Andrew Wommack Bijbelcommentaar Handelingen hoofdstuk 6 en 7



Dovnload 160.23 Kb.
Pagina1/3
Datum25.08.2016
Grootte160.23 Kb.
  1   2   3

Handelingen – hoofdstuk 6 en 7
Vertaling Bible Commentary van Andrew Wommack

Wiebrig Calderhead, 2008
(Om in Word naar een eindnoot te springen: plaats de cursor bij de eindnootverwijzing, kies Beeld (menubalk) – voetnoten. Om terug te gaan naar de tekst: zet de cursor vlak voor de eindnoot, klik rechts, kies "Ga naar eindnoot")

Handelingen 6
1 En toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden.
Opmerking 1 bij Handelingen 6:1: De keuze van deze mannen stond in directe verhouding met de toename van het aantal discipelen. We weten dat er in die tijd minstens 8.000 gelovigen in de gemeente van Jeruzalem waren (Hand. 2:41; 4:4; 5:14)1.
Deze mannen (die gewoonlijk diakenen worden genoemd, zie opmerking 9 bij Hand. 6:4) waren aangesteld voor de levensbehoeften van de groep gelovigen. Tegenwoordig maken veel kerken zich drukker om de formaliteit dan om de functie van de diakenen. Als een groep gelovigen zo klein is dat niemand wordt verwaarloosd, dan zijn diakenen niet nodig. Diakenen zijn er om te dienen, niet om alleen maar een positie te bekleden.
Opmerking 2 bij Handelingen 6:1: Met "Grieks sprekenden" wordt bedoeld een Hellenist of Griek. Dit waren echter waarschijnlijk geen heidenen die tot het Jodendom waren bekeerd, maar Joden die verstrooid waren naar andere landen, die, hoewel ze nu weer terug waren in Judea, Grieks als hun voertaal hadden.
Opmerking 3 bij Handelingen 6:1: De naam Hebreeër wordt voor het eerst gebruikt in Genesis 14:132, waar Abram een Hebreeër wordt genoemd. De naam betekent letterlijk "behorend tot de andere kant of tot Eber". Dit was de Kanaänitische manier om naar Abram te verwijzen als zijnde van de andere kant van de rivier de Euphraat of als zijnde een afstammeling van Eber (Gen. 11:15-17)3. De naam werd uiteindelijk gebruikt voor het hele door God gekozen volk die door Jacob afstammelingen waren van Abraham (Gen. 39:14; Ex. 1:15)4.
In dit geval omschrijft de naam een Jood die de Hebreeuwse taal sprak, in tegenstelling tot de Joden die Grieks spraken. In hun pogingen om hun identiteit als een natie onder de Romeinse bezetting te behouden, werd voor sommige Joden het vasthouden aan de Hebreeuwse taal en gewoonten heel belangrijk en gaf het aanleiding tot scheiding tussen de Joden in deze twee groepen.
Deze groep Hebreeuwse Joden was in oorsprong vergelijkbaar met de partij van de Farizeeën (zie opmerking 2 bij Matt. 3:7)5. Net zoals bij de Farizeeën was er wel iets goeds in hun opvattingen waardoor deze scheiding veroorzaakt werd. Als leden van het lichaam van Christus behoorden deze gelovigen echter tot een hemels koninkrijk. Hun preoccupatie met aardse nationaliteiten en de begunstiging aan hun eigen groep was misplaatst en veroorzaakte het eerste geschil in de gemeente.
Opmerking 4 bij Handelingen 6:1: Paulus schreef later in 1 Timoteüs 5:3-166 over de manier waarop de Nieuwtestamentische gemeente voor weduwen moest zorgen. Uit deze verzen kunnen we opmaken dat de gemeente geheel verantwoordelijk was voor hun levensbehoeften. In de situatie in Handelingen wordt hiernaar verwezen. De Griekse weduwen werden verwaarloosd in de dagelijkse verdeling van voedsel en kleding, terwijl de Hebreeën hun eigen weduwen voortrokken.

2 En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen.
Opmerking 5 bij Handelingen 6:2: In dit gemeenschappelijke systeem (zie opmerking 5 bij Hand. 2:44)7 nam de gemeente de bijeengelegde middelen van de gelovigen en gebruikte deze om de weduwen van voedsel te voorzien. De diakenen moesten hiervoor zorgen. Het is mogelijk dat hun taken alle aspecten van het verzorgen van de levensbehoeften omvatte.

3 Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen;
Opmerking 6 bij Handelingen 6:3: De keuze van deze diakenen werd aan de gemeente overgelaten, onder bepaalde voorwaarden die de apostelen gaven. De apostelen baden voor hen en legden hen de handen op, maar de mensen kozen hen uit.
Opmerking 7 bij Handelingen 6:3: Er waren slechts zeven diakenen nodig voor een kerk die in de duizenden liep (zie opmerking 1 bij Handelingen 6:1), en dit was in een situatie waar veel mensen voor hun levensbehoeften volkomen afhankelijk waren van de kerk.
Opmerking 8 bij Handelingen 6:3: Er waren drie voorwaarden waaraan deze eerste diakenen moesten voldoen. Ten eerste moesten ze bij de anderen goed bekend staan. Paulus zet deze voorwaarde verder uiteen in 1 Timoteüs 3:78 en past het toe op een oudste. Ten tweede moesten ze vol zijn van de Heilige Geest en ten derde moesten ze vol wijsheid zijn. Deze laatste twee voorwaarden gaan samen. Een persoon kan zonder de Geest van God niet vol zijn van de wijsheid van God.

4 maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord.
Opmerking 9 bij Handelingen 6:4: Het Griekse woord "diakonia" werd hier vertaald als "bediening", terwijl in vers 1 hetzelfde Griekse woord werd vertaald als "verzorging". In vers 1 was de verzorging een taak waarvoor diakenen (Grieks: diskonos – 1 Tim. 3:8)9 werden gekozen om te doen en in dit vers geeft het de taak aan die de apostelen zouden doen.
De letterlijke betekenis van dit woord is ‘dienst’ of ‘bijstand’. Het werd gebruikt voor engelen (Heb. 1:14)10 en Timoteüs en Erastus (Hand. 19:22)11. Paulus gebruikte dit woord om zijn eigen bediening te omschrijven (Hand. 20:24; Rom. 11:13; 1 Tim. 1:12)12, evenals die van anderen (Kol. 4:17; 2 Tim. 4:5)13. Een diaken of een oudste die beantwoordt aan één van de vijf bedieningen zoals genoemd wordt in Efeze 4:1114 zijn zowel dienaren als "diakonias". Een diaken dient in het fysieke gebied terwijl een dienaar in het geestelijke gebied dient.
Opmerking 10 bij Handelingen 6:4: De apostelen kozen er wijselijk voor om zichzelf af te zonderen voor gebed en de bediening van het Woord. Deze eerste dienaren van de gemeente schiepen een precedent dat tegenwoordig nog steeds gevolgd zou moeten worden. Dienaren (van het Woord) of oudsten zouden zich bezig moeten houden met geestelijke zaken en de diakenen laten zorgen voor fysieke noden. Veel dienaren zijn geestelijk afgestompt geraakt omdat de fysieke eisen van de bediening al hun aandacht in beslag nemen.

5 En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte, en zij kozen Stefanus, een man vol van geloof en heilige Geest, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een Jodengenoot uit Antiochië;
Opmerking 11 bij Handelingen 6:5: Van deze zeven mannen die gekozen werden was Stefanus een van de twee die weer in het boek Handelingen genoemd wordt. In Handelingen 6:8 staat dat Stefanus vol van genade en kracht was en grote tekenen deed onder het volk. Hij was een krachtige spreker die geleid door de Heilige Geest met de wijsheid van God sprak (Hand. 6:10).
Een deel van zijn boodschap moet zijn gegaan over de genade en vrijheid van dode werken die nu door Christus tot ons zijn gekomen, zoals valt op te maken uit de beschuldigingen die tegen hem werden ingebracht (Hand. 6:13-14). De innerlijke aanwezigheid van Christus was zichtbaar in zijn fysieke uiterlijk (Hand. 6:15). Hij verdedigde zijn geloof vrijmoedig voor de religieuze leiders van de Joden en gaf hierbij veel inzicht in gebeurtenissen in het Oude Testament die nergens anders in de Schrift staan opgeschreven. Hij zag dat de hemelen zich openden en Jezus staande aan de rechterhand van God (Hand. 7:55-56)15. Toen hij daarna de eerste martelaar van het christelijke geloof werd, bad hij voor diegenen die hem ter dood brachten (Hand. 7:60), zoals Jezus had gedaan (Luc. 23:34)16. Zijn getuigenis maakte waarschijnlijk een belangrijke indruk op Saulus (Hand. 7:58), die later de apostel Paulus werd (Hand. 13:9)17.
Opmerking 12 bij Handelingen 6:5: Samen met Stefanus is Filippus één van de twee gekozen mannen die later weer in het boek Handelingen wordt genoemd. Filippus was ook een evangelist (Ef. 4:11)18. Hij ging naar de Samaritanen en werd door God gebruikt om een groot aantal mensen tot bekering te brengen (Hand. 8:5-25)19. De engel van de Heer sprak tot Filippus en zond hem om te getuigen aan een man die in Ethiopië een gezagspositie bekleedde (Hand. 8:26-27)20. Nadat deze man zich bekeerde, doopte Filippus hem en werd vervolgens weggenomen naar Asdod, ongeveer 36 km verder (Hand. 8:36-40)21. Filippus ging in Caesarea wonen, waar de apostel Paulus hem bezocht op zijn laatste reis naar Jeruzalem (Hand. 21:8). Filippus was getrouwd en had vier dochters die profeteerden (Hand. 21:9)22.
Opmerking 13 bij Handelingen 6:5: Over de andere vijf mannen wordt in de Schrift niets meer gemeld.

6 hen stelden zij voor de apostelen, die, na gebeden te hebben, hun de handen oplegden.
Opmerking 14 bij Handelingen 6:6: Het handen opleggen was niet iets nieuws dat met het tijdperk van de gemeente kwam. De stam van Levi was afgezonderd voor het werk van God en de Israëlieten legden hen hiertoe, op bevel van God, de handen op (Num. 8:5-20)23. De Heer gebood de priesters om de handen op de kop van het brandoffer te leggen als symbool van de overdracht van de zonden op het dier (Lev. 1:4; 15:21; Num. 8:12)24.
Door het handen opleggen werd zegen doorgegeven (Gen. 48:14-15)25. In het Nieuwe Testament werden mensen door het handen opleggen voor God afgezonderd (hier en in Hand. 13:2-3)26. De Heilige Geest werd door het handen opleggen gegeven (Hand. 8:17; 19:6)27. Paulus sprak van de gave die onder zijn handoplegging aan Timoteüs werd gegeven (1 Tim. 4:14; 2 Tim. 1:6)28. Hebreeën 6:2 spreekt van de leer van oplegging der handen als één van de fundamentele waarheden in het evangelie van Christus29.

7 En het woord Gods wies en het getal der discipelen te Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van de priesters gaf gehoor aan het geloof.
Opmerking 15 bij Handelingen 6:6: Hier gaat het erover dat de invloed van Gods Woord toeneemt naarmate meer en meer mensen zich eraan overgeven.

8 En Stefanus, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.
Opmerking 1 bij Handelingen 6:8: Sommigen hebben aangevoerd dat met de laatste apostelen ook de wonderen ophielden. In de eerste plaats zijn er heden ten dage nog steeds apostelen (zie opmerking 2 bij Luc. 6:1330 en opmerking 1 bij Marc. 3:1431) en in de tweede plaats was Stefanus geen apostel en toch verrichtte hij wonderen. Dit bewijst dat niet alleen de apostelen, maar alle gelovigen (Marc. 16:17; Joh. 14:12)32 wonderen kunnen verrichten door geloof in de Heer Jezus (zie opmerking 4 bij Hand. 3:16)33.

9 Doch er stonden sommigen op van hen, die waren van de zogenaamde synagoge der Libertijnen, der Cyreneeërs en der Alexandrijnen en van de Joden uit Cilicië en Asia en redetwistten met Stefanus,
Opmerking 2 bij Handelingen 6:9: Deze Libertijnen waren ofwel Joden die slaaf waren geweest maar door de Romeinse regering waren vrijgemaakt, of ze kwamen wellicht uit een stad in Noord-Afrika, Libertina genaamd. In ieder geval waren ze een groep Joden die vanwege hun gemeenschappelijke verbondenheid zichzelf hadden afgezonderd van de rest van het Joodse volk doordat ze hun eigen synagoge hadden.
Opmerking 3 bij Handelingen 6:9: Cyrene was een belangrijke stad in Noord Afrika op een paar kilometer landinwaarts van de Middellandse Zee, wat tegenwoordig Tripoli wordt genoemd.
Opmerking 4 bij Handelingen 6:9: De stad Alexandrië werd in 322 AD door Alexander de Grote gesticht en lag ook al in de tijd van de gebeurtenissen in het boek Handelingen aan de noordkust van Egypte, net ten westen van de Nijldelta. Alexandrië had toen tussen de 600.000 en 700.000 inwoners. Een groot gedeelte daarvan was Joods.
Opmerking 5 bij Handelingen 6:9: Cilicië was een zuidoostelijke provincie van Klein-Azië met als voornaamste plaats Tarsus, de geboorteplaats van Saulus.
Opmerking 6 bij Handelingen 6:9: Met Asia wordt een westelijke provincie in Klein-Azië bedoeld, met Efeze als hoofdstad.

10 en zij waren niet bij machte de wijsheid en de Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan.
Opmerking 7 bij Handelingen 6:10: Deze wijsheid waarmee Stefanus sprak was niet zijn eigen menselijke wijsheid, maar kwam rechtstreeks van de Geest van God. Dit was een directe vervulling van de belofte die Jezus aan Zijn discipelen had gedaan in Lucas 21:1534.

11 Toen schoven zij mannen naar voren, die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God horen spreken.
Opmerking 8 bij Handelingen 6:11: Dit is een klassiek voorbeeld dat iemand niet door overreding tot bekering kan worden gebracht. Stefanus verbijsterde de mensen met de wijsheid van God, maar daardoor werden ze niet veranderd. Ze kozen ervoor om niet te geloven (2 Petr. 3:5)35.

12 En zij brachten zowel het volk als de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en op hem aandringende, sleepten zij hem mee en leidden hem voor de Raad,

13 en voerden valse getuigen aan, die zeiden: Deze mens spreekt onophoudelijk lasterlijke woorden tegen [deze] heilige plaats en de wet,

14 want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazoreeër, deze plaats zal afbreken en de zeden veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd.
Opmerking 9 bij Handelingen 6:14: Jezus kwam niet om de wet te ontbinden, maar om deze te vervullen (Matt. 5:17)36. Hij verving deze vervolgens door een beter verbond (Heb. 8:6-7)37. De Joden begrepen dit niet toen Jezus hierover leerde, of toen Stefanus dezelfde waarheden vertelde. Jezus profeteerde inderdaad over de verwoesting van de tempel (Matt. 24:1-2; Marc. 13:1-2; Luc. 21:5-6)38 en het veranderen van de gewoonten van Mozes (Matt. 5:21-48; Joh. 4:21-23)39, maar dit was niet tegenstrijdig met de wet, maar als vervulling ervan.

15 En allen, die in de Raad zitting hadden, zagen, toen zij hem aanstaarden, zijn gelaat als het gelaat van een engel.


Handelingen 7
1 En de hogepriester zei: Is dat zo?

2 En hij zei: Gij, mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen,
Opmerking 1 bij Handelingen 7:2: In zijn verdediging ontkent Stefanus geen van de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht (zie opmerking 9 bij Handelingen 6:14). In plaats daarvan begint hij zijn identiteit als een ware Jood te bevestigen door het spoor te volgen van de Joodse geschiedenis. Hij besluit zijn getuigenis door te zeggen dat net zoals de Joodse natie in zijn geheel door de geschiedenis heen zich tegen God had verzet, zij zich nu tegen God verzetten door de verwerping van de Messias, Jezus Christus, die God had gezonden (verzen 51-53).
Opmerking 2 bij Handelingen 7:2: Stefanus sprak geïnspireerd door de Heilige Geest en geeft ons in zijn verhandeling details en inzichten in gebeurtenissen in het Oude Testament die ons begrip van wat er werkelijk gebeurde sterk doet toenemen. Stefanus zegt bijvoorbeeld dat God aan Abram verscheen. Dit is een detail dat ons in het verslag in Genesis niet wordt gegeven.
Stefanus zegt ook dat de Heer tot Abram sprak om zijn land te verlaten voordat hij in Haran ging wonen. Als je Genesis 11:31-12:4 zou lezen zonder de hulp van de verklaring van Stefanus, zou je kunnen denken dat God tot Abram sprak nadat hij al in Haran was gaan wonen. Daarom kunnen we concluderen dat Terach, Abrams vader, zijn familie uit Ur der Chaldeeën meenam en naar Kanaän trok (Gen. 11:31)40. Onderweg verscheen de Heer in Mesopotamië aan Abram en gaf hem aanwijzingen voordat hij in Haran arriveerde.
Bij nader onderzoek zie je dit ook in Genesis 12:1. De Schrift zegt: "De Here nu had tot Abram gezegd"41. De uitleg van Stefanus van de Joodse geschiedenis spreekt dus niet het verslag van het Oude Testament tegen, maar verbreedt en verheldert bepaalde punten.

3 en Hij zei tot hem: Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land, dat Ik u wijzen zal.

4 Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont;

5 en Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs niet één voet, maar Hij beloofde het hem en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had.

6 En God sprak aldus, dat zijn nakomelingen bijwoners zouden zijn in een vreemd land en dat zij hen knechten en mishandelen zouden vierhonderd jaren;
Opmerking 3 bij Handelingen 7:6: Dit is precies dezelfde tijdsperiode die God aan Abram voorzegde in Genesis 15:13. Omdat echter in Exodus 12:40-41 duidelijk staat dat de Israëlieten na 430 jaar uit Egypte vertrokken, hebben sommige mensen beargumenteerd dat Genesis 15:13 en deze verwijzing slechts een afgerond getal was en niet bedoeld was om accuraat te zijn.
Het verschil van 30 jaar wordt echter heel belangrijk als je de 40 jaren (vers 30) die Mozes in de woestijn doorbracht na zijn mislukte bevrijdingspoging aftrekt van de 430 jaar van feitelijke slavernij. Dit betekent dat Mozes in het 390ste jaar dat het Joodse volk in Egypte verbleef de Egyptenaar doodde in een poging om hen te bevrijden, oftewel 10 jaar voordat de tijdsperiode die God in Genesis 15:1342 had verordend verstreken was. Het is waarschijnlijk dat de 400 jaar waarover God in zowel Genesis 15:13 als hier in dit vers sprak, de precieze tijd was die God had bedoeld voordat Hij het Joodse volk uit Eygpe zou bevrijden, maar de eigengereidheid van Mozes, waar hij blijk van gaf doordat hij de Egyptenaar doodde (Ex. 2:12)43, kostte Mozes 40 jaar in de woestijn en de Israëlieten 30 jaar extra slavernij.
De Joden waren niet de volle 400 jaar slaven in Egypte. Abram kwam in Kanaän toen hij 75 jaar oud was (Gen. 12:4)44. Het verbond van Genesis 15:13-1645 waarin de 400 jaar werden voorzegd, werd tenminste een jaar voor de geboorte van Ismaël gesloten (Gen. 16:15)46. Dat betekent dat Abram niet ouder dan 85 jaar geweest kon zijn voordat het verbond werd gesloten (Gen. 15:15 min 9 maanden) en hij kon in de zeventig zijn geweest. Abraham kreeg Isaak toen hij 100 jaar oud was. Toen Isaak 60 jaar was, werden Jakob en Ezau geboren (Gen. 25:26)47, en Jakob vertrok met zijn kinderen naar Egypte toen hij 130 jaar oud was (Gen. 47:9)48. Dat was maximaal 215 en minimaal 205 jaar na het verbond van Genesis 15, toen God sprak van de 400 jaar waarin het zaad van Abram verdrukt zou worden.
Jozef was 39 jaar toen zijn vader Jakob (of Israël) naar Egypte kwam (Gen. 41:46-47 en 45:6)49, en gedurende de hele tijd dat Jozef leefde, wat nog 71 jaar was (Gen. 50:22)50, genoten de Israëlieten vrijheid. Dat zou de totale verlopen tijd vanaf het moment van de profetie in Genesis 15 tot de dood van Jozef op 276 tot 286 jaar brengen.
Uit Exodus 1:851 is niet duidelijk op te maken hoe lang het na de dood van Jozef duurde voordat een andere koning aan de macht kwam die Jozef niet gekend had, maar er kan worden aangenomen dat het tenminste een aantal jaren duurde. Dat zou betekenen dat de totale tijd dat de Israëlieten slaven in Egypte konden zijn geweest hooguit 150 jaar, en waarschijnlijk veel korter was.
De historicus uit de eerste eeuw, Flavius Josephus, kwam tot dezelfde conclusie toen hij schreef: "De Hebreeën verlieten Egype 430 jaar nadat onze voorvader Abraham in Kanaän kwam, maar slechts 215 jaar nadat Jakob naar Eygpte was getrokken" (Antiquitates ii).

7 maar het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God, en daarna zullen zij uittrekken en Mij vereren aan deze plaats.

8 En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en aldus verwekte hij Isaak en besneed hem op de achtste dag; en Isaak verwekte Jakob en Jakob de twaalf aartsvaders.

9 En de aartsvaders verkochten uit naijver Jozef naar Egypte, maar God was met hem,

10 en verloste hem uit al zijn verdrukkingen en gaf hem genade en wijsheid tegenover Farao, de koning van Egypte, die hem aanstelde tot hoofd over Egypte en over zijn gehele huis.

11 En er kwam hongersnood over geheel Egypte en Kanaän en grote verdrukking, en onze vaderen vonden geen voedsel.

12 Maar toen Jakob hoorde, dat er koren was in Egypte, zond hij onze vaderen de eerste maal daarheen;

13 en bij de tweede maal maakte Jozef zich aan zijn broeders bekend en Jozefs afkomst werd aan Farao openbaar.

14 En Jozef zond heen om zijn vader Jakob te laten komen en al zijn bloedverwanten, vijfenzeventig zielen.
Opmerking 4 bij Handelingen 7:14: In Genesis 46:2652 staat dat er 66 mannen met Jakob naar Egypte kwamen. Jakob zelf en Jozef en zijn twee zonen, die al in Egypte waren, zijn hierbij niet meegeteld. Als je deze vier bij de mannen van Genesis 46:2753 optelt, is het totale aantal mannen die naar Egypte kwam 70 (Deut. 10:22)54. Stefanus telde dus vijf meer dan de telling in Genesis 46:27.
Het is mogelijk dat Stefanus uit de Septuaginta citeerde (een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Schrift), die de vier zonen van Manasse en Efraïm plus de kleinzoon van Manasse (Num. 26:29,35)55 bij de lijst van Genesis 46:27 optelt. Daarom waren er 70 mannelijke Israëlieten als je de zonen van Efraïm en de zoon en kleinzoon van Manasse niet meerekent, en 75 als je ze wel meerekent.

15 En Jakob trok af naar Egypte, en hijzelf stierf, en onze vaderen;

16 en zij werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf, dat Abraham voor een som geld van de zonen van Hemor te Sichem gekocht had.

17 Doch naarmate de tijd der belofte, waarmede God Zich aan Abraham verbonden had, naderde, vermeerderde het volk en vermenigvuldigde zich in Egypte,

18 totdat er over Egypte een andere koning aan het bewind kwam, die Jozef niet gekend had.

19 Deze nam list te baat tegenover ons geslacht en handelde slecht met de vaderen, en liet hen hun zuigelingen te vondeling leggen, opdat het volk zich niet zou voortplanten.

20 Te dien tijde werd Mozes geboren en hij was schoon voor God; drie maanden werd hij opgevoed in zijns vaders huis.

21 En toen hij te vondeling was gelegd, nam de dochter van Farao hem aan en liet hem als haar eigen zoon opvoeden.

22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken.

  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina