Antwoorden tentamen personen- en familierecht 7 januari 2004



Dovnload 13.91 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte13.91 Kb.

Antwoorden tentamen personen- en familierecht 7 januari 2004



NB: hieronder wordt met “rechtspraakbundel” verwezen naar Rechtspraak Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, onder redactie van W.G. Huijgen, A.J.M. Nuytinck, L.C.A. Verstappen en S.F.M. Wortmann, tweede herziene druk, Koninklijke Vermande, Den Haag: Sdu Uitgevers 2002, ISBN 90 5903 126 1
Vraag 1


  1. In beginsel had B toen als ongehuwde moeder het gezag (art. 1:253b). Zodra A het kind had erkend, kon hij verzoeken in de plaats van B met het gezag te worden belast (art. 1:253c). A en B konden het gezag na erkenning door A ook gezamenlijk uitoefenen na aantekening in het gezagsregister (art. 1:252 jo. art. 1:244).

  2. Door inschrijving van de in kracht van gewijsde gegane echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (art. 1:163).

  3. Naar huidig recht op het tijdstip waarop het huwelijk eindigt, dus op het in het antwoord op vraag b genoemde tijdstip (art. 1:99 lid 1, aanhef en onder a, jo. art. 1:149, aanhef en onder c, jo. art. 1:163). Naar komend recht op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding (art. 1:99 lid 1, aanhef en onder b, volgens wetsvoorstel 28 867).

  4. In beginsel twaalf jaren (art. 1:157 lid 4). Hier geldt zeer waarschijnlijk niet de korte duur van twee jaren en zeven maanden (1 mei 2001 – 1 december 2003), omdat C moet worden gelijkgesteld met een “uit” het huwelijk van A en B geboren kind in de zin van art. 1:157 lid 6, zodat deze bepaling niet van toepassing is op grond van HR 9 februari 2001, NJ 2001, 216, rechtspraakbundel p. 23 e.v., in het bijzonder p. 24, r.o. 3.3.3, ook al is de wettiging door opvolgend huwelijk na erkenning – waarom het in deze procedure ging – afgeschaft met ingang van 1 april 1998, toen het nieuwe afstammingsrecht in werking trad. Pijlers: behoefte van de alimentatiegerechtigde en draagkracht van de alimentatieplichtige (r.o. 3.2.2 van bovengenoemde uitspraak).

  5. Neen, omdat niet valt vol te houden dat B is gaan samenleven met X “als waren zij gehuwd” in de zin van art. 1:160, nu X zelf nog is gehuwd met Y. Aldus HR 13 juli 2001, NJ 2001, 586, rechtspraakbundel p. 26-27, in het bijzonder r.o. 3.5. Wel kan het alimentatiebedrag worden gewijzigd, omdat wellicht de behoefte van B is afgenomen, bijvoorbeeld wanneer ook X zijn steentje heeft bijgedragen aan de bestrijding van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding (vergelijk art. 1:401 en zie ook r.o. 3.5, laatste alinea, van bovengenoemde uitspraak).



Vraag 2





  1. Door A en B zelf en niet door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het huwelijk wordt ten overstaan van en niet door de ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken (art. 1:58-68, in het bijzonder art. 1:63, 67 en 68, waarin telkens de woorden “ten overstaan van” voorkomen; zie echter ook de onjuiste redactie van art. 1:58 leden 1 en 2, waarin de woorden “alvorens tot de voltrekking van het huwelijk over te gaan” terugslaan op de ambtenaar van de burgerlijke stand en aldus ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat het de ambtenaar van de burgerlijke stand is die het huwelijk voltrekt).

  2. Men spreekt van een schijnhuwelijk indien het oogmerk van de echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Op deze wijze wordt het schijnhuwelijk gedefinieerd in de art. 1:50, 53 lid 3 en 71a.

  3. Van A en B (art. 1:77 lid 2, aanhef en onder a, jis. art. 1:198 en 199, aanhef en onder a). In beginsel oefenen A en B na de vernietiging van het huwelijk het gezag over C gezamenlijk uit (art. 1:77 lid 2, aanhef en onder a, jo. art. 1:251 lid 2).

  4. Nu geldt niet de uitzondering van art. 1:77 lid 2, aanhef en onder a, maar wel de hoofdregel van art. 1:77 lid 1, en wel op grond van de schakelbepaling van art. 1:80a lid 7. Het geregistreerd partnerschap wordt dus geacht nooit te hebben bestaan, zodat C in juridische zin alleen van B afstamt (art. 1:198) en B alleen het gezag over C uitoefent (art. 1:253b), omdat uit de vraagstelling niet van een erkenning door A blijkt. Overigens heeft het geregistreerd partnerschap ook vóór vernietiging geen afstammingsrechtelijke gevolgen. Aan de art. 1:253aa en 253sa komt men niet toe, omdat er nooit een geregistreerd partnerschap is geweest. Het is echter de vraag of de wetgever aan deze consequentie heeft gedacht en of deze consequentie wel zo wenselijk is. Gezamenlijk gezag van A en B lijkt mij hier wenselijker. Zie A.J.M. Nuytinck, “Nietigverklaard partnerschap en gezag”, FJR 2004, p. 81.

  5. Ja, het openbaar ministerie had het schijnhuwelijk dan kunnen stuiten op grond van art. 1:53 lid 3.



Vraag 3





  1. Zie art. 1:382. Voorbeelden:




    • hij mag een huwelijk aangaan met toestemming van zijn curator of vervangende toestemming van de kantonrechter (art. 1:37);

    • hij mag huwelijkse voorwaarden vóór het huwelijk maken of wijzigen met toestemming van zijn curator of vervangende toestemming van de kantonrechter (art. 1:117 lid 1 jo. art. 1:37). Hetzelfde geldt voor het maken of wijzigen van partnerschapsvoorwaarden vóór het geregistreerd partnerschap (art. 1:80b). Hij mag ook tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden maken of wijzigen met toestemming van zijn curator (art. 1:118). Hetzelfde geldt voor het maken of wijzigen van partnerschapsvoorwaarden tijdens het geregistreerd partnerschap (art. 1:80b);

    • hij mag binnen de grenzen van art. 1:204 een kind erkennen;

    • hij mag uiterste wilsbeschikkingen maken (art. 4:55 lid 1).




  1. Neen, alleen de akte van geboorte en de akte van overlijden hebben een afwijkende bewijskracht (art. 1:22 leden 1 en 2). Voor de huwelijksakte geldt dezelfde bewijskracht als die van andere authentieke akten (art. 1:22 lid 3 jo. art. 157 Rv).

  2. Dat met de woorden “ouder of ouders” in art. 1:227 lid 3 zowel de juridische als de biologische ouders worden bedoeld. Onder omstandigheden kan ook de biologische vader van een kind die het kind niet heeft erkend, maar die op grond van zijn relatie tot de moeder moet worden geacht vanaf de geboorte van het kind “family life” met het kind te hebben of die op grond van bijkomende omstandigheden “family life” met het kind heeft, als belanghebbende gelden in het kader van de adoptieprocedure (art. 798 Rv). Hij zal dan moeten worden gehoord ter zake van de adoptie. Hij heeft het recht om een verweerschrift in te dienen en heeft het recht van hoger beroep.

  3. Art. 1:15 jis. art. 3:260 lid 1, vierde zin, 6:236, aanhef en onder m, 7A:1576k en 111 lid 2, aanhef en onder a, Rv (zie ook art. 79 lid 2 Rv).

  4. Die van moeder A (art. 1:253sa lid 3). In geval van adoptie door B houdt C zijn (A’s) geslachtsnaam, tenzij A en B ter gelegenheid van de adoptie alsnog kiezen voor B’s geslachtsnaam (art. 1:5 lid 3, derde en vierde zin).

  5. Niet op grond van art. 1:377a, omdat hij geen juridische ouder is, maar onder omstandigheden wel op grond van art. 1:377f. Het enkele feit dat hij spermadonor is, is echter niet voldoende. Hij zal bijkomende omstandigheden moeten stellen, waaruit voortvloeit dat er tussen hem en het kind een band bestaat die kan worden aangemerkt als een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van art. 1:377f lid 1. Een en ander geldt zelfs voor de biologische vader die, anders dan de spermadonor, wél de verwekker is (HR 5 juni 1998, NJ 1999, 129, rechtspraakbundel p. 63 e.v., in het bijzonder p. 65, r.o. 3.3).

  6. Onder vigeur van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vindt pensioenverevening plaats over de huwelijkse periode en ongeacht het huwelijksvermogensregime (art. 1:155 jis. art. 1, 2 en 3 Wvps), terwijl in de “Boon-Van Loon”-periode (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503, rechtspraakbundel p. 201 e.v.) pensioenverevening – toen nog “pensioenverrekening” geheten – plaatsvond over de voorhuwelijkse én de huwelijkse periode, maar alleen in geval van een algehele of beperkte goederenrechtelijke huwelijksgemeenschap die pensioenrechten kon omvatten, dus bijvoorbeeld niet in geval van koude uitsluiting (bij de gemeenschappen van vruchten en inkomsten en van winst en verlies uiteraard alleen over de huwelijkse periode, gelet op art. 1:128 jo. art. 1:124 lid 1, waaruit blijkt dat aanbrengsten – in casu dus in de voorhuwelijkse periode opgebouwde pensioenrechten – buiten de gemeenschap vallen).

  7. Op grond van art. 1:282 respectievelijk op grond van art. 1:253t (in het laatste geval: als er nog geen gezamenlijk gezag van rechtswege bestaat op grond van art. 1:253sa).

  8. Neen, want B heeft op zijn beurt machtiging van de kantonrechter nodig (art. 1:381 lid 3, eerste zin, jo. art. 1:386 lid 1, eerste zin, jo. art. 1:345 lid 1, aanhef en onder a). Zonder machtiging van de kantonrechter is de koopovereenkomst A – C in beginsel vernietigbaar (art. 1:347).

  9. Zie rechtspraakbundel p. 30 e.v.; het antwoord op de vraag luidt ontkennend, omdat de neef geen derde in de zin van art. 1:207 lid 5, tweede zin, is. Ook al wordt de zoon de uiteindelijke erfgenaam, toch is de neef de potentiële erfgenaam en geen derde. De neef wordt echter wel beschermd door art. 1:207 lid 5, derde zin, hetgeen concreet betekent dat hij aan de zoon niet behoeft terug te geven wat inmiddels reeds door hem – de neef – is verbruikt of verteerd.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina