Antwoorden Tekstboek 4a/b



Dovnload 24.99 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte24.99 Kb.

Antwoorden Tekstboek 7.4a/b


7.4A

44 Temperatuur verlagen, zuurstof wegnemen, bran­dstof weghalen.

45 a Omdat je dan een steekvlam krijgt.

b Het deksel op de pan doen.

46 Brede stroken zand in het bos om bosbrand te­gen te houden.

47 1 Voorkomen, beperken en bestrijden van brand.

2 Hulpverlenen aan mensen en dieren bij br­and.

3 Assisteren bij andere ongevallen en rampen.

48 Een vmbo-diploma.

49 Als een brandbare stof zeer snel verbrandt.

50 1 De hoofdkraan sluiten.

2 Zoveel mogelijk deuren en ramen openzet­ten.

3 Geen elektrische schakelaars of lucifers gebrui­ken.

4 Het gasbedrijf bellen.

51 Buskruit

52 Alfred Nobel.


7.4B Uitzetting

53 a Omdat de bol is uitgezet.

b Omdat de ring dan ook warm is geworden en hierdoor uitzet. Bovendien is de bol kouder gewor­den en dus gekrompen.

54 Bij krimpen treden zeer grote krachten op.

55 Twee stukjes van verschillende metalen die stevig op elkaar bevestigd zijn.

56 Zink boven en koper onder.

57 Als schakelaars.

58 Om het extra volume van het water op te vangen. Water zet uit bij verwarmen.

59 De verwarmde lucht heeft een kleinere dichtheid en stijgt op.

Antwoorden Werkboek 7.4a/b




7.4A

32 A


33 C

34 C


35 C
36 a

b Het blussysteem zorgt voor een mistbank in de ruimte waar brand is. Mist bestaat uit zeer fijne druppeltjes water. Deze fijne druppeltjes hebben een heel groot wateroppervlak dat zoveel warmte op­neemt dat d­e brand niet meer uitbreid of zelfs uitgaat.

c Bij kleinere druppeltjes is de verdelingsgraad groter. Het totale oppervlak is dat groter.

d Blusinrichting die automatisch in werking treedt bij het overschrijden van een bepaalde tem­peratuur of hoeveelheid rook (Van Dale, Groot Woordenboek Der Nederlandse Taal, 12e druk).

e Er wordt water gebruikt dat niet elektrisch geleidend is.

37 a Water

b Deksel over de pan schuiven, natte handdoek

c Water, vooraf een brandsingel aanleggen.

d Blusschuim op de brandende auto spuiten.

38 Mogelijke antwoorden: lange haren samenbinden, geen vluchtige vloei­stoffen vlakbij een brander zetten, niet hollen, brander met de gele vlam laten branden als deze niet nodig is, geen vluchtige vloeistoffen buiten de zuurkast gebruiken.

39 a

b Een plan waarin staat wat je moet doen in geval van nood.



c 1 Lokaal vergeten bij melding brand.

2 Directeur wist niet hoeveel mensen nog in de school zaten want het klassenboek lag nog in de klas.

d

e Anders weet je in geval van nood niet langs welke vluchtroute je de school moet verlaten. Als iedereen dezelfde route neemt, kunnen er opstoppingen ontstaan bij trappen en deuren.



Daarnaast kun je bij een test vaststellen of het ontruimingsplan werkt en het plan eventueel aanpassen.

40 Mogelijke antwoorden: vlam in de pan, benzinebrand, bij elektrische installa­ties (gevaar voor kortsluiting), bij stoffen die met water nieuwe stoffen vormen (zoals zeer onedele meta­len als natrium en kalium).

41 Taken van de brandweer:

 Voorkomen van een brand

 Bij rellen met een waterkanon spuiten


  • Het verkeer regelen bij een demonstratie

42 Voor het wegduwen van de zuiger. De beweging van de zuiger wordt uiteindelijk omgezet in de draai­ing van de wielen.

43 Omdat in de schakelaar een vonk kan ontstaan die het gas tot explosie brengt.

44 Mogelijke antwoorden: bij de aanleg van wegen door bergen, bij het blussen van oliebran­den, bij het slopen van gebouwen.

45 a


b Een grote ruimte waarin graan wordt bewaard.

c Een combinatie van warmte en statische elektriciteit heeft het graanstof tot ontploffing gebracht.

d Stofexplosie

46 Er is dan weinig benzinedamp en in verhouding veel zuurstof aanwe­zig. Alle benzinedamp kan dan gelijk­tijdig verbranden. Je krijgt dan een explosie.

47 1 De brandstof moet fijn verdeeld zijn.

2 Er moet zuurstof aanwezig zijn.

­ 3 De temperatuur moet boven de ontbrandingstemperatuur liggen.

48 Niet te korte lontjes gebruiken, vuurwerken niet in de hand aansteken, voldoende afstand bewaren.

7.4B

49 Om het uitzetten op te vangen.

50 Mogelijke antwoorden: haaientanden bij een brug, bochten in cv-leidingen van hoge fl­ats, krimpnaden­ van elastische kit bij huizen, afkitten van sanitair­ (ba­dkuip, wastafel) met elastische kit, dilatatievoeg tussen muren.

51 Het trapgat is open en de warme lucht kan daar opstij­gen.

52 Het deksel zet dan meer uit dan het glas. Zo komt het deksel losser te zitten.

53

54 Dan kunnen de leidingen een beetje bewegen bij uitzet­ten en krimpen.

55 a Omdat het bimetaal uitzet en kromtrekt en dan geen contact meer maakt. Hierdoor wordt de stroomkring verbroken en gaat de lamp uit. Het bimetaal koelt dan af en trekt weer recht. Als het weer contact maakt, wordt de stroomkring geslo­ten en de lamp gaat weer aan. Vervolgens her­haalt alles zich weer.

b Het bimetaal trekt krom naar rechts, dus de buitenbocht zit links. Aan de linkerkant zit dus het sterkst uitzettende metaal.

56 Bij de eerste druk van dit werkboek is een fout gemaakt in figuur 7.34. De woorden zink en koper moeten omgedraaid worden.

Zink zet meer uit dan koper, dus de lengte van het zink neemt meer toe dan die van het koper. Het bime­taal zal dus eerst minder krom worden (stand c), daarna recht (stand b) en ten slotte kromtrek­ken naar beneden (stand d). Stand a is dus onmogelijk.

57 D


Als een stof uitzet wordt de dichtheid kleiner.

58 De uitzettingscoëfficiënt van ijzer (0,000012 per C) is kleiner dan de uitzettingscoëfficiënt van lood (0,000029 per C). Dus ijzer zet minder uit dan lood.

59 a 0,00013 m (= 0,13 mm)

De uitzettingscoëfficiënt van nikkel is 0,000013 per C.

Een strip nikkel van 1 m zet per 10 C dus 10  0,000013 = 0,00013 m uit (= 0,13 mm).

b De uitzettingscoëfficiënt van zilver is 0,000019 per C.

Lengtetoename = 3 10 0,000019 = 0,00057 m (0,57 mm).

c De uitzettingscoëfficiënt van ijzer is 0,000012 per C. De tempera­tuurstijging is 65 B 20 = 45 ­C.

Lengtetoename = 2,5 45 0,000012 = 0,00135 m (1,35 mm).

60 D


De uitzettingscoëfficiënt van ijzer is 0,000012 per C.

De temperatuurstijging is 40 C.

Lengtetoename = 500  40  0,000012 = 0,24 m (24 cm).

61 798,92 cm



De uitzettingscoëfficiënt van zink is 0,000030 per C.

De temperatuurdaling is 45 C.

Lengtetoename = 8  45  0,000030 = 0,0108 m (1,08 cm).

De lengte is dan 800 B 1,08 = 798,92 cm.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina