Andjenie Bhaggoe 302212 & Wandana Nejal 306188



Dovnload 255.18 Kb.
Pagina5/11
Datum20.08.2016
Grootte255.18 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

3 Internationalisering

In dit hoofdstuk zullen wij de internationalisatie strategieën en de daarmee samenhangende motieven bespreken.


3.1 Internationalisatie strategieën


Er zijn drie verschillende internationalisatie strategieën: de klassieke internationalisatie strategie die gekenmerkt wordt door exploitatie van bezittingen, de opkomende internationalisatie strategie die gekenmerkt wordt door het zoeken naar bezittingen en de competitieve internationalisatie strategie die gekenmerkt wordt door de combinatie van de voorgaande strategieën. Sinds midden jaren 80 zijn zowel de inkomende als de uitgaande Foreign Direct Investments (FDI’s) sterk gegroeid. Het grootste gedeelte van de groei is toe te wijzen aan cross border F&O’s.

3.2 Internationalisatie motieven


Er zijn vele onderzoeken gedaan naar de redenen waarom ondernemingen gaan internationaliseren (Contractor, Kundu, & Hsu, 2003; Andersson & Wictor, 2004).
Wij maken onderscheid tussen een aantal motieven namelijk, het concurrentieniveau, de onderzoeksintensiteit, de tastbaarheid van de producten, het bestaan van clusters in de binnenlandse markt, de groei, de onzekerheid en de productiviteit. Hirna behandelen wij deze motieven.

3.2.1 Groei


Volgend Ou & Shyu (2009) is het belangrijkste motief van een onderneming om te internationaliseren, groei. Een bedrijf dat waardevolle bezittingen heeft betreedt de internationale markt wanneer de onderneming te groot wordt voor de locale markt (Caves, 1996). Een onderneming die wil internationaliseren heeft het bereiken van effectiviteit, diversificatie en vermindering van politiek risico als doel om zich sterk te kunnen maken tegen toekomstige concurrentie.

3.2.2 Productiviteit


Benfratello & Razzolini (2007) geven aan dat één van de belangrijkste factoren bij internationaliseren de productiviteit is. Zij vinden dat de minst productieve ondernemingen alleen in eigen land produceren en dat ondernemingen die im- en exporteren productiever zijn. Uit hun onderzoek blijkt dat ondernemingen die aan FDI’s doen, het meest productief zijn. Variabelen die samenhangen met internationalisering zijn onder anderen: de grootte en leeftijd (aantal jaren dat ze al productief zijn) van een onderneming, het toebehoren aan een alliantie en de mate van innovatie. Uit de bovenstaande factoren kan worden geconcludeerd dat ondernemingen sterk verschillen in de mate van internationalisering en dat deze verschillen zijn gerelateerd aan de karakteristieken van de industrieën waarin ze opereren.

3.2.3 Clusters


Een cluster is een groep van ondernemingen die in een gedefinieerde geografisch marktgebied opereert, die meerdere kernactiviteiten exploiteert en de beschikking heeft over alle middelen om de gehele operationele bedrijfsvoering zelfstandig uit te voeren. De toenemende aandacht voor grensoverschrijdende activiteiten gaat samen met de verwachting dat er afnemende aandacht voor de geografische locatie is. De potentiële impact van de clusters is in wezen tweeledig. Aan de ene kant, kan een dynamische omgeving interesses wekken van nieuwe ondernemingen die geïnteresseerd zijn om deel uit te maken van een sterk lokaal netwerk. Hierdoor wordt er een bijdrage geleverd aan het leerproces van de nieuwe onderneming. Clusters kunnen dan fungeren als een middelpuntzoekende kracht voor het aantrekken van buitenlandse bedrijven (Benito et al, 2002).

Aan de andere kant, kunnen clusters optreden als drijvende krachten voor internationalisering. Dit komt doordat ondernemingen hun concurrentiepositie en know-how versterken wanneer ze tot een cluster behoren (Porter, 1998; Brown & Bell, 2001; Mariotti & Piscitello, 2001).


3.2.4 Onderzoeksintensiteit


Het concurrerend voordeel van een onderneming ligt geworteld in zijn vermogen om te innoveren (onderzoeksintensiteit). De innovatieve vaardigheden kunnen zowel technologisch als marktgericht zijn (Porter, 1990). Door het werken in een dynamische en innovatieve omgeving ontwikkelen bedrijven organisatorische capaciteiten die dienen als basis voor succes op lange termijn (Grant, 1996). Deze capaciteiten zijn nodig voor het kunnen uitvoeren van internationale activiteiten (Cantwell & Janne, 1999). Onderzoeksintensieve ondernemingen internationaliseren om een aantal redenen, zoals het zoeken naar nieuwe markten, het verplaatsen van productie naar goedkopere locaties (Vernon, 1966) of noodzaak tot aanpassing van goederen of processen aan de lokale markten en lokale technologische ondersteuning (Patel & Vega, 1999). Deze redenen hoeven niet gedreven te worden door hoge niveaus van industrieel onderzoek en kunnen dan ook niet voldoende uitleggen waarom onderzoeksintensieve bedrijven internationaliseren. Niettemin versterkt het werken in een onderzoeksintensieve omgeving de concurrentiepositie van een onderneming, die op haar beurt ervoor kan zorgen dat ondernemingen minder gaan concurreren buiten hun binnenlandse markten (Porter, 1990). Sterker nog, de meeste bedrijven zullen de neiging hebben om te internationaliseren met technologieën die hen bijzonder sterk hebben gemaakt in hun thuismarkten (Patel & Vega, 1999).

3.2.5 Concurrentie niveau


Het concurrentie niveau is om een aantal redenen een motief voor internationalisering. Ten eerste is er rivaliteit afkomstig van buitenlandse ondernemingen op de binnenlandse markt. Ten tweede kan internationalisering als gevolg gezien worden als een countermove tegen concurrenten (Grøgaard & Benito, 2005). Zo wordt er een keten gecreëerd van onderling afhankelijke reacties (Knickerbocker, 1973). De drijfveer achter internationalisering is niet altijd direct gerelateerd aan de binnenlandse concurrentie, maar uit empirische studies blijkt dat concurrerende landen in de omgeving de kans verhogen op succesvolle internationalisatie van bedrijven (Wan & Hoskisson, 2003).

3.2.6 Onzekerheid en risico


Onzekerheid heeft invloed op de meeste strategische keuzes die een onderneming maakt bij internationalisering. Deze onzekerheid over de markt en de concurrentie heeft invloed op de waarde die een onderneming hecht aan internationalisering (Eriksen, 2009). Bedrijven gaan internationaliseren om hun competitiviteit, normale groei & ontwikkeling te waarborgen en omdat de wereldeconomie zich steeds meer integreert. Risico’s bij internationalisatie zijn grotere informatieproblemen (informatie asymmetrie) en volatiele verdiensten. (Claeys & De Maeseneire, 2007).

3.2.7 Tastbaarheid van producten


Dienstverlenende bedrijven zijn traditioneel lokaal gebleven en minder geïnternationaliseerd dan bedrijven uit de verwerkende nijverheid (Contractant et al, 2003).

Dit kan worden verklaard aan de hand van een aantal redenen. Ten eerste zijn er verschillen in motieven (voor internationalisering) tussen goederen en diensten. Hoewel de verhuizing van productie-installaties naar het buitenland grotendeels wordt gedreven door het streven naar lagere kosten en toegang tot hulpbronnen of distributiekanalen (Dunning, 2001), concurreren dienstverlenende bedrijven zelden over de grenzen heen. Zij doen dit voornamelijk op basis van prijs en kosten (Løwendahl, 2000). Ten tweede zijn er de niet-tarifaire belemmeringen die vaak problemen voor dienstverlenende bedrijven buiten hun oorspronkelijke lokale markten met zich mee brengen (Grönroos, 1999). Een vorm van internationalisatie is cross border F&O’s. In het volgend hoofdstuk zullen wij deze vorm verder behandelen.





1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina