Andrew Wommack Bijbelcommentaar Handelingen hoofdstuk 17



Dovnload 67.82 Kb.
Datum17.04.2018
Grootte67.82 Kb.

Handelingen – hoofdstuk 17
Vertaling Bible Commentary van Andrew Wommack

Wiebrig Calderhead, 2008
(Om in Word naar een eindnoot te springen: plaats de cursor bij de eindnootverwijzing, kies Beeld (menubalk) – voetnoten. Om terug te gaan naar de tekst: zet de cursor in de eindnoot, klik rechts, kies "Ga naar eindnoot")

Handelingen 17
1 En hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge der Joden was.
Opmerking 1 bij Handelingen 17:1: De naam “Amfipolis” betekent “aan alle kanten bekneld”. Deze naam komt van het feit dat de stad aan een bocht in de mond van de rivier Strymon lag, zodat deze bijna aan alle kanten ingeklemd was. Amfipolis was een stad in Macedonië (zie opmerking 1 bij Hand. 16:9)1, ongeveer 53 km ten zuidwesten van Filippi (zie opmerking 6 bij Hand. 16:12)2. Dit is de enige keer dat Amfipolis in de Schrift wordt vermeld.
Opmerking 2 bij Handelingen 17:1: De naam Apollonia betekent “behorend tot Apollo”. Dit was een stad in Macedonië (zie nogmaals opmerking 1 bij Hand. 16:9), ongeveer 45 km ten zuidwesten van Amfipolis en 56 km ten oosten van Tessalonica. Dit is de enige keer dat Apollonia in de Schrift wordt vermeld.
Opmerking 3 bij Handelingen 17:1: Tessalonica was een belangrijke stad in het westelijk deel van Macedonië (zie nogmaals opmerking 1 bij Hand. 16:9). Het was een oude stad die oorspronkelijk Therma heette, wat “hete bron” betekent. Cassander, een opvolger van Alexander de Grote (zie nogmaals opmerking 6 bij Hand. 16:12) vernoemde de stad naar zijn vrouw Tessalonica. Het was zowel een belangrijk militair als commercieel centrum aan de kust van de Egeïsche Zee.
Paulus en Silas werden in Tessalonica vervolgd door ongelovige Joden en werden gedwongen om, nadat ze er slechts drie weken waren geweest, de stad te ontvluchten (vers 2), maar niet nadat ze een gemeente hadden gesticht waar Paulus later twee brieven aan schreef (1 en 2 Tessalonicenzen). Twee medewerkers van Paulus, Aristarchus en Secundus, kwamen van Tessalonica (Hand. 20:4; 27:2)3.
Tessalonica bestaat nog steeds in het huidige Griekenland en wordt Thessaloniki of Saloniki genoemd. Tegenwoordig heeft de stad ongeveer 100.000 inwoners. In de Schrift wordt Tessalonica zesmaal genoemd.

2 En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften,

3 door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zei hij) u predik.

4 En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen.

5 Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen.
Opmerking 4 bij Handelingen 17:5: Dit is de enige vermelding van Jason in de Schrift, tenzij de Jason die genoemd wordt in Romeinen 16:214 dezelfde man is, wat hem een stamgenoot van de apostel Paulus zou maken. Jason was kennelijk de gastheer van Paulus toen hij in Tessalonica was (vers 7) en vanwege deze gastvrijheid aan Paulus en Silas werd hij gearresteerd door de stadsbestuurders en pas weer vrijgelaten nadat hij en anderen een borgtocht hadden betaald (vers 9).

6 Maar toen zij hen niet vonden, sleurden zij Jason en enige broeders voor de stadsbestuurders, en schreeuwden: Dezen, die de wereld in opschudding gebracht hebben, zijn ook hier gekomen,

7 en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. En zij handelen allen in strijd met de geboden van de keizer door te beweren, dat er een andere koning, Jezus, is.

8 En zij maakten de bevolking en de stadsbestuurders, die dit hoorden, ongerust.

9 Doch toen dezen van Jason en de anderen een borgtocht hadden ontvangen, lieten zij hen vrij.

10 Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen;
Opmerking 1 bij Handelingen 17:10: Berea was een stad in het zuidwestelijke deel van Macedonië (zie nogmaals opmerking 1 bij Hand. 16:9), ongeveer 80 km ten westen van Tessalonica en 40 km landinwaarts van de Egeïsche Zee. Paulus predikte hier op zijn tweede zendingsreis en trok tweemaal door Berea op zijn derde zendingsreis (Hand. 20:1-4)5. De stad bestaat tegenwoordig nog steeds en wordt Veria of Beroia genoemd.
In vers 11 wordt speciaal genoemd dat de Bereanen zich gunstig onderscheidden van hun landgenoten in Tessalonica, omdat zij de Schriften onderzochten om na te gaan of het waar was wat Paulus en Silas predikten. Het resultaat was dat velen in de Heer Jezus Christus geloofden. In Handelingen 20:4 lezen we dat een medewerker van Paulus, Sopater, uit Berea kwam.

11 en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren.

12 Velen dan van hen kwamen tot het geloof, en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen.
Opmerking 2 bij Handelingen 17:12: Het woord “dan” verbindt het feit dat velen geloofden met het feit dat deze mensen ijverig de Schrift onderzochten om voor zichzelf de waarheden die Paulus predikte na te gaan. De Heer gebruikt anderen om Zijn waarheden tot ons te brengen, maar pas wanneer deze waarheden in ons persoonlijk wortelen, brengt het Woord zijn ware potentieel voort (Marc. 4:17, 20)6.

13 Maar toen de Joden uit Tessalonica bemerkten, dat het woord Gods ook te Berea door Paulus werd verkondigd, kwamen zij ook daar de scharen opzetten en verontrusten.

14 Doch de broeders lieten toen terstond Paulus vertrekken in de richting van de zee, maar Silas en Timoteüs bleven daar achter.

15 En Paulus’ geleiders brachten hem te Athene en vertrokken met de opdracht aan Silas en Timoteüs om zo spoedig mogelijk bij hem te komen.
Opmerking 1 bij Handelingen 17:15: Athene was een oude stad die naar de beschermgodin van die stad, Athena, was vernoemd. De stad lag rondom de heuvel die Acropolis wordt genoemd (wat top of hoogste punt van de stad betekent), die 156 meter hoog is. De stad lag ongeveer 8 km van de Egeïsche Zee en was met lange muren verbonden aan de havenstad Piraeus.
De Atheners, gelieerd met Sparta, bereikten het hoogtepunt van hun militaire macht met opeenvolgende overwinningen in 490 v.C. op de Perzische koning Darius en in 480 v.C. op zijn zoon Xerxes. Sparta veroverde Athene echter in 404 v.C., waarmee de overheersing van de Atheense staat ophield. Daarna werd Athene veroverd door Filippus II en de zoon van Filippus. Alexander de Grote, breidde het Griekse rijk, waar Athene deel van uitmaakte, uit, helemaal tot India en in het zuiden tot Egypte. In 86 v.C. nam de Romeinse generaal Sulla Athene in bezit.
Veel groter nog dan de politieke invloed van Athene was de culturele invloed. In weerwil van de politieke meevallers bleef Athene het culturele centrum van de voorchristelijke wereld. De bezettende Romeinen stuurden hun veelbelovende studenten naar Athene om daar te studeren en deden daarmee de Griekse en Romeinse cultuur in elkaar opgaan. De Griekse taal heeft veel woorden toegevoegd aan iedere belangrijke taal ter wereld. Bekende namen in de Griekse literatuur en filosofie tijdens de gouden eeuw van Pericles, de heerser van Athene, zijn Homerus, Socrates, Plato, Aristoteles en Hippocrates die de vader der medicijnen wordt genoemd.
Dit is het Athene dat Paulus bezocht. De grootsheid van Athene was zichtbaar in de tempels die op de Acropolis waren gebouwd, zoals de tempel van Athena, het Partenon. Toch was Paulus bedroefd toen hij zag dat de stad geheel aan afgoderij was gewijd (vers 16). Ongetwijfeld verwees hij in zijn verklaringen aan de Korintiërs, zoals in 1 Kor. 1:18-257 staat, ook naar de mensen van Athene, want Korinte lag niet zo ver van Athene vandaan.
Historici uit de tweede eeuw na Christus, zoals Pausanias en Philostratus, hebben het bestaan van het altaar aan de onbekende God (vers 23) bevestigd. Ze gaven aan dat dit altaar langs de weg van de havenstad Piraeus naar de stad Athene stond, en ook op andere plaatsen in de stad werd aangetroffen. Pausanias vervolgt met te zeggen dat de Atheners alle anderen overtroffen in de aandacht die zij aan de goden gaven.
Athene bestaat tegenwoordig nog steeds als de hoofdstad van het moderne Griekenland en heeft een inwonertal van ongeveer 2,5 miljoen mensen.

16 En terwijl Paulus te Athene op hen wachtte, werd zijn geest in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was.

17 Hij hield daarom in de synagoge samensprekingen met de Joden en met hen, die God vereerden, en op de markt dagelijks met hen, die hij er aantrof.
Opmerking 2 bij Handelingen 17:17: Deze tekst laat zien dat Paulus zijn normale procedure volgde om naar de Joodse synagogen te gaan en het evangelie te delen (zie opmerking 2 bij Hand. 13:14)8. Hij ontmoette ook dagelijks vrome mensen op de markt. Er moeten vast en zeker interessante dingen zijn gebeurd. Het is echter interessant te merken dat de Schrift geen details geeft over de keren dat hij hier sprak.
In plaats daarvan is er een vrij uitgebreid verslag van zijn ontmoeting met de filosofen van Athene. Net zoals de religieuze Joden tot wie hij zich gewoonlijk richtte, waren ze erop gebrand om deze nieuwe leer te horen. Hoewel sommigen de spot ermee dreven dat Paulus de opstanding predikte (vers 32), was er niet de gewelddadige vervolging die Paulus had ervaren bij de Joden.

18 En ook enige van de Epikureïsche en Stoïcijnse wijsgeren twistten met hem en sommigen zeiden: Wat zou die betweter willen beweren? Maar anderen: Hij schijnt een verkondiger van vreemde goden te zijn; want hij bracht het evangelie van Jezus en van de opstanding.
Opmerking 3 bij Handelingen 17:18: De Epikureïsche wijsgeren werden zo genoemd naar de filosoof Epicurus. Hij was in 341 v.C. geboren en onderwees achtendertig jaar in een school die hij in Athene had gesticht. Hij geloofde niet in een Schepper, maar hij geloofde dat alles gewoon gebeurde. Hij geloofde echter wel in een veelvoud aan goden die zich niets aantrokken van menselijke zaken.
Hij onderwees dat vreugde moest worden nagestreefd en pijn vermeden. Hoe puur de motieven van Epicurus ook geweest konden zijn, het duurde niet lang of de Epikureïsten waren verworden tot een materialistische sekte op zoek naar genot. Dit was precies het tegenovergestelde van de andere populaire filosofie in die dagen die door de Stoïcijnen werd aangehangen.
Opmerking 4 bij Handelingen 17:18: De naam Stoïcijns komt van het Griekse woord “stoa” dat poort betekent. Deze sekte was zo genoemd omdat de stichter ervan, Zeno, ongeveer achtenvijftig jaar (308-250 v.C.) op de markt in Athene onder een poort onderwees. De Stoïcijnse filosoof Seneca was de onderwijzer van Nero, en Marcus Aurelius, een Romeinse keizer, was een toegewijde Stoïcijn.
Stoïcijnen geloofden dat een werkelijk wijs man zijn emoties onder controle hield, zodat deze hem nooit positief of negatief zouden beïnvloeden. Ze bereikten dit door te geloven dat wat er ook gebeurde voorbeschikt was en dat dit daarom hun levenslot was. Ze onderwezen een zeer sober leven en verwierpen alle luxe voor wat betreft eten en kleding. Hun filosofie was daarom het tegenovergestelde van dat van de Epikureïsten (zie opmerking 3 bij dit vers), hoewel beide sekten niet geloofden in de opstanding van het lichaam. De Stoïcijnen en de Epikureïsten vertegenwoordigden samen het gehele spectrum van de wijsheid van de mens in die tijd.
Opmerking 5 bij Hand. 17:18: Het woord “vreemd” (in “vreemde goden”) betekent hier meer dan alleen maar ongebruikelijk of anders. Het Griekse woord dat wordt gebruikt is “xenos” en betekent buitenlands of oneigen. Ze beschuldigden Paulus van het prediken van een nieuwe religie wat uitdrukkelijk verboden was en met de dood bestraft kon worden.
De Atheners geloofden in vele goden, maar hun wet verbood hun de introductie van een nieuwe religie of god. In heel de Romeinse wereld was dit gebruikelijk en hierop hadden de zeden betrekking, waarnaar verwezen werd toen de mensen van Filippi Paulus en Silas vervolgden (Hand. 16:21)9. Later werd dit de reden op grond waarvan de Joden uit Rome werden verbannen.
Cicero (106-43 v.C., een Romeins staatsman en redenaar) schreef: “Niemand zal andere goden hebben, of nieuwe, noch zal hij privé vreemde goden aanbidden, tenzij ze publiekelijk zijn toegestaan.”
Vanwege deze wet brachten de Atheners Paulus naar de Areopagus (of heuvel van Mars) wat de plaats was waar het hoogste gerechtshof van Athene zitting hield. Er wordt verondersteld dat wat in Handelingen 17:19-32 wordt verteld eigenlijk de rechtszaak tegen Paulus is, omdat hij een vreemde god introduceerde. Dit geeft een extra gewicht aan de verdediging van Paulus tegenover de Atheners in deze verzen (zie opmerking 1 bij Hand. 17:23).

19 En zij namen hem mede en brachten hem naar de Areopagus en zeiden: Zouden wij ook mogen vernemen, wat dit voor een nieuwe leer is, waarvan gij spreekt?

20 Want gij brengt ons enige vreemde dingen ten gehore; wij wensten dan wel te weten, wat dit zeggen wil.

21 Alle Atheners nu en de vreemdelingen, die zich daar ophielden, hadden voor niets anders tijd over dan om iets nieuws te zeggen of te horen.

22 En Paulus, voor de Areopagus staande, zei: Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt;

23 want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: Aan een onbekende god. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u.
Opmerking 1 bij Handelingen 17:23: Hoe Paulus hier het evangelie verdedigde krijgt een extra betekenis als je beseft dat hij waarschijnlijk terechtstond voor het introduceren van een vreemde god, waarbij hij de doodstraf zou kunnen krijgen als hij schuldig bevonden werd (zie opmerking 5 bij Hand. 17:18).
Op meesterlijke wijze ontwijkt Paulus het risico om hun wet te schenden, terwijl hij toch met deze gelegenheid zijn voordeel doet om het evangelie te prediken door te verwijzen naar het altaar aan de “onbekende god”. Waarschijnlijk was het puur bijgeloof dat ze een altaar aan de “onbekende god” hadden, maar desalniettemin hadden ze erkend dat er een god bestond die ze niet kenden.
Paulus gebruikte dit tot zijn voordeel en hij verkondigde dat de enige ware en levende God deze ‘onbekende god’ was. De Atheners konden hem er niet van beschuldigen dat hij hun wet overtrad, omdat ze niet precies konden bewijzen wie deze onbekende god was. De mening van Paulus was net zo goed als die van iemand anders.
De kennis van Paulus over de Atheense afgoderij redde mogelijk niet alleen zijn leven, maar het gaf hem de gelegenheid om het hoogste gerechtshof in Athene toe te spreken met de waarheden van het evangelie. Wederom werd hij “voor allen alles om in elk geval enigen te redden” (1 Kor. 9:20-22).10
Opmerking 2 bij Handelingen 17:23: De methode die Paulus gebruikte om het evangelie aan deze Atheners te brengen is een voorbeeld voor hedendaagse evangelisatie.
Paulus begon met een gemeenschappelijk punt waar de Atheners en hijzelf het over eens konden zijn. Zij geloofden dat er een god was die nog niet aan hen was geopenbaard. Paulus geloofde dat ook. Hij begon met dit gemeenschappelijke punt en ging verder om Jezus aan hen te prediken.
Daarna gebruikte hij een redenering die gangbaar is voor alle mensen om hun vergissing om in afgoden te geloven bloot te leggen. De redenering is dat als de hemelen en de aarde door God werden geschapen, hoe kon Hij dan beperkt worden tot een tempel of afgod, wat de werken zijn van mensenhanden. De schepping kan niet een Schepper scheppen. God is groter dan dat.
Hoewel de Epikureïsten niet geloofden in een god die de aarde had geschapen of die persoonlijk betrokken was bij menselijke zaken (zie opmerking 3 bij Hand. 17:18), verhinderden ze Paulus niet om zijn bewering uit te leggen. Hoe ze ook hun verstand hadden misleid, ze wisten in hun hart de fundamentele waarheden van een bovenaardse God, omdat God deze waarheden aan iedereen openbaart (Rom. 1:18-20)11.
Vervolgens citeerde Paulus een aantal Atheense dichters en filosofen (zie opmerking 4 bij Hand. 17:28) die schreven dat ze het geslacht van God waren (vers 28). Als we het geslacht van God zijn, hoe kunnen we dan rechtvaardigen dat we een god uit hout of steen maken, waarin geen leven is, en geloven dat het leven daaruit is voortgekomen? Dit is niet logisch. Als dat allemaal waar zou zijn, door Hem dus te vergelijken met dieren en groteske figuren die zij als goden aanbaden (vers 31), zou de ware en levende God, die de werkelijke Schepper was, hen zeker veroordelen.
Tot op dit punt luisterden ze naar Paulus zonder hem te onderbreken. Kennelijk hadden de argumenten van Paulus voor een enige ware God die Schepper was en onmogelijk met een afgod vergeleken kon worden, de overhand gehad of hen tenminste zonder antwoord gelaten. Paulus was er echter niet tevreden mee om ze alleen maar te bekeren van polytheïsme tot monotheïsme. Hij ging nadrukkelijk verder door de lichamelijke opstanding van Jezus te noemen. Sommigen die tot dit punt hadden geluisterd, weigerden nog langer te luisteren en ze begonnen Paulus te bespotten (vers 32).
Door het noemen van de opstanding van Jezus, bracht Paulus al zijn verklaringen uit het gebied van de theorie en maakte hij ze tot een feit dat geaccepteerd of verworpen moest worden. Zoals veel mensen tegenwoordig konden de Atheners de theorie verdragen, omdat deze niet bewezen of weerlegd kon worden, en daarom vereiste het geen enkele verantwoordelijkheid van hun kant. Maar als wat Paulus over Jezus zei een feit was, dan hadden ze moeten toegeven dat ze het verkeerd hadden. Sommigen kozen ervoor om er meer over te horen en anderen verwierpen tot op dit punt de argumenten van Paulus.
Tegenwoordig is het net zo dat als het evangelie gepredikt wordt, wij niet slechts een theorie over God verkondigen, maar het feitelijke verslag van Gods omgang met de mens, zoals Hij dat door Zijn Woord heeft bekendgemaakt, met als ultiem bewijs de lichamelijke opstanding van Jezus. Ons persoonlijke getuigenis van de werkelijkheid dat Jezus leeft in onze levens brengt Christus van een theorie naar de realiteit en dwingt mensen om een keuze te maken. Het is naïef om altijd een positieve reactie te verwachten, maar het is Schriftuurlijk om in ieder geval enige reactie te krijgen (zie opmerking 2 bij Hand. 14:4).12

24 De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt,

25 en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft.

26 Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald,

27 opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons.
Opmerking 3 bij Handelingen 17:27: De uitdrukking “of zij Hem al tastende vinden mochten’ schildert het beeld van een blinde die al tastend zijn weg zoekt. Het beschildert op grafische wijze de droevige menselijke pogingen om God te vinden. Paulus gaat echter door met te zeggen dat Heer niet ver is van ieder van ons. Het is waar dat de mens hopeloos verloren is en weinig kans heeft om de juiste weg te vinden. Maar het is niet aan het toeval overgelaten. God in Zijn alomtegenwoordigheid is op zoek naar de mens. In feite vinden wij God niet. Hij is niet Degene die verloren is. God vindt ons. Niemand hoeft er ooit aan te wanhopen of hij ooit wel God in Zijn volheid zal leren kennen. Meer dan dat jij Hem wilt kennen, wil Hij jou kennen. Als we onszelf vernederen en Hem zoeken, zal Hij zich altijd openbaren (Matt. 5:6)13.

28 Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht.
Opmerking 4 bij Handelingen 17:28: Het citaat wat Paulus hier aanhaalt, wordt in het algemeen toegeschreven aan Aratus (315-240 V.C.) uit een gedicht getiteld Phaenomena. Dezelfde regel is te vinden in een gedicht van Cleanthes (331-233 v.C.) in zijn Hymne tot Zeus. Hoewel Paulus niet de Kretenzische dichter Epimenides (circa 600 v.C.) citeert, is de zinsnede “in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij” te vinden in zijn gedicht Cretica. Aangezien Paulus geen enkele dichter bij naam noemt, is het niet duidelijk of Paulus uit Cretica citeerde of dat hij zelf deze zinsnede had bedacht.
Dit citeren van Griekse dichters toont een ongewone bekendheid van Paulus met de Griekse literatuur. Paulus was goed opgeleid, maar in de meest strikte Joodse zin. Het is twijfelachtig dat Paulus onder Gamaliël Griekse literatuur heeft gestudeerd.

29 Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen, dat de godheid gelijk is aan goud of zilver of steen door menselijke kunstvaardigheid gesneden of bedacht.
Opmerking 5 bij Handelingen 17:29: Het argument van Paulus is dat omdat we allemaal van Gods geslacht zijn, het onverdedigbaar is om God te vergelijken met een afgod van goud, hout of steen. De ouder zou dan op zijn nageslacht moeten lijken.

30 God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen;
Opmerking 6 bij Handelingen 17:30: Dit vers weerspiegelt het feit dat het oordeel van God zal overeenstemmen naar gelang de openbaring die iemand heeft (zie opmerking 5 bij Luc. 12:48)14. God legde een intuïtieve kennis van Hem in ieder mens, zodat niemand een verontschuldiging heeft (Rom. 1:18-20)15. God deed echter nog steeds Zijn genade toekomen aan hen, maar nu de afstraling van God openbaar werd gemaakt in Jezus (Hebr. 1:3)16, is de verantwoordelijkheid van de mens toegenomen en dus zal het oordeel over hem toenemen als hij deze waarheid tot een leugen maakt en afgoden gaat dienen (Rom. 1:25)17.

31 omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.

32 Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen, maar anderen zeiden: Wij zullen u hierover nog wel eens horen.

33 Aldus vertrok Paulus uit hun midden.

34 Doch enige mannen sloten zich bij hem aan, en kwamen tot geloof, onder wie ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, genaamd Damaris, en anderen met hen.
Opmerking 7 bij Handelingen 17:34: Dit is de enige keer dat Dionysius in de Schrift wordt genoemd. Uit dit vers kan men echter veel over hem opmaken.
Het gebruik van het woord “Areopagiet” geeft aan dat Dionysius lid was van het hoogste gerechtshof van Athene dat op de Areopagus of Marsheuvel (zie opmerking 5 bij Hand. 17:18) bijeenkwam. Om lid te zijn van dit hof, moesten de rechters een archont (hoge gezagsdrager in het oude Griekenland), of magistraat van de stad zijn. Daarom is het zeker dat Dionysius één van de mannen was voor wie Paulus terechtstond en een zeer belangrijke man in Athene was.
Buiten de Schrift om is een overvloed aan verwijzingen naar Dionysius, waaronder een verslag dat hij door Paulus tot eerste bisschop van Athene werd benoemd, maar deze beweringen kunnen niet hard worden gemaakt.
Opmerking 8 bij Handelingen 17:34: Dit is de enige keer dat deze vrouw Damaris wordt genoemd in de Schrift. Zoals bij Dionysius (zie opmerking 7 bij dit vers) bestaan er buiten de Bijbel om aantekeningen over deze vrouw, maar ze kunnen niet bewezen worden.
Eindnoten Handelingen 17:

(Om in Word terug te gaan: zet de cursor in de eindnoot, klik rechts, kies "Ga naar eindnoot")


1 Hand. 16:9 En Paulus kreeg in de nacht een gezicht; er stond een Macedonisch man, die hem toeriep: Steek over naar Macedonië en help ons.

Opmerking 1 bij Handelingen 16:9: Macedonië was het land dat net ten noorden van Achaje lag (zie opmerking 11 bij Hand. 18:12). Het besloeg het noordelijke gedeelte van wat we tegenwoordig als Griekenland kennen.

De voornaamste steden in Macedonië waren Neapolis (zie opmerking 5 bij Hand. 16:11), Filippi (zie opmerking 6 bij Handelingen 16:12), Amfipolis (zie opmerking 1 bij Hand. 17:1), Apollonia (zie opmerking 2 bij Hand. 17:1), Tessalonica (zie opmerking 3 bij Hand. 17:1) en Berea (zie opmerking 1 bij Hand. 17:10).

Het land Macedonië werd voor het eerst belangrijk in 359 v.C., toen Filippus van Macedonië zijn land begon uit te breiden door omringende gebieden te veroveren. Zijn zoon, Alexander de Grote (336-323 v.C.) bracht Macedonië, of Griekenland, tot een wereldmacht, zoals in Daniël 8:5,8,21-23 was voorspeld.

Paulus bracht het Evangelie naar Macedonië op zijn tweede zendingsreis (Hand. 15:40-19:22) en trok tenminste twee keer door dit gebied op zijn derde zendingsreis (Hand. 20:1, 3). De reisgenoten van Paulus, Gajus, Aristarchus, Sopater en Secundus, waren Macedoniërs (Hand. 19:29; 20:4).




2 Hand. 16:12 en vandaar naar Filippi, dat de eerste stad is van dit deel van Macedonië, een (Romeinse) kolonie. En wij vertoefden enkele dagen in die stad.

Opmerking 6 bij Handelingen 16:12: De naam Filippi betekent “behorend tot Filippus”. Het was een stad in Macedonië (zie opmerking 1 bij vers 9), oorspronkelijk een gedeelte van Thracië, maar in 356 v.C. door Filippus II veroverd en aan Macedonië toegevoegd. Filippus noemde de stad naar zichzelf.

Dit is de eerste stad in Europa waarvan wordt bericht dat Paulus hier bediende. Het was niet de hoofdstad van Macedonië, maar de eerste belangrijke stad. Het lag 14 km landinwaarts van Neapolis (zie opmerking 5 bij vers 11), wat een zeehaven was. De twee steden waren van elkaar gescheiden door een bergketen met een pas op 500 meter hoogte boven de zeespiegel.

Paulus maakte een aantal bekeerlingen in Filippi. Speciaal genoemd worden een handelsvrouw met de naam Lydia (zie opmerking 1 bij vers 14) en een gevangenisbewaarder uit Filippi (verzen 23-34) die gelovig werden. Omdat Paulus een waarzeggende geest uit een meisje verdreef (verzen 15-18) ontstond er een oproer en Paulus en Silas werden in de gevangenis gegooid, waar ze deze bewaarder ontmoetten.


3 Hand. 20:4 En Sopater, de zoon van Pyrrus, uit Berea, en van de Tessalonicenzen Aristarchus en Secundus, en Gajus uit Derbe en Timoteüs, en uit Asia Tychikus en Trofimus, vergezelden hem.

Hand. 27:2 En op een schip uit Adramyttium, dat naar de kustplaatsen van Asia zou varen, kozen wij zee, met Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, bij ons.




4 Rom. 16:21 Mijn medearbeider Timoteüs en mijn stamgenoten Lucius, Jason en Sosipater, groeten u.


5 Hand. 20:1-4 Nadat nu de opschudding was bedaard, riep Paulus de discipelen tot zich en sprak hen bemoedigend toe. Daarop nam hij afscheid en begaf zich op reis naar Macedonië. En nadat hij die streken doorreisd en hen uitvoerig toegesproken had, kwam hij in Griekenland. En toen hij daar drie maanden vertoefd had en de Joden een aanslag tegen hem smeedden, terwijl hij op het punt stond om over zee naar Syrië te gaan, kwam hij tot het besluit door Macedonië terug te keren. En Sopater, de zoon van Pyrrus, uit Berea, en van de Tessalonicenzen Aristarchus en Secundus, en Gajus uit Derbe en Timoteüs, en uit Asia Tychikus en Trofimus, vergezelden hem.


6 Marc. 4:17 Doch zij hebben geen wortel in zich, maar zijn mensen van het ogenblik; wanneer later verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komen zij terstond ten val.

Marc. 4:20 En dit zijn degenen, die in goede aarde gezaaid zijn: zij, die het woord horen en in zich opnemen en vrucht dragen, dertig- en zestig- en honderdvoud.




7 1 Kor. 1:18-25 Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven. Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, 2aar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.


8 Hand. 13:14 Doch zelf gingen zij van Perge verder en kwamen te Antiochië in Pisidië, en op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, namen zij plaats.

Opmerking 2 bij Handelingen 13:14: Dit is de tweede keer dat de Schrift vermeldt dat Paulus en Barnabas de Joodse synagogen binnengingen om het evangelie te prediken (de eerste keer was in Handelingen 13:5). Dit was de normale methode van Paulus om het evangelie in deze streken te brengen (Iconium – Handelingen 14:1; Tessalonica – 17:1; Berea – 17:10; Athene – 17:16-17; Korinte – 18:4; Efeze – 18:19; 19:8). Het is zelfs zo dat in Handelingen 17:2 staat “zoals hij gewoon was”.

Dit is met name interessant als je beseft dat de Heer al twee keer aan Paulus had verteld dat hij uitverkoren was om als apostel naar de heidenen te gaan (Hand. 9:15-16 en 22:14-15). Ook gebeurde het twee keer dat toen Paulus in de Joodse synagogen was en de Joden zijn boodschap van Christus als de Messias verwierpen, Paulus duidelijk zei dat hij vanaf die tijd het evangelie naar de heidenen zou brengen (Hand. 13:46 en Hand. 18:6). Toch ging hij in beide gevallen terug naar de synagogen om Jezus als de Christus te verkondigen. Weliswaar gingen de heidenen die de ware God zochten naar de Joodse synagogen (Hand. 13:47; 14:1; 17:4; 17:12; 18:4), maar de meeste heidenen waren niet in de synagogen.

De motieven van Paulus om dit te doen worden in de Schrift niet uitgelegd. Het is wel zo dat deze heidenen die naar de synagogen gingen de ware en levende God van de Joden zochten en van de heidenen in deze steden waarschijnlijk het gevoeligst waren voor de boodschap van het evangelie. Daarom was dit voor Paulus een logische plaats om te beginnen. Vanwege Paulus’ eigen verklaringen hoe hij ernaar verlangde dat de Joden gered zouden worden (Rom. 9:1-3) en zijn handelingen om de Joden in Jeruzalem te kalmeren (Hand. 21:20-26) lijkt het er echter op dat Paulus zijn bediening nooit tot alleen de heidenen beperkte, maar ook altijd probeerde om de Joden met de boodschap van het evangelie te bereiken.


9 Hand. 16:21 en zij verkondigen zeden, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen.


10 1 Kor. 9:20-22 en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet – hoewel persoonlijk niet onder de wet – om hen, die onder de wet staan, te winnen; hun, die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen, die zonder wet zijn, te winnen. Ik ben voor de zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden.


11 Rom. 1:18-20 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.


12 Hand. 14: 4 Maar er ontstond verdeeldheid onder het volk in de stad: sommigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen.

Opmerking 2 bij Handelingen 14:4: De prediking van het ware evangelie zal altijd of een opwekking of een opschudding teweegbrengen. Overal waar Jezus en de apostelen gingen waren ze ofwel geliefd, ofwel werden ze gehaat. Ze werden nooit genegeerd. Als iemand negatief reageert is dat eigenlijk een positief signaal dat de boodschap is overgekomen.

Als het evangelie onder de zalving van de Heilige Geest wordt verkondigd, zal dat iemand altijd tot een keuze brengen. Afhankelijk van de keuze zal er of aanvaarding of verwerping zijn, maar nooit onverschilligheid. Een slechte reactie is beter dan helemaal geen reactie. Het betekent dat het Woord doel heeft getroffen (zie opmerking 6 bij Handelingen 5:28).




13 Matt. 5:6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.


14 Luc. 12:48 Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen. Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd.

Opmerking 5 bij Luc. 12:48: Dit vers is één van de duidelijkste aanwijzingen in de Schrift over de verschillende maten van Gods oordeel naar gelang de kennis van de persoon die de zonde heeft begaan. Het gehele hoofdstuk Levicitus 4 gaat over zonden die in onwetendheid zijn begaan. Jezus zegt in Johannes 9:41: "Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde." In Romeinen 5:13 staat: "Maar zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is."

Paulus zegt in 1 Timoteüs 1:13 dat hij genade had verkregen omdat hij "in onwetendheid en in ongeloof" had gezondigd. De zonde waar hij over sprak was laster tegen de Heilige Geest, waarover Jezus had geleerd dat dit onvergeeflijk is (Matt. 12:31, Marc. 3:20-30, zie opmerking 1 bij Matt. 12:31). Hieruit kunnen we zien dat in het geval van Paulus onwetendheid hem het recht gaf op een tweede kans. Als hij was doorgegaan met de laster nadat hij de waarheid had gezien (Hand. 9:5) dan zou hij vast en zeker de prijs hebben moeten betalen. Dat wil niet zeggen dat iemand die geen volledige openbaring van Gods wil heeft maar kan doen wat hij wil zonder dat hij daarvoor schuldig wordt gehouden. Leviticus 5:17 maakt duidelijk dat iemand, ook al zondigt hij uit onwetendheid, nog steeds schuldig is. Romeinen 1:18-20 openbaart dat er bij ieder mens een intuïtieve kennis is van Gods wil zodat zij kunnen weten dat er een God is. In ditzelfde hoofdstuk wordt verder uitgelegd dat mensen de waarheid hebben verworpen of veranderd (verzen 21-32), maar dat God die heeft gegeven, en dat er geen verontschuldiging voor hen is (vers 20).



Psalm 19:1-4 zegt dat de schepping de heerlijkheid van God predikt en Zijn bestaan bewijst. Daarom zal iedereen voor de rechterstoel van God verschijnen. Er zullen echter verschillende soorten straffen zijn die overeenstemmen met de kennis die iemand heeft. "Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven"(Rom. 2:2).


15 Rom. 1:18-20 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.


16 Hebr. 1:3 Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge.


17 Rom. 1:25 Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid.


Handelingen – Hoofdstuk 17 pagina




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina