Analyse van de crisis piet moerman



Dovnload 82.03 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte82.03 Kb.

Post Scriptum bij Essay ‘Rijnlanders, durft te denken en te twijfelen’:

Analyse van de crisis



POST SCRIPTUM


bij essay ‘RIJNLANDERS, DURFT TE DENKEN EN TE TWIJFELEN !


ANALYSE VAN DE CRISIS

---------------------------------------------------------------------------------


PIET MOERMAN


mei 2009

I. Inleiding

Het essay werd afgesloten op september 2008. Op 10 oktober d.a.v. werd het ge-presenteerd op een bijeenkomst van Rijnlandgroepen in Zwammerdam. Er was op dat moment al sprake van een verwarrende en slecht functionerende financieel-economische wereld. De grote klappen kwamen later. Ook werd begin 2009 duidelijk dat er mondiaal sprake was van een crisis met meerdere gezichten:




  1. De financiële-, bancaire- en kredietcrisis.

Deze is de meest in het oog lopend, omdat daar aan de oppervlakte komt hoeveel biljoenen dollars letterlijk zijn verdampt. In dit voorjaar strijden economen en zelfbenoemde financiële deskundigen over de vraag in hoever en met hoeveel de overheden moeten bijspringen.


  1. De economische crisis.

Deze heeft te maken met het mondiale spel van vraag en aanbod, protectie en vraagstimulering. De door emoties veroozaakte ineenstorting van de vraag heeft vooral export-gerelateerde landen diep getroffen (Japan, Duitsland, China, Nederland). Met name in het spel van vraag en aanbod komen allerlei overwegingen aan de orde die kunnen leiden tot internationale gevangenendilemma’s. Met andere woorden, er wordt vals gespeeld op het mondiale dorpsplein om koste wat het kost aan zijn trekken te komen.


  1. De maatschappelijke, culturele en morele crisis.

Deze heeft te maken met de Westerse samenleving die monomaan is geworden. Geld, macht, hebzucht en bedrog worden uitwisselbaar. Overal hebben de eliten hun voorbeeldfunctie laten varen. In mijn oorspronkelijk essay heb ik uiteengezet dat de modale burger door dat slechte voorbeeld weliswaar zijn bourgeois-kenmerken heeft behouden, maar het citoyen-zijn (het bindend element in de samenleving) aan de wilgen heeft gehangen. Diezelfde burger heeft overigens ook schuld aan de crisis, weliswaar op miniformaat, maar toch!

Immers, hij kende ook de Dexia-winstverdriedubbelaar, de beleggingsclubjes en de diverse geldmakelaars, die de bekende gouden bergen beloofden.


Het afgelopen half jaar werd een gouden tijd voor economische wetenschappers met en zonder Nobelprijs. Eind negentiger jaren van de vorige eeuw waren er tal

van Anglo-Amerikaanse tijdschriften die toen al waarschuwden voor de weten-schappelijke armoede in de economische wetenschap. Een paar voorbeelden uit de tijd van de dot.com hype:




  • Fortune 15.03.1999 : ‘They (de economen) finally speak the same language, but they still can’t solve the big questions.’

  • Newsweek 3.05.1999 : ‘Sunrise of false dawn? Economics has never been a science and it is even less so now than a few years ago. The rising importance of global trade and finance, interacting with national economics, has created new forces that constantly change and are only dimly understood.’

  • The Economist 26.06.1999 : ‘Some of society’s most important decisions concern the far distant future. Up to now, economics has failed to shed much light on them.’

Ondanks de waarschuwingen van lang geleden in gerenommeerde tijdschriften hebben de economische wetenschappers de depressiediscussies gedomineerd. Dit geldt voor beide zijden van de oceaan. De meest recente Nobelprijswinnaar, R. Krugman, komt ons met droge ogen de Levieten lezen. Nu is de man natuurlijk een driftig auteur van talloze boeken die meestal een variatie op één thema opleveren. Hij vindt bij voorbeeld dat Europa de beurs maar eens goed moet opentrekken en

- in navolging van Bernanke - de drukpers maar eens stevig moet laten draaien. We gaan immers een zware crisis tegemoet. Dezelfde auteur schreef tijdens de dot.com hype eind jaren ’90 zonder blikken of blozen dat wij een periode van constante groei tegemoet zouden gaan op de golven van de ‘finance- and service industry’. Maar Machiavelli constateerde al dat mensen een kort geheugen hebben en dus wordt er

lustig op los gekakeld door de zogenaamde deskundigen.


In de Financial Times van 8 april jl. geeft de schrijver N.N.Taleb, schrijver van het boek ‘The Black Swan’, commentaar op het economisch establishment van de voorbije 20 jaar. Een paar punten :


  • The economic establishment (universities, regulators, central bankers, government officials, various organizations staffed with economists) lost its

legitimacy with the failure of the system. It is foolish to put our trust in the

ability of such experts to get us out of the mess (noot van de auteur:

de arrogantie en vanzelfsprekendheid waarmee bankiers en economen

zoals de heer Maas, ex ING, ons de weg wijzen is een aanfluiting van alle

common sense. Immers, de brandstichters gaan de brand blussen!)


  • Complex derivatives need to be banned because nobody understands them.

  • Marginalising the economics and business school establishment, shutting down the ‘noble’ in economics.

De in waardeoordelen verpakte adviezen zijn het grote gevaar van dit moment. De socioloog Max Weber waarschuwde ruim een eeuw geleden voor dit fenomeen. De professor mag nooit in de schoenen van de beleidsmaker gaan staan. Het vervagen van de grenzen tussen ‘ist’ en ‘soll’ geeft op dit moment al verwarring genoeg, omdat ook de beleidsmakers het spoor bijster zijn.


De analyse en oplossingrichtingen van de huidige gestapelde crisis kan op meerdere manieren worden afgewikkeld. De deskundigen op wier denken ik me heb gebaseerd, hebben allen een Duitstalige culturele achtergrond. (Ik heb die ziens-wijzen wel gelardeerd met Angelsaksisch commentaar.) Zoals ik schreef in de proloog van bovengenoemd essay, ligt de splijtzwam voor de huidige ellende verborgen in de discussies die plaatsvonden op de Mont Pèlerin in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. De lijnen die vanuit hier getrokken kunnen worden, zijn in feite die van de economische wetenschap in een liberaal perspectief. Dat versplinterde in de zestiger jaren en bracht een nieuw laissez-faire liberalisme voort dat de meeste aantrekkingskracht had en belangrijke aanhangers (Margareth Thatcher en Ronald Reagan).
Een andere lijn die minstens zo belangrijk is, is de sociologische, die loopt van Max Weber naar Ralph Dahrendorf. Merkwaardigerwijs is in de discussies van de afgelopen tijd nooit gerefereerd aan deze belangrijke lijnen en aan de grensvlakken tussen de sociologie en economie in het Duitstalige cultuurgebied.
Op de Mont Pèlerin zaten twee belangrijke Duitse denkers van de nieuwe Bondsrepubliek, Walter Eucken en Wilhelm Röpke, met Ludwig Erhard als Minister van Economische Zaken. Eucken was een realist, Röpke was meer bevlogen. In de discussies op de berg kwam steeds het twistpunt naar voren hoe het primaire liberale gedachtengoed van de vrijheid gestalte moest krijgen. Moest dat ingeperkt worden of onbeperkt zijn, ook in relatie tot zogenaamde marktwerking? Het overleg werd emotioneel zwaar belast door de recente rode, zwarte en bruine dictaturen die vrijheid en marktwerking naar de prullenbak van de geschiedenis hadden verwezen. Zeker Friedrich von Hayek en Karl Popper verfoeiden elke overheidsinmenging. Daarmee was eigenlijk het schisma een feit. Immers Popper, Von Hayek en Friedmann kozen voor het laissez-faire kapitalisme/liberalisme. In feite was dat de Birmingham-variant van de oude klassieke school, beschreven door Thomas Macaulay in 1830 : ‘Our rulers will best promote the improvement of the nation by strictly confining themselves to their own legitimate duties, by leaving capital to find its most lucrative course, commodities their fair price, industry and intelligence their natural reward, idleness and folly their natural punishment, by maintaining peace, by defending property, by diminishing the price of law, and observing strict economy in every department of the state. Let the government do this; the people will assured do the rest.’

Reagan en Thatcher worden later de politieke protagonisten van het liberaal- economische laissez-faire model. Dit model heeft zeker na de val van het communisme de Westerse wereld gedomineerd. Michel Albert constateerde, zoals eerder geciteerd: ‘Het model is sexy en uitdagend.


II. Analyse

Na de opmerkingen en kanttekeningen die ik het voorgaande heb gemaakt, ben ik nu aangekomen in het spel van vragen, antwoorden, paradigma’s en oplossingen. Laat ik eerst kijken in de richting van de sociologie en de oervader ervan Max Weber. Deze schreef rond 1900 het beroemde boek over ‘Der Geist des Kapitalismus’. Weber was een man die vragen stelde en niet zozeer oplossingen aanreikte. Bovendien was hij een voorstander van waardevrijheid in de gedragsweten-schappen. Recepten om bindende normen of idealen uit te dragen zijn volgens hem uit den boze.

In het midden van de zeventiger jaren van de afgelopen eeuw begonnen sociologen de culturele tegenstellingen van het kapitalisme aan discussies te onderwerpen. In het democratisch kapitalisme was een breuk ontstaan tussen morele waarden en de instrumentele waarden waarop het kapitalisme was gebaseerd. De malaise van de hedendaagse kapitalistische samenleving is waarschijnlijk te wijten aan een slechte verbinding tussen acties in de mechanistische betekenis (economisch, zakelijk en

professioneel) en de ‘geest’, dat wil zeggen het doel of betekenis van die acties. Weber voorspelde dit in zijn bovengenoemd boek waarin hij waarschuwde dat mensen specialisten zonder geestkracht en hedonisten zonder hart zouden worden. Zeker nu, in de maatschappelijke en morele crisis, moet men in de rol van het zaken doen rekening houden met deze uitspraak van Weber. Als wij niet wensen te leven of werken in wat Weber noemt ‘ein eisernes Gehäuse der Hörigkeit’, dat wil zeggen organisaties die zeer efficiënt en rationeel zijn, maar tevens koud en gedehumaniseerd, moet de samenleving zich in een ijltempo bezinnen op haar functioneren in de 21e eeuw. Een dialoog over Weber kan ons helpen bij het herdefiniëren van de rol van het zakendoen met betrekking tot een ethiek van verantwoordelijkheid. Tegenwoordig refereert die ethiek niet alleen aan het individu zelf, maar ook aan de verantwoordelijkheid die men deelt met andere sociale en maatschappelijke actoren. Dit brengt de vraag naar voren: welke individuele en collectieve rol behoort het zakendoen te spelen in de sociale betrekkingen op lokaal, nationaal en global niveau? Pas dan zal het zakenleven door de samenleving opnieuw worden aanvaard als een actief lid van een hernieuwde gemeenschap.

Kortom, een heronderzoek naar de rol van het zaken doen in de 21e eeuw impliceert een herdefinitie van het ethos der economische activiteiten in een globale en onderling afhankelijke wereld.

Wij kunnen misschien op basis van Webers prangende vragen tegemoetkomen aan deze nieuwe uitdagingen. Deze zijn een alles omvattende sociale innovatie.

De opvattingen van de hedendaagse socioloog Ralf Dahrendorf - genoteerd in het Duitse maandblad ‘Cicero’ van maart 2006 en beschreven door Huub Broekhuijse - geven een duidelijke aanvulling op Weber. Dahrendorf had als socioloog en decaan van de London School of Economics veelvuldig contact met de laissez-faire liberalen van de Mont Pèlerin Gesellschaft (Von Hayek en Popper). Dahrendorf is een overtuigd Kantiaan. De opvatting van Kant over Verlichting, Vrijheid en Vooruitgang zijn de basis voor Dahrendorfs vrijheidsbegrip. In de ogen van Kant is de Verlichting de uittocht van de mens uit zijn aan zich zelf te wijten onmondigheid. Dat wil zeggen: om zich zonder leiding van anderen van zijn eigen verstand te bedienen. Dus: sapere aude! : durft te denken, en vooral heb moed en lef om zelfstandig te denken! Kant voegt daar in de Berlinische Monatschrift van september 1784 aan toe: ‘Op elk moment zelfstandig denken, is Verlichting’. En vervolgens ‘ De hoogste toets van de waarheid is in het eigen verstand te vinden!’. Eigenlijk is dit de boodschap van Dahrendorf. In de Kantiaans/Weberiaanse verantwoordingsethiek stelt men zich niet tevreden met zogenaamde goede bedoelingen. Men moet tevoren ernstig overwegen (sapere aude) welke de mogelijke nadelige e/o rampzalige gevolgen zijn van het voorgenomen handelen. Vrijheid is altijd verantwoording dragen. Zelfbepaling en zelfbeperking horen tezamen. Dahrendorf stelt bij het huidige laissez-faire kapitalisme, ontstaan na het schisma op de Mont Pèlerin, dat hij teleurgesteld is over de teloorgang van de welgekozen zelfbeperking. Hij ziet het ook als een verdwijnen van de opvattingen van Kant in zijn ‘Kritik der Urteilskraft’ dat de wilsvrijheid van de mens hem zijn waarde en waardigheid geeft.

Na de val van de Muur houdt Dahrendorf zich bezig met de zich opnieuw ontwik-kelende wereldorde. Hij vindt Fukuyama met zijn “Einde van de geschiedenis’ een charlatan. Zich baserend op Kant ziet hij een herstel van een pluriforme wereld-cultuur. In het blad ‘Cicero’ van maart 2006 ontvouwt Dahrendorf enige gedachten over de huidige maatschappij en samenleving in een overrompelend globaliserings-proces:

‘Velen hebben geprofiteerd van de dynamiek van de globalisering, maar de ongelijkheid is ook steeds groter geworden. In een egalitaire samenleving vindt redressering plaats ten nadele van toekomstige generaties. Egalitarisme kan leiden tot een uittocht van zogenaamde talenten. Deze zoeken naar een samenleving waar een innovatief, dynamisch klimaat is.’ Dit is het dilemma dat Dahrendorf als goed liberaal ziet opdoemen. Hij opteert daarom voor twee grenzen ter oplossing van het dilemma.


  1. Ongelijkheid is met vrijheid onverenigbaar wanneer zij de kansen van mensen op deelname aan de politieke gemeenschap, de markt of de burgerlijke samenleving beperkt. Met andere woorden: in verband met de burgerlijke grondrechten is een vaststelling van een gegarandeerd minimumloon essentieel. Aan de andere kant van het spectrum rijst de vraag of het gedrag van de kapitalistische elite op het gebied van salarissen, premies, aandelenopties, etc. het aanzien van de kapitalistische, liberale samenleving ten goede komt.

  2. Wanneer rijkdom tot ongecontroleerde macht wordt, moet iets worden ondernomen om deze ontwikkeling te stoppen. Immers, individuele excessieve rijkdom wordt een probleem als de kansen op participatie van anderen beperkt wordt.

.

Een vrije samenleving dient beide grenzen van ongelijkheid te accepteren.

Als dat gebeurt, wordt het mogelijk dat ongelijkheid kleur en pluriformiteit in de samenleving brengt. Vrijheid in Kantiaanse zin is immers een indicatie voor leefbaarheid, flexibiliteit en innovatie in een samenleving. Vrijheid is niet slecht wanneer de uitwassen worden uitgebannen. Sociale uitsluiting en gepersonaliseerde macht op grond van rijkdom zijn zonder meer onacceptabel. Acceptabele sociale en economische ongelijkheden zijn echter wel de legitieme en noodzakelijke prijs die wij voor die vrijheid moeten betalen!
Zie hier de contouren die drie grote Duitse wetenschappers (Kant, Weber, Dahrendorf) hebben geschetst voor een samenleving van en voor mensen. Men is snel geneigd aan bruine, zwarte en rode dictaturen te denken als mislukte samen-levingen. Uit het voorgaande blijkt dat ook de zogenaamde Westerse kapitalistische samenleving veel nuances van ontmenselijking en onvrijheid hebben, zoals nu ook blijkt in deze crisis. De opmerkingen van de grote drie moge een opmaat zijn voor een grondige reconstructie. ‘Quick fixes’ zoals vooral in de economisch/financiële machtscentra worden gesuggereerd, zijn niet voorhanden. Ik kom hier nog op terug.
De in het voorgaande besproken morele crisis roept meer vragen op dan oplos-singen. Een ding staat mijns inziens wel vast en wordt in de Duitse literatuur uitvoerig besproken. Het betreft het functioneren van de eliten in onze huidige maatschappij. Vooral Dahrendorf heeft zich hieraan gestoord. Het is de moeite waard als een soort toevoeging recente publikaties te releveren over de teloorgang van de eliten.

Laat ik beginnen met Helmut Schmidt, auteur van ’Auf der Suche nach einer öffentlichen Moral’ (1998). Hij verwijst naar Max Weber en zijn beroemde rede

Politik als Beruf’. Weber karakteriseert de politicus met drie eigenschappen:

Leidenschaft, Augenmass en Verantwortungsbewusstsein. Weber plakt daar twee zogenaamde maximen aan vast, namelijk Gesinnungsethik en Verantwortungsethik. Gesinnungsehtik gaat ervan uit dat alles wat men doet is welgedaan, zonder naar de gevolgen te kijken. Verantwortungsethik stelt dat de mens verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn handelen. Als er vervolgens wordt gekeken naar het handelen van de eliten in onze huidige samenleving, is dat een intrigerend onderscheid. In een verdere bespreking van deze soorten ethiek en de invloed op en van de elites komt Schmidt tot de volgende uitspraak: ‘Niet alleen kerken, ook universiteiten, scholen, professoren en leraren, hebben een deel van hun authoriteit verloren, die vroeger normaal was. Datzelfde geldt voor de lagere rechtsspraak, advocaten en vele anderen in de vrije beroepen. Met dit verlies aan authoriteit gaat ook het vertrouwen

teloor. Het algemene vertrouwensverlies ten opzichte van de functie-eliten betreft vele van onze belangrijke instituties en beroepsgroepen. Het reikt van de politieke partijen en politici tot de media, de banken en beurzen, tot aan managers in de industrie en bedrijfsleven.’ In veel gevallen heeft het publiek de indruk dat de functie-eliten meer op hun eigen voordeel uit zijn dan op het publieke belang.

Er zijn eliten die vooral aan macht en geld gebonden zijn, maar er zijn ook groepen die uit puur eigenbelang veranderingen tegenhouden. Velen hebben zich de stijl van de politieke klasse eigen gemaakt: ‘Veel geschreeuw en weinig wol.’

Weer anderen laten zich aansteken door de geldzucht van de managerklasse. Zij

willen dus steeds hogere kansen en winstcijfers genereren! Uiteindelijk bederven slechte voorbeelden de publieke zeden. Tot zover Schmidt in 1998. De actualiteit na 10 jaar had niet treffender kunnen zijn.

Ook Julia Friedrichs met haar boek ‘Eliten - auf der Spuren der Mächtigen von morgen’ legt als jonge vrouw de vinger op de zere plek. De publikatie uit 2008

sloeg in Duitsland in als een bom. De overeenkomsten met de zienswijze van Helmut Schmidt zijn treffend. Als zij beschrijft hoe bij een zogenaamd ‘Edelassessment’ in een vijfsterrenresort in Griekenland een dertigjarige medewerker van McKinsey haar vertelt hoe de zakenwereld in elkaar steekt. ‘Even een luchtvaartmaatschappij reorganiseren. Het kaf van het koren scheiden, het bedrijf slanker maken, weerstand breken, kosten reduceren, uiteindelijk de verliezers en de winnaars sorteren!’ Zo werkt de kapitalistische samenleving met aandeelhoudersbelangen op de voorgrond. In dit geval zijn de eliten geen voorbeeld meer, maar een soort maatschappelijke sorteermachine.

In 2006 verscheen ‘Der lange Abschied vom Bürgertum’ met daarin een

samenspraak tussen Wolfgang Siedler (publicist), Joachim Fest (schrijver, journalist F.A.Z.) en Frank Meyer (media-ondernemer). Een van de belangrijkste conclusies die zij trekken, is dat de eliten hun verantwoordelijkheid hebben ingeruild voor geld, status, macht en aanzien. De modale burger is hierdoor aangestoken en heeft een deel van zijn dubbele identiteit op de schroothoop gegooid. Dat wil zeggen: de Franse revolutie en de Verlichting gaven aan de burger twee gezichten, namelijk bourgeois (voor het economisch welbevinden) en citoyen (voor maatschappelijke coherentie). De teloorgang van de authentieke burger baart de auteurs grote zorgen.

Zij vragen zich af hoeveel egoïsme en machtsmisbruik een democratie verdragen kan. Hoe groot de gevaren van de economisering zijn, wordt aangeduid door Frank

Meyer: ‘Er is een kritische massa nodig om de democratie weerbaar te maken. Hebben wij teveel kritische massa verloren? Wat heeft dat te maken met economisering? Welnu: politiek is op het geheel gericht, economie slechts op een maatschappelijk deelterrein. Niettemin is economisering in onze samenleving de alles beheersende macht geworden. Als dit proces niet wordt gestopt, verliezen de democraten de macht. De burger gaat zich namelijk onmachtig voelen op diverse maatschappelijke gebieden. Marktwetten dreigen de samenleving en maatschappij te usurperen. Een quasi totalitaire macht is dan niet meer veraf, met alle gevolgen vandien.‘

Gräfin Marion Dönhoff beschrijft dit proces als politiek redacteur van Die Zeit als

volgt. In het nummer van 24.11.95 : ‘Das Streben nach Gewinnmaximierung zer-

stört die Solidarität …….. Niemand hat heute eine Vision. Das geistige Leben scheint beklemmend leer.’ In de uitgave van 30.08.96: ‘Zivilisiert der Kapitalismus ……..

Nie zuvor gab es in Europa so viel Korruption in bis in die höchsten Kreise.’ (de eliten dus!)
De maatschappelijk/sociologische context die in het voorgaande aan de orde is gesteld, leidt niet tot een receptuur voor deze crisis. Wel is te zien dat er de nodige vragen rijzen, zoals hoe het zo ver heeft kunnen komen. Diverse auteurs hebben erop gewezen, maar ‘het volk’ en zijn leiders luisterden niet en hadden amper een perceptie van wat er stond te gebeuren! De vragen en feiten rond de sociologische context hebben mijns inziens in hoofdzaak te maken met het zondigen tegen het verlichtingsprincipe van Kant. Hij waarschuwde tegen het uitbesteden van zelfstandig en kritisch denken. Als er iets in deze samenleving is dat tot de crisis heeft geleid, is dat de gemakzucht waarmee velen in alle geledingen hun denken hebben uitbesteed aan MBA-achtige structuren en personen. Hun command- en controlmentaliteit heeft de samenleving verziekt en mentaal verzwakt. Het onder-kennen van dit manco is een eerste schrede naar het oplossen van de maat-schappelijk/ morele crisis.
Een andere invalshoek die ik wil behandelen bij de huidige crisis is de financieel/economische. In de inleiding van het essay is uiteengezet hoe op de Mont Pèlerin de scheiding der geesten plaatsvond. De kwestie van de definitie van het neoliberalisme liep daar uit op een schisma. Von Hayek, Popper en Friedmann werden de representanten van de nieuwe laissez-faire school, later uitmondend in de zogenaamde Chicago School, waarin de monetaire/ c.q.aanbodseconomie

prevaleerde. Thatcher en Reagan werden de grote protagonisten die samen het

gedachtengoed onderbrachten in hun politieke filosofie.
Walter Eucken en Wilhelm Röpke haakten af. Na het uiteenvallen van de liberale discussiegroep in een continentaal model en een nieuw laissez-faire model begon de opmars van het marktkapitalisme. Deze scheuring wordt toegelicht door Philip Augar in de Financial Times van 14.09.09. Augar stelt hierin dat vooral na het ineenstorten van de ‘Bretton Woods’ afspraken over vaste wisselkoersen ten opzichte van goud

de opmars begon van de Chicago School. Hij beschrijft ook dat door het ontwerpen van de shareholdervaluethese door Rappaport het bedrijfsleven meteen betrokken werd bij het nieuwe laissez-faire paradigma. Uiteindelijk namen wetenschappers, banken en managementconsultants de ideeën over in hun research- en advies-praktijken. Hij beschrijft de ongeëvenaarde invloed van de financiële wereld op de politieke wereld, vooral in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. De ‘City’ en ‘Wallstreet’ werden een soort gewijde grond, waar het rotsvaste geloof in de ongebreidelde vrije markt kon worden beleden. De afgedwaalde tak van de Mont Pèlerin bijeenkomsten, het continentaal model, werd als achterhaald en niet conform aan de globalisering aan de kaak gesteld. Ook aan de orde komt dat ‘Finance’ de tentakels uitspreidde naar de academische wereld, waar de moeilijke sommen voor de hedgefondsen moesten worden gemaakt. De column van Augar vindt een goede aanvulling in eveneens een bijdrage in de Financial Times van 8.04.09, met als auteur N.N.Taleb, getiteld ‘Ten principles for a black swan proof’. Enige prangende uitspraken heb ik in de inleiding geciteerd.

In een eerder artikel van N.N.Taleb met P.Triana in de Financial Times van 8.12.08 maakt hij duidelijk dat ‘bystanders to this financial crime were many’. In de subtitle wordt vermeld ‘When you see a quantitave expert shouts for help, call for his disgrace, make him accountable.’

Een artikel in Trouw van 27.02.09 sluit perfect aan op de artikelen in de Financial Times. H. van Houtum zegt daarin ‘Haal McDarwin uit het onderwijs.’ ……. ‘de universiteit is slachtoffer van fabrieksideologie’. Met andere woorden, de lender of last resort voor de Kantiaanse wijsheid en oordeelskracht is een seculier/religieuze gemeenschap geworden met zijn eigen hogepriesters, gelovigen en ketters. Voor de economische wetenschap, die zich de koningin der sociale wetenschappen noemt, is dit alles een beschamend testimonium paupertatis. Wilhelm Röpke sprak in de veertiger jaren van de vorige eeuw al over de nieuwe universiteiten als colchozen van de wetenschap.

Vooral de hemel ingeprezen Chicago School kan dit zichzelf aanrekenen, omdat zij alle regels van de Kantiaanse wetenschapsbeoefening met voeten heeft getreden. De continentale c.q. Nederlandse meeliftende economische faculteiten zijn eigenlijk zielepoten. De post-hoc-verklaringen vliegen ons om de doren, terwijl de argeloze burger zich afvraagt waar de hooggeleerde dames en heren ex ante waren.
In het boek ‘Ludwig Erhard – der Wegbereiter der sozialen Marktwirtschaft’ (Siedler, 2005) komt naar voren hoe de andere partij van het Mont Pèlerin Gesellschaft (vooral Alexander Rüstow, Walter Eucken en Wilhelm Röpke) op de achtergrond Erhard in staat hebben gesteld orde op zaken te stellen in de periode na W.O.II.

Duitsland zat namelijk op alle terreinen aan de grond. Erhard heeft met boven-genoemde steun in de politiek en wetenschap Duitsland in 5 tot 10 jaar er boven op geholpen. Wat zijn de lessen die nu kunnen worden getrokken uit de opvattingen van die andere liberale denkers? Uit de levensbeschrijving van Erhard komen enige interessante denkbeelden naar voren, zoals:




  • De mensen moeten de vrijheid krijgen hun eigen potentieel te ontwikkelen. Noch vrije markten noch democratie komen vanzelf tot stand.

  • Op basis van talloze geschriften van Röpke trok Erhard de volgende conclusies: een regering is nodig om uitwassen in de vrije markt te verhinderen, en tegelijk de mensen de grootst mogelijke vrijheid te laten om een eigen leven te leiden. Het ingrijpen van de overheid mag het prijs-mechanisme niet hinderen.

  • Walter Eucken, meer als Röpke een realist, was ervan overtuigd dat (in tegenstelling tot Von Hayek) markten noch spontaan ontstaan noch automatisch funtioneren.

  • In een vrije democratie met een vrije markt ligt het nut van zo’n samenleving niet in de verdeling van het bruto sociaal product, maar in het genereren ervan.

  • In de optiek van Erhard is een vrije prijsvorming noodzakelijk om mensen vertrouwen te geven in de ‘soziale Marktwirtschaft’. Dit prijssysteem moet bewijzen dat het niet ten dienste staat van een paar rijke kapitalisten.

  • Een belangrijke ethische doelstelling van Erhard was de volgende: Mensen moeten behoed worden voor de willekeur van de autoriteiten en private instituties. Hij streefde naar een samenleving van vrije mensen die hun morele verantwoordelijkheid tegenover de samenleving als totaliteit aanvaarden.

  • Er waren naast het ongebreidelde kapaitalisme en het totalitarisme ook nog christelijke socialisten als tegenstrevers. Deze laatsten waren immers tegen een vrije markt met vrije concurrentie, omdat zij vreesden dat het individualisme afbreuk zou doen aan de sociale harmonie.

  • Erhard liep in de loop van de jaren ’50 tegen een van de thesen van

J. Schumpeter aan over de groeitheorie (in het boek ‘Capitalism, socialism

and democracy). Hij stelde daarin dat mensen zo aan de voordelen van de

vrije markt wennen, dat zij alles - zoals welvaart - als vanzelfsprekend gaan

beschouwen, waardoor misbruik op de loer ligt (op dit moment uitermate

actueel). Von Hayek wees ook op het gevaar van de overgang naar

autoritaire systemen.



  • Erhard heeft als een evenwichtskunstenaar getracht zijn zienswijze over de authentieke derde weg ingang te doen vinden. Wilhelm Röpke had al geruime tijd ervoor in diverse boeken zijn ethische en maatschappelijke Interpretaties gegeven in diverse boeken. Walter Eucken was minder bevlogen. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in de vertolking van het echte liberale gedachtengoed.

Het probleem van het Duitse Wirtschaftswunder uit de periode Adenauer/Erhard, dat mijns inziens het pure Rijnlandmodel dicht benaderde, is de snelle aftakeling. Er wordt aan twee zijden getrokken, namelijk door de opkomende sociaaldemocratie aan de ene kant en de verlokkingen van het Anglo-Amerikaanse model anderzijds.

Er moet niet worden vergeten dat de bewondering van de Duitsers voor de Amerikaanse daadkracht en bescherming zwaar heeft gewogen. Daarom kan op

20 april 2009 in de Financial Times de prangende vraag worden gesteld: ‘Where are the star economists to defend German policy?’ Deze vraag verbergt eigenlijk een politiek/cultureel drama. De vraag naar ‘star economists’ is al waanzinnig, omdat de brandstichters nu ineens getransformeerd worden tot super brandbestrijders. Maar daarnaast heeft de auteur van bovengenoemd artikel, Ralph Atkins uit Frankfurt, niet het historisch besef dat er in het nabije verleden in Duitsland een uitstekend draaiend economisch systeem was. Dat had geen sterren. En werd uiteindelijk door een mix van bewondering voor de overwinnaar en beschermer en een groot minderwaardig-heidscomplex ten grave gedragen. De heer Atkins heeft de slagzin van Angela Merkel bij het CDU congres vorig najaar niet begrepen. Achter het podium stond namelijk met grote letters ‘Mass und Mitte’ (menselijke maat en balans). Wij

moeten als Rijnlanders niet vertrouwen op de whizzkids van Chicago, Princeton, Harvard, etc. Daar zijn al genoeg foute sommen gemaakt, op basis van pure arrogantie. Tijdens het Wirtschaftswunder werd ook gekeken naart zaken als ethiek, sociologie en filosofie.

De economen rond Erhard zagen hun economisch/maatschappelijk model, waarin heel veel punten zaten die nu voor herstel kunnen worden gebruikt, als volgt.

Drie begrippen, nauw met elkaar zijn verbonden, speelden een belangrijke rol:


  • vrijheid

  • ordening

  • gemeenschapszin

Vrijheid staat op nummer 1, maar wel met een duidelijk waarden- en normenbesef.

Zij constateren een ontvlechting van het sociaal/maatschappelijk weefsel en een verval van gemeenschapszin. Het voortschrijdende individualisme en de massaliteit dreigen volgens hun hand in hand te gaan. Wij zijn massale stemburgers geworden, zonder gemeenschapszin en sociale netwerken. Zowel de extreme ‘rechten’ van het collectivisme als van het individualisme c.q. anarchisme zijn verwerpelijk.



Marktwirtschaft kan slechts gedijen als burgerlijke totaal-ordening, d.w.z. in een samenleving waarin de mens eigendom bezit, niet geproletariseerd is en nauwe banden heeft met zijn directe omgeving. Economische c.q. marktvrijheid is onverbrekelijk verbonden met vrijheid in moreel/politieke zin. Marktwerking vindt plaats in een ‘lauw klimaat’ zonder hartstochten, zonder enthousiasme, maar ook zonder misdadig gedrag. De zgn. democratie van de markt heeft veel schoonheids-fouten die om correctie vragen. Zij is echter wel in staat van de klant een koning te maken. De overheid moet daarom achterwege laten om in te grijpen in het prijsmechanisme.

Zuivere marktwerking betekent dat de prestaties van de producent gewogen worden door de consument. Dat kan leiden tot het uitvallen van niet-adequate producenten. Marktwerking berust op twee pijlers, namelijk vrijheid van prijzen en concurrentie, maar ook op de vrijheid om privé-eigendom te hebben. Marktwerking is een nood-zakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor een gelukkige, rechtvaardige en geordende samenleving. Zij heeft geen antwoord op alle economisch/maatschap- pelijke vragen. Het ultra-liberale adagium dat markt en concurrentie alle nood-zakelijke voorwaarden vervullen is wezenlijk fout. De economische wetenschap moet een anti-utopistische, anti-ideologische wetenschap zijn. Door deze eigenschappen met een appèl aan feiten en gezond verstand moet zij de temperatuur van de politieke hartstochten afkoelen.


Over de economische wetenschap zelf kan het volgende worden opgemerkt:

  • Bij een maatschappij- en gedragswetenschap als economie zijn waarde-oordelen onomkoombaar.

  • De economische wetenschap is echter geen vervanging van waarden en normen.

  • Over-specialisatie leidt tot afstomping.

  • De economische wetenschap is geen natuurwetenschap (science), maar een geestes- c.q. gedragswetenschap. Wiskunde kan gebruikt worden om zaken precies aan te duiden. Zij moet zich echter verre houden van onderwerpen die te maken hebben met morele en andere typische menselijke eigenschappen.

  • De economische wetenschap mag ook niet geïnstrumentaliseerd worden (econoom als kringloopingenieur).

De vrije concurrentie kan slechts gedijen onder bepaalde waarden en normen, zakelijk fatsoen, loyaliteit, een faire toepassing van spelregels, arbeidsethos en een beroepseer die bedrog, omkoping e.d. afwijst.

Marktwerking maakt slechts een beperkt deel uit van het maatschappelijk leven. Mensen zijn niet alleen concurrenten, producenten, consumenten, zakenlui, aandeelhouders, spaarders en investeerders. Er zijn twee typen marktwerking (Marktwirtschaft). Het ene heeft betrekking op een geatomiseerde, geproletariseerde en door massaliteit gekenmerkte en aan concentratie ten prooi gevallen samen-leving. Het andere is een samenleving met grotere verbreiding van het eigendom, bestaanszekerheid en echte gemeenschapszin die grenzen stelt aan concurrentie en het prijsmechanisme. Mobiliteit van arbeid en arbeidsdeling vragen een hoge maatschappelijke prijs, namelijk de prijs van ontworteling, ontheemding en ver-vreemding.

Eigenlijk zijn dus de uitgangspunten van het oorspronkelijk Rijnlandmodel heel eenvoudig. Later zou dit alles als der dritte Weg de literatuur ingaan. Merkwaardigerwijs wordt in de Financial Times hierover niet gerept. Natuurlijk is het maatschappelijk Europees model van de jaren ’50 niet één op één in het heden toepasbaar. Maar wij moeten als Rijnlanders nieuwe stijl met Kantiaans élan de discussie weer aangaan.

Ik realiseer me dat de twee wegen die ik heb bewandeld om de huidige crisis te duiden, namelijk de economische en de sociologische, niet zomaar op het heden toepasbaar zijn. Vooral de waardevrijheid van Weber die bij hem een belangrijke rol speelt, is bij Röpke niet aan de orde.
Waarschijnlijk moeten de exorbitante omstandigheden waarin het authentieke

Rijnlandmodel tot stand kwam daartoe als argument worden gebruikt. In het boek ‘Wilhelm Röpke – ein Leben in der Brandung’ van H.J. Hennecke (Schäffer Poeschel, 2005) komt de worsteling naar voren van de wetenschappers Eucken, Röpke en Rüstow, met Erhard als regisseur. Ik weet niet wat Max Weber als wetenschapper zou hebben gedaan in deze extreme omstandigheden. Wat Europa op dit moment nodig heeft, zijn geen economen met sterallures, die een soort galeislaaf zijn van de politiek/maatschappelijke systemen. Redelijk positief ingestelde tijdschriften als de Financial Times en Die Zeit hebben de afgelopen twee jaar in alle toonaarden duidelijk gemaakt dat de economische wetenschap haar doel voorbij is geschoten.

Om met Röpke te spreken: economie is geen ingenieurswetenschap. Analogie met physische systemen leidde tot levensgevaarlijke berekeningen en conclusies. Dr. Ronald Howard, hoofd van de Decision Analysis Group van het Stanford Research Institute, zei mij in 1971 bij een tafelgesprek: ‘Als er sprake is van complexiteit, dynamiek en stochastiek in één verschijnsel, dan is bij berekeningen uiterste voorzichtigheid geboden.

De oplossingen – voor zover aanwezig – liggen dus niet in andere sommen en prognoses, maar in een mentaliteitsombuiging. Hiermee bedoel ik dat op het mondiale marktplein maar één regel geldt, namelijk fair play! Als dit niet lukt, zijn de huidige problemen onoplosbaar. Een aanzet tot fair play kan onder meer gegeven worden als de Anglo-Amerikanen ophouden de wereld op te zadelen met regels als Sarbanes Oxley, IFRS, en de non-sensicale triple A-rating. De E.U. moet bij voorbeeld niet slaafs achter de financiële centra in de ‘City en Wallstreet’ aanlopen. Immers, veel van de huidige ellende is veroorzaakt door de verleiding van het ogenschijnlijk daadkrachtig Anglo-Amerikaans laissez-faire kapitalisme. Dat de Europese bankiers hiervoor door de knieën zijn gegaan, is voor die beroepsgroep een beschamend getuigenis dat niet met een paar obligate excuses is goed te maken.

Zeker in de E.U. zullen de natiestaten luid en duidelijk over het voetlicht moeten brengen dat ambachtelijk vakmanschap en creativiteit weer hoog genoteerd staan. Het sprookje van outsourcen naar zogenaamde lage-lonen-landen moet maar weer eens tegen het licht worden gehouden. De uit de hand gelopen schijnwereld van bankers en managers moet worden vervangen door een reële wereld met werkers die niet beloond worden vanwege hun mooie praatjes, maar vanwege hun zelforganierend vermogen en vakmanschap!
III. Conclusie

De huidige crisis is, zoals eerder gesteld, een mengvorm van meerdere crises. Daarnaast zijn er ook nog diverse locale crises. Kortom, er is sprake van de metafoor van Carl von Clausewitz, namelijk ‘de mist van de oorlog’. In zo’n situatie kan de opperbevelhebber (leidende elite) niet steunen op oude uitgesleten strategieën. Immers, iedere tijd heeft zijn eigen oorlogen en dus ook zijn eigen strategieën. Het leiderschap moet dan bottom-up kunnen vertrouwen op de betrouwbaarheid, betrokkenheid, berekenbaarheid en het continuïteitsgevoel van de troepen. Met andere woorden: het leiderschap moet zorgen voor een huis op orde.





Cultuurhistorisch

referentiekader



Huis op Orde

Maatschappelijk draagvlak
straight arrow connector 17 straight arrow connector 20

Sociaal-politieke transparantie


Techno-economische potentie



straight arrow connector 15straight arrow connector 23

Toelichting


  • Cultuurhistorisch referentiekader: het cultureel erfgoed met zijn Kantiaanse wortels van wijsheid, twijfel, verwondering en debatteren moet terug.

  • Sociaal-politieke transparantie: een grotere wisselwerking tussen de diverse functie-eliten moet leiden tot meer maatschappelijke cohesie.

  • Maatschappelijk draagvlak: de bourgeois en citoyen worden weer verenigd.

  • Techno-economische potentie: maakactiviteiten komen weer centraal te staan met bijbehorende kennisoverdracht, creativiteit en vakmanschap. Zelforganiserend vermogen i.p.v. spreadsheetcultuur.

Bij het geschetste ‘huis op orde’ zullen de planningmethoden en mentaliteit fundamenteel moeten veranderen. Pro-actieve scenario’s, gebaseerd op extrapolatie van bestaande tendensen, werken niet meer. De klassieke gouvernementele modellen, die eigenlijk toekomstboekhouding waren, zijn niets meer waard. Bij de nu optredende discontinuïteiten is elke cijferexcercitie levensgevaarlijk.

De planninginstanties van de landelijke overheden moeten overschakelen van een pro-actieve toekomstboekhouding naar interactieve scenario’s. Dat wil zeggen, scenario’s waarbij andere participanten worden betrokken. Zo’n interactief planningmodel moet dus coördinerend, integrerend, participatief en doorlopend zijn. Vooral het waarnemen en interpreteren van zwakke signalen speelt bij deze scenario’s een doorslaggevende rol. Niet de getallen zelf zijn belangrijk, maar vooral de intensiteit en de richting waarheen ze wijzen. Voor command- en control-organisaties naar Anglo-Amerikaanse snit, met bijbehorende spreadsheetcultuur, is dat een fundamentele ommezwaai. Wij moeten ons als Rijnlandgroeperingen realiseren dat niet kan worden teruggevallen op uitgebreide Rijnlandse ervaring. Daarvoor heeft het pure model te kort bestaan.

Opvallend zijn de witte vlekken bij de economische wetenschappelijke eliten, waaronder Nobelprijswinnaars. In de Financial Times van 15.04 jl. schrijft Nobelprijswinnaar 2006 E.Phelps over het verleden van het kapitalisme, over Keynes, over Schumpeter, maar over de Mont Pèlerin discussies - die tot het tragische schisma leidden in het liberalisme - wordt met geen woord gerept.


Om tot slot het authentieke Rijnlandmodel te markeren, het volgende:

Erhard c.s. moesten hun gedachtengoed verdedigen tegen:



  • Het laissez-faire kapitalisme

  • Het katholieke corporatisme

  • De sociaaldemocratie

  • De totalitair-communistische ideologie

Bij een revival van een nieuwe stijl Rijnlandmodel moet ook nu met de toenmalige controversies rekening worden gehouden. Ook in de Bondsrepubliek is het aantal voorstanders van het Rijnlandmodel niet erg groot. Dat geldt zowel voor de eliten als voor de modale burger. De verlokkingen van het Anglo-Amerikaans model enerzijds

en het sociaaldemocratisch model anderzijds zijn - zoals eerder gesteld - zeer groot.
Rijnlanders moeten zich dus realiseren dat een eigentijdse visie zeker de moeite waard is, maar wel een heksentoer zal blijken, namelijk een balanceeract voor de samenleving! Dat wil zeggen: Mass und Mitte is het richtpunt.
De grote eigenwijze wetenschapper Ralf Dahrendorf, die in een interview in Die Zeit van 30.04.09 ‘das Weltkind’ wordt genoemd, geeft op een kernachtige manier zijn visie weer:

‘Wir brauchen die moralischen Bindungen des sozialen Zusammenhalts, wir brauchen Gesellschaft. In Glücksfällen bringt sie jemanden hervor wie Ludwig Erhard, den Vater der ‘sozialen Marktwirtschaft’, der damit geradezu beispielhaft Unvereinbares vereinte.’ De driehoek Erhard (politicus), Röpke (moreel bevlogen econoom) en Eucken (realistische econoom) kregen dus het onmogelijke voor elkaar. Kunnen wij volgen?


IV. Tot slot

Veel beleidsmakers en economen denken dat de mondiale drietrapscrisis met enig loodgieterswerk te verhelpen is. Dat is, vermoed ik, een majeure denkfout. Het totale mondiale gebouw is aan reconstructie toe. Te vergelijken met een nieuw Bretton Woods akkoord. Er moeten nieuwe bouwtekeningen komen voor het mondiale economisch/politieke complex. Alleen aan geldpersen draaien lijkt op het drogeren van de gemeenschap en zijn burgers. Er komt een moment van afrekening, zoals de Financial Times van 5.05 jl. opmerkt: ‘If China loses faith, the dollar will collapse.


Er is dus weinig geleerd tot nu toe. Opnieuw wordt de daadkracht van Obama/USA geprezen, maar ook opnieuw wordt de rekening bij de buurlanden gedeponeerd..Industrieën worden afgebroken en banken opnieuw in het zadel geholpen.
Maakactiviteiten worden afgestoten naar het zogenaamde powerhouse China. Dit is momenteel één van de gevaarlijkste denkbeelden. De Amerikaanse economen S.S. Cohen en J.J. Zysman stelden in het tijdschrift California Management Review, Vol.29, Spring, 1987 in het artikel ‘The Myth of the Post-Industrial Society’, onder meer: ‘You can’t control what your cannot make.’ Engeland heeft na het succes van Thatcher en de bankers in de City de industrie laten aftakelen en zit nu aan de grond. Voor ons een gevaarlijk perspectief, waarvan wij kunnen leren.
Op de ecologische component van de crisis is bewust niet ingegaan. De discussies worden momenteel mondiaal gedomineerd door sectarische gelovigen. De moeilijke sommen die worden gemaakt lijken veel op de economische sommen die tot veel bedrog en verwarring hebben geleid, Laat eerst de breinen van Al Gore c.s. op een Kantiaanse manier worden schoongemaakt, zodat twijfel, verwondering, bedacht-zaamheid en wijsheid weer een plaats krijgen in het wetenschappelijk discours.
In mijn postscriptum heb ik bewust retorische vragen, voorbeelden en citaten gebruikt. Duidelijke antwoorden en recepten zijn niet aan de orde gesteld. Het enig wezenlijke dat mij te binnen schiet is uiteindelijk de opmerking van Dahrendorf over Erhard. Deze had het huis op orde! Ik haak daar graag op in met de eerder gegeven schets. Laten wij er als Rijnlanders maar goed over nadenken en discussiëren. Het is de moeite waard!

__________________________





- / -




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina