkt in tijd die gelijk is aan de uitvoering van de bouwwerken. Als omschrijving van het begrip ‘op de bouwplaats zelf’ werd geopteerd voor: ‘een geografisch aaneensluitend kadastraal geheel’.

Voor beide administraties is het duidelijk dat het verzamelen en breken op één plaats van puin afkomstig van verschillende eigen werven met nadien de aanwending ervan op eigen werven steeds vergunningsplichtig blijft. Het niet-vergunningsplichtig zijn van deze activiteiten werd aangevraagd in de voormelde nota van VCB-VLAWEBO.
Inzake vergunningsplicht zijn de OVAM en AMINAL het eens met elkaar.
Door OVAM werd in haar antwoord aan Minister Dua d.d. 07.12.1999 (ref. AB/AA/MH/AT/991180 in antwoord op een kabinetsnota VD/RDB/WA/99-00926/M6) gewezen op de nadelen verbonden aan de interpreteerbaarheid: nl. geen vermelding van verbod op aan- en afvoer van puin, niet duidelijk dat het enkel wegen betreft: grote werken voor gebouwen zijn mogelijk zonder vergunning; ook worden bouwplaatsen die blootgesteld (geweest) zijn aan verontreinigingen volledig onttrokken aan Vlarea.
Als antwoord op een tweede vraagstelling van de VVS naar het kabinet toe i.v.m. met mobiel breken heeft de OVAM op 28/04/00 (ref. AB001384 in antwoord op de kabinetsnota MLL/D10/mm/2000/4-04516) voorgesteld om dit probleem te behandelen in het overlegorgaan TOM.
Tenslotte werd in een kabinetsnota d.d. 22 mei (MLL/D3/D8/2000/5-06840) gevraagd om in samenspraak met AMI een voorstel tot effectieve controle voor de breekinstallaties uit te werken.
De OVAM is van oordeel dat het probleem ivm de uitzonderingsbepaling en daaraan gekoppeld het intern hergebruik eerst dient te worden opgelost vooraleer een inspectieplan kans tot slagen maakt.

5.3 Uiteenzetting van het huidige probleem

Omtrent de vergunningsplicht voor het breken op de bouwplaats zelf bestaat veel verwarring.

In Vlaanderen ontstaat jaarlijks 4,5 miljoen ton Bouw- en Sloopafval waarvan momenteel ongeveer 85% (3.612.500 ton) wordt hergebruikt. Van deze hoeveelheid werd slechts 1 miljoen ton legaal aangewend (dit is mét een vergunning [Vlarem] en mét een Copro-keuring [Vlarea]).

De rest wordt aangewend zonder Copro-keuring, hetzij al dan niet met vergunning.

Dit laatste is vooral te wijten aan de ruim interpreteerbare uitzonderingsbepaling, de inventiviteit en de (vroegere) gewoontes van de sector:



  • met inerte stoffen wordt eigenlijk niet-verontreinigd betonpuin bedoeld en gelden de voorwaarden van Vlarea;

  • en of sloopwerken” laat toe dat de uitzonderingsbepaling ook voor gebouwen geldt; gelet op de diversiteit van afvalstoffen die bij het slopen van gebouwen vrijkomen, is het niet opportuun dit segment aan de vergunningsplicht te ontrekken.

  • het is niet duidelijk vermeld dat er geen aan- of afvoer van puin naar de bouwplaats mag plaatsvinden;

  • tenslotte wordt op basis van de veronderstelling dat de ‘restanten’ nuttig worden toegepast, omdat er geen aanvoer van een grondstof met gelijkaardige eigenschappen nodig is, gesteld dat de puingranulaten geen afvalstoffen zijn.
    Deze stelling is onterecht (zie hoger) en daardoor worden deze granulaten onttrokken aan de verplichtingen van Vlarea zoals milieuhygiënische analyse, fysische samenstellingeisen (max. 0,5% niet-steenachtig materiaal en max. 0,5% organisch materiaal), geen vrije asbestvezels, Copro-of gelijkwaardige keuring. Pas als aan deze voorwaarden voldaan is kan men zeggen dat de betonpuingranulaten geen afvalstof meer zijn.



5.4. Nadelen/tegenindicaties van de huidige situatie

In het Uitvoeringsplan Bouw-en Sloopafval wordt de nadruk gelegd op het belang van de kwaliteit van de secundaire grondstoffen.

Een van de actiepunten uit dit plan is om een sluitend systeem uit te werken voor gecertificeerde materialen.

Volgens art. 6 §1,II,1° van de bijzondere wet d.d. 08.08.1980, krijgen de gewesten bevoegdheid aangaande de bescherming van het leefmilieu. Dit wil dus zeggen dat de gewesten bevoegd zijn om voorwaarden op te leggen voor de kwaliteit van de secundaire grondstoffen.

Door de niet duidelijk omschreven uitzonderingsbepaling die vooral van toepassing is op mobiele brekers zijn bijna alle mobiele brekers actief zonder vergunning en zonder keuring, met een verlies aan kwaliteit als gevolg .

Er zijn verschillende brekers in het land actief die geïnvesteerd hebben in de verplichtingen die de wetgeving hen heeft opgelegd met het doel een kwaliteitsbewakingssysteem uit te bouwen: weegbrug, labo, Coprokeuring keuring, toestellen om verontreinigingen zoals hout, papier, plastiek en vooral wapeningsijzer af te scheiden, het uitwerken van acceptatiecriteria van binnenkomende vrachten en het aanleggen van een bijhorend register voor alle binnen- en buitengaande vrachten.

Deze installaties ondervinden een aanzienlijk concurrentiëel nadeel en hebben de laatste tijd ernstige problemen met de aanvoer van puin. Op zijn minst dreigt voor één Copro- gekeurde puinbreekinstallatie het faillissement.

Daarnaast levert de interpreteerbaarheid van de uitzonderingsbepaling problemen op bij de inspectie, zeker i.v.m. de vergunningsplicht voor de ‘mobiele’ brekers.

Volgens de gegevens van de VZW COPRO beschikt slechts 47% van de 4,25 miljoen ton gerecycleerde puingranulaten over een COPRO-keuring.

Voor het begrip ‘gelijkwaardige keuring’ wordt opgelegd dat het keuringsorganisme dient geaccrediteerd te zijn door het Ministerie van Economische zaken.

Een grote hoeveelheid puin wordt onder het mom dat aan de uitzonderingsbepaling is voldaan gebroken zonder vergunning en zonder keuring.

Dit komt niet ten goede aan de kwaliteit van de puingranulaten en het bijhorend kwaliteitsbewakingssysteem (1°stap:COPRO-certificatie, 2° stap: CRIC-certificatie en 3° stap: Benorisatie)

Zoals eerder aangekaart wordt ook het aspect toezicht bij de brekers bemoeilijkt.

6. Betrokkenen

6.1 Aanduiding van de bevoegde instantie
OVAM



    1. Andere betrokken instanties

AMINAL


LIN



    1. Rechtssubjecten, doelgroepen

Bouwsector in zijn geheel, vooral de Wegenbouw


7. Advies
7.1 Advies
De uitzonderingsbepaling onder de rubriek 2.2.2 van Vlarem I wordt als volgt geherformuleerd: " Het mechanisch behandelen op de bouwplaats zelf, zijnde een geografisch aaneensluitend geheel, van inerte stoffen die bij de uitvoering van wegeniswerken vrijkomen, wordt in deze context evenmin als een behandeling van afvalstoffen beschouwd indien die stoffen nuttig worden aangewend op die bouwplaats zelf. De nuttige aanwending moet blijken uit het feit dat, indien de restanten niet zouden gebruikt worden, een alternatief met vergelijkbare eigenschappen zou moeten aangevoerd worden als grondstof. "
De uitzonderingsbepalingen worden dus tot wegeniswerken en tot inerte stoffen beperkt.

De formulering spreekt enkel over vergunningsplicht, niet over het feit of het al dan niet om afval handelt.




7.2 Voordelen van het advies

Er zijn geen interpretatieproblemen meer en het toezicht kan eenvoudiger gebeuren.


7.3 Eventuele tegenindicaties van dit advies

-------


7.4 Eventuele overeenkomsten/intoleranties met andere regelgeving

------
7.5 Knelpunten bij het bereiken van de oplossing


-------

9 Acties om tot de voorgestelde oplossing te komen

Wijziging in Vlarem, op te nemen in de lopende Vlaremwijzigingen




10 Eventuele kritische tijdspanne

De procedure voor de Vlaremwijzigingen loopt reeds.



Reactie van mevrouw de minister:
Akkoord met het advies, het voorstel is trouwens opgenomen in het ontwerp van wijziging van Vlarem I en II, waarvoor op korte termijn de principiële goedkeuring van de Vlaamse

Regering wordt gevraagd (de "kleine trein").



Datum: 26 maart 2002
Get. Vera Dua

Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina