Antwoorden Feniks havo: Dynamiek en stagnatie in de Republiek Oriëntatie Opdracht 1



Dovnload 175.29 Kb.
Pagina1/3
Datum17.08.2016
Grootte175.29 Kb.
  1   2   3

Dynamiek en stagnatie in de Republiek Antwoorden


Antwoorden Feniks havo:

Dynamiek en stagnatie in de Republiek

Oriëntatie

Opdracht 1

a Dynamiek: veel beweging, veranderingen, ontwikkelingen. Stagnatie: verminderde groei, afnemen van vooruitgang

b De volgende gebeurtenissen passen bij dynamiek, omdat ze voor vooruitgang, positieve veranderingen enzovoort zorgden:

1544: Hollandse handelaren krijgen het recht om in alle Oostzeehavens te handelen

1602: oprichting van de VOC

1612: de Beemster wordt ingepolderd

1628: Piet Hein verovert de Zilvervloot

1642: Rembrandt schildert de Nachtwacht

De volgende gebeurtenissen passen bij stagnatie, omdat ze voor achteruitgang, negatieve veranderingen enzovoort zorgden:

1568: begin van de Tachtigjarige Oorlog

1672: het Rampjaar

1780: begin van de Vierde Engelse Oorlog

c De Late Middeleeuwen en de Vroegmoderne Tijd.

d Tijd van Steden en Staten, de Tijd van Ontdekkers en Hervormers, de Tijd van Regenten en Vorsten, de Tijd van Pruiken en Revoluties.

e De Gouden Eeuw is de benaming die de Nederlanders geven aan de zeventiende eeuw. In deze periode maakte de Republiek een grote groei door op economisch gebied. Ook bloeiden de kunsten en was de internationale macht van de Republiek groot.

Opdracht 2

a Het stadhuis hoort bij Amsterdam, deze stad groeide in de Gouden Eeuw aanzienlijk.

Het stadhuis was voor die tijd een imposant gebouw, hierdoor straalde het kracht en status uit.

In de versieringen in het stadhuis kwam de positie van Amsterdam in de wereldhandel naar voren, zoals in het timpaan (bron 8).

Op de begane grond van het stadhuis bevond zich de wisselbank. Deze had tijdens de Gouden Eeuw een belangrijke functie voor de handel.

b Op de Dam zijn verschillende handelaren en kooplieden te zien. Helemaal rechts zelfs handelaren afkomstig uit het Midden-Oosten (te zien aan de kleding). Door de wereldhandel werd de Republiek rijk en machtig.

Op de achtergrond rechts zijn de masten van de schepen te zien, deze verwijzen naar de winstgevende overzeese handel.

Midden in het schilderij is de waag te zien. In dit gebouw werden de verhandelde producten gewogen. De handel maakte de Republiek rijk.

c Granen, vis, wijn, bier (ook al wordt dit niet letterlijk genoemd), afkomstig uit Oost Europa, Hamburg, Engeland, Bremen, Rostock, Danzig. Saffraan, suiker, specerijen, peper, kaneel, wierook, gewaden. afkomstig uit Azië/Indië. Noten, zoete vijgen, afkomstig uit Zuid-Europa.

d Kaas en boter, afkomstig uit de Republiek.

e ‘Van heinde en van veer ziet gij de vreemden ten handel komen, af en aan.’ Dit is op het schilderij te zien. Rechts onderin staan kooplieden uit het Midden-Oosten.

‘Of waar het oog bij honderdtallen de masten en de zeilen telt.’ Dit is rechts bovenin op het schilderij te zien. Daar liggen de schepen in de haven van Amsterdam.



Opdracht 3

a De Tijd van Steden en Staten: Hanze, Gilde, Bourgondiërs, Centralisatie

De Tijd van Ontdekkers en Hervormers: Renaissance, Protestantisme, Reformatie, Tachtigjarige Oorlog, Columbus, Slavernij

De Tijd van Regenten en Vorsten: Absolutisme, Wereldeconomie, Handelskapitalisme, VOC, Wetenschappelijke Revolutie, Lodewijk XIV

De Tijd van Pruiken en Revoluties: Verlichting

b Eigen antwoord, zie Overzicht van de geschiedenis

c Eigen uitwerking.

Opdracht 4

a Hoe is de snelle (economische) groei en de eveneens snelle neergang van de Republiek te verklaren?

b Ja, want de hoofdvraag van dit katern is: ‘Hoe valt te verklaren dat de Republiek een zo lange periode van welvaart doormaakte in de zeventiende en achttiende eeuw?’

c Volgens Temple waren de inwoners van de Republiek sober, ijverig, hardwerkend, vindingrijk. Deze kenmerken zijn goed voor de economie. Soberheid zorgt ervoor dat er geen geld wordt verspild. IJver en hard werken leiden tot een grote productie. En door vindingrijkheid worden nieuwe uitvindingen gedaan, die van belang voor de economie kunnen zijn.

d Onder de calvinistische volksaard wordt verstaan de sobere, spaarzame levensstijl. Dit zijn een aantal van de karaktertrekken die Temple beschrijft.

Opdracht 5

a De VOC was de grootste handelsonderneming van de Republiek. Bij veel mensen bestaat het beeld dat de VOC voor de rijkdom van de Republiek heeft gezorgd.

b Met ‘VOC-mentaliteit’ bedoelde Balkenende een actieve opstelling, waarbij internationaal wordt gedacht en lef wordt getoond.

a Balkenende wil met zijn typering van VOC-mentaliteit de periode van de Gouden Eeuw positief beoordelen. Hij wil er de successen van de internationale bedrijvigheid van de Nederlanders mee uitdrukken.

b Men verwijt Balkenende dat hij de negatieve zaken van de Gouden Eeuw, zoals uitbuiting en slavernij, vergeet.

c Strikt genomen was het niet de VOC die handelde in slaven, maar de WIC.



Hoofdstuk 1 – Op de drempel van de Gouden Eeuw

Opdracht 1

a De blokkade van de Schelde had als economisch gevolg voor Antwerpen dat deze stad via de rivier nauwelijks meer bereikbaar was en dat talloze handelaren naar de Noordelijke Nederlanden vluchtten. Voor Amsterdam had de blokkade als gevolg dat er zich in de stad veel Vlaamse handelaren vestigden, die vanuit Amsterdam hun activiteiten voortzetten.

b Vanuit verschillende delen van de wereld kwamen handelsstromen samen in Antwerpen. Het aantal inwoners was in de Middeleeuwen gigantisch gegroeid.

c Op het schilderij is veel scheepvaartverkeer te zien. En de stad is groot en telt veel grote gebouwen.

d Economische veranderingen: Amsterdam nam de positie van handelscentrum van Europa over van Antwerpen.

Politieke veranderingen: de Nederlandse gewesten kwamen in opstand tegen de Spaanse overheersing. Dit leidde tot de Tachtigjarige Oorlog.



Opdracht 2

Eigen uitwerking.



Opdracht 3

a De Nederlandse gewesten waren in de Middeleeuwen onder het gezag gekomen van de hertogen van Bourgondië. De dochter van de laatste Bourgondische hertog, Karel de Stoute, trouwde met Maximiliaan van Habsburg. Hierdoor kwamen de Nederlandse gewesten in handen van de Habsburgers.

b Karel V was heer van de Nederlandse gewesten, keizer van het Duitse rijk, koning van Italië en Spanje. Als gevolg van de Europese expansie bezaten Italië en Spanje ook grote delen van de ontdekte gebieden in Midden- en Zuid-Amerika. Deze gebieden vielen ook onder de heerschappij van Karel V. Hij was dus heerser van een rijk waar het altijd wel ergens dag was, waar altijd de zon scheen.

c Onder centralisatiepolitiek verstaan we het streven van vorsten om hun machtsgebied steeds meer vanuit één plek te besturen. De besluiten die centraal worden genomen, moeten gelden voor iedereen in het rijk.

Voorbeelden van centralisatiepolitiek zijn: het invoeren van de Staten-Generaal, het stichten van de Bourgondische Kreits.

d Twee oorzaken: ontevredenheid onder de bevolking over de centralisatiepolitiek en kritiek op de strenge vervolging van de protestanten. Een gevolg: het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

e In elk gewest werd een ander dialect gesproken en kende men andere gewoontes en gebruiken. Ieder gewest stelde voor een groot deel zijn eigen regels en wetten op. Ook sloeg men eigen munten.

f Hieronder volgen een aantal politieke veranderingen in de Nederlandse gewesten die zich in de vijftiende en zestiende eeuw hebben voorgedaan:

1. De Nederlandse gewesten werden een onderdeel van het Habsburgse rijk.

2. In 1464 werden de Staten-Generaal ingesteld.

3. De Bourgondische vorsten en hun Habsburgse opvolgers voerden een centralisatiepolitiek.

4. In 1548 werd besloten dat de Nederlandse gewesten een ondeelbare bestuurlijke eenheid moesten blijven vormen, de Bourgondische Kreits genaamd.

5. In 1568 begonnen de Noordelijke Nederlandse gewesten een opstand tegen Filips II. Dit wordt ook wel de Tachtigjarige Oorlog genoemd.

6. In 1588 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uitgeroepen.

De volgorde is naar eigen inzicht.

Opdracht 4

a Maria de Rijke was de dochter van Karel de Stoute, de laatste hertog van Bourgondië.

Filips II was heer van de Nederlandse gewesten en zoon van Karel V.

b Uit bron 8 blijkt dat de Nederlandse gewesten nog geen eenheid vormden, omdat erin wordt gesteld dat de rechten en privileges van de landen en steden in stand gehouden moeten worden. Hierdoor bestaan er dus grote verschillen. ‘Verbroken privileges’ moeten zelfs worden hersteld.

Uit bron 9 blijkt dat de Nederlandse gewesten nog geen eenheid vormden, omdat elk apart gewest moest instemmen met de opvolging van Karel V door Filips II. En dat Filips II de privileges/voorrechten van dit gewest moest handhaven.

c Beide. Met de instelling van de Grote Raad wordt er meer samengewerkt en bestuurd vanuit een centraal punt (is centralisatiepolitiek). Maar men stelt ook duidelijk dat de oude voorrechten (is privileges) van de landen en steden in stand gehouden moeten worden.

d Privileges, want Filips II moet beloven dat hij de privileges van Holland zal handhaven.

Opdracht 5

Eigen uitwerking.



Opdracht 6

a - Grootschalige graanverbouw was in Holland onmogelijk dankzij de kwaliteit van de bodem.

- Het gewest Holland kreeg in de Late Middeleeuwen regelmatig te maken met overstromingen, waardoor landbouwgrond voor langere tijd onbruikbaar was.

- De steden in Holland waren klein en fungeerden als voorhavens voor veel grotere steden als Antwerpen en Brugge.

b Volgens de theorie van Malthus kan de bevolking niet verder groeien, wanneer er onvoldoende landbouwgrond beschikbaar is. Groeit de bevolking verder, dan ontstaan er zogenaamde malthusiaanse spanningen. Deze deden zich in de Nederlandse gewesten in de zestiende eeuw niet voor, ondanks het feit dat er onvoldoende bruikbare landbouwgrond aanwezig was. Men kocht goedkoop graan in uit het Oostzeegebied (de zg. moedernegotie).

c Een gevolg van de handel op de Oostzee is het ontstaan van een kapitaalintensieve en gecommercialiseerde landbouwsector in Holland. Om het graan uit het Oostzeegebied te kunnen halen, waren handelsgewassen nodig. Deze werden verbouwd in de Hollandse landbouw.

Een gevolg van de handel op de Oostzee is het ontstaan van waterschappen. Om de landbouwgrond in Holland goed te beschermen, werden er waterschappen in het leven geroepen. Hierdoor konden er op de landbouwgrond voldoende handelsgewassen worden verbouwd.

Een gevolg van de handel op de Oostzee is het uitgroeien van de internationale handel met Zuid-Europa. In het Oostzeegebied was behoefte aan Zuid-Europese producten.

Een gevolg van de handel op de Oostzee is de groei van de haringvisserij door Hollandse vissers. De haring bleek een geliefd exportproduct.

Een gevolg van de handel op de Oostzee is de urbanisatie. In de landbouw waren door de commercialisering minder mensen nodig. Steeds meer mensen trokken naar de steden, waar zij werk vonden in de handel of de nijverheid.

d De Hollandse landbouw was kapitaalintensief, omdat veel boeren eerst moesten investeren in de opbouw van hun bedrijf (bijvoorbeeld grond aankopen, vee aankopen, enz.). Ook was het commercieel, omdat de boeren niet werkten voor hun eigen onderhoud (zelfvoorzienend), maar voor de handel (commercie).

e Door het ontbreken van een feodale traditie, waren de meeste boeren in Holland vrij. Zij bewerkten de grond die zij zelf pachtten. Hierdoor hadden zij er zelf dus profijt van, wanneer zij investeerden in hun bedrijfje en de inkomsten daardoor toenamen. Onvrije boeren, waarvan bij een feodaal systeem sprake is, merken dit zelf niet.

f Door de Vrede van Spiers werd bepaald dat Hollanders vanaf 1544 ongehinderd toegang moesten krijgen tot het Oostzeegebied. De handel met dit gebied zal dus zijn toegenomen.

Opdracht 7

a Eigen uitwerking.

b Deze bron biedt onvoldoende gegevens om bijvoorbeeld de urbanisatiegraad van het gewest Holland in het jaar 1500 te kunnen geven, want je weet niet hoe groot de totale bevolking van Holland was.

c In de landbouw waren steeds minder arbeidskrachten nodig. De mensen trokken van het platteland naar de steden, op zoek naar werk.



Opdracht 8

a Deze afbeelding is representatief voor de landbouw in het gewest Holland, omdat te zien is dat de landbouwgrond drassig is/bestaat uit grasland. En er is hoofdzakelijk sprake van veeteelt.

b De Hollanders importeerden goedkoop graag vanuit het Oostzeegebied.

c Melk, waarvan kaas en boter werd gemaakt. Vlas, koolzaad en hennep. Hiervan kon textiel, touw en olie gemaakt worden.

d De structuur van de Hollandse landbouw was uniek voor West-Europa, want de Hollandse landbouw was sterk gecommercialiseerd. Bovendien waren er in de Republiek nauwelijks feodale structuren. Van commercialisering was in de Oostelijke en Zuidelijke gewesten van de Republiek geen sprake, daar was de landbouw sterk zelfvoorzienend (autarkisch).

Opdracht 9

a De textielnijverheid groeide, omdat de bevolking groeide en daardoor de vraag naar kleding. De scheepsbouwindustrie groeide, omdat de handel van Holland met delen van Europa toenam. Hiervoor waren steeds meer schepen nodig.

b Bij het handelskapitalisme zorgden handelaren voor de inkoop van grondstoffen. Deze lieten zij bewerken en verkochten de eindproducten weer door. Op een stapelmarkt (zoals in Amsterdam) konden deze handelaren zowel de benodigde grondstoffen inkopen, als de eindproducten verkopen.

c Gilden stellen strenge, beschermende regels voor diverse ambachten. Deze gingen bijvoorbeeld over de productiewijze en wie de producten mochten maken. Bij het ontbreken van gilden of strenge regels, zijn ambachtslieden vrijer in het produceren. Iedereen mag een bepaald ambacht uitvoeren en de productiewijze zelf bepalen. Op die manier kun je groei krijgen van de nijverheid.

d De volgende belangrijke economische veranderingen worden in de paragraaf besproken:

- De textielnijverheid, de scheepsbouwindustrie en de scheepvaart groeiden.

- In de Republiek ontstonden steeds meer trafieken.

- Langzaamaan nam Amsterdam de positie van Antwerpen als handelscentrum over; in Amsterdam ontstond een stapelmarkt.

- Het systeem van het handelskapitalisme ontwikkelde zich verder.

- Door het ontstaan van een groep kooplieden-regenten groeide er een zekere economische eenheid in de Republiek.

e De kooplieden-regenten onderhielden door hun familiebanden veel contacten met kooplieden-regenten uit andere steden en gewesten. Hierdoor ontstond er een zekere eenheid en samenhang in de economische markt. Toch bestond de Republiek nog lange tijd uit verschillende stedelijke en regionale economieën, die door tolbarrières, handelsbeperkingen, verschillende belastingstelsels, eigen munten en deels zelf te bepalen invoer- en uitvoerrechten veel van elkaar verschilden. De steden in de andere gewesten waren kleiner dan die in Holland en Zeeland. Daar werd nog voornamelijk geproduceerd voor de lokale markt en werden maar weinig producten over grotere afstand verhandeld.

Opdracht 10

a Er wordt gedoeld op de positie als handelscentrum van West-Europa. Nadat de Spanjaarden Antwerpen weer veroverd hadden, sloten de Holland en Zeeland de Schelde af voor scheepvaartverkeer. Daarop zochten handelaren hun heil in Amsterdam, waar de handel opbloeide.

b Een indirecte oorzaak is de bloei van Amsterdam dankzij de moedernegotie. In Amsterdam ontstond daardoor langzaam een stapelmarkt.

Maar ook speelde mee dat veel Antwerpse kooplieden in de periode vóór 1585 minder inkomsten hadden, doordat de Habsburgse machtshebbers bijna failliet waren gegaan aan de oorlogen die ze voerden. Antwerpen was vanouds een stad waar luxe producten konden worden gekocht. Door de financiële problemen van de Habsburgers daalde de vraag hiernaar.

c Een directe oorzaak is de herovering van Antwerpen in 1585. Hierdoor vluchtten veel kooplieden, handelaren en andere inwoners van de stad naar Amsterdam.

Opdracht 11

a Ja, je kunt beide vragen beantwoorden met behulp van de bron.

b In de vijftiende en zestiende eeuw ontstond er een stapelmarkt, omdat in die tijd in verschillende delen van Europa (zoals het Oostzeegebied en het Middellandse Zeegebied) de vraag naar producten steeg. Maar de zeilschepen van die tijd waren niet geschikt om grote afstanden te overbruggen. Ook waren de communicatiemiddelen nog niet voldoende ontwikkeld om goed op de hoogte te zijn van actuele ontwikkelingen elders in Europa.

In de Republiek ontstond een stapelmarkt, omdat het op een centrale plaats in Europa lag. De afstand vanuit de Republiek naar het Oostzeegebied of het Middellandse Zeegebied was wel overbrugbaar.

c Een distributiecentrum is een plek waar goederen worden opgeslagen en van daaruit weer worden verspreid. Deze beschrijving hoort ook bij een stapelmarkt.

Opdracht 12

Met de graanhandel werd een internationaal handelsnetwerk opgebouwd, omdat het graan in het Oostzeegebied werd verhandeld met producten die in de Republiek waren gemaakt, maar ook met producten die de Republiek uit Zuid-Europa had gehaald (zoals wijn). Op die manier ontstonden dus handelscontacten met verschillende centra in Europa, die via de Republiek in een netwerk waren verbonden.



Opdracht 13

a De opmerkelijke ontwikkeling is een grote achteruitgang in de lakenproductie van Amsterdam na 1559.

b Het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog (de Opstand) kan de grote teruggang in de lakenproductie na 1560 mogelijk verklaren.

c Door de oorlog komt handel vaak stilt te liggen.



Opdracht 14

Eigen uitwerking.



Opdracht 15

Paragraaf 1.1: De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd door de Opstand een onafhankelijke en zelfstandige staat.

Paragraaf 1.2: Door de moedernegotie kon in de Republiek (Holland, Amsterdam) een stapelmarkt opbloeien en ontwikkelde zich een internationaal handelsnetwerk. Ook commercialiseerde de landbouwsector in Holland, waardoor de boeren voor de markt produceerden.

Paragraaf 1.3: Door de herovering van Antwerpen vestigden zich veel vluchtelingen in Amsterdam. Door de groei van de bevolking, nam de vraag naar nijverheidsproducten toe. De nijverheid werd ook gestimuleerd door de internationale handel vanuit de Republiek.



Opdracht 16

Eigen uitwerking.



Opdracht 17

Eigen uitwerking.



Opdracht 18

Eigen uitwerking.



Opdracht 19

Eigen uitwerking.



Hoofdstuk 2- De Gouden Eeuw 1585-1672

Opdracht 1

a 1585: toen werd Antwerpen door de Spanjaarden heroverd. Het gevolg was een grote stroom vluchtelingen richting de Republiek.

1672: het Rampjaar. De Republiek werd aangevallen door Engeland, Frankrijk, Münster en Keulen.

b Reden 1: De schilderkunst bloeide op in de Gouden Eeuw, de Republiek stond bekend om haar kunstenaars. Dit is een voorbeeld van zo’n schilderij.

Reden 2: Het is een afbeelding van Indië, de stad Batavia. Dit was de handelsbasis van de VOC. De VOC wordt vaak gezien als een belangrijk symbool van de Gouden Eeuw.

Reden 3: Op het schilderij zijn twee rijke burgers afgebeeld. Deze regenten waren kenmerkend voor de burgerlijke samenleving van de Republiek tijdens de Gouden Eeuw.

c In feite geen enkele. Uit de inleiding blijkt dat de schilder waarschijnlijk nooit in Indië is geweest. Het schilderij geeft dus geen exacte weergave van de werkelijkheid. Je zou hooguit met het schilderij kunnen aantonen dat de handel met Azië voor bepaalde (groepen) burgers in de Republiek voor veel rijkdom zorgde.

d Zie Feniks-online.



Opdracht 2

a De twee redenen zijn:

- De Republiek was een statenbond van grotendeels zelfstandige gewesten (Holland, Zeeland, Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland en Utrecht).

- De Republiek had geen vorst (koning) als staatshoofd.

b Twee belangrijke politieke instellingen waren de Staten-Generaal en de Gewestelijke Staten. In de Staten-Generaal kwamen vertegenwoordigers van de zeven gewesten samen; men nam besluiten over defensie en buitenlandse politiek. Per gewest werden de belangrijkste besluiten genomen tijdens bijeenkomsten van de Gewestelijke Staten.

c De Republiek was een statenbond van grotendeels zelfstandige gewesten. Elk gewest stelde zelf veel eigen wetten en regels op. In een eenheidsstaat worden de besluiten voor een staat vanuit een centraal punt genomen en gelden voor iedereen.

d Twee belangrijke functies waren de stadhouder en de raadspensionaris. In principe koos ieder gewest een eigen legeraanvoerder (deze functie noemde men officieel kapitein-generaal), ook wel stadhouder genoemd. De stadhouder had ook politieke macht. Hoewel de Staten de besluiten namen, was de stadhouder betrokken bij de benoeming van bestuurders van steden en gewesten. Ook mocht de stadhouder veroordeelde misdadigers gratie verlenen. In de praktijk kozen meerdere gewesten dezelfde persoon als stadhouder uit de afstammelingen van Willem van Oranje, de leider van de Tachtigjarige Oorlog.

De stadhouders streden tijdens de zeventiende eeuw met de raadpensionaris van Holland om de grootste politieke macht in de Republiek. Deze raadpensionaris (ook wel landsadvocaat genoemd) was de belangrijkste adviseur van de Gewestelijke Staten van Holland. Hij leidde de vergaderingen, voerde de besluiten uit en onderhandelde met buitenlandse bestuurders. Ook stond hij aan het hoofd van de afgevaardigden van het gewest Holland die naar de Staten-Generaal gingen.

e



Opdracht 3

a De Prins van Oranje had in de Republiek vaak de functie van stadhouder.

b In de bron worden de Prins van Oranje (de stadhouder) en de koning van Frankrijk met elkaar vergeleken.

c De schrijver concludeert dat de koning van Frankrijk zelfstandig snel besluiten kan nemen. De stadhouder kan niets besluiten, hij is afhankelijk van het oordeel van de verschillende gewesten.

d In de bron komt het verschijnsel particularisme naar voren, omdat de schrijver aangeeft dat de Republiek niet vanuit een centraal punt wordt bestuurd. Volgens hem mogen de verschillende gewesten veel zelf besluiten en gebeurt er niets zonder hun toestemming.

Opdracht 4

Het begrip ‘statenbond’ is het meest van toepassing op de uitspraak van Johan de Witt, omdat hij zegt dat iedere provincie (gewest) in feite een soevereine republiek is. Met soeverein wordt bedoeld dat de provincie het recht heeft om zichzelf te besturen.



Opdracht 5

a


Boer uit de Late Middeleeuwen

Boer uit de zestiende en zeventiende eeuw

  • eenvoudige landbouwmethoden

  • geringe mate van specialisatie

  • zelfvoorzienend

  • lage productiviteit

  • specialisatie

  • commercialisering

  • intensivering

Na de Middeleeuwen groeiden de steden in Holland als gevolg van de toenemende handel. Er waren meer voedsel en landbouwproducten nodig voor de mensen in de steden en de boeren moesten dat voedsel leveren. Graan werd uit het Oostzeegebied gehaald en de boeren in Holland gingen zich toeleggen op de toelevering aan de steden.

b Er werd geïnvesteerd in:

- het opbouwen van een commercieel landbouwbedrijf door de zelfstandige boeren. Hierdoor konden de boeren meer geld verdienen.

- het inpolderen van meren. Hierdoor kwam er meer landbouwgrond beschikbaar, waarop landbouwgewassen konden worden verbouwd.

- het aanleggen van trekvaarten. Hierdoor namen de vervoersmogelijkheden in de Republiek toe.

- het winnen van turf. Turf was geschikt als brandstof, dit kon onder andere goed gebruikt worden in de nijverheid.

c Waarschijnlijk de inpolderingen. Hierdoor nam de omvang van het beschikbare landbouwareaal zo toe, dat ook de productie van handelsgewassen kon toenemen.

d De afgegraven turf moest vervoerd kunnen worden. Dit ging makkelijk en snel in grote hoeveelheden via de trekvaarten.

e In het westen en het noorden van de Republiek waren aan het einde van de zestiende eeuw nauwelijks meer keuterboeren te vinden. Een keuterboer was een boer met weinig grond, die vaak in loondienst moest werken (bijbaantje) om rond te kunnen komen. In plaats van keuterboeren kwamen er steeds meer commerciële boeren in Holland.

f De landbouwsector was nauw verbonden met de handel, omdat de landbouw voor handelsgewassen zorgde die aan het buitenland verkocht konden worden.

De landbouwsector was nauw verbonden met de nijverheid, omdat in de landbouw gewassen werden verbouwd (zoals vlas, hennep) die in de nijverheid werden bewerkt tot producten.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina