Anw in het nieuws



Dovnload 141.95 Kb.
Pagina1/3
Datum25.08.2016
Grootte141.95 Kb.
  1   2   3

ANW in het NIEUWS


nummer 5, januari 2002

St. Bonifatius College, Utrecht

http://www.boni.nl/bonionline/vakken/anw/bestanden/download/


Het weer is keurig in de war

Volkskrant, 8 december 2001

De meteorologische herfst was een van de warmste sinds er wordt gemeten. En dus is de levende natuur zichtbaar van slag. Statistici hadden eigenlijk al niet anders verwacht. `Die extreem zachte oktober was wat er nog ontbrak.'
Drs Rob Sluiter van de Klimatologische Dienst van het KNMI in De Bilt tikt wat nieuwe getalletjes in de spreadsheet op zijn computer. Eens zien: stel nu dat deze maand december een ijzig einde krijgt. Direct zicht daarop is er nu niet, maar zijn theewater zegt dat het best nog zou kunnen.

Een ijzige december dus. Maar zelfs dan, met Elfstedenweer over drie weken, kan het jaar 2001 niet anders meer worden dan weer een recordjaar. Sluiter, die deze week bezig is de meteorologische boeken voor dit jaar te sluiten: `Ik schat dat de gemiddelde jaartemperatuur uitvalt rond de 10,4 graden Celsius. Dat is geen absoluut record, maar wel met gemak een notitie in de toptien van warmste jaren sinds er wordt gemeten, sinds 1706 dus.'

De herfstmaanden van 2001, zo maakte het KNMI vorige week bekend, waren samen zeer zacht (11,6 graden gemiddeld tegen normaal 10,2) en zeer nat (322 millimeter tegen normaal 235). Veel daarvan komt op conto van de maand oktober, toen het geen 10,3 graden was, zoals in het meerjarige gemiddelde, maar liefst 14,2 graden. Daarmee was de oktobermaand zelfs warmer dan de voorgaande september, wat in drie eeuwen niet is voorgekomen.

Die oktober was hoe dan ook een rare, wijst Sluiter in zijn eindeloze cijferreeksen en grafieken. `Het gekke is dat dit hoge gemiddelde vooral komt door warme nachten. Het was 's nachts gemiddeld 10,8 graden. Dat is haast belachelijk; normaal verwacht je 6,4 graden. Zoiets als hier nu lijkt meer op Marseille.' En dat is nog maar De Bilt. Wereldwijd, zo maakte de World Meteorological Organisation (WMO) deze week bekend, is 2001 het op twee na warmste jaar in anderhalve eeuw. WMO schat nu al dat 2001 ongeveer 0,4 graden warmer is geweest dan het gemiddelde in de periode 1961-­1990. Sinds 1860 waren alleen 1998 en 1997 nog warmer In 1995 was het gemiddeld vrijwel net zo warm als in 2001.



Ook voor Nederland, zegt Sluiter, is dat patroon inmiddels onmiskenbaar. `Onder de tien warmste jaren zijn er acht in de jaren negentig. Het is aan klimatologen om daar conclusies voor de toekomst aan te verbinden. Opmerkelijk is het in elk geval wel.' En concluderen doen de klimatologen. `Die extreem zachte oktober was wat er nog ontbrak', zegt een gebouw verderop op het KNMI landgoed onderzoeker dr. Geert jan van Oldenborgh. Hij trekt een artikel uit de kast dat hij dit najaar publiceerde in vakblad Meteorologica. Met de Utrechtse hoogleraar prof. dr. Gerbrand Komen becijferde hij in hoeverre de waargenomen mondiale opwarming in Nederland merkbaar is. Goed merkbaar, is hun conclusie. In de jaren negentig is het hier gemiddeld 0,81 graden boven normaal geweest.

Interessant is de analyse die Van den Oldenborgh en Komen maken van de seizoensopwarming. Ze vonden dat De Bilt in de periode 1991-2000 ongeveer 1,4 keer zo snel opwarmde als de hele wereld. Ongeveer de helft van de opwarming in De Bilt, schrijven ze, is terug te voeren op de mondiale opwarming: 0,4 graden. In de jaren negentig is de andere helft te wijten aan toevallige variaties, die kennelijk wat vaker omhoog dan omlaag zijn uitgevallen.

Voor de komende tien jaar betekent dat een gemengde voorspelling, vergeleken met de periode 1991-2000. Aan de ene kant, aldus Van Oldenborgh, is er een afkoeling te verwachten van een graad of 0,4, omdat de jaren negentig toevallig zoveel warmer dan de trend waren. Uit broeikasmodellen volgt een wereldwijde opwarming die zich in De Bilt vertaalt in een paar tienden hogere temperaturen in 2010.

Maar per saldo zou het volgens Van den Oldenborgh dit eerste decennium van de nieuwe eeuw heel goed iets koeler kunnen blijven dan het voorgaande: met een onzekerheid van zo'n 0,4 graad ergens tussen de 9,9 en 10,1 graden. Met uitzondering van de herfst, die wordt met 10,7 tot 10,9 graden gemiddeld hoe dan ook wat warmer en dus langer groen dan we in de vorige eeuw gewend waren.


ANW-vraag: De warme oktobermaand ‘past in het rijtje’. Betekent dat daarmee de theorie nu definitief bevestigd is?



De gevolgen van fatale nestwarmte

Volkskrant, 8 december 2001

`Fluitenkruid en witte dovenetel staan nu nog in bloei, terwijl die normaal vooral in het voorjaar bloeien. Flink wat .loofbomen staan nog in het blad en dit is merkwaardig gezien het seizoen. In de herfst horen de bladeren eraf te vallen', zegt fenoloog ir. Arnold van Vliet. Hij organiseerde deze week in Wageningen het internationele congres onder de titel The times they are a changing. De natuur is echt aan het veranderen onder invloed van klimaatverandering.

Fenologen registreren de jaarlijks terugkerende natuurlijke verschijnselen zoals bladval, begin van de bloei, trek van de vogels en het verschijnen van insecten. Daardoor ontstaan reeksen van gegevens waaruit opvallende conclusies zijn te trekken. Dr. Tim Sparks van het Centrum voor Ecologie en Hydrologie in Engeland (Monks Wood) kwam er na onderzoek achter dat bosanemonen in het graafschap Norfolk tientallen dagen eerder tot bloei kwamen in 1960 dan in 1760. Bladluizen zijn de afgelopen 25 jaar in Engeland drie tot zes dagen eerder uit het larvestadium gekomen. Vlinders laten zich in Noord Spanje nu elf dagen eerder zien dan in 1952.

Voor veel soorten is er slechts een korte periode in de jaarcyclus waarin de condities gunstig zijn voor reproductie en groei. Deze periode wordt vaak bepaald door andere soorten. Voor vogels zijn insecten bepalend. Nu het systeem niet meer synchroon loopt, ontstaan er problemen. Dr. Marcel Visser van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren (Groningen) heeft dit bij enkele soorten nader bekeken.

Het wintermotje legt eieren in de tijd dat het eikenblad uitkomt, zodat de rupsjes zich kunnen voeden met de jonge blaadjes. Zowel de eik als de wintermot reageert op de warmere temperatuur. Alleen doet de wintermot dit veel sterker. `Dit leidt tot verkeerde timing van de wintermot', aldus Visser.

Ook de bonte vliegenvanger ondervindt problemen, omdat in Nederland wel iets verandert, maar in zijn overwinteringsgebied in Afrika niets. Deze trekvogel komt te laat in de lente in Nederland aan. Hier zijn dan de beste plekken bezet. De vliegenvanger is weliswaar tien dagen eerder gaan broeden dan in 1980, maar dit is niet genoeg om in de pas te blijven met de vervroeging van het voorjaar.

De bomen lopen in Nederland door de temperatuurstijging eerder uit. Insecten die van jonge bladeren leven, vliegen eerder rond. Van deze voedselpiek weten de late bonte vliegenvangers nauwelijks te profiteren. Door de veranderingen in temperatuur zullen wellicht enkele soorten, die zeer afhankelijk zijn van lokale omstandigheden, uitsterven. Sparks verwacht dat ratten, weinig populair onder de mens, juist in aantal toenemen als gevolg van de temperatuurstijging. `Ratten zijn slim en zullen profiteren van de warmere perioden.'

ANW-vraag: De natuur raakt ook in de war. Moeten we ons zorgen maken of valt het allemaal wel mee?


Bij volgende MKZ-uitbraak volgt opnieuw een massaslachting

HP/DE TIJD, 7 december 2001

Volgende week, op de MKZ conferentie in Brussel, zal minister Brinkhorst opnieuw merken hoe moeilijk het is EU-­regels te veranderen. Vaccineren ho maar: als deze winter mond  en klauwzeer uitbreekt, zullen gezonde dieren weer massaal worden afgemaakt.
Sinds 11 september denkt bijna niemand er nog aan, maar tot die terreuraanslagen in New York en Washington was de mond  en klauwzeercrisis de grootste calamiteit die Nederland dit jaar heeft getroffen. Op 2900 bedrijven werd het vee preventief `geruimd', een eufemisme voor doden en vernietigen. Ruim een kwart miljoen koeien, schapen en geiten vonden een voortijdige dood. Boeren moesten toezien hoe hun hele veestapel levenloos met grijpers in een vrachtwagen werd gekieperd.

Een hele streek, ruwweg de Veluwe en de Gelderse Vallei, werd wekenlang op slot gezet en met soldaten bewaakt. In Kootwijkerbroek moest de mobiele eenheid keihard optreden tegen knokploegen die ruimingsploegen gijzelden en mishandelden. De samenleving walgde van de massamoord op veelal gezonde landbouwhuisdieren.

Dat nooit meer, klonk toen uit vele monden. Want het was toch waanzin dieren te doden als je ze met een spuitje van een rijksdaalder tegen MKZ kunt inenten? Maar dat mocht niet volgens de Brusselse regels, want de antistoffen van ingeënte dieren kunnen niet van die van zieke worden onderscheiden. Om internationale markten te behouden, was daarom sinds 1992 voor een non vaccinatiebeleid gekozen, met stamping out (uitroeiing) als belangrijkste bestrijdingsstrategie bij een uitbraak.

In de dagbladen werden hele opiniepagina's volgeschreven over dat verfoeilijke non vaccinatiebeleid. Een meerderheid van de Tweede Kamer wilde er zo snel mogelijk van af. Ook minister Brinkhorst had er genoeg van. Bij de Nederlandse burger ontstond het beeld dat deze barbaarse toestanden zich niet meer zouden herhalen.

Dat was toen. En hoe is het nu? Niet veel beter. In Brussel, waar de regels worden gemaakt en bewaakt, heeft Brinkhorst nauwelijks steun gekregen. Er waren maar vier landen getroffen. Alleen in Engeland (meer dan duizend uitbraken en miljoenen afgemaakte en op brandstapels vernietigde dieren) was de zaak uit de hand gelopen. Frankrijk (twee uitbraken) en Ierland (één) hadden de problemen snel onder controle. En de `slechts' 26 gevallen in Nederland waren voor andere lidstaten een bewijs dat de strategie juist had gewerkt. Dat benadrukte ook de verantwoordelijke Europees Commissaris voor voedselveiligheid, de Ier David Byrne, toen hij in Nederland poolshoogte kwam nemen.

Inmiddels staat de winter weer voor de deur, en worden de omstandigheden voor het kouminnende MKZ virus weer gunstig. Als het nog ergens sluimert en toeslaat, zal de uitbraak op vrijwel dezelfde manier worden bestreden als eerder dit jaar, alle protesten van toen ten spijt. Een nieuwe golf van verontwaardiging zal over het land spoelen, en boeren zullen zich waarschijnlijk nog heftiger verzetten tegen de ruiming van hun bedrijf.

Heeft Brinkhorst het laten afweten? Dat niet; hij en zijn ambtenaren hebben de afgelopen maanden elke gelegenheid benut om de discussie in de EU over vaccinatie levend te houden. Maar Brinkhorst heeft pijnlijk ervaren hoe moeilijk het is EU regels te veranderen. Bovendien moet hij op twee fronten vechten. Om de regels voor bestrijding van de ziekte te veranderen, moet hij bij de EU zijn. Maar de afspraken over exportbeperkingen na vaccinatie lopen via de wereldorganisatie voor diergezondheid OIE, waarbij 160 landen zijn aangesloten. En in dit soort organisaties gaat besluitvorming nu eenmaal niet zo snel.

Toch hoopt Brinkhorst volgende week een eerste stap te zetten op weg naar een diervriendelijker aanpak van MKZ. Dan wordt in Brussel een grote Europese MKZ conferentie gehouden, waar alle autoriteiten die met het onderwerp te maken hebben acte de présence geven. Ook maatschappelijke organisaties krijgen spreektijd. Nederland, dat samen met Engeland het initiatief voor de conferentie heeft genomen, probeert zo de discussie over de MKZ bestrijding te verbreden. Want als iets duidelijk is geworden, is dat een uitbraak veel meer is dan een veterinair en handelsprobleem.

Het uiteindelijke doel van Brinkhorst is dat het non vaccinatiebeleid wordt opgedoekt. Dieren zouden gewoon jaarlijks een spuitje tegen MKZ moeten krijgen. Maar dat is voorlopig internationaal onhaalbaar. De eerste slag die Brinkhorst wil binnenhalen, is dat het beleid wordt versoepeld. Bij een uitbraak moet direct in een zone rondom de haard worden gevaccineerd. Niet besmette, maar wel ingeënte dieren zouden in leven moeten kunnen blijven en na slacht normaal moeten kunnen worden verhandeld; ook over de grens. Aan het zinloze sterven zou zo een einde kunnen komen.

Volgens de huidige regels is het al mogelijk de dieren na (nood)vaccinatie in leven te laten. Maar dat betekent wel dat alle runderen, varkens, schapen en geiten uit het gebied plus een ruime bufferzone na slacht alleen in het binnenland worden verkocht. Brinkhorst kon afgelopen voorjaar voor de `driehoek' bij Oene van deze mogelijkheid gebruik maken, maar deed dat niet omdat de gevolgen bij nader inzien desastreus waren. Nederland zou immers met een berg vlees komen te zitten die het in geen jaren kon wegwerken. Dus werd alsnog besloten de (gezonde) dieren te doden en te vernietigen.

Cruciaal voor de Nederlandse inzet is dat gezonde, maar gevaccineerde dieren van besmette dieren kunnen worden onderscheiden. Volgens veterinairen is het met bestaande technieken mogelijk dat onderscheid met voldoende zekerheid te maken. In de praktijk zou dat betekenen dat bij een uitbraak in een zone rond een besmet bedrijf wordt gevaccineerd. Vervolgens worden de dieren in die zone getest. Als de antistoffen in hun bloed van het vaccin afkomstig zijn, worden ze veilig verklaard. Dieren (of veestapels) met antistoffen tegen het veldvirus van M KZ worden eruit gepikt en vernietigd. Een bijkomend voordeel is dat de bufferzone (toezichtsgebied) eerder kan worden opgeheven.

ANW-vraag: Het MKZ-virus blijft een grote dreiging. Grote economische belangen tegenover dieren- en boerenleed. Vind je dat de overheid juist handelt?




Een atoom is soms net een kuil

Volkskrant, 15 december 2001

Losse atomen en moleculen zijn ermee te zien, en dus is de tunnelmicroscoop uit een modern lab niet meer weg te denken. Toch moeten onderzoekers hun plaatjes niet al te letterlijk nemen. Een molshoop is zó een berg. Blunders met atomaire microscopen? Oppervlaktefysicus prof. dr. Joost Frenken van de Universiteit Leiden kan er uit zijn hoofd zó een reeks van opdreunen.
Leg, zegt hij om er één te noemen, een molecuul koolmonoxide bovenop een metaaloppervlak en bekijk dat eens met een rastertunnelmicroscoop. Wees voorbereid op een verrassing: op het beeldscherm verschijnt het molecuul als een kuil in het ijzeroppervlak, niet als de bobbel die je verwachten zou.

Terwijl het fysiek echt een hobbel is, zegt Frenken: `Maar er gebeuren dingen in het samenspel van metaal, molecuul en de microscoop zelf, die maken dat het koolmonoxide verder van de kijker lijkt, in plaats van dichterbij.'

Verderweg lijkt, zegt hij nadrukkelijk. Want wie precies begrijpt wat hij met zijn microscoop doet, weet allang dat de microscoop problemen heeft met koolmonoxide. Het apparaat kijkt namelijk niet, het bepaalt afstanden op basis van minuscule stroompjes die door van alles en nog wat verstoord kunnen worden. `Een tunnelmicroscoop is kortom geen instrument voor naïeve onderzoekers', aldus Frenken.

In die zin kan de Leidse hoogleraar zich dan ook prima vinden in een artikel in het natuurkundige vakblad Physical Review Letters van 3 december, van Werner Hofer en drie collega's van het University College in Londen. Tunnelmicroscopen, schrijven zij daar prikkelend, maken voor je er erg in hebt bergen van molshopen. Wie vervolgens enthousiast nieuwe bergen rapporteert, heeft het mis, is hun boodschap. In hun artikel rekent het viertal voor het eerst helemaal uit wat er eigenlijk gebeurt in een rastertunnel microscoop. Dat is opmerkelijk, want dit type supermicroscoop is al eind jaren zeventig uitgevonden, waarvoor in 1986 zelfs al een Nobelprijs is toegekend. Bovendien heeft elk zichzelf respecterend, lab, in de fysica maar ook de chemie en zelfs de biologie, er wel een paar staan.

Routinematig worden daarmee afbeeldingen gemaakt van materiaaloppervlakken, waarop desnoods details tot een halve angström (een angströrn is eentiende miljoenste millimeter) te zien zijn. Dat is genoeg om atomen zichtbaar te maken en levert al jaren een stortvloed op aan spectaculaire afbeeldingen van de wereld op atomaire schaal.

Daartoe kijkt een rastertunnelmicroscoop (doorgaans afgekort als STM, van Scanning Tunneling Microscope) niet met licht. Het apparaat detecteert uiterst nauwkeurig de afstand van een ragfijn naaldje tot het onderliggende oppervlak. Dat gebeurt aan de hand van de uiterst zwakke elektrische lekstroom   de zogeheten tunnelstroom   die tussen die tip en de ondergrond loopt als ze maar dicht genoeg bij elkaar zijn. Het beeld van het oppervlak wordt vervolgens gecreëerd door de tip computergestuurd baantjes te laten trekken boven het oppervlak, onder de voorwaarde dat de tunnelstroom steeds constant blijft. Komt de naald boven een obstakel, dan moet hij iets worden opgehaald om de ingestelde stroomsterkte vast te houden. Zo is het patroon van ophalen en afdalen, in de computer vastgelegd, een rechtstreekse vertaling van het gevolgde profiel.

Dat is de naïeve versie. Hofer en zijn groep laten zien dat de naald van de STM zelf veranderingen teweegbrengt in het bestudeerde oppervlak. Ze rekenden met supercomputers maandenlang aan het ingewikkelde samenspel van de atomen en elektronen van een wolfraam naaldje onder spanning dat in de buurt van een goudoppervlak wordt gebracht.

Het resultaat is verrassend: de tip trekt per saldo het dichtstbijzijnde goudatoom bijna twee angström uit het oppervlak. ,Dat is een hele atoomdiameter. Het oppervlak ziet er in de STM plaatjes dan ook ruwer uit, dan de theorie voorspelt.

Nog niet zo lang geleden leidde die waarneming, gepubliceerd in Nature, ook al tot brede twijfel over de betrouwbaarheid van de tunnelmicroscoop.

Experimentator Frenken is hoorbaar onder de indruk van Hofers ab initio berekeningen op basis van elektronen en atomen. `De vervormingen zijn in sommige gevallen echt veel dramatischer dan je geneigd bent aan te nemen op grond van je ervaring als experimentator', zegt hij opgewonden. En waarschijnlijk is dit ook een verklaring voor veel ellende in het lab, als daar weer eens veel eerder dan verwacht kortsluiting tussen naald en oppervlak ontstaat. `Dit paper komt bij ons op de volgende werkbespreking meteen aan de orde. Ik wil dat al mijn mensen het een keer goed hebben gelezen.'

In Twente is nanofysicus prof. dr. Niek van Hulst nog even beduidend minder onder de indruk. Molshopen als bergen? Dat klinkt wel sappig, maar dat is toch wel wat erg sterk uitgedrukt, vindt hij. `We hebben het over een factor twee, hooguit. Elke experimentator weet dat hij moet uitkijken met de beelden van zijn of haar tunnelmicroscoop. Je zit dichter op je sample dan je zou willen. Maar in de praktijk verandert dat niet zoveel. De hoogteprofielen die we maken, zijn niet letterlijk goed. Maar zeker goed genoeg om te begrijpen waar je naar kijkt.'

ANW-vraag: Heb je ooit een echt atoom gezien? En wat zien de wetenschappers? Hoe moeten ze hun plaatjes interpreteren?




Geen macho's in de buitenwijken

Volkskrant, 15 december 2001
Het leek zo mooi. Bevolk de buitenwijken. van het melkwegstelsel met Macho's, en het raadsel van de donkere materie is opgelost. Maar zoekacties naar de mysterieuze hemellichamen hebben tot nu toe niets opgeleverd. In de sterrenkunde hebben Macho's niks met hanig gedrag te maken. De afkorting staat voor MAssive Compact Halo Objects   zware, objecten in de halo van het melkwegstelsel. Een veilige term, want je kunt er alle kanten mee op. Het zouden dwergsterren kunnen zijn, of op drift geraakte planeten, of, ondermaatse zwarte gaten.

De `zware jongens' komen niet zomaar uit de lucht vallen. A1 tientallen jaren is bekend dat er veel materie aanwezig moet zijn in de melkweghalo   een groot, min of meer bolvormig gebied rondom het afgeplatte melkwegstelsel. De aanwezigheid van die materie blijkt uit de omloopsnelheden van sterren. Ook andere sterrenstelsels moeten zulke zware halo's hebben.

Het probleem is dat er in de melkweghalo niets te zien is. Wél zwaartekracht en géén licht   ziedaar de kern van het raadsel van de donkere materie. Berekeningen wijzen uit dat er zelfs veel meer donkere dan zichtbare materie is in het heelal. Deeltjesfysici kwamen al snel met een mogelijke verklaring op de proppen: de melkweghalo zou bevolkt worden door exotische elementaire deeltjes die alleen via de zwaartekracht op `gewone' mate~ riedeeltjes reageren. De zware deeltjes werden WIMP's (`watjes') genoemd   Weakly Interacting Massive Particles.

Astrofysici zetten daar halverwege de jaren tachtig hun Macho's tegenover: geen vergezochte deeltjes, maar `gewone' hemellichamen, die toevallig weinig of geen licht uitzenden. En er werd ook bedacht hoe je ze zou kunnen opsporen: door hun zwaartekrachtslenswerking. Het principe is eenvoudig. Houd tientallen miljoenen sterren in de gaten in de Magelhaense Wolken, twee kleine sterrenstelsels die zich buiten de halo van de melkweg bevinden. Heel af en toe zal een Macho precies tussen zo'n verre ster en de aarde door bewegen.

De zwaartekracht van de Macho veroorzaakt dan een tijdelijke versterking van het sterlicht. In de afgelopen tien jaar zijn een stuk of twintig van zulke microlenzen gevonden. Maar op welke afstand ze staan, is in de meeste gevallen niet bekend. Als ze zich inderdaad in de melkweghalo bevinden, valt gemakkelijk te berekenen dat ongeveer eenderde van de totale hoeveelheid donkere materie uit Macho's bestaat.

Peter Quinn van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht is ervan overtuigd dat Macho's een belangrijke ingrediënt vormen van de donkere materie, ook al is nog nooit onomstotelijk aangetoond dat er inderdaad microlenzen in de halo voorkomen. Maar andere sterrenkundigen hebben zo hun twijfels. Bohdan Paczynski van de Princetonuniversiteit is zo'n twijfelaar. `Er zijn drie of vier microlenzen waargenomen waarbij de lens een dubbelster is', zegt hij. `In zo'n geval is uit het helderheidsverloop van de achtergrondster wel af te leiden op welke afstand de lens zich bevindt. In al die gevallen blijkt het om lenzen te gaan in de Magelhaense Wolken.'

Als je weet hoe de verhouding is tussen enkelvoudige sterren en dubbelsterren, moet je wel concluderen dat een groot aantal van de overige microlenzen zich ook in de Magelhaense Wolken bevinden. Het gaat in dat geval om gewone dwergsterren, die niets van doen hebben met donkere materie.

Ook de recente publicatie over de directe detectie van een microlens is eigenlijk slecht nieuws voor de Macho jagers. Een grote internationale groep astronomen, onder wie Quinn, beschreef eerder deze maand in Nature waarnemingen met de Hubble Space Telescope en de Europese Very Large Telescope in Chili. Hun microlens blijkt een gewone dwergster in de platte schijf van het melkwegstelsel te zijn, op vrij kleine afstand van de aarde.

Het bestaan van de microlens werd in 1993 ontdekt, toen hij een tijdelijke versterking veroorzaakte in het licht van een achtergrondster in de Grote Magelhaense Wolk. Inmiddels is de lens een piepklein stukje opgeschoven aan de hemel, zodat hij gedetailleerd bestudeerd kon worden. Het is een rood dwergsterretje, tien keer zo licht als de zon, op zeshonderd lichtjaar afstand.

Geen Macho dus, maar wel een hoopvol resultaat, aldus Quinn. `Als we in de toekomst soortgelijke waarnemingen kunnen doen aan microlenzen in de halo, kunnen we de ware aard van de Macho's achterhalen', zegt hij. Paczynski ziet het echter somberder in. `Opnieuw een microlens waarvan de afstand bekend is, en opnieuw bevindt hij zich niet in de melkweghalo. Tot op heden is er eigenlijk geen greintje bewijs voor het bestaan van Macho's.'

Volgens Paczynski hebben sommige .andere astronomen die jacht maken op microlenzen, de hoop op het vinden van Macho's inmiddels opgegeven. Wat er dan wel schuilgaat in de melkweghalo, blijft voorlopig een raadsel. Misschien is het tijd voor de comeback van de WIMP's.

ANW-vraag: Wat is het ‘raadsel van de donkere materie’? Hoe zeker zijn wetenschappers van hun theorie over massa in de ruimte?



Het maakbare kind

Laten we de technologie letterlijk onze toekomst bepalen?



Kind uit de reageerbuis

Volkskrant, 22 december 2001
De ivf behandeling is uitgegroeid tot een verworven recht. Als bevruchting in de moederschoot niet lukt, is er altijd nog de regeerbuis. Gynaecologen zouden echter vaker `nee' moeten verkopen. In het belang van het kind.

door Ellen de Visser
Soms is een kinderwens te bizar voor woorden. jaarlijks krijgt gynaecoloog prof. dr. Bart Fauser, hoofd voorplantingsgeneeskunde in het Rotterdamse AZR Dijkzigt, duizend aanvragen voor een vruchtbaarheidsbehandeling en daar zitten extreme verzoeken bij. `je kunt het zo gek niet bedenken of het wordt je gevraagd', zegt hij. Drugsverslaafden, psychisch gestoorden, verstandelijk gehandicapten, HIV patiënten, mensen met een ernstige aangeboren afwijking in de familie, met een gewelddadige relatie, ze willen, nee, ze eisen een kind.

Hij kreeg ooit een vrouw op het spreekuur die zwanger wilde worden van haar minnaar zonder dat haar echtgenoot het te weten kwam. Een moeder die voor alle kinderen die ze uit eerdere relaties had uit de ouderlijke macht was gezet, wilde een kind van haar nieuwe vriend. Er was zelfs eens een jonge vrouw die informeerde of ze ook met een draagmoeder kon langskomen omdat een zwangerschap voor haar `sociaal invaliderend' zou zijn.

Fauser, tevens hoogleraar voortplantingsendocrinologie aan de Erasmus Universiteit, constateert de laatste jaren een toename van het aantal excessieve verzoeken. Wensouders heten allang geen patiënten meer, maar cliënten en die claimen het `recht op voortplanting'. In het Rotterdamse ziekenhuis wordt 10 procent van alle verzoeken in een team besproken. Tientallen keren per jaar volgt een afwijzing.

De gynaecoloog moet leren `nee' te zeggen. Dat is de boodschap die Fauser zijn collega's voorhoudt sinds zijn benoeming tot hoogleraar, vijf jaar geleden. De fertiliteitsarts is verantwoordelijk voor het onstaan van nieuw leven, zegt hij, en dus moet het belang van het kind zwaar wegen. Er is hem vaak `medisch paternalisme' verweten. `Ik heb me weleens eenzaam gevoeld binnen mijn beroepsgroep', zegt hij.

Maar langzamerhand vindt zijn visie gehoor. `Mensen willen tegenwoordig niet alleen een kind, maar ook een perfect kind', zegt dr. Henk ten Have, als hoogleraar medische ethiek verbonden aan het UMC St. Radboud. Ook in het Nijmeegse ziekenhuis neemt het aantal extreme ivf verzoeken toe. De afgelopen decennia is te sterk de nadruk gelegd op de autonomie van de patiënt, vindt Ten Have. `Het wordt tijd dat artsen op de rem gaan staan.'

Sinds in 1983 in het Dijkzigt de eerste Nederlandse reageerbuisbaby werd geboren, komen steeds meer echtparen met een onvervulde kinderwens bij de gynaecoloog terecht. Vorig jaar werden bijna veertienduizend ivf behandelingen uitgevoerd. Vier jaar geleden waren dat er drieduizend minder.

Terwijl het aantal vruchtbaarheidsstoornissen niet toeneemt, zegt dr. Egbert te Velde, hoogleraar vruchtbaarheidsleer aan de Universiteit Utrecht. `We behandelen dus meer en eerder; daar ben ik erg op tegen.' Als de arts een soort wensgeneeskunde gaat uitvoeren, zegt hij, wordt over het belang van het kind niet meer nagedacht. Maar ook de patiënt dient te worden beschermd, meent Te Velde. `Er zijn vrouwen die niet accepteren dat ze geen kind kunnen krijgen. Die na zes, zeven ivf pogingen nog willen doorgaan. Het is moeilijk hun duidelijk te maken dat ze beter kunnen stoppen.'

De NVOG, de beroepsgroep van gynaecologen, buigt zich daarom over nieuwe richtlijnen voor ivf. Een uniform beleid moet voorkomen dat patiënten na een afwijzing gaan shoppen bij andere ivf klinieken. Momenteel ligt alleen de maximumleeftijd van veertig jaar vast. Maar de ene kliniek behandelt wel alleenstaande vrouwen en de andere niet. De weduwe die ivf wilde met het ingevroren sperma van haar overleden man zonder dat die toestemming had gegeven; kreeg bij Fauser nul op het rekest, maar kon elders wel terecht. `Als patiënten afhankelijk zijn van de mening van de arts, halen we de willekeur naar binnen', aldus Fauser.

De problemen uit de spreekkamer van de gynaecoloog vinden bij minister Borst van Volksgezondheid nauwelijks gehoor, constateert hij wrang. `Zij wil dat wij het belang van het kind marginaal toetsen. Hoe dat moet, heeft ze er niet bij gezegd. Als ik een alleenstaande vrouw krijg, moet ik dan vragen of oma meekomt, om te verifiëren of die kan oppassen? Als een stel huwelijksproblemen heeft, gaat de ivf dan niet door?'

Waar blijft het geld voor langetermijnonderzoek naar ivf kinderen, vraagt hij zich af. Waarom wordt niet gekeken naar de almaar uitdijende indicatiestelling voor ivf? De groep vrouwen met afgesloten of verwijderde eileiders, voor wie de behandeling ooit was bedoeld, maakt nog slechts 15 procent uit van de totale patiëntenpopulatie. Het effect van ivf bij allerlei andere vruchtbaarheidsproblemen is nooit onderzocht, aldus Fauser. Ernstige zorgen maakt hij zich over de vlucht naar het buitenland. `Mesa' en `tese', behandelingen waarbij een eicel wordt bevrucht met chirurgisch verkregen zaad uit de zaad  of de bijbal, zijn in Nederland niet toegestaan omdat de gevolgen van het gebruik van onrijp zaad onduidelijk zijn. Wensouders kunnen echter, tegen forse betaling, terecht in België, Duitsland en de Verenigde Staten.

Fauser: `Patiënten gaan massaal de grens over en niemand registreert ze. Daardoor kunnen we niet eens onderzoek doen naar die mesa  en tese kinderen. Dat vind ik schandalig. The sky is the limit, er kan steeds meer, maar er bekruipt mij langzamerhand een gevoel van angst. Opereren aan het begin van leven, daarmee kunnen rampzalige dingen worden veroorzaakt.'
ANW-vraag: Heeft een arts het recht om een ivf-behandeling te weigeren? Hebben ouders niet recht op alle mogelijke medische kennis om kinderen te krijgen?


Alleen top embryo mag de baarmoeder in

Volkskrant, 22 december 2001
Een op de honderd kinderen die in Nederland worden geboren, is verwekt door ivf (in vitrofertilisatie), waarbij in het laboratorium eicellen worden bevrucht met zaadcellen. Om die eicellen te produceren moet de vrouw zichzelf vijf weken lang injecteren met hormonen. In de regel worden twee embryo's teruggeplaatst.

Een op de drie vrouwen die met ivf beginnen, krijgt uiteindelijk een kind. Eenderde van hen raakt zwanger van een tweeling. Dat geringe succespercentage heeft deels te maken met de kwaliteit van de embryo's. Abnormale embryo's komen in de natuur ook voor, maar die nestelen zich niet in, zodat een zwangerschap uitblijft. In het laboratorium zijn de goede embryo's uitwendig moeilijk te onderscheiden van de slechte. Onderzoek toont aan dat van de teruggeplaatste embryo's de helft chromosomaal niet in orde is. De kans op een zwangerschap per teruggeplaatst embryo is 20 procent. Maar als het om twee goede embryo's gaat, ontstaat meteen een tweelingzwangerschap, die vaak leidt tot een vroeggeboorte. In het buitenland, waar vaak veel meer embryo's worden teruggeplaatst, komen zelfs zevenlingen voor.

Het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (AZR) doet sinds kort genetisch onderzoek naar de net gevormde embryo's. Doel is om chromosomaalnormale embryo's te selecteren zodat er voortaan nog slechts één hoeft te worden teruggeplaatst. 'Daarmee wordt het probleem van de meerlingzwangerschap voorkomen', aldus prof. dr. Bart Fauser. Zijn ziekenhuis biedt vrouwen daarnaast een nieuwe hormoonkuur, die slechts acht à tien dagen duurt en waarbij de eierstokken minder hard worden gestimuleerd. Daardoor komen weliswaar minder eicellen vrij, maar de kwaliteit ervan is beter, aldus Fauser. Omdat de behandeling minder belastend is, zullen bovendien minder vrouwen afhaken, verwacht hij. Nu zet slechts de helft van hen door.
ANW-vraag: Hoe betrouwbaar is de ivf-techniek?


Genetische screening

Volkskrant, 22 december 2001
Jaarlijks worden er in Nederland zo'n tweehonderdduizend baby's geboren. In 1998 werd 12.533 keer invasieve prenatale diagnostiek (vruchtwaterpunctie of vlokkentest) verricht. In driekwart van het aantal gevallen gebeurde dat omdat de vrouw ouder was dan 35 jaar, in de overige gevallen werd een afwijking vermoed of hadden eerder geboren kinderen aangeboren afwijkingen. Slechts 275 keer werd daadwerkelijk het DNA onderzocht op zoek naar aan ziekten gekoppelde genen. Op deze manier werden 166 baby's met Down-syndroom opgespoord, circa 90 met een open ruggetje, 236 met andere chromosomale afwijkingen en 70 met fouten in het DNA. In die laatste groep waren dat vooral de zeldzame aandoeningen taaislijmziekte, myotone dystrofie, het fragiele-X syndroom, spierdystrofie van Duchenne, spinale spieratrofie SMA en de ziekte van Huntington.

Gebreken in de genen

Volkskrant, 22 december 2001
De lijst van erfelijke gebreken waarop ongeborenen kunnen worden onderzocht, is inmiddels lang. Toch voeren artsen dergelijk onderzoek maar mondjesmaat uit. Door Maarten Evenblij.
De baby op maat komt er aan. Als we optimistische deskundigen mogen geloven, zal het nog deze eeuw mogelijk zijn om door middel van gentherapie ongeboren vruchtjes zo te veranderen dat hun erfelijke eigenschappen zijn aangepast aan de wensen en verwachtingen van de ouders. Het is nog flink zoeken naar de genen voor muzikaliteit, intelligentie of kanker, maar het is slechts een kwestie van tijd voor juiste erfelijke eigenschappen van kinderen te koop zullen zijn, zoals we nu een nieuw bankstel uitzoeken.

Dat zal me een run geven op de genensupermarkt. Want wie immers, wenst zich geen gezonde, intelligente, atletische en langlevende nazaten? Dat zou wel eens mee kunnen vallen, denkt dr. Nico Leschot, hoogleraar klinische genetica aan het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Leschot houdt zich niet bezig met gentherapie van embryo's, maar feitelijk met het tegenovergestelde: het voorkómen dat kinderen met ernstige afwijkingen worden geboren als ouders dat niet willen.

Het gaat daarbij om kinderen met Downsyndroom, een open ruggetje, ernstige neurologische afwijkingen en andere (erfelijke) aandoeningen waarvan sommige het leven welhaast ondraaglijk maken. Daar zijn er nogal wat van. Gelukkig komen de meeste zelden voor. Maar ouders uit families waarin zulke aandoeningen voorkomen, lopen zeer hoge risico's dat het kind dat zij samen willen maken, ook is aangedaan.

Leschot constateert dat bij het AMC en andere Nederlandse centra voor genetisch onderzoek geen horden ouderparen op de stoep staan om hun erfelijk materiaal of dat van hun baby-in wording te laten onderzoeken. `Van alle ouders die in aanmerking komen voor een test op Down syndroom omdat de vrouw ouder dan 35 jaar is, maakt slechts de helft er gebruik van. Dat percentage blijft al een jaar of tien gelijk, terwijl de bekendheid over de mogelijkheid je vrucht te laten onderzoeken enorm is toegenomen.'

Leschot ziet dit als een aanwijzing dat mensen toch veel minder happig zijn om het product van hun liefdesdaad naar hun hand te zetten dan wel wordt voorgespiegeld. Jaarlijks worden er in Nederland ongeveer tweehonderdduizend kinderen geboren. Er worden jaarlijks twaalfduizend embryo's genetisch getest op de aanwezigheid van (gedeeltelijk) erfelijke gebreken. Het allergrootste deel van die tests heeft betrekking op Down syndroom en open ruggetje, die overigens meestal niet erfelijk zijn.

Iets minder dan driehonderd keer per jaar buigen klinisch genetici zich over het DNA van de vrucht, op zoek naar genen die een andere ernstige erfelijke aandoening veroorzaken. Meestal gaat het dan om ziekten waarbij de werking van de spieren verdwijnt, zoals spierdystrofie van Duchenne, spinale spieratrofie (SMA) en myotone dystrofie; maar ook om cystische fibrose (taaislijmziekte) waarbij de longen niet goed functioneren of het fragiele X syndroom dat ernstige verstandelijke handicaps in jongetjes veroorzaakt.

Dit kleine aantal is opvallend omdat het landelijk overleg DNA diagnostiek, waarin de Nederlandse klinisch genetische centra afspraken maken, een lijst publiceert met meer dan tweehonderd erfelijke aandoeningen die kunnen worden getest. De aandoeningen lopen uiteen van ernstige neurologische afwijkingen tot vormen van diabetes, doofheid, maagkanker, dementie en nachtblindheid.

`Dat is een vertekening van de werkelijkheid', zegt Leschot. `Het zijn dingen die we kunnen doen. Zowel bij volwassenen als bij de ongeboren vrucht. Maar het zijn meestal geen tests die je even doet en waarvan je morgen de uitslag hebt. Vaak gaat er een uitgebreid onderzoek binnen de familie aan vooraf op zoek naar de specifieke veranderingen, de mutaties, die zich hebben voorgedaan in het gen dat bij de ziekte betrokken is. Dat duurt vaak vele maanden. Als je die verandering eenmaal hebt, kun je een embryo in zo'n familie wel snel testen op de aanwezigheid van die specifieke mutatie.'

Zulk onderzoek wordt niet standaard aangeboden. De ouderparen moeten er zelf om vragen, bijvoorbeeld omdat een eerder kind een afwijking had of omdat een bepaalde aandoening in de familie voorkomt. `De enige DNAdiagnostiek die we in Nederland zelf aanbieden, is de screening op Down syndroom bij zwangeren van 36 jaar en ouder. Wellicht gaat dat veranderen, nu de Gezondheidsraad heeft geadviseerd om een andere screeningsmethode te gebruiken en ook te controleren op de aanwezigheid van een open ruggetje.'
De rest van het genetisch onderzoek geschiedt dus alleen op verzoek. En verzoeken worden niet altijd gehonoreerd. In 1995 ontstond opschudding toen bekend werd dat het AMC had meegedaan aan het testen van vruchten op een erfelijke vorm van blindheid. Twee keer werd daarop de zwangerschap op verzoek van de ouders afgebroken. De discussie ging over de vraag of blindheid wel zo'n ernstige aandoening is dat deze een abortus rechtvaardigt.

`Wij hebben de ervaring van de betrokken ouders met deze erfelijke afwijking zwaar mee laten wegen bij de beoordeling van hun verzoek', zegt Leschot, die vindt dat dit geval wel in perspectief geplaatst moet worden. Van de 25 duizend abortussen die jaarlijks in Nederland plaatsvinden, zijn er driehonderd vanwege een erfelijke aandoening. Daarvan waren er slechts twee vanwege deze vorm van blindheid.

`Het gaat om mensen van wie eerdere kinderen of anderen in de familie een ernstige ziekte hebben en waarvan het  een geluk bij een ongeluk   mogelijk is om deze voor de geboorte te detecteren. Dat geeft dan veel ophef, terwijl er genoeg mensen zijn die zich laten aborteren omdat een kind hen nu niet uitkomt.'

Maar Leschot wil het probleem ook niet bagatelliseren. Wat een ernstige en onbehandelbare aandoening is, verschuift met de vorderingen van de wetenschap. Stierven kinderen met taaislijmziekte vroeger op jonge leeftijd, met de huidige zorg kunnen ze ruim dertig worden. En met een ziekte als PKU (een stofwisselingsziekte waarop pasgeborenen met de hielprik worden onderzocht) kun je honderd worden als je je maar aan een dieet zonder het aminozuur fenylalanine houdt. Lastig, maar niet onmogelijk.


ANW-vraag: Zou jij als toekomstig ouder niet willen dat jouw kind een goed stel hersens en een gezond lijf heeft? Zou jij voor de geboorte al een genetische test laten uitvoeren?


Met foute genen naar de rechter

Volkskrant, 22 december 2001
In de Verenigde Staten en onlangs ook in Frankrijk worden artsen en gezondheidswerkers soms door ouders vervolgd vanwege wrongful birth en wrongful life: kinderen die geboren werden terwijl ze ongewenst waren of door fouten van de gezondheidszorg een gehandicapt bestaan leiden. Zijzelf of hun ouders vinden dat ze beter niet geboren hadden kunnen worden. Zij eisen schadevergoeding voor dit onrechtvaardige leven dat ze is aangedaan.

Het gaat daarbij bijvoorbeeld om fout uitgevoerde zwangerschapstests, maar vooral ook om fouten in genetisch of echoscopisch onderzoek van de vrucht, zoals naar de aanwezigheid van het Down syndroom. Soms leidt dat tot bizarre situaties, zoals een kind dat z'n ouders aanklaagt omdat zij het niet hebben laten aborteren.

Amerikaanse beroepsverenigingen van artsen en gezondheidswerkers proberen hun leden te behoeden voor schadeclaims na (mogelijke) fouten bij het beoordelen van genetische tests. In Nederland loopt het nog niet zo'n vaart, constateert klinisch geneticus van het AMC prof. dr. Nico Leschot.

`Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Het kan voorkomen dat je naar cellen van de moeder kit te kijken in plaats van naar die van het kind. Dan meld je onterecht dat de vrucht de erfelijke aandoening heeft. Ook mogen we ons gelukkig prijzen dat we in de dertig jaar dat wij testen, nog nooit een vrucht met Down syndroom over het hoofd hebben gezien, maar het kan een keer gebeuren.'

Toekomstige ouders worden niet altijd deelgenoot gemaakt van eventuele twijfels over de testuitslag. Bij chromosoomafwijkingen bijvoorbeeld zijn niet altijd alle lichaamscellen aangedaan, soms is er een zogeheten mozaïekvorm. Als van de dertig onderzochte cellen er twee afwijkend zijn, wordt dat aan de moeder verteld als een mogelijk afwijkende uitslag. Bij slechts één afwijkende cel echter niet. Leschot: `Dat beschouwen we dan als een bevinding zonder klinische betekenis, maar honderd procent zeker ben je dan toch niet. Toch vallen we de ouders daar niet mee lastig. Dat beschouwen we als een goede patiëntenzorg.' Rechtszaken als hierboven zijn Leschot in Nederland niet bekend, hij verwacht wel dat die gaan komen.

Volgens dr. Cor Oosterwijk, directeur beleid en belangenbehartiging van de patiëntenorganisatie VSOP, heeft ook in Nederland een echtpaar juridische stappen overwogen omdat het, in hun ogen ten onrechte, geen genetische screening kreeg aangeboden en vervolgens een gehandicapt kind kreeg. `Wij zijn van mening dat het al dan niet aanbieden van een test zorgvuldig dient te gebeuren. Net als bij andere medische handelingen, mag dat ook juridisch worden getoetst.'


ANW-vraag: Is het maakbare kind echt nabije toekomstmuziek?



DNA chip plaatst kanker in perspectief

Volkskrant, 29 december 2001



Met behulp van DNA chips is binnenkort bij patiënten met een bepaalde vorm van lymfeklierkanker de overlevingskans vast te stellen: De therapie kan daaraan worden aangepast.
Bij de diagnose kanker is de eerste vraag van bijna elke patiënt: `Hoe groot is de kans dat ik het van deze ga ziekte winnen?' Het antwoord kan pijnlijk onduidelijk zijn, bijvoorbeeld bij patiënten met diffuus grootcellig B cel lymfoma (DLBCL), de meest voorkomende vorm van lymfeklierkanker bij volwassenen. Jaarlijks komen er ruim negenhonderd nieuwe patiënten bij. Deze mensen krijgen te horen dat de eerste vier, vijf jaar cruciaal zijn. Tijdens deze periode lopen ze een grote kans te overlijden. Overleven de patiënten die vijf jaar dan zijn de vooruitzichten vaak gunstig.

Een nieuwe DNA techniek, de zogeheten microarray essay, wordt onder andere door het Nederlands Kanker Instituut gebruikt om dit soort voorspellingen sterk te verbeteren.

`Het probleem bij DLBCL is dat het een restgroep is van lymfeklierkankers', zegt Daphne de jong, onderzoeker bij het NKI. `Er zitten meerdere ziektes in deze groep, dat weten we, maar we kunnen ze op geen enkele manier uit elkaar peuteren.' Bij binnenkomst krijgen de patiënten daarom standaard chemotherapie. Met die behandeling geneest 40 procent van de mensen. Als de ziekte terugkomt, krijgt de patiënt intensievere chemotherapie.

`Beter dan dat krijgen we de behandeling eigenlijk al jaren niet.' Het heeft geen zin om alle patiënten al bij de eerste behandeling de intensievere therapie te geven. Het overlevingspercentage van de groep stijgt er niet door, terwijl de patiënten wel meer bijwerkingen krijgen en een grotere kans hebben op restverschijnselen.



`Patiënten moeten veel inleveren aan long  en hartfunctie en ze kunnen soms nog jarenlang invaliderend moe zijn. Daarom wil je als de patiënt voor het eerst komt met de ziekte kunnen zeggen: "Deze patiënt heeft een slechte dan wel een goede prognose". Iemand met een slechte prognose kun je misschien beter meteen een zware klap geven met intensieve chemotherapie, terwijl je mensen met goede vooruitzichten die behandeling wilt besparen.'

Die scheiding van patiënten wordt nu mogelijk. Amerikaanse onderzoekers publiceren in het tijdschrift Natune Medicine van januari hoe ze de microarray essay gebruiken om DLBCLpatiënten in te delen rotwee groepen. De ene groep heeft 70 procent kans om na vijf jaar nog in leven te zijn en de andere groep heeft daar maar 12 procent kans op. `Met die kennis zitje natuurlijk heel anders tegenover een patiënt met wie je het behandelplan gaat bespreken.'

De microarray, ook wel DNA chip genoemd, is relatief nieuw. Met de chip kan het erfelijk materiaal (DNA) van zieke cellen worden vergeleken met het DNA van gezonde cellen. Je kunt in één keer tot twintigduizend genen, de functionele eenheden van het DNA, testen. De onderzoekers vonden dertien genen die in cellen van DLBCL patiënten veel actiever of juist slomer zijn dan in gezonde cellen. Deze `merkergenen' bleken goede voorspellers te zijn van de overlevingskansen van de patiënt.

Voordat de DNA chip in de praktijk gebracht kan worden, moet de voorspellende waarde van de dertien merkergenen op een grotere groep mensen worden getest. `En het is ook nog niet bewezen dat het helpt als je patiënten met een relatief slechte prognose vanaf het begin intensieve chemotherapie geeft.' Maar met de DNAchip kan meer. Hij kan ook worden gebruikt om aangrijpingspunten te vinden voor nieuwe medicijnen. Daarvoor moet eerst de biologische oorzaak van de ziekte worden achterhaald. De onderzoekers gebruiken hiervoor een andere invalshoek en analysemethode, maar de techniek blijft hetzelfde: de DNA chip speurt naar genen die afwijkend gedrag vertonen.

Een ander team van Amerikaanse onderzoekers vond zo vorig jaar een aantal genen die ten grondslag kunnen liggen aan het ontstaan van DLBCL. Die genen zijn het doelwit voor nieuwe medicijnen. `Je wilt toe naar medicijnen die gericht werken, als een pijl en boog: "Tsjak, erop af!" Wat we nu gebruiken, is toch een beetje een bommentapijt.'


ANW-vraag: Hoe belangrijk is het om bij bijvoorbeeld lymfeklierkanker de kans op overleven te weten?





Vriend of vijand?

NIEUW GENGEWAS PAST IN DUURZAME LANDBOUW

NRC, 15 december 2001
In de Verenigde Staten komt een tabaksplant voor waarvan de zaden pas kiemen wanneer ze rook signaleren. Na een brand is deze pionier er als eerste bij om het kale, smeulende terrein te koloniseren. Hij heeft dan weinig concurrentie van andere planten, maar er staat een legertje hongerige beesten klaar om hem aan te vreten. Daartegen beschermt de plant zich met nicotine. Voor konijnen, sprinkhanen óf aardvlooien is nicotine een gifstof waarvan ze niet te veel binnen moeten krijgen. Maar de rups van de pijlstaartvlinder is verzot op nicotine. De rups slaat nicotine op om er zijn vijanden weer mee af te weren. Maar ook tegen die nicotinespecialist heeft de tabaksplant zich gewapend. Zodra een pijlstaartvlinderrups zijn kaken in een tabaksplant zet maakt de plant een lokstof die sluipwespen aantrekt, natuurlijke vijanden van de rups. De plant reageert op de vetzuren die de rups uitscheidt door een set genen die de nicotineproductie verzorgt uit te schakelen, en een andere set genen aan te schakelen.

"Van die tabaksplant kunnen we veel leren bij het genetisch modificeren van gewassen," stelt de Duitse ecoloog Ian Badwin, die deze tabaksplant onderzoekt. Badwin, onlangs te gast op een ecologisch congres over gemodificeerde insectenresistente gewassen in Wageningen: "Deze plant reageert pas op een predator als hij wordt gebeten. En hij maakt geen gifstof, waartegen resistentie kan ontstaan, maar trekt natuurlijke vijanden aan. Daar kan de rups nooit resistent tegen worden." De tabaksplant met zijn aangepaste afweer past in wat we ons bij duurzame landbouw voorstellen. Die landbouw stelt onder meer als eis dat plaagdieren niet resistent mogen worden en dat natuurlijke vijanden en concurrenten van de plaagdieren niet mogen worden geschaad.

Helaas voldoen de gemodificeerde Bimaïs en de Bt katoen die sinds 1996 in Amerika en Argentinië worden verbouwd niet aan die voorwaarden voor duurzame landbouw. Deze gewassen produceren, dank zij hun nieuwe genen, een bacterie eiwit (Bt) dat dodelijk is voor hinderlijke plaaginsecten waaronder de maïsboorder. Op het eerste gezicht lijkt dit voor het milieu beter dan spuiten van insecticiden: het door de plant geproduceerde insecticide komt niet naast het gewas terecht en doet zijn werk precies op de plaats waar het nodig is. Bovendien lijkt het Bt eiwit milieuvriendelijker dan de gangbare insecticiden. Biologische boeren gebruiken Breiwitten in de vorm van een spray al jaren naar tevredenheid.

Maar de voordelen van Bt gewassen zijn wellicht maar van korte duur, valt te concluderen uit een Wageningse literatuurstudie. De insecten worden waarschijnlijk resistent tegen de Bt gifstof net als tegen de gangbare insecticiden. De Amerikaanse Bt gewassen maken het Bt eiwit continu, overal in het gewas aan, waardoor de insecten er voortdurend aan bloot staan. Daarmee zal er dus sneller resistentie optreden dan met Bispray, waarvan het gif binnen een paar dagen wordt afgebroken.

. "Natuurlijke vijanden van de maïsboorder, zoals de grondkever, bevinden zich een deel van hun levencyclus in de bodem", zegt de Wageningse entomologe Astrid Groot die het onderzoek verrichtte. "Er zou onderzoek gedaan moeten worden naar het effect van het Bt eiwit in de bodem."

Deze zomer heeft de EU verplicht gesteld dat van gemanipuleerde gewassen, eenmaal op de markt, tien jaar lang moet worden gevolgd hoe ze zich in de praktijk `gedragen'. Maar het is onduidelijk wát er moet worden gemonitored. Zelfs op en rondom monocultuur akkers kunnen nog honderden soorten planten en dieren voorkomen.

De biotech bedrijven werken inmiddels aan een tweede generatie Bt gewassen: die maken minder en diverse typen Bt­eiwitten. Dat verkleint de kans op resistentie aanzienlijk. Nog beter zou het zijn als de plant de bestrijdingseiwitten alleen maakt als hij wordt aangevallen en dan ook alleen nog maar in weefsels waarvan zijn belager eet. Het allerbeste is een plant die   zoals de Amerikaanse tabaksplant   natuurlijke vijanden aantrekt. Genetische manipulatie, denkt Badwin, kan bijdragen aan deze vorm van duurzame landbouw.

ANW-vraag: Kan genetische manipulatie zorgen voor een duurzame landbouw?


De zon heeft het gedaan

VARIATIES IN ZONNESTRALING HEBBEN GROTE INVLOED OP KLIMAAT

NRC, 22 december 2001


Met adembenemend mooi onderzoek is nu vastgesteld dat variatie in de zonne activiteit samenhangt met de Kleine IJstijd in de Gouden Eeuw.
De aanwijzingen worden steeds sterker dat minimale variaties in de intensiteit van de zonnestraling het klimaat op aarde onevenredig sterk beïnvloeden. Gereconstrueerde klimaatschommelingen, teruggaande tot het einde van de laatste ijstijd, blijken heel precies samen te hangen met reconstructies van de zonne activiteit. Ook begint langzamerhand duidelijk te worden langs welke weg de zon haar invloed kan doen gelden op het klimaat.

Science van 7 december brengt twee artikelen die in combinatie veel steun geven aan de idee van een grote zonne­invloed op klimaatschommelingen. In een artikel van een onderzoeksgroep rond Gerard Bond van het Amerikaanse Lamont Doherty Earth observatory wordt aangetoond hoe de variatie in zonneactiviteit nauw samenhangt met perioden waarin drijfijs en ijsbergen op het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan zich ongewoon ver naar het zuiden uitbreiden. In een artikel van een groep rond Drew Shindell van NASA's Goddard Institute wordt gedemonstreerd hoe de veranderingen die een meer of minder actieve zon in de stratosfeer opwekt aan lagere luchtlagen kunnen worden doorgegeven en hoe dat lokaal tot zeer sterke klimaatveranderigen kan leiden.



De `zonneactiviteit' waar het in deze studies om gaat is gekoppeld aan de hoeveelheid zonnevlekken op de zon. Men noemt de zon `actief als er veel zonnevlekken zijn. Tijdens zo'n maximum is de zon ook werkelijk wat actiever, de stroom geladen deeltjes (protonen, electronen) die zij als zonnewind afgeeft is dan gemiddeld sterker dan anders. Ook blijkt, enigszins tegen de intuïtie in, een ion met veel vlakken meer lichten ultraviolette straling af á geven dan een zon  der. In het voorkomen van zonnevlekken is zowel grote regelmaat als eigenaardige grilligheid aan te wijzen.

In Europa werd het bestaan van zonnevlekken pas in 1610 beschreven door Galileï. Galileï's vondst leidde tot grote belangstelling voor de vlekken en er volgden talloze vermeldingen van het fenomeen. Maar tussen 1645 en 1715 worden nauwelijks nog zonnevlekken gezien of genoemd, de afwezigheid van de vlekken wordt expliciet beschreven. Deze geheimzinnige periode heet sinds 1976 het Maunder minimum. In recente tijd is het ontbreken van zonnevlekken in die periode met objectieve middelen bevestigd.

In 1843 stelde Heinrich Schwabe vast dat in het voorkomen van zonnevlekken een ritmiek van ongeveer tien jaar optreedt (later is daar ruim 11 jaar van gemaakt) en in 1873 werd door Wladimir Koppen aangetoond dat de aardse oppervlaktetemperatuur ook een ritmiek heeft van ongeveer 11 jaar. Dat was het begin van het onderzoek naar de samenhang tussen zonneactiviteit en klimaat dat nooit meer ui: de belangstelling is verdwenen. Het kreeg een nieuwe, krachtige impuls door het broeikaseffect. Broeikas orderzoekers willen graag alle natuurlijke oorzaken van klimaatschommelingen kennen. Er is nu een reeks van meteorologische verschijnselen bekend die een meer of minder heldere ritmiek van 11 jaar bezitten. Voorbeelden zijn de oppervlaktetemperatuur van de oceanen, de temperatuur hoog in de troposfeer en de precieze hoogte waarop het 30 millibar vlak zich bevindt (op ongeveer 26 kilometer hoogte in de stratosfeer). Los van de ritmiek is er grote belangstelling voor de frappante samenhang rissen het Maunder Minimum en de zogenoemde Kleine IJstijd, een koudeperiode in Europa en directe omstreken die haar dieptepunt had tussen 1645 en 1715.

Sinds 1978 wordt de sterkte van de zonnestraling door satellieten buiten de dampkring gemeten en na een volledige zonnecyclus, omstreeks 1990, stond wel vast dat de intensiteit van de straling binnen een cyclus van 11 jaar hooguit maar 0,1 procent varieert. Dat is zo weinig dat van een directe invloed op de aardse oppervlaktetemperatuur geen sprake kan zijn, er moet ergens een versterkend mechanisme werkzaam zijn.

In 1997 ontstond veel media aandacht voor een hypothese van de Deense onderzoekers Svensmark en Friis­Christensen die ervan uitgaat dat wolkvorming op aarde sterk wordt beïnvloed door de kosmische straling (protonen, heliumkernen) uit de melkweg. De talrijke ionisaties die deze straling teweeg brengt zouden deeltjes in de troposfeer (onderste atmosfeerlaag waarin de gewone weersverschijnselen zich voordoen) geschikter maken als condensatiekern voor wolkvorming. De Deense stelling is dat een krachtige zonnewind het aards magnetische veld zó verandert dat deze nog maar weinig kosmische straling toelaat in de atmosfeer. Dus: hoe actiever de zon hoe minder bewolking en hoe warmer. Er leek ook inderdaad een verband tussen bewolking en zonneactiviteit zichtbaar.

Maar in het onlangs verschenen IPCC rapport `Climate Change 2001', dat de wetenschap achter de broeikas­verontrusting samenvat, wordt de Deense opvatting nauwelijks gesteund. Het door de Denen geopperde mechanisme (en recentere uitbreidingen daarvan) acht men interessant maar er is twijfel aan de vraag of het effect noemenswaardig is. Er blijkt ook een samenhang tussen de mondiale bewolkingsgraad en het El Nino effect.

Wat de zonne activiteit betreft hecht het IPCC rapport meer waarde aan de opvatting dat variaties in zonne intensiteit vooral de ozonlaag in de stratosfeer (rond een hoogte van 25 kilometer) beïnvloeden. Die hypothese werd voor het eerst in 1992 geformuleerd door Labitzke en Van Loon toen zij de ritmiek in de hoogte van het 30 millibar drukvlak hadden ontdekt en eveneens een 11 jaarsritmiek vonden in de temperatuur van de troposfeer. In het ultraviolette deel van het zonnespectrum, vooral rond de golflengten die een rol spelen in de vorming en de afbraak van ozon, zijn de intensiteitsschomelingen per cyclus veel groter dan 0,1 procent, ze bedragen wel zes procent. jammer genoeg hebben satellieten en radiosondes nog geen erg overtuigende 11 jaar ritmiek in de ozonlaag kunnen aantonen. En wat er gevonden werd, manifesteerde zich op een hoogte die niet met de theorie overeenstemt. Ook staat wel vast dat een warmere en/of `dikkere' ozonlaag niet rechtstreeks heel veel kan veranderen aan de warmtestraling die aan het aardoppervlak wordt ontvangen.

De laatste jaren concentreren de inspanningen zich daarom ook op een mogelijke `dynamische interactie' tussen stratosfeer en troposfeer. In computermodellen onderzoekt men hoe aangenomen (en aannemelijke) veranderingen in de stratosfeer kunnen worden doorgegeven aan de troposfeer. Daarin heeft de NASA groep van Shindell nu een intrigerend resultaat behaald.

Shindell c.s. `laadden' een computermodel met de typische zonnestraling die zij karakteristiek achtten voor de jaren rond 1680 (in het dieptepunt van het Maunder Minimum) en de jaren rond 1780 toen de zon lange tijd zeer actief was. De waarden voor de zonne intensiteit in 1780 en die in 1680 liggen met ongeveer 0,25 procent veel verder uit elkaar dan binnen één willekeurige cyclus van 11 jaar.

Shindell vond maar een bescheiden temperatuur effect voor de aarde als geheel, maar stelde vast dat er wel een belangrijke invloed was op het typische drukverschil tussen Portugal en IJsland dat bepaalt langs welke banen depressies richting Europa trekken. Regionaal trad daarom in het model wel een zeer sterke temperatuurdaling op als de zon minder actief was, vooral 's winters: de Kleine IJstijd gereconstrueerd.

Met adembenemend mooi onderzoek aan de samenstelling van slibmonsters uit de diepzee tussen Engeland, Labrador en Groenland heeft nu ook de onderzoeksgroep van Gerard Bond aannemelijk gemaakt dat een (zeer) lage zonne activiteit tot een sterke lokale afkoeling kan leiden. Vier jaar geleden (Science, 14 november 1997) trok de groep met hetzelfde onderzoek al veel aandacht. Uit typische verontreinigingen in het oceaanslib trokken zij de conclusie dat de ijsbergen die voornamelijk losbreken van gletsjers op Groenland op gezette. tijden veel verder zuidelijk op de Atlantische oceaan kwamen dan we nu gewend zijn. Het diepzeeslib bestaat voornamelijk uit de kalkhoudende skeletfes van foraminiferen, een planktonsoort, die in een regelmatig tempo van ongeveer een centimeter per eeuw worden afgezet. De ijsbergen transporteren veel zandachtige korreltjes en andere mineralen uit hun gebieden van herkomst en als ze smelten warrelt ook dat zand naar de diepzee. De ontdekking dat er na de laatste ijstijd nog met grote regelmaat (ruwweg elke 1500 jaar) zulke `ice rafting events' voorkwamen was verrassend. Het betekent dat het klimaat de laatste 12.000 jaar veel minder stabiel was dan aangenomen.

Met een uitbreiding en verfijning van hun onderzoek hebben Bond c.s. nog meer, dus frequentere, perioden van sterke afkoeling kunnen vinden. Bovendien kunnen zij bijna onweerlegbaar aantonen dat deze perioden samenvallen met een sterk verminderde zonneactiviteit. Dat zijn de perioden waarin de kosmische straling diep in de atmosfeer doordringt en veel karakteristieke isotopen van koolstof en beryllium (C 14 en Be 10) doet ontstaan. Verhoogde concentraties van de isotopen in boorkernen uit ijs op Groenland en in oude boomstammen vallen in de tijd samen met de ontdekte koudeperiodes. Bond meent dat de laatste `ice rafting event' samenviel met de Kleine IJstijd rond. 1680.

ANW-vraag: Betekent dit nu dat de zon ook verantwoordelijk kan zijn voor het opwarmen van de aarde? Of dat we nu zeker weten dat er dit jaar geen elfstedentocht komt?




De hete blik van de leugenaar

Volkskrant, 5 januari 2002



Bewust liegen maakt de huid rond de ogen warmer, ontdekten Amerikaanse onderzoekers met een speciale camera. Concurrentie voor de nog altijd omstreden polygraaf.
HET IS de ultieme droom van iedere grenswacht: onmiddellijk zien of iemand liegt op de vraag 'Heeft u iets aan te geven?'. Volgens een Amerikaanse onderzoeksgroep  kan die droom wellicht binnenkort al uitkomen. De wetenschappers, werkzaam bij Honeywell Laboratories en een privé kliniek, beide in Minneapolis, hebben een camera ontwikkeld die subtiele veranderingen in warmtepatronen in iemands gezicht kan waarnemen. Zulke veranderingen treden op als iemand liegt, aldus de onderzoekers. Vergelijkende testen wijzen uit dat de camera net zo goed werkt als een traditionele leugendetector, schrijven de Amerikanen in Nature van deze week (3 januari).

Dat er vaak lichamelijke veranderingen optreden als iemand bewust liegt, is al lang bekend. Sommige zijn zichtbaar (blozen, zweten, trillen, wegkijken), andere onzichtbaar. Een traditionele leugendetector (een polygraaf) meet met allerlei sensoren de transpiratie, hartslag, bloeddruk en elektrische geleiding van de huid om te kijken of iemand een leugen vertelt.

De polygraaf is nog altijd een omstreden instrument. Zijn betrouwbaarheid hangt erg af van omgevingsfactoren als het soort gestelde vragen en de situatie waarin de ondervraging plaatsvindt. Honderd procent zekerheid geeft hij nooit. Maar vergelijkingen tussen verschillende onderzoeken wijzen er wel op dat hij het vaker wel dan niet bij het rechte eind heeft.

De onderzoeksgroep uit Minneapolis heeft onderzocht of kleine temperatuurstijgingen rond de ogen ook een aanwijzing kunnen zijn dat iemand liegt. Daarbij gebruiken ze een gekoelde, hittegevoelige camera die met dertig beeldjes per seconde temperatuurverschillen tot 0,025 graad kan onderscheiden. Vorig jaar publiceerden de Amerikanen al een artikel in The Lancet, waarin ze meldden dat mensen die aan het schrikken werden gebracht, een dergelijke temperatuurstijging vertoonden. Die zou veroorzaakt worden door extra bloedtoevoer naar de oogspieren als gevolg van angstgevoelens en vluchtneigingen, zo vermoedden de onderzoekers.

De wetenschappers vroegen voor hun leugentest acht mensen om een paspop neer te steken en van twintig dollar te beroven. Daarna moesten ze tijdens een ondervraging hun 'roofoverval' ontkennen. Een controlegroep van twaalf personen kreeg dezelfde vragen, maar wist niks van de 'misdaad'. Beide groepen werden aan de polygraaf gelegd én bekeken met een speciale warmtecamera.

Beide manieren van leugens opsporen bleken vrijwel even goed te werken. Zowel de leugendetector als de warmtedetector ontmaskerde zes van de acht leugenaars. De warmtecamera had het bij elf van de twaalf onschuldigen bij het rechte eind, tegen acht van de twaalf voor de polygraaf.

Het grote voordeel van de warmtedetector, zeggen de onderzoekers, is dat deze mogelijke leugenaars snel en van een afstand kan opsporen. Het woord 'terrorisme' valt niet voor niets bijzonder snel in hun artikel. Terroristen zouden op een simpele manier gevonden kunnen worden, zo suggereren de Amerikanen, door warmtecamera's bij de paspoortcontrole te installeren en iedereen te vragen of hij of zij van plan is een aanslag te plegen.

De vraag is alleen of zo'n subtiele camera wel goed werkt op een veel te warm en overvol vliegveld vol met beweeglijke hoofden. 'Daar moeten we inderdaad nog grondig onderzoek naar doen', geeft onderzoeksleider dr. James Levine toe.


ANW-vraag: Vind je de methode betrouwbaar? Vind je dat de politie dit zou mogen gebruiken bij grenscontroles? En bij verkeersovertredingen?




Adelmund verbouwt studiehuis

Volkskrant 10 januari 2002

Staatssecretaris Adelmund van Onderwijs wil opruiming houden in het studiehuis. Van zeker vier vakken in de bovenbouw van havo/vwo wordt de examenstof verlicht. Twee vakken zijn straks niet langer verplicht voor alle leerlingen. De deeltalen, waarbij alleen wordt onderwezen in het spreken of het schrijven van een taal, worden weer volledige vakken. Verder krijgen scholen een grotere vrijheid bij het samenstellen van de vakkenpakketten.

Adelmund bespreekt deze voorstellen volgende week met de onderwijsorganisaties en daarna met het kabinet. Zij wil drie jaar na de invoering van het studiehuis verlichting bieden aan leraren en leerlingen. Die klagen al sinds 1999 over het overladen lesprogramma. Door de vele vakken (vijftien) die alle leerlingen nu volgen, is er te weinig tijd voor diepgang, stelde ook de Onderwijsinspectie onlangs vast.

Het is de tweede forse verandering in het voortgezet onderwijs die Adelmund in korte tijd aankondigt. Dit najaar besloot zij ook het programma in de onderbouw (de basisvorming) op de schop te nemen. De staatssecretaris hoopt de veranderingen in 2004 of 2005 door te voeren. In grote lijnen blijven in het studiehuis wel vier landelijk vastgestelde vakkenpakketten (cultuur, economie, techniek en gezondheid) over waaruit de leerlingen moeten kiezen. Maar scholen krijgen meer vrijheid bij de precieze samenstelling daarvan.

Adelmund hoopt dat het studiehuis voor leraren en leerlingen beter werkbaar wordt als scholen minder worden gehinderd door allerlei landelijke voorschriften waarmee ze niet uit de voeten kunnen. De staatssecretaris zoekt daarnaast met name verlichting in het schrappen van de verplichte examenstof per vak. Vooral de programma's van geschiedenis, economie, aardrijkskunde, scheikunde en misschien maatschappijleer worden grondig herzien.

De nog jonge combinatievakken algemene natuurwetenschappen (anw) en geschiedenismaatschappijleer verliezen hun algemeen verplichtend karakter. Anw wordt door de leerlingen met een bètapakket vaak als overbodig ervaren. Het overlapt in hoge mate met de andere praktische vakken in hun pakket.

Bij geschiedenismaatschappijleer geldt dat voor de alfa's. Daarom hoeven die groepen de bewuste vakken in het havo helemaal niet meer te doen, vindt Adelmund. In het vwo mogen scholen zelf kiezen of ze de vakken nog aan iedereen geven.

De staatssecretaris zet ook het mes in de vreemde talen. De zogeheten deeltalen mogen wat haar betreft verdwijnen. In plaats van twee deeltalen moeten vwo'ers verplicht een volledige tweede vreemde taal naast Engels gaan doen. Havisten krijgen zelf die keus. Het is nog onduidelijk hoeveel uren er voor die tweede vreemde taal worden uitgetrokken. De staatssecretaris wil scholen voorts meer zeggenschap geven over de manier waarop wordt geëxamineerd. Zij overweegt daarom de gedetailleerde landelijke voorschriften die nu gelden voor de schoolexamens sterk in te perken. Het centraal schriftelijk examen blijft zoals het is.

ANW-vraag: Is ANW overbodig voor leerlingen met een bètapakket? Is er een overlap of voegt ANW juist iets toe aan de bètavakken?


Publiek debat ‘Eten en genen’ afgesloten

Commissie Terlouw komt met eindconclusies





  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina