Antwoorden Feniks vwo Hoofdstuk 7 Stoffige pruiken, bruisende ideeën Oriëntatie Opdracht 1



Dovnload 100.56 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte100.56 Kb.
Antwoorden Feniks vwo
Hoofdstuk 7 Stoffige pruiken, bruisende ideeën

Oriëntatie

Opdracht 1

a De periode van 1700-1800 heet de Tijd van Pruiken en Revoluties, omdat de rijke mensen in deze periode vaak witbepoederde pruiken droegen. Hierin volgden zij de mode in Parijs. In deze periode braken ook revoluties uit in Amerika en Frankrijk. Het bestuur en de samenlevingen in Europa zijn niet weinig beïnvloed door deze revoluties.

b De naam verwijst natuurlijk naar de meest belangrijke gebeurtenissen van de achttiende eeuw. Er zijn echter ook andere verschijnselen die deze eeuw kenmerken. Voorbeelden daarvan zijn de verlichte wetenschappelijke ontdekkingen, Europeanen veroveren de koppositie in de wereldeconomie en de transatlantische slavenhandel.

c Voorbeeld van een goed antwoord: Tijd van de Verlichting, Tijd van Revoluties.



Opdracht 2

Kenmerk 1. Bron 2 bij de Pruikentijd. Bron 12 past bij Revoluties. Op deze penning staat het logo van de abolitionisten, die onder invloed van verlichte denkbeelden de slavernij af wilden schaffen.

Kenmerk 2. Bij de Pruikentijd past bron 1. Hierin staan geleerden en schrijvers afgebeeld. Rijke mensen, die naar de mode van de tijd zijn gekleed. Bij de term revoluties passen de bronnen 13 en 14. In bron 13 zie je een product van de verlichtingsideeën die het geloof in de bestaande orde deden wankelen. In bron 14 staat een maatregel tegen de verspreiding van deze ideeën afgebeeld.

Kenmerk 3. Bij het aspect Pruikentijd past bron 3. Op de afbeelding staat een goedgekleed gezelschap van filosofen in gezelschap van Frederik II van Pruisen. Bron 18 is ook een goed voorbeeld van de kledingwijze aan het hof. In bron 19 staan de hoepelrokken van de rijke dames afgebeeld. Bij het begrip revoluties past afbeelding 19 het best. Hierop staat de aanhouding van Wilhelmina, de vrouw van Willem V, bij Goejanverwellesluis. Zij werd door de patriotten tegengehouden, die in 1787, geïnspireerd door verlichte denkbeelden, een revolutie ontketenden.

Kenmerk 4. Bron 24 past het best bij de Pruikentijd. Hierop staan de voorname mannen, de Founding Fathers, in vol ornaat bij de ondertekening van de grondwet van de VS. Bij revoluties passen de bronnen 22 en 25, waarin de bestorming van de Bastille en het hoofd van Lodewijk XVI, het begin en het einde van de Franse Revolutie, staan afgebeeld.

Opdracht 3

Bron 5 komt uit de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten van Amerika. Het feit alleen al dat deze kolonie het waagde om zich los te willen maken van het wettig gezag in Groot-Brittannië op basis van de eigen rechten van de bevolking, kan wel als een 'bruisend idee' beschouwd worden.



Opdracht 4

a "De natuur en haar wetten waren in diep duister gehuld, Maar God zei: "Er zij Newton!"en alles werd van licht vervuld."

Pope schrijft over de ontdekking van de zwaartekracht door Newton. Natuurwetten, zoals de wet van de zwaartekracht, liggen

opgesloten in de nacht, maar Newton heeft zijn licht erop laten schijnen en ‘ze’ blootgelegd.

b Het verlichtingsdenken, waarbij niet langer voetstoots werd aangenomen wat Kerk en Bijbel vertelden, leidde tot een impuls voor het wetenschappelijk onderzoek, zoals Newtons vondst van de zwaartekracht. Volgens Pope kon zelfs God hier niet omheen.

Opdracht 5

Verlichters ontdekten de principes die aan de werking van de natuur ten grondslag lagen. Zij keken op dezelfde manier naar de principes die de basis vormden voor het bestuur en de organisatie van de samenleving. Beiden vind je terug in Benjamin Franklin die bewees dat bliksem uit elektriciteit bestaat en bekend staat als één van de Founding Fathers.


§ 1 Europa gaat buitengaats

Opdracht 1

Aan de ene kant laadde men het schip zo vol mogelijk met slaven, om een zo groot mogelijke winst te behalen. Dit leidde tot

erbarmelijke omstandigheden. Aan de andere kant wilde men wel dat zo veel mogelijk slaven levend de overkant zouden halen, zodat ze verkocht konden worden. Dit leidde tot een 'redelijke' behandeling.

Opdracht 2

a Je zou de oude driehoekshandel als een begin van globalisering kunnen beschouwen: drie continenten raakten via handel met elkaar verbonden. Tegenwoordig is de hele wereld dat.

b In de tijd van de oude driehoekshandel speelde Europa een zeer dominante rol, zij bepaalde de handel. Tegenwoordig, met de globalisering, is dat niet langer het geval. Europa is ingehaald door de VS en wordt nu ingehaald door China en India.

Opdracht 3

De slaven plukten de katoen, waarvoor zij niet betaald hoefden te worden. Hun eigenaar heeft een keer geïnvesteerd bij hun aankoop en is daarna verantwoordelijk voor hun onderhoud, maar deze kosten vallen in het niet vergeleken bij de enorme winsten die de plantage-eigenaar kon maken in de katoenhandel.



Opdracht 4

Slavenhandelaars maakten winst bij de koop van slaven. Vervolgens verkochten ze de slaven tegen een gunstige prijs, om in

Europa weer winst te maken op de grondstoffen die ze meebrachten.

Opdracht 5

a Bosman probeert in zijn verhaal duidelijk te maken dat ze de slaven zo goed mogelijk behandelden (en daar hun best voor

deden).

Equiano beschrijft het leed en de angst van de slaven. In zijn verhaal stelt hij de manier waarop blanken andere mensen



behandelen aan de kaak, door te verwijzen naar de christelijke moraal.

b Bosman wil de slavenhandel verdedigen, omdat het zijn inkomstenbron is. Equiano is een Afrikaan en wil blanken laten inzien wat zij anderen aandoen.

c Beide schrijvers hebben een bepaalde kijk op de slavenhandel. Ze zijn partijdig en proberen in de stukken die zij schrijven hun mening op alle manieren kracht bij te zetten. Niet alles hoeft dus waar te zijn.

Opdracht 6

Op de afbeelding is te zien hoe gezinnen uiteengerukt worden en hoe onterend de slaven behandeld worden. Dit was precies wat de abolitionisten aan de kaak wilden stellen.



Opdracht 7

a Het waren luxeproducten, waar men goede sier mee kon maken. Bovendien werken tabak en suiker (licht) verslavend; men kreeg er nooit genoeg van.

b Deze snelgroeiende industrieën hadden steeds meer grondstoffen en afzetmarkten nodig. Deze vonden ze overal ter wereld.

c Met name de katoenproductie, maar ook thee, koffie, suikerriet en tabak, had grote behoefte aan goedkope arbeidskrachten: slaven.



Opdracht 8

a Het was erg makkelijk om aan goedkope vervanging te komen.

b De slaven leefden zeer verspreid, in kleine groepen op verschillende plantages. Zij hadden onderling geen contacten.

Opdracht 9

Als jij je verplaatst in iemand uit de tijd van Willem Bosman, dan zal hij wel menselijk overkomen. Zijn manier van werken lijkt eerlijk en ordelijk. Hoewel hij wel vertelt dat slaven gebrandmerkt worden, verdedigt hij gelijk dat het noodzakelijk is, én dat ze erg oppassen hoe ze het merk toebrengen. Met name bij de vrouwen. Standplaatsgebondheid speelt hier een grote rol: in de tijd van Bosman was het houden en zo behandelen van slaven gewoon en zo werd er ook naar gekeken.


Opdracht 10

a Portugal, Spanje, Nederland, Groot-Brittannië, Frankrijk.

b Vooral de eerste vier waren zeevaarders, de Portugezen en Spanjaarden trokken er het eerst op uit, zowel richting het nieuwe Amerika als richting het Verre Oosten, via Afrika. Daarop volgde de Nederlandse Gouden Eeuw, waarin men zich richtte op de West- en Oost-Indiën. In de achttiende eeuw nam Groot-Brittannië dit leiderschap op zee over.

Opdracht 11

a Het was de tijd van de groeiende industrialisatie, met name in Groot-Brittannië. Ook was er sprake van bevolkingsgroei. Beide ontwikkelingen leidden tot een toenemende vraag naar textiel en dus naar katoen.

b Slaven waren vele malen goedkoper.

c – De slaaf wordt gevangen door een ander volk.

– Hij wordt naar de kust vervoerd en verkocht aan Europese handelaren.

– De slaaf wordt gebrandmerkt.

– Vervolgens wordt hij met veel anderen in een schip vervoerd, met weinig ruimte en voedsel. Het is er onhygiënisch waardoor veel slaven sterven.

– Familie en vrienden worden bij aankomst voor verkoop gescheiden.

– Kopers proberen met veel lawaai de beste slaven te krijgen op een veiling.

– Slaven deden zwaar werk op plantages.

– In 1787 werd de vereniging voor de afschaffing van de slavenhandel opgericht.

– Er kwamen vaak nieuwe lichtingen slaven binnen, omdat slaven bezweken onder het zware werk.

– Zo nu en dan kon een slaaf zich vrijkopen.

– Veel slaven woonden in slechte huizen, waren ondervoed, ziek en werden mishandeld.

– Vrouwen werden vaak seksueel misbruikt.

– Soms kregen slaven gunsten, zoals een stukje grond om groenten op te verbouwen.

– Misdrijven tegen slaven werden nauwelijks bestraft.

– Het Britse parlement besloot in 1807 tot afschaffing van de slavenhandel tussen Engeland, Afrika en de Britse koloniën.

d Er zijn meerdere tekstfragmenten mogelijk. Uit de selectie moet blijken dat slaven hard lichamelijk werk verrichtten, geen

rechten hadden en dat dit allemaal geaccepteerd werd.



Opdracht 12

a 1 globalisering, 2 driehoekshandel, 3 indianen

b 1. Globalisering is een verschijnsel van de huidige tijd, waarbij uitwisseling van informatie, goederen en ideeën leidt tot nauwere banden tussen samenlevingen op verschillende maatschappelijke vlakken.

2. Driehoekshandel hoort er niet bij, omdat het over economische relaties gaat, de rest heeft met machtsverhoudingen te maken.

3. Indianen horen er niet bij, omdat zij als slaven niet geschikt waren en niets met slavernij te maken hadden. De rest van de woorden hebben met slavernij te maken.

c 1. De handel tussen Europa, Afrika en Amerika was gebaseerd op het vervoer van goederen en slaven. Veel slaven werden door de WIC over de Atlantische Oceaan getransporteerd. De compagnie beheerste een groot deel van deze handel.

2. Europese landen streden om de macht op zee. Ze vochten veel oorlogen uit in en om de koloniën. Op deze manier probeerden zij hun positie en macht in de wereld te versterken.

3 Veel Afrikanen zijn als slaaf naar Amerika vervoerd. Onder invloed van verlichte ideeën kwam het abolitionisme op dat de afschaffing van de slavenhandel bepleitte. In 1807 leidden die ideeën tot de afschaffing van de slavenhandel door het Engelse parlement.



Opdracht 13

a Voorbeelden: transatlantische slavenhandel, driehoekshandel, abolitionisme, verlichte ideeën, plantages, Europese

overheersing, koloniën.

b Voorbeeld: verlichters en slavendrijvers.

c Voorbeeld: een afbeelding van een werkende slaaf op een plantage met een Engelse en Franse opzichter die om hem ruziën.

Opdracht 14

Ideeën die bij het zien van het monument kunnen opkomen zijn: de werking van een multiculturele samenleving, het integratievraagstuk, redenen voor migratie, verplichtingen vanwege een koloniaal verleden, de invloed van het verleden op de economieën in voormalige koloniën, de emancipatie van Afro-Amerikanen en Europeanen in de samenleving, en de invloed van het koloniaal verleden op de economie van de westerse landen.



Opdracht 15

In het essay moeten in elk geval de volgende onderwerpen naar voren komen: Spanje, Portugal, Nederland, Groot-Brittannië, driehoekshandel, plantagekoloniën, Amerika, transatlantische slavenhandel, katoen, textiel, industrialisatie, abolitionisme.



§ 2 De wereld kan beter!

Opdracht 1

a De samenleving was gebaseerd op geloof, traditie en gezag. In de periode van de Verlichting werden er vraagtekens gezet bij het gezag van de kerk en de staat en de tradities in de samenleving. Waarom zou het bestuur niet op een andere manier vorm kunnen krijgen? En waarom kwamen alleen mensen die in een bepaalde familie geboren werden in aanmerking voor bepaalde baantjes en privileges? Naast deze inspectie op de sociale orde, ging men ook meer onderzoek doen naar de werking van de natuur. Er werd getwijfeld aan dingen waarvan men eerder dacht dat dit door God was vastgelegd.

b De verlichters dachten positief over het menselijk verstand. Zij dachten met de ratio uiteindelijk alle problemen uit de wereld te kunnen helpen. Men dacht dat mensen een baan en voldoende inkomsten zouden hebben als er goed onderwijs zou worden gegeven. Criminaliteit zou er dan niet meer zijn, omdat de mensen een inkomen hebben.

Opdracht 2

Voorbeeld van een goed antwoord: scheiding kerk en staat, grondwet met daarin de burgerrechten, beperkte invloed van de vorst, democratie, gelijkheid man en vrouw.



Opdracht 3

Kant moedigt mensen aan om zelf hun verstand te gebruiken, in plaats van zich door kerk en machthebbers te laten vertellen wat ze moeten denken.



Opdracht 4

Op de afbeelding staan verschillende instrumenten waarvan men in de verschillende wetenschappen gebruik maakt. De personen bevinden zich op wolken. Op de achtergrond schijnt een licht.



Opdracht 5

Mensen mochten van bestuurders niet zeggen wat zij wilden. Nieuwe ideeën naar buiten brengen was gevaarlijk. Verlichte filosofen als Voltaire vonden dat je vrij je mening moest kunnen uiten. Dat blijkt uit dit citaat. Voltaire is het niet eens met zijn gesprekspartner, maar hij wil toch dat deze zijn mening kan verkondigen.



Opdracht 6

Aan de ene kant zie je mensen op het schilderij, geboeid door het schouwspel. Ze zien met verwondering hoe het experiment verloopt. Aan de andere kant zie je dat een meisje wegkijkt van de stikkende vogel, die het leven laat voor het experiment.



Opdracht 7

a In het ‘gebed’ wordt kritiek geuit op de bestaande orde. De ongelijkheid tussen de standen die volgens Voltaire door de mens zelf is aangebracht, laat mensen vergeten dat zij broeders zijn. Dat zij door God gelijk zijn geschapen.

b De adel en geestelijkheid zullen dit gebed niet hebben gewaardeerd. Zij gingen er vanuit dat deze sociale orde door God is

geschapen. Natuurlijk zullen ze er ook niet blij mee zijn geweest, omdat dit betekende dat zij geen recht hebben op de luxe positie die zij in de samenleving bekleedden.



Opdracht 8

abc Ter beoordeling van de docent.



Opdracht 9

Verlichtingsdenkers zoals Rousseau legden veel nadruk op de terugkeer naar de natuurlijke toestand van de mens. Primitieve

volkeren werden verheerlijkt, omdat zij het meest volgens hun natuurlijke aanleg zouden leven.

Opdracht 10

1. Dit is niet in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, want de mensen geloven niet meer in een door God gegeven wereldorde. Mensen moeten zelf oplossingen voor bepaalde vraagstukken zoeken.

2. Dit is in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat men ervan uitgaat dat zij een oplossing van een natuurprobleem zelf kunnen oplossen. Dit ligt niet bij een hogere macht.

3. Dit is niet in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat verlichters ervan uitgaan dat met het menselijk verstand alle problemen de wereld uit kunnen worden geholpen.

4. Dit is niet in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat men de oorzaak van een natuurkundig verschijnsel in de natuur zoekt, niet bij de goden.

5. Dit is in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat men probeert met het menselijk verstand het hongerprobleem uit de wereld te helpen.

6. Dit is niet in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat oorlog één van de problemen is die men uiteindelijk verwacht met het menselijk verstand uit te kunnen bannen.

7. Dit is in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat mensen volgens de verlichters op hun karakter en individuele prestaties beoordeeld moesten worden, niet naar hun geboorte.

8. Dit is niet in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat de mensen inspraak moeten hebben in het bestuur. Er mag geen kleine kliek aan de macht komen, de volkswil is soeverein.

9. Dit is niet in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, tenzij de regering gekozen is als vertegenwoordiger van de Algemene Wil. Dan is de regel van het bestuur een afspiegeling van de wil van het volk

10. Dit is in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden. Mensen zijn gelijk geboren als een onbeschreven blad, die door opvoeding en onderwijs gevormd kunnen worden.

11. Dit is in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat elk mens een individu is. Je wordt ongeacht de uiterlijke kenmerken op je karakter beoordeeld.

12. Dit is niet in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat men de oorzaak van de overstroming in de natuur zal zoeken en niet bij God.

13. Dit is in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden, omdat de koning ondergeschikt moet zijn aan de volkswil. Hij heeft het niet alleen voor het zeggen.

14. Dit is in overeenstemming met de verlichtingsdenkbeelden omdat elk mens een individu is. Je wordt ongeacht de uiterlijke kenmerken op je karakter beoordeeld.

Opdracht 11

In de bron worden beroemde ontdekkingen uit de achttiende eeuw genoemd. De meest bekende ontdekkingen zijn die van de bliksemafleider door Benjamin Franklin, door zijn experiment met de vlieger in 1752. Hij toonde hiermee ook aan dat bliksem uit elektriciteit bestond. En de eerste ballonvlucht door de gebroeders Montgolfier in 1783.

De opmerking: ‘Wie weet hoe ver we kunnen gaan? Welke sterveling durft grenzen aan de menselijke geest te stellen?’ laat het grenzeloze optimisme van de achttiende-eeuwse verlichte mens in het menselijke verstand doorschijnen.

Opdracht 12

Tijdens de Verlichting werd de vrije keus en de gelijkheid van de mensen benadrukt. De voorvechters van homo-emancipatie in de moderne tijd, benadrukken deze aspecten ook.



Opdracht 13

De Middeleeuwen, dat betekent ‘tusseneeuwen’, worden in het Engels ook wel de ‘Dark Ages’ (de donkere eeuwen / tijden) genoemd. Dit was een periode van geestelijke duisternis wat bleek uit religieuze intolerantie, bijgeloof en ‘allerlei andere domheid’. De Verlichting wilde een einde maken aan deze geestelijke duisternis. Dit deed men door verklaringen voor verschijnselen te zoeken in de natuur, en niet in bijgeloof. De filosofen pleitten ook voor verdraagzaamheid.



Opdracht 14

a -


b Het woord empirisme betekent onderzoek door zintuiglijke waarneming / ervaring. In de verlichting gingen wetenschappers met hun verstand op zoek naar verklaringen voor natuurverschijnselen. Op deze manier komt het personage in de bron ook door waarneming tot zijn idee om te kunnen vliegen.

c Er werd een begin gemaakt met de ontwikkeling van de luchtvaart.

d Opvallend is dat in beide bronnen risicovolle experimenten worden uitgevoerd met behulp van dieren. Tegenwoordig gebeurt dat nog, bijvoorbeeld in de cosmetica-industrie.

e De luchtballon zou als militair voertuig en transportmiddel dienst kunnen doen.

f Er zijn veel mogelijkheden. Eén voorbeeld is de vaccinatie.

Opdracht 15

a 1 Voltaire, 2 Rousseau, 3 Locke, 4 Montesquieu

b Zie c.

c 1 Voltaire was actief op sociaal en religieus gebied. Hij schreef over de tolerantie en de invloed van de kerk. Hij vond dat de kerk mensen dom hield en onderdrukte. Hij wilde ook een eerlijker rechtspraak, wat nog vaak in het voordeel van de hogere standen was.

2 Rousseau was actief op sociaal en politiek gebied. Hij schreef over de opvoeding van kinderen. Om een kind goed op te voeden, moest dit vrij en in de natuur plaatsvinden. Hij schreef ook over de ‘algemene wil’, waarin het volk de basis voor de staatsmacht is.

3 Montesquieu was actief op politiek gebied. Hij schreef hoe de macht in het land verdeeld zou moeten worden. In plaats van een centralisatie van de macht bij de koning, moest ze verdeeld worden in de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. De machten moesten door verschillende instellingen worden bekleed.

4 Locke was actief op politiek gebied. Hij schreef over hoe men tot kennis komt, dat men als kind als 'tabula rasa' (onbeschreven blad) ter wereld komt en dat je op empirische wijze je kennis moet vergaren.

Opdracht 16

a De onbeperkte macht van de koning, die hij van God had gekregen, heet het droit divin. Onder invloed van de

verlichtingsdenkbeelden kwam de macht van de koning onder druk te staan. Men vond dat de koning teveel macht had. Filosofen verspreidden het idee dat niet God, maar het volk de basis van de staatsmacht moest zijn. Het volk was dus de baas. Dit heet volkssoevereiniteit.

b Hier wordt gezegd dat de mensen niet in de magische helende kracht van de koning moesten geloven, maar dat men zelf de natuur moest raadplegen om genezing van een ziekte te zoeken. Hierbij wordt de machtsbasis van de koning, als iemand die zijn macht van God heeft gekregen, ook aangetast.



Opdracht 17

a 1 Montesquieu. Hij praat over de verdeling van de machten en niet over de rechten van de mens of volkssoevereiniteit.

2 Salon. Hierin werd door de filosofen en andere aanwezigen zonder censuur of beperking over de verlichte ideeën gepraat.

b 1 Rousseau vond dat de macht niet bij de koning, maar bij het volk moest liggen (de algemene wil). Dit staat ook in de verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger.

2 Romans en andere schriftelijke werken en toneelstukken werden gecontroleerd door de censuur van de staat. Soms werd een signaal uitgezonden door boeken die verboden waren te verbranden.

c 1 Rechten van de Mens en de Burger. Rousseau en Montesquieu vonden allebei dat de koning teveel macht had, en dat het volk meer macht moest krijgen. Over de rechten van de mens spreken ze verder niet.

2 Boekverbranding. De salon en de roman zijn manieren om kennis te verspreiden, wat wordt tegengehouden door de censuur. Een boekverbranding is een symbolische daad van afkeuring, maar doet niets aan de verspreiding van (verlichtings)ideeën.

Opdracht 18

Voltaire: veel kritiek op de kerk, groot voorstander van vrijheid van meningsuiting.

Burke: conservatief, pessimistisch mensbeeld, tegenstander van de Franse Revolutie.

§3 Alles voor en niets door het volk

Opdracht 1

a Vreede zegt dat de macht bij het volk ligt. Zij, de Algemene Wil, bepaalt of de koning wetmatig macht uitoefent.

b Hoewel verlicht despoten veel voor het volk doen, regeren zij niet met de wil van het volk. Hierom zal de dichter tegen het

verlicht despotisme zijn.



Opdracht 2

Uitvoeringen van verlichte ideeën leidt tot vrijheid en volksinvloed. Absolutisme houdt in dat één persoon alle macht heeft (het volk heeft dus geen inspraak). Deze betekenissen staan lijnrecht tegenover elkaar.



Opdracht 3

a Oud bestuur.

b De derde stand betaalde belasting. De geestelijkheid en adel waren hiervan vrijgesteld. De derde stand werkte hard terwijl de adel en geestelijkheid een prettig leven leidden. Vorsten bekommeren zich niet altijd om het land of de inwoners (Aprés nous le déluge). Vorsten geven veel geld uit aan oorlog en pracht en praal. Het volk heeft geen inspraak in het bestuur.

Opdracht 4

De verlichters gingen er vanuit dat de mens met zijn verstand alle problemen kon oplossen. Zij waren optimistisch over de toekomst, over wat de menselijke geest zou brengen. Diegene die de uitspraak: ‘Aprés nous le déluge’ doet, geeft niet om de toekomst van het land. Het toekomstbeeld is dan ook niet optimistisch.



Opdracht 5

a Gedrag van een verlicht despoot.

b


Wel

Niet

1

3

2

4

5

8

6

9

7



Opdracht 6

Willem V en Lodewijk XV waren beide onbekwame heersers. Zij besteedden meer aandacht aan hobby´s en ontspanning dan aan het regeren van het land.



Opdracht 7

a Het stuk is gebaseerd op het denkbeeld dat het volk soeverein is. Daar staat geen hogere macht boven. De koning mag regeren als het volk dit wil.

b Dit blijkt uit de zin: ‘Wapent U allen tezamen, en draagt zorg voor de zaak van het land, dat is voor uw eigen zaken’. In deze zin roept de schrijver op tot gewapende actie.

c Hieruit kun je concluderen dat mensen niet mochten zeggen wat ze wilden. Het geven van de eigen mening stond onder

censuur.

Opdracht 8

a Wilhelmina was de vrouw van Willem V. Zij riep de hulp van haar broer, de koning van Pruisen, in. Hij zond een leger dat de milities van de patriotten verjoeg.

b De bestaande situatie bleef gehandhaafd. De revolutie mislukte en alles bleef hetzelfde. Er hing wel verandering in de lucht.

Opdracht 9

1. Koning Lodewijk XV hoort er niet bij. De andere vorsten zijn allen verlicht despoten.

2. De uitspraak die er niet bij hoort is: ‘De vorst ontleent zijn macht aan God’. De rest van de uitspraken horen bij de positie en handelingswijze van een verlicht despoot.

3. Inzage geven in de staatsfinanciën hoort er niet bij, omdat dit geen maatregel is die een verlicht despoot zou nemen.



Opdracht 10

a De bewakers staan met getrokken sabels uit een beker te drinken. Anderen zitten met Wilhelmina op gelijke hoogte.

b De patriotten worden netjes afgebeeld, de beledigingen zitten wel subtiel in de prent verwerkt.

Opdracht 11

a 1 1776, 2 jaren1780, 3 1784, 4 1748, 5 1762, 6 1763

b 1 Frederik zal niet blij zijn met de verklaring, omdat het de macht van vorsten ondergraaft en de kans bestaat dat de koloniën een voorbeeldfunctie gaan spelen als de ideeën verspreid worden.

2 Frederik zal niet blij zijn met de ontwikkeling, omdat de beweging tegen de stadhouder een opstand tot gevolg kan hebben, wat over kan slaan naar andere landen.

3 Het gezag wordt in deze bron aangetast. Hoewel Frederik verlicht is roept dit geschrift op tot ongehoorzaamheid. Hij zal er dus niet blij mee zijn.

4 Dit werk is een regelrechte aanval op de macht van de vorst. Als despoot zal Frederik er zeker niet blij mee zijn.

5 Als verlicht vorst ontleende Frederik zijn macht aan een denkbeeldig contract met het volk (de algemene wil), maar hij wil als autoritair vorst niet regeren met de goedkeuring van het volk.

6 De uitspraak van Frederik: ‘het deed er niet toe hoe men God diende, ieder kon op zijn eigen manier zalig worden’ ondersteunt de opvatting dat hij tolerant was ten opzichte van andere levensbeschouwingen

c In het geschrift moet het volgende aan bod komen:

– Een beschrijving van het Ancien Régime waarin de macht van de vorst en de ongelijkheid van de standen, de privileges van edelen en belastingen de revue passeren.

– Het standpunt wordt ingenomen dat zijn macht door het volk gelegitimeerd wordt in plaats van God: de vorst is een instrument van de staat. Dit wordt uitgewerkt met een beschrijving van hetgeen de vorst doet voor het volk en voor de cultuur (hij moderniseerde het landsbestuur, het onderwijs en de economie. Hij stelde zijn gebied open voor religieuze vluchtelingen en nodigde filosofen uit).

– Een verdediging waarin je laat zien dat de macht die bij jou ligt goed gebruikt wordt als dienaar van de staat (uitspraak). Nogmaals haal je aan dat je alleen het gezag van de stad uitoefent en dat deze door de algemene wil goed is gekeurd.

d Eigen mening op basis van de kennis over Frederiks machtspolitiek en verdienste voor het volk en de cultuur.

Opdracht 12

a -


b 1 Van der Capellen zal blij zijn, omdat de verklaring een praktisch voorbeeld verschaft van zijn denkbeelden/

2 Van der Capellen is blij, omdat nu ook in Nederland een beweging opkomt die voor de idealen vecht waarvoor hij zich inzet.

3 Van der Capellen zal blij zijn, omdat hierin staat dat men het eigen heft in handen moet nemen en dat het volk zich niet alles moet laten vertellen / opleggen/.

4 Willem V was een incompetente machthebber en door deze ideeën zou zijn macht, en dat van zijn ‘kliek’ beknot worden. Wel moet in gedachten worden gehouden dat het Nederlands bestuurssysteem al erg gedecentraliseerd was.

5 Van der Capellen zal blij zijn, omdat dit geschrift aansluit bij de strekking van zijn ‘Aan het volk van Nederland’, waarin hij het volk op de eigen macht wijst.

6 Van der Capellen bepleit wel gelijkheid in de samenleving in ‘Aan het volk van Nederland’.

c In de beschrijving moet aan de orde komen dat:

1 Vorsten tijdens het verlicht absolutisme dezelfde macht blijven behouden, alleen onder een andere noemer, de ongelijkheid tussen de standen, met bijbehorende privileges (belasting en inspraak) blijft bestaan.

2 Willem V een incompetente bestuurder is, op wiens bestuur de uitspraak ‘après nous le déluge’ van toepassing is. Een kleine groep regenten heeft de macht, maar dit moet uitgebreid worden naar meer inspraak voor het volk zoals in ‘Aan het volk van Nederland’ is beschreven. Hier is sprake van onderdrukking.

3 Ook al doen verlicht despoten veel voor het volk, pas wanneer er iets door het volk zelf gedaan kan worden (invloed kan worden uitgeoefend), kan er sprake zijn van een algemene volkswil. Dan zullen de overblijfselen van het Ancien Régime het volk niet meer hinderen. Nu is er sprake van onderdrukking.



Opdracht 13

Ter beoordeling van de docent.

Verlicht despotisme: wanneer vorsten onder invloed van de Verlichting hun bestuur verbeterden, maar wel alle macht in handen hielden.

Ancien Régime: de vorst heeft absolute macht.



§ 4 Burgers, te wapen!

Opdracht 1

Amerikanen werden bestuurd door de koning van Engeland. Zij moesten ook belasting betalen aan de koning. De belastingdruk werd steeds zwaarder naarmate Engeland meer geld nodig had om oorlog te voeren. De Amerikanen hadden als belastingbetalers echter geen inspraak in het bestuur. Hierdoor kwamen zij in opstand.



Opdracht 2

Het gaat om het idee dat iedereen gelijk wordt geboren. Uiterlijke kenmerken doen er niet toe, maar mensen moeten worden beoordeeld op hun individuele kenmerken. Het idee dat het volk soeverein is, en dat regeringen alleen met instemming van het volk kunnen regeren komt ook in de tekst voor.



Opdracht 3

De kolonie was een belangrijke bron van inkomsten en leverde een wereldmachtstatus op.



Opdracht 4

Zij hoopten dat de Indianen de schuld zouden krijgen van de actie.



Opdracht 5

De Britten vochten met huurlingen, die geen band met het land hadden. De Amerikanen vochten voor hun eigen land en vrijheid en waren dus veel gemotiveerder.



Opdracht 6

Trias politica van Montesquieu, garantie van grondrechten aan staatburgers, democratisch systeem.



Opdracht 7

a Artikel 1: ‘De mensen worden vrij geboren en blijven gelijk in rechten’. Dit komt overeen met de passage dat alle mensen gelijk zijn geschapen.

Artikel 2: De instandhouding van de onvervreemdbare rechten door staatkundige regelingen wordt in de

onafhankelijkheidsverklaring met minder woorden ook zo genoemd.

Artikel 3: In beide verklaringen wordt geschreven dat de oppermacht bij het volk, of de ‘geregeerden’, ligt.

Artikel 6: hoewel in de onafhankelijkheidsverklaring wel staat dat iedereen gelijk is geschapen, staat er niets over de bepalingen voor deelname aan het bestuur.

De laatste artikelen worden in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring niet genoemd. De thema´s komen wel aan bod wanneer geschreven wordt dat vrijheid en geluk onvervreemdbare rechten zijn.

b Artikel 17, waarin staat dat niemand aan het eigendom van een ander mag zitten, tenzij deze hiervoor schadeloos wordt gesteld. Plundering wordt hiermee verboden. En artikel 10 waarin staat dat je anderen niet mag lastig vallen om de overtuigingen die zij hebben. Hierin wordt weer de bescherming van de mens als persoon centraal gesteld.



Opdracht 8

a Art. 2: Het doel van alle staatkundige regelingen is de instandhouding van de natuurlijke en onvervreemdbare rechten van de mens. Deze rechten zijn vrijheid, eigendom, veiligheid en het recht zich te verzetten tegen de onderdrukking.

Art. 3: Alle oppermacht berust van nature bij het volk.

b Art. 2: Het doel van alle staatkundige regelingen is de instandhouding van de natuurlijke en onvervreemdbare rechten van de mens. Deze rechten zijn vrijheid, eigendom, veiligheid en het recht zich te verzetten tegen de onderdrukking.

Art. 17: Het eigendom is heilig en onschendbaar, niemand kan daarvan beroofd worden, tenzij het algemeen belang dit vereist en onder voorwaarde van een juiste schadeloosstelling.

Opdracht 9

a Rousseau schreef over de Algemene Wil. Volgens hem bestond er geen hogere macht dan het volk. De denkbeelden van Rousseau komen het best tot uiting in artikel 3. Daarin wordt vastgelegd dat de oppermacht bij het volk ligt. In artikel 2 wordt al geschreven dat het volk het recht heeft om zich tegen onderdrukking te verzetten.

b Montesquieu vond dat één persoon niet alle macht kon hebben. Dat dit niet meer zo is, is te lezen in artikel 3. Montesquieu schreef daarom over een scheiding van machten. Deze scheiding van machten zie je terug in artikel 6, waarin staat dat alle burgers in aanmerking komen voor een benoeming op een openbare functie.

Opdracht 10

a Zie tabel.



Verlichtingsmaterialen

Napoleon

Macht berust bij het volk

Macht berust bij Napoleon

Trias politica

Geen strikte scheiding der machten

Vrijheid van meningsuiting

Controle door geheime politie

b Ter beoordeling van de docent.

Opdracht 11

a Achternamenregistratie, standaardisatie maten en gewichten, standaardisatie strafrecht.

b Zij beschouwden het vooral als een hoop extra gedoe ('de oude maten werkten toch ook prima').

Opdracht 12

a De soldaten zijn afgebeeld als een gezichtloze donkere massa, de nadruk ligt op hun geweren. De slachtoffers zijn hulpeloos, ongewapend afgebeeld. Het licht valt op de man in het wit, die in een pose van overgave is afgebeeld. Dit maakt zijn op handen zijnde executie extra wreed.

b De idealen zijn verloren gegaan: ze gelden alleen nog voor wie zich aanpast aan de overheersers.

Opdracht 13

a Afbeelding 1

A Er staan mensen, waaronder gewapende, rondom een verhoging. Op de verhoging staan enkel mannen, een vrouw en een

Guillotine. Op de achtergrond hangt een Franse vlag uit een gebouw.

B De afbeelding heet ‘Enrichtung der Konigin, Marie Antoinette’ Verdere informatie is onbekend.

C Het moment voor de onthoofding van Marie Antoinette wordt afgebeeld. Er wordt geen waardeoordeel gegeven, anders dan het woord ‘terechtstelling’. Alle figuren staan statig afgebeeld.


Afbeelding 2

A Een paar goed geklede mannen rijden op hun paarden in de branding. Ze groeten en worden begroet. Eén man draagt een oranje vlag. Ook op één van de schepen hangt naast de Nederlandse vlag een oranje vlag.

B Er is geen informatie bij de afbeelding.

C Dit is de aankomst van Willem I te Scheveningen, nadat hij uit ballingschap terugkeert. De maker zal Oranjegezind zijn, gezien het vrolijke onthaal.


Afbeelding 3

A In een zaal staan mannen die hun armen opsteken. Er staan verschillende emoties op de gezichten. Ze zijn redelijk goed gekleed. Eén man staat in het midden. Een straal licht valt op de man. Bovenin kijken mensen toe. Vooraan staan enkele geestelijken.

B De titel is ‘The tennis court oath’. Het doek is gemaakt door Jacques-Louis David.

C David was actief betrokken bij de revolutie en beeldt de eed dan ook positief af. Het lijkt een herdenking of rechtvaardiging van het moment dat de derde stand besluit om apart te vergaderen en een grondwet op te stellen.


Afbeelding 4

A Op een gouden tekst zitten twee personen, een wijzende persoon met vleugels, de ander houdt gebroken ketenen vast en heeft kleren in de keuren van de Franse vlag. Boven de tekening straalt een piramide, met een oog in het midden, licht uit. De tekst is bovenaan omgeven door een krans. Tussen de teksten staat een speer met een muts er bovenop.

B De titel is ‘De verklaring van de Rechten van de Mens’. Het werk is toegeschreven aan Jean Jacques François le Barbier. De vrouw links is Frankrijk die zich van haar ketenen bevrijdt. De vrouw rechts is de gerechtigheid. Het oog in de piramide stelt de ratio voor. De speer in het midden duidt erop dat de Fransen niet oorlogszuchtig zijn, maar zich kunnen verdedigen.

C De afbeelding is gemaakt als eerbetoon aan, en trots op de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Ook de verdediging van de revolutie en de trots op Frankrijk als vertegenwoordiger van de verklaring komt duidelijk in de afbeelding naar voren.


Afbeelding 5

A Op de afbeelding rijden en rennen gewapende mannen een poort uit.

B De titel is: ‘het uittrekken der patriotten uit Utrecht’ . De maker is waarschijnlijk G. Balth. Probst

C Het uittrekken van de patriotten lijkt op een overwinning op hen, omdat ze halsoverkop lijken te vluchten. De tekenaar zal geen patriot of voorstander van de denkbeelden zijn geweest.


Afbeelding 6

A Op de afbeelding staat een zaal, met verschillend geklede mannen, een lege ruimte in het midden en verschillende hoogtes waarop mensen kunnen zitten.

B De maker en de titel staan er niet bij.

C De verschillende standen zijn aan de posities en de kleding te herkennen. Ook de koning is op de afbeelding op de verhoging te herkennen. Het vergaderen van een absoluut vorst met de standen past niet bij zijn bestuur, dus het is een speciale gelegenheid die de maker heeft vastgelegd. Dit is dan ook de vergadering van Lodewijk XVI met de Staten Generaal in 1789. De eerste vergadering die weer sinds 175 jaar plaatsvindt.


b 1787: 5

1789: 2, 4, 6

1791-1793: 1,

1795-1813: 3

c 1 Kort na de executie van Lodewijk XVI werd Marie Antoinette, zijn vrouw, in 1793 onthoofd.

2 Na de Franse periode kwam Willem I in 1813 weer in Nederland aan om het koningsschap te aanvaarden.

3 Vlak na de bijeenkomst van de Staten-Generaal in 1789 kwam de derde stand uit ontevredenheid apart bijeen en zwoer niet uiteen te gaan voordat ze een grondwet op hadden gesteld.

4 In augustus 1789 tekenden de revolutionairen de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger op als verworvenheid van de revolutie.

5 Na het korte succes van de revolutie in 1787 werden de patriotten met behulp van de Pruisische koning Nederland uitgejaagd.

6 De vergadering die op de afbeelding staat, was niet representatief voor het bestuur van een absoluut vorst. Hij regeerde alleen. De Staten-Generaal was al 175 jaar niet bijeengeroepen, maar werd in 1789 toch vanwege geldgebrek, bij de koning uitgenodigd.



Opdracht 14

Ter beoordeling van de docent.



Opdracht 15

In het essay moeten in elk geval de volgende onderwerpen naar voren komen: verlichtingsidealen, voornaamste filosofen, kenmerken Franse en Amerikaanse revolutie, afgewogen standpunt bij de beantwoording van de hoofdvraag.


Afsluiting
Samenvatting

Kenmerk 1: De uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel en de opkomst van het abolitionisme.



Opdracht 1

a Op de plantages waren slaven nodig door een stijgende vraag naar de producten van deze plantages. De Europeanen haalden de slaven uit Afrika, vervoerden ze naar Amerika, en haalden weer grondstoffen uit Amerika naar Europa. Deze driehoekshandel hadden de Europeanen in handen.

b De vraag naar suiker, koffie en tabak bereikte in de achttiende eeuw een piek. De verbouwing van deze producten op de plantages in de koloniën vereisten veel mankracht. Deze mankracht vonden de Europeanen door meer intensief gebruik te maken van slavenarbeid. De slaven voor dit zware werk werden speciaal uit Afrika gehaald.

c Het abolitionisme is op komen zetten onder invloed van de verlichtingsideeën. De verlichtingsideeën zijn een typisch

achttiende-eeuws product.

Kenmerk 2: Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.



Opdracht 2

a De mensen hadden een oneindig geloof in de mogelijkheden van het menselijk verstand. Er heerste optimisme over de

toekomst. De verlichtingsfilosofen wilden een einde maken aan de geestelijke duisternis, zoals bijgeloof en heksenprocessen. De verlichtingsdenkbeelden bestreden de gevestigde macht die zich beriep op de handhaving van een door God gegeven sociale orde. De verlichtingsfilosofen verkondigden meer verdraagzaamheid op het gebied van godsdienst. De verlichtingsfilosofen vonden dat mensen zelf hun bestuur konden bepalen. Mensen waren van nature vrij en gelijk. Onderscheid moest per individu gemaakt worden. Daarbij moest de macht van het bestuur niet bij één persoon komen te liggen.

b De verlichtingsfilosofen begaven zich ook op het terrein van de godsdienst. Voltaire bijvoorbeeld streed op dit vlak voor

verdraagzaamheid. Andere verlichtingsfilosofen spraken hun ideeën uit over de bestaande sociale verhoudingen. Zij vonden dat mensen van nature vrij en gelijk waren. De standensamenleving was volgens hen onrechtvaardig.

c Men dacht dat de ratio, het menselijke verstand uiteindelijk alle problemen in de wereld kon overwinnen.

d Artikel 1 van de huidige Nederlandse grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk

behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan’. Hierin staat dat iedereen gelijk is, ongeacht de uiterlijke kenmerken. Iets dat de verlichtingsfilosofen ook hebben bepleit. Mensen zijn ook gelijk ongeacht hun godsdienstige of politieke voorkeuren. Er is sprake van verdraagzaamheid, die door de wet wordt gehandhaafd.

Kenmerk 3: Voortbestaan van het Ancien Régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

Opdracht 3

a De derde stand betaalde belasting. De geestelijkheid en adel waren hiervan vrijgesteld. De derde stand werkte hard terwijl de adel en geestelijkheid een prettig leven leidden. Vorsten bekommeren zich niet altijd om het land of de inwoners (Aprés nous le déluge). Vorsten geven veel geld uit aan oorlog en pracht en praal. Het volk heeft geen inspraak in het bestuur.

Twee voorbeelden van landen waarin het Ancien Régime tot laat in de achttiende eeuw voort bleef bestaan zijn: Frankrijk en de Republiek

b Alles werd nog steeds door de vorsten beslist, het volk kreeg geen inspraak. Het leidde ook niet tot meer vrijheid. Sociale

verhoudingen bleven vaak stand houden.

c Met deze stelling wordt bedoeld dat hervormingen van de verlicht despoten zo slecht niet waren. Hoewel dit beperkte

veranderingen waren die door de vorst, en niet door het volk, waren doorgevoerd, verliepen deze veranderingen rustig. In tegenstelling tot veranderingen die door het volk werden ingeleid. Eigen mening.

Kenmerk 4: De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.



Opdracht 4

a In 1776 stelden de Amerikanen de onafhankelijkheidsverklaring op. Daar staan verlichtingsdenkbeelden als vrijheid,

gelijkheid en volkssoevereiniteit in verwerkt. Iets meer dan 10 jaar later ondertekenen de Founding Fathers de Amerikaanse

grondwet, waarin de scheiding der machten wordt vastgelegd. In de aanvulling op de grondwet, de Bill of Rights, stonden de rechten van de individuele mens nog eens beschreven volgens de ideeën van de verlichting.

b In de Republiek der Verenigde Nederlanden maakte de patriotten kennis met de verlichtingsideeën en de Amerikaanse

Revolutie. Zij kwamen in opstand tegen het onbekwame en ondemocratische bestuur van Willem V, maar de revolutie mislukte. Veel patriotten vluchtten naar Frankrijk waar zij twee jaar later een geslaagde revolutie meemaakten. Door de sociaal economische omstandigheden luidde de roep om inspraak. Door een nieuwe elite van gegoede burgers werd de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger opgesteld, wat gebaseerd was op de ideeën van de Verlichting en veel gelijkenissen vertoonde met de onafhankelijkheidsverklaring uit 1776. Zes jaar na het begin van de Franse Revolutie, in 1795, trok een Frans revolutieleger de Republiek binnen. Met hen waren de gevluchte patriotten. Het bestuur in de Republiek werd hervormd met als uitgangspunt de verlichtingsideeën. Er werd een grondwet ingevoerd, privileges werden afgeschaft en godsdienstvrijheid werd een feit.

c 1. Aan het begin van de Franse Revolutie vielen veel slachtoffers door plundering van kastelen en kloosters. Na de revolutie was een machtsstrijd gaande in Frankrijk, in 1793 ontaarde dit in de Terreur, een periode waarin veel mensen de dood vonden. In 1799 kwam Napoleon aan de macht. Hij voerde een dictatuur in, wat in regelrechte tegenspraak met de Franse verlichtingsideeën is. Onder Napoleon stortte Frankrijk zich in een reeks oorlogen, waardoor een groot deel van Europa werd veroverd.

2. Eigen conclusie, ter beoordeling van de docent.



Toepassen in het tijdvak

Opdracht 5

a Een aantal mogelijkheden is:

1. De rol van de WIC in de slavenhandel

2. De strijd om de leidende positie in de wereldeconomie

3. Globalisering

4. De onttovering van het wereldbeeld

5. Het Ancien Régime

6. De patriotten

7. De prinsgezinden

8. De opstand in Amerika

9. De oorzaken van de Franse Revolutie

10. Napoleon

b Beargumenteerde mening.

Opdracht 6

1. Onbedoeld gevolg. Engeland had gehoopt de kolonisten op de knieën te dwingen door hard op te treden tegen de Amerikaanse kolonies. De uitbraak van een Amerikaanse Revolutie wilden de Engelsen juist niet.

2. Bedoeld gevolg. Frederik II gaat in de aanval omdat hij een gebied, Silezië, wil veroveren.

3. Bedoeld gevolg. Didérot brengt de Encyclopédie uit omdat men dacht dat meer kennis de wereld zou verbeteren. De kennis moet daarom dus verspreid worden. Een encyclopedie is daarvoor een geschikt middel.

4. Onbedoeld gevolg. De recordomzet in de slavenhandel roept een tegenreactie op, namelijk de acties van Wilberforce en de zijnen. De slavenhandelaars hebben deze reactie niet bewust opgeroepen, omdat dit ten koste gaat van hun handel.

5. Bedoeld gevolg. Wilberforce komt in actie, omdat hij het niet eens is met de manier waarop Afrikanen worden behandeld door de slavenhalers. Hij wil de slavenhandel afschaffen.

6. Onbedoeld gevolg. Lodewijk XVI laat troepen samentrekken om Parijs om ervoor te zorgen dat onrust in de kiem gesmoord kan worden. Het was niet zijn bedoeling om onrust, de bestorming van de Bastille, te veroorzaken.

7. Bedoeld gevolg. De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger wordt uitgevaardigd. Hierin staan ideeën over de samenleving die afgeleid zijn van de verlichtingsfilosofen. Een onderdeel daarvan is dat men de sociale orde van het Ancien Régime aan de kaak stelt.

8. Onbedoeld gevolg. De patriotten hielden Wilhelmina bij Goejanverwellesluis aan, om haar de terugkeer naar Den Haag te beletten. Dat zij hierdoor haar broer, en koning van Pruisen, in zou roepen om de revolutie neer te slaan was geen onderdeel van het plan van de patriotten. Zij streden om de macht in Nederland, en wilden dus niet uit te hoeven wijken naar Frankrijk.

9. Bedoeld gevolg. Lodewijk XV jaagt op ‘tweebenig wild’, omdat hij dit liever deed dan besturen. Hij wil misschien niet per se de Staatszaken verwaarlozen, maar hij maakt wel de bewuste keuze: of het land besturen, of tijd aan hobby’s besteden.



Opdracht 7

1. De producten van de plantagekoloniën werden met behulp van slavernij verbouwd. Door de stijgende vraag naar deze producten in de achttiende eeuw in Europa, steeg ook de vraag naar slaven. Hierdoor kreeg de slavenhandel een enorme impuls.

2. De intensivering van de slavenhandel leidde ertoe dat mensen oog kregen voor de onmenselijke behandeling van de slaven. Geïnspireerd door de ideeën van de verlichting kwam het abolitionisme op, dat de positie van de slaven wilde verbeteren door de slavenhandel af te schaffen.

3. Rousseau pleitte ervoor dat het volk niet zomaar door een vorst bestuurd kon worden. De vorst mocht regeren met goedkeuring van het volk. In geval van onderdrukking mocht het volk in opstand komen. Jefferson laat deze punten ook in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring terugkomen, als hij schrijft dat de macht van regering ontleend is aan de geregeerden.

4. In de zeventiende eeuw was er ook al slavenhandel. In deze eeuw was er geen beweging voor de afschaffing van de slavenhandel actief. Geestelijk werden mensen hier rijp voor gemaakt door de ideeën van de Verlichting. De verlichtingsfilosofen vonden dat mensen gelijk waren geboren en vrij waren. Mensen moesten niet naar afkomst of huidskleur beoordeeld worden. Dit principe pasten de abolitionisten toe op de slavenhandel.

Opdracht 8

a Hij was wel een kind van zijn tijd, omdat het nog tot ver in de negentiende eeuw heeft geduurd voordat de slavernij af werd geschaft. Aan de andere kant hebben anderen, al ver voor zijn tijd, slaven vrijgelaten. Het ideaal van de verlichting was ook dat mensen werden beoordeeld op hun karakter als individu, niet op hun uiterlijk, afkomst of sekse.

b Dat zou kunnen zeggen dat de geloofwaardigheid van Jefferson wel is aangetast door het feit dat hij zijn slaven heeft gehouden. Dit is niet in overeenstemming met de moderne maatschappij die gebaseerd is op de principes van de Verlichting.

c Dit zou verklaard kunnen worden, doordat de historische waarde van de onafhankelijkheidsverklaring voor de Amerikanen groter is dan het pamflet van Joan Derk van der Capellen is voor de Nederlander van vandaag.



Toepassen in andere tijdvakken

Opdracht 9

De rechten van de mens zoals ze tijdens de Verlichting volgens de verlichtingsfilosofen naar voren zijn gebracht, worden lang niet overal geëerbiedigd. De volkenbond en met name de VN zet zich in voor de vrijheid en gelijkheid van mensen op verschillende gebieden. Voorbeelden zijn de emancipatie van vrouwen en het democratiseren van landen.



Opdracht 10

Nike, MacDonald’s en Coca Cola.



Opdracht 11

a De VVD


b De VVD legt meer de nadruk op de vrijheid in die zin dat de overheid zo min mogelijk invloed uit moet oefenen op dagelijks leven en ondernemingen van haar onderdanen.

De PvdA legt meer de nadruk op het sociale aspect. Zij leggen de nadruk op het broederschap, het zorgen voor de zwakkeren en de gelijktrekking van de sociale situatie in de samenleving.

Het CDA legt de nadruk op samenwerking en naastenliefde. Gemeenschapszin, betrokkenheid en gelijke kansen zijn de sleutelwoorden.

Opdracht 12

a Vrouwen, homoseksuelen, kinderen, gehandicapten, politieke vluchtelingen, joden, mensen die slachtoffer worden van

leeftijdsdiscriminatie, mensen die slachtoffer worden van rassendiscriminatie, mensen van wie de ‘algemene’ mensenrechten worden geschonden, mensen die in een ontwikkelingsland wonen, sociaal zwakkeren.

b. Vrouwen worden vaak nog niet gelijk behandeld. Er komt nog steeds discriminatie op basis van sekse voor.

Hetzelfde geldt voor homoseksuelen die op heteroseksuelen zijn achtergesteld als het gaat om trouwen en adoptie. Gehandicapten hebben geen gelijke kansen in de samenleving, daarom zijn er allerlei instanties en regelingen die hen bijvoorbeeld aan een baan helpen. Tegen joden bestaat vaak nog een vooroordeel. Joden die in de oorlog veel zijn kwijtgeraakt, wachten nog op een vergoeding van hun materiële zaken. Iedereen kan te maken krijgen met leeftijdsdiscriminatie. Dit kan bijvoorbeeld gaan om iemand die jong is, geen werkervaring heeft en daarom nergens aan een baan komt. Hetzelfde kan gelden voor oudere mensen waarvan de kosten te hoog zouden zijn om die persoon in dienst te nemen. Verschillende groepen worden gediscrimineerd vanwege hun afkomst. Bedrijven nemen vaak sneller een autochtone Nederlander aan, dan een allochtone Nederlander. In veel landen mogen mensen niet zeggen wat ze denken, of mogen ze hun regering niet kiezen. Mensen in ontwikkelingslanden hebben geen geld voor goede watervoorzieningen of medische hulp.

Ook in Nederland zijn mensen zonder inkomen of met een zeer laag inkomen. Zij hebben allerlei regelingen nodig om rond te

kunnen komen.

Opdracht 13

Bijv. vrouwen die onder valse voorwendselen naar een ander land gelokt worden om daar uiteindelijk als prostituee aan het werk te moeten.



Opdracht 14

Discussie. Voorbeelden uit de Franse Revolutie die de stelling ondersteunen zijn: de Terreur onder Robespierre, de oorlogen onder Napoleon. Voorbeelden uit de geschiedenis van Rusland zijn de dictatuur onder Lenin na de Oktoberrevolutie en de dictatuur van Stalin. Rusland werd geregeerd door een repressief regime met een gevreesde geheime dienst.



Een voorbeeld tegen zou de Oranjerevolutie in Oekraïne zijn. Hoewel alles hier ook nog niet op rolletjes verloopt. Een voorbeeld tegen zou ook de ‘fluwelen revolutie’ in Georgië in 2003. De toekomst is echter nog zo onzeker dat dit een mooie gelegenheid tot speculatie biedt.

Feniks vwo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 7 Stoffige pruiken, bruisende ideeën




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina