Appendix ────────────────────── Over de structuur van pp=s 1 Inleiding



Dovnload 315.97 Kb.
Pagina1/2
Datum26.08.2016
Grootte315.97 Kb.
  1   2

Appendix: Over de structuur van PP=s - (08-04-2001) -



Appendix

───────────────────────────────────────────



Over de structuur van PP=s

1 Inleiding

Het eerste deel van deze appendix ('2) is gewijd aan de bespreking van voor­stellen van anderen voor de analyse van PP=s.1 De conclusie is dat die voorstellen in het algemeen mank gaan aan het ontbreken van een principiële grondslag waardoor een meer dan casuele beoordeling (op observationele en beschrijvende adequaatheid) onmogelijk is. In het algemeen geldt dat de enige leiden­de principes in de voorgestelde analyses, principes zijn die ontleend worden aan theorievorming over andere taalconstructies. De voorgestelde analyse van PP=s dient daarbij enkel­lijkt hetde uitbreiding van het empirisch domein van de theorie waar die principes onderdeel van vormen, en fungeert voornamelijk als extra toetssteen van die principes dan wel als demonstra­tie van de houd­baarheid en vrucht­baar­heid van de moedertheorie waar die principes onderdeel van zijn.2

Dat de vork zo aan de steel steekt, kan worden afgeleid uit het feit dat de toepassing van die principes bij de analyse van PP=s nooit enige conceptuele weerslag, laat staan vooruitgang tot gevolg heeft gehad. Evenmin hebben die analyses ooit enig inzicht gebo­den in de vormelijke en interpreta­tieve eigenaar­dig­heden van PP=s. Dat alles wijst er op dat de gangbare benade­ring van PP=s fundamen­teel tekort­schiet.3 In het tweede deel ('3) van deze appendix be­proef ik een alternatie­ve benade­ring van PP=s die uitgaat van het idee dat een P een (laten we zeggen) thematische relatie uitdrukt, en beoogt recht te doen aan wat eigen is aan P=s. De bedoeling van deze appendix is dus niet alleen dat duidelijk wordt hoe de besproken analyses zich verhou­den tot wat in hoofd­stuk 7 wordt voorgesteld, ze moet ook laten zien dat wat hier wordt voorgesteld een meerwaarde heeft die andere analyses node missen.
2 Anderen over PP=s

Het is niet vanzelfsprekend dat voorzetsels woorden zijn, d.w.z. een lexicale categorie vormen zoals werkwoorden, naamwoorden en adjectieven. Van ouds­her bestaat de gedach­te dat een voorzetsel net zoiets is als naamval, op z=n best een affix. Jackendoff (1973), en in zijn voetspoor Van Riemsdijk (1978), hebben de opvatting dat voorzetsels wel degelijk een lexicale categorie (P) vormen, binnen het kader van de Xbar theorie verdedigd. Daarte­gen heeft met name Sturm (1986) zich gekeerd, daarmee teruggrijpend op oudere opvat­tingen, maar ook deels anticiperend op latere voorstellen volgens welke P geen lexicale maar een functionele categorie is, althans dat kan zijn.4 De opvatting dat P een functioneel hoofd kan zijn wordt voorge­steld in Van Riemsdijk (1990) en voor het Nederlands uitge­werkt in Zwarts (1995). Die uitwerking heeft als aangrij­pingspunt een door Abney (1987) geïntroduceerd kader dat lexicale en functio­nele categorieën op grond van specifieke criteria onderscheidt. Zo is volgens Abney de structuur in (1) typisch voor functionele hoofden: F heeft per se een complement (XP).


 [FP spec F XP]
Zwarts laat zien dat zulke aannames ons in staat stellen bepaalde distributio­nele eigenaar­digheden van richting-aanduidende voorzetsels zoals naar, over, af te verklaren. Zo voor­spelt de aanname dat naar in (2)a een F is, onder de door Zwarts gemaakte aannames de onmoge­lijk­heid van (2)b-e. Zin (2)b is onwelgevormd omdat een F niet zonder een com­ple­ment kan; zin (2)c is uitgesloten omdat een F per se voorafgaat aan het comple­ment; zin (2)d is onmo­ge­lijk omdat een F geen extractie van het com­ple­ment (in casu er) toestaat; en naarop in (2)e kan niet omdat een F (naar) niet deel kan hebben aan de vorming van een samengesteld woord.
 a. hij gaat naar het huis

b. *hij gaat [naar]

c. *hij gaat [het huis naar]

d. *hij gaat eri [naar ei]

e. *hij gaat [P naarop] het dak
Verder kan het contrast tussen (3)a en b volgens Zwarts worden toegeschre­ven aan het feit dat uit een PP vormt die eventueel complement van een (lege) F kan zijn. In (3)a is uit het hoofd van een simpele PP; in (3)b is de PP het huis uit het complement van F, zoals aangegeven in (3)c.5
 a. hij kom uit het huis

b. hij komt het huis uit

c. hij komt [FP [het huis]i F [PP uit ei]]
Maar het voorstel van Zwarts stuit ook op bezwaren. Eén is dat niet alle door hem gemaak­te aannames over functionele categorieën evident zijn, en bij gebrek aan argumentatie dus ongegrond. Een ander bezwaar komt aan het licht als we zijn voorstel m.b.t. naar vergelij­ken met andere voorstellen, met name die van Van Riemsdijk (1990) en Zwart (1993). Om te beginnen moet Zwarts aannemen dat er naast de F naar uit (2)a, ook een P naar bestaat die voorkomt in een zin als (4)a en dieCanders dan de F naarCook extractie van het complement (er) toelaat. Het contrast tussen (2)d en (4)b laat dat zien.
 a. hij kijkt naar het huis

b. hij kijkt er naar


Het probleem is nu dat het naar uit (4) zich voor het overige niet als een lexicale categorie (in de zin van Abney) gedraagt. Het vertoont dezelfde be­perkingen als de F naar uit (2): het complement is verplicht (vgl. *hij kijkt naar), het is per se prepositioneel (vgl. *hij kijkt het meisje naar) en het kan geen deel hebben aan samenstellingsvorming (vgl. *hij kijkt naaraan het meisje). Welis­waar zijn de distributionele beperkingen van de P in (4)a voor een deel ver­klaarbaar uit de speciale relatie die Zwarts aanneemt tussen kijken en naar, maar dat neemt niet weg dat het bestaan van zulke beperkingen niet langer kan dienen om aannemelijk te maken dat naar in (2)a een F is. En dit geldt temeer omdat het naar van (4)a qua betekenis nauw verwant lijkt aan het naar van (2)a: je zou kunnen zeggen dat het verschil tussen de zinnen hem niet in naar zit maar in het werkwoord.6 Bovendien is er onder de aannames van Zwarts eigenlijk geen reden om aan te nemen dat de relatie tussen kijken en naar in (4)a wezenlijk anders is dan die tussen gaan en naar in (2)a. Daar komt bij dat de beperkingen die in (2)b-d aan het licht treden, in feite empiri­sche generalisaties zijn, en niet op min of meer principiële wijze uit de aanwezigheid van het kenmerk +F (want daarin verschilt het naar van (2)a van dat van (4)a) kunnen worden afgeleid. Kortom, wat de analyse van Zwarts op­breekt is de afwezigheid van een principië­le theorie over het verschil tussen functionele en lexicale categoriën.

De afwezigheid van een principiële theorie blijkt ook als we de analyse van Zwarts vergelijken met wat door anderen is voorgesteld.7 Volgens Zwarts is het af van (5)a, dat ook zonder complement voorkomt, een post­positionele P (en geen F) zoals aangegeven in (5)b. Maar in Van Riemsdijk (1990) is af een functionele P, en heeft (5)a structuur (5)c.8


 a. het dak af

b. [PP het dak af]

c. [PP [PP ei het dak] afi]
Volgens Van Riemsdijk is structuur (5)c van hetzelfde laken een pak als struc­tuur (6)b die bij (6)a hoort, en wordt (6)b gemotiveerd door het bestaan van net zulke PP=s in het Duits.9 En dus moet, naar analogie, het dak in (6)b comple­ment zijn van van en niet van af.
 a. van het dak af

b. [PP [PP van het dak] af]


Maar omdat de PP van het dakCmeent Van RiemsdijkCniet als een comple­ment van af begrepen wordt, moet af een functionele P zijn.

De analyse in (6)b wordt in Zwart (1993) verworpen. Niet alleen, meent Zwart, heeft af in (6)a teveel be­te­­kenis om een functionele catego­rie te kunnen zijn, ook moeten functione­le hoofden per se aan hun complement voor­af­gaan. In dat opzicht komt Zwart overeen met Zwarts, maar wel op andere gronden (de volgorde hoofd-complement ontleent Zwart aan Kayne (1994) en niet aan Abney (1987)). Zwart stelt voor om met (6)a structuur (7)a te verbinden. Nu is af een P met een PP als comple­ment, en is de PP waar af het hoofd van is zelf comple­ment van een (lege) F. In de afgeleide structuur is het PP-complement van af ver­plaatst naar de spec positie van de FP.


 a. [FP [PP van de tafel]i F [PP af ei]]

b. vanaf het dak

c. [FP spec F [PP vani+af [PP ei de tafel]]
Als voordeel van de analyse in (7)a noemt Zwart het bestaan van een PP als (7)b, volgens hem een variant van (6)a in de zin dat niet de PP van het dak naar spec,FP verhuist zoals in (7)a, maar dat van adjungeert aan het selecterende af zoals aangegeven in (7)c.10

En hiermee zijn de mogelijkheden niet uitgeput. In Rooryck (1996) wordt (als een synthese van de voorgaande analyses) voorgesteld aan te nemen dat (6)a eruit ziet als (8)a, d.w.z. de structuur heeft die Van Riems­dijk voorstelt. En (7)b ziet er in aanleg net zo uit, maar krijgt door adjunctie van van aan af en door verplaatsing van het dak naar spec,FP de vorm van (8)b.


 a. [FP [PP van het dak] [F af]]

b. [FP [PP ei ej] [F vani+af]] [het dak]j]


Anders dan Zwart (1993) houdt Rooryck het voor mogelijk, niet alleen dat functionele hoofden zoals af hun complement volgen, maar ook dat de spec,FP positie in de FP hele­maal achteraan komt. Volgens Rooryck ontstaat de struc­tuur in (8)b omdat het dak in spec,FP Casus moet checken.11

Proberen we deze analyses te vergelijken dan stuiten we op het volgen­de pro­bleem.12 Elke analyse vormt een min of meer adequate beschrijving van een min of meer afgebakend domein van feiten. Maar geen van die analyses ligt aan banden, en daarmee brengen ze niets of niets wezenlijks aan het licht over het taal­systeem. Men kan gebruik maken van func­tio­nele projecties, verplaat­singen, aannames over de lineaire volgorde van onderdelen van de structuur, en daarmee kan men praktisch elke observatie boekstaven die men maar wil. En de enige beperking die men zichzelf oplegt, nl. dat de wijze van beschrij­ven waar men voor kiest compatibel moet zijn met een gekozen uitgangs­punt, helpt daar­bij ook niet. Die compatibi­liteit wordt weliswaar opgevat als een beves­tiging van het gekozen uitgangs­punt (over de volgorde van hoofd en comple­ment, over de manier waarop kenmerken gecheckt worden, e.d.), maar omdat de beschrijvingsmidde­len alles aankunnen zegt de gebleken compati­bi­liteit eigenlijk niets over dat uitgangspunt, laat staan dat het daarvan een bevesti­ging vormt (het volgt er niet uit en vormt er evenmin een nood­zakelijke voorwaarde voor). En daardoor worden we ook niets wijzer over de analyse: het is een mogelijke analyse, maar dat wisten we al.

En intussen zijn we ook niet veel wijzer geworden over PP=s. Volgens Zwart ver­schillen (9)a en b daarin van elkaar dat (9)a alleen waar is als hij omlaag springt, terwijl (9)b ook van toepassing is als hij bijvoorbeeld omhoog springt.
 a. hij springt van het dak af

b. hij springt vanaf het dak

c. hij springt vanaf maandag
Afgezien van de vraag of de observatie juist is, dan wel significant,13 is er niets in de analyse van Zwart waar dat contrast als zodanig uit kan worden afgeleid. Zwart meent dat door de adjunctie van van aan af in structuur (7)c, een >enigszins niet-compositionele= betekenis ontstaat. En dat zou inhouden dat de notie >neer­waarts= die in (7)a geacht wordt (compositioneel, neem ik aan) samen te hangen met het feit dat af een PP complement selecteert, in (7)c uitpakt als de notie >verwijdering= die ook karakteristiek zou zijn voor (9)c.14 In deze gedachtegang zit niets dwingends, en niets erin kan worden herleid tot alge­mene principes die de relatie tussen vorm en betekenis betreffen. Alle ver­banden die Zwart legt, zijn pure stipulaties. Sterker, de betekenisverschui­ving die zich in (9)b voordoet, is, gegeven de analyse van Zwart en gegeven wat we weten over vergelijkbare gevallen, ei­gen­­lijk onverwacht.15

Dat zit zo. We moeten aannemen dat het PP-comple­ment van af in (7)a lexicaal be­paald is: die PP moet per se van als hoofd hebben (vgl. *uit het raam af e.d.). In verge­lijkbare gevallen is het met name het hoofd van het complement dat door die selectie een speciale betekenis krijgt. Het is in bij­voorbeeld denken aan iets nu juist aan dat een >ver­bleekte= betekenis heeft. We zouden dus verwachten dat in (9)a en b van een beteke­nis­verandering te zien geeft, maar in (9)b is dat niet zo, althans niet merkbaar. Dat blijkt uit het contrast in (10). De door Zwart in de beschrijving gebruikte notie >neerwaarts= is verbonden met af in (10)b, terwijl de notie >verwijdering= meer op z=n plaats is in (10)a, d.w.z. bij van hoort.


 a. hij komt van het dak (>verwijdering=)

b. hij komt het dak af (>neerwaarts=)


Als nu in (9)b de notie >neerwaarts= afwezig is, maar die van >verwijdering= niet, is het kennelijk af dat aan betekenis heeft ingeboet en niet van. We moeten dus concluderen dat de analyse van Zwart niet alleen willekeurig en stipulatief is, maar bovendien (op dit punt althans) onregelmatig. Het op zich opmerkelijke feit dat Zwart meent te verklaren, blijkt bij nadere beschouwing in strijd met wat wordt voorgesteld, en daarbij bovendien onjuist.

Ook de andere analyses geven geen inzicht in de systematiek die achter PP=s ver­borgen gaat.16 Zoals gezegd is de systematiek die er in de analyses aan toegekend wordt, ontleend aan theorievorming over andere domeinen en kan (door de onbe­perk­te toepas­baarheid ervan) op PP=s worden toegepast, maar de toepas­sing heeft geen meerwaarde en biedt daar ook geen uitzicht op.17 In de volgende paragrafen zal ik een tweetal analyses beproeven die weliswaar ook PP=s onder het gareel van algemene principes brengen, maar daarmee beogen op twee punten winst te boeken. We krijgen inzicht in de eigenaardig­heden van de vorm en de interpretatie van PP=s, en (in wisselwerking daar­mee) krijgen we ook inzicht in de aard en de strekking van de algemene principes die dat gareel vormen.


3 Het eerste alternatief

Het eerste alternatief blijft zo dicht mogelijk bij wat kan worden aangezien voor de stan­daardtheorie, en neemt verder als uit­gangspunt de aan­names die we in hoofdstuk 3 ge­maakt hebben over Casus­markering en de rol die P=s spelen in de thematische interpretatie van zinnen. Het ligt in de rede te vermoeden dat die aannames het mogelijk maken inzicht te krijgen in de vorm en de betekenis van PP=s en in de relatie tussen die vorm en die bete­kenis. In Kerstens (1994) heb ik dan ook voorgesteld dat P=s, net zoals V=s, Casus toe­kennen, en dat argumenten in een PP dus een interpretatie kunnen krijgen die op dezelfde leest geschoeid is als in het geval van argumenten in een VP. Daar­mee bedoelde ik dat het dak in (11)a een argument is van op met een s Casus die geïnter­preteerd wordt als een E rol (vgl. Jackendoff 1983).


 a. op het dak

b. [PP op [NP het dak]s/E]


Dat leek me een voor de handliggend idee,18 dat bovendien gesteund werd door het feit dat ze ook zonder meer kan worden toegepast op een postposi­tionele PP als die in (12)a: op kent daar aan het argument het dak, dat de positie van spec,PP inneemt, de c Casus toe die als A geïnterpreteerd wordt.
 a. het dak op

b. [PP [NP het dak]c/A op]


Het onmiddellijke voordeel van zo=n analyse is dat ze maximaal generali­seert over P=s en V=s, en daarbij een opvallende betekenisovereenkomst voor­spelt tus­sen V=s met een indi­rect object zoals geeft in (13)a en postposi­tio­nele P=s zoals op in (12)a: in beide gevallen zal het argument met een A rol verbonden worden, d.w.z. geïnterpreteerd worden als doel (of bron)­.19

 a. hij geeft mij het boek

b. ...[VP [mij]c/A [V= geeft het boek]]...
Die voorspelling lijkt midden in de roos: net zoals mij in (13)a een entiteit noemt die in het geef-gebeuren de rol speelt van het doel of de bestemming van het gegevene, zo indu­ceertlijkt het (12)a een beweeg-gebeuren waar­bij het dak het doel of de bestemming noemt van wat beweegt.20

Maar het idee dat op in een zin als (14)a het kenmerk s/E toekent aan zijn comple­ment het dak isonder de hier gemaakte aannamesalleen re­de­lijk als we aannemen dat op een gebeuren denoteert waarin het dak een E betrok­kene is, zoiets als weergegeven in (14)b.21


 a. hij zit op het dak

b. e1,e2[zit(e1,hij) & op(e2) & E(e2,hetdak)]


Maar zoals het er staat is (14)b geen adequate weergave van de betekenis van zin (14)a. Volgens (14)b zou (14)a zoiets betekenen als >hij zit en er is een op-gebeuren waarin het dak een E betrokkene is, d.w.z. een C relatum (niet veranderende invoer) of een I relatum (resultaat). In (14)a, evenwel, is sprake van één gebeuren, niet van twee. Dat tekort van (14)b zouden we kunnen proberen goed te maken door een amendement als in (15)a, of door de wijziging in (15)b. Volgens (15)a zijn de door op en zit gedeno­teerde gebeurens een en dezelfde. En volgens (15)b is dat ook zo, maar nu niet door identificatie van twee gebeurens, maar door de vorming uit zit en op van een complex pre­di­kaat dat op één gebeuren van toepassing is.
 a. e1,e2[zit(e1,hij) & op(e2) & E(e2,hetdak) & =(e1,e2)]

b. e[zit_op(e,hij) & E(e,hetdak)]

c. e[zit(e,hij) & op(e,hetdak)]
Helpt dat? Nee, want (15)a en b zitten er nog steeds naast. Noch in (15)a noch in (15)b denoteert op namelijk een eigen gebeuren waarin het dak als E relatum betrokken is.22

Typisch voor PP=s die complement zijn van een werkwoord, lijkt dus dat ze geen eigen gebeuren induceren (dan wel denoteren), maar een relatie uitdrukken tussen het werkwoordelijke gebeuren en het denotatum van hun complement, zoals aangegeven in (15)c. Anders gezegd, ze kennen geen theta-rol toe, maar drukken die uit.23 En als dat juist is, moeten we dus ook aannemen dat het Casuskenmerk s dat door op in (14)a aan het dak wordt toegekend niet geïnterpreteerd wordt als een thematische rol. Het is die aanname die ons in staat stelt de ambiguïteit van een zin als (16)a te verklaren. Óf op drukt een theta-rol uit, zoals aangegeven in (16)b (en die machine is waar hij z=n berekeningen op maakt), óf op drukt geen theta-rol uit, zoals aange­geven in (16)c (en die machine is waar hij zeker van is).24


 a. hij rekent op die machine

b. e[rekent(e,hij) & op(e,diemachine)]

c. e[rekent_op(e,hij) & C(e,diemachine)
De aanname dat op geen thematische rol (C) uitdrukt, is ook nodig ter verklaring van het feit dat de (quasi-instrumentele) PP op een motor in (17)a een relatum kan toevoegen aan een gebeuren dat ergatief is (d.w.z. incompatibel is met relata als +A, C of I).25
 a. hij komt op een motor

b. e[komt(e) & θ(e,hij) & ope(e,eenmotor)]


Maar als we aannemen dat een prepositie als op in (17)a een relatie en geen onergatieve theta-rol uitdrukt, is er alle reden te veronderstellen dat een postposi­tie zoals op in (18)a ook enkel een relatie uitdrukt en geen onergatieve theta-rol zoals SA in (18)b.
 a. hij komt het dak op

b. e[komt_op(e,hij) & SA(e,hetdak)]


En dus moeten we de maximale generalisatie van Casustoekenning en thema­tische inter­pretatie opgeven, evenals de verklaring voor de interpreta­tieve overeenkomst tussen (12)a en (13)a.26 Dat wil zeggen dat we moeten uitkijken naar een alterna­tief, dat in overeen­stemming is met onze eerdere aannames en het toch mogelijk maakt een verklaring te geven voor de opgemerkte interpreta­tieve gelijkenis.
4 Het tweede alternatief

De analyse van PP=s die ik hieronder schets is een uitwerking van wat ik in hoofdstuk 7 geschetst heb. Uitgangspunt is dat P=s geïnterpreteerd worden als relatie in een al dan niet door hen zelf geïn­duceerd gebeuren, d.w.z. als >P(e,x)=, en dat hun syntactische structuur zo=n interpre­tatie moet uitlokken, c.q. toestaan.27 Het bestaan van adjuncten als (19)a, met de interpre­tatie van (19)b, wijst er op dat P=s in aanleg semantisch autonome elementen zijn, d.w.z. op eigen kracht en gezag de semantische structuur van (19)c kunnen induceren. Die kracht zit hemneem ik aanin de specifieke selectie door bij van een ego als eerste term. Anders gezegd, de voorzetsels sorteren hun variabelen.28


 a. bij bloemen, leef ik op

b. [PP bij bloemen]

c. ex[-go(e) & (e,x) & bij(e-go,bloemen)]
Merk op dat de variabele x in (19)c, c.q. het gedeelte ‘-go(e) &(e,x)= gemotiveerd is door het feit dat het adjunct bij bloemen in (19)a verplicht ‘gecontroleerd= wordt door ik: ‘als ik bij bloemen ben=. In (19)c is x dan de door het subject ik te binden variabele.29

We zien dat in eenvoudige gevallen als (19)a, een PP struc­tuur precies is wat we zouden verwachten. De P neemt een complement dat geïnterpre­teerd wordt als tweede term in de door P uitgedrukte thematische relatie.

Het tweede uitgangspunt voor de hier te verdedigen analyse van PP=s vormt het gedrag van P=s t.a.v. bepaalde pronomina: het kan blijkens (20)b geen complement van een P zijn, en voor wat we met (20)b willen uitdrukken moeten we (20)c gebruiken.
 a. hij zit bij het vuur

b. *hij zit bij het

c. hij zit [er bij]
In Kerstens (1993;2000) heb ik verondersteld dat het contrast in (20) veroor­zaakt wordt door het feit dat het een variabel kenmerk var bevat. Onder de aanname dat het voor het fixeren van die variabele een spec,AgrP positie nodig heeft met een Agr met een passend negatief kenmerk, is (21)a een wel­ge­vorm­de configuratie.30 Op één aspect na: P=s in deze situatie kunnen enkel Agr=s induceren (c.q. checken) met het kenmerk +c.31 Omdat het, dat var is, van Agr een negatief (interpre­teer­baar) kenmerk nodig heeft, is (21)a onmogelijk.
 a. *[AgrP heti Agr [PP bij ei]]

b. [AgrP eri Agr [PP bij ei]]


Nemen we nu vervolgens aan dat er met het een minimaal paar vormt in die zin dat er inherent als +var gespecificeerd is,32 dan volgt waarom (21)b (c.q. (20)c) welgevormd is en equivalent met (20)a (op vuur na).

Wat hier van belang is, is dat er, of meer algemeen +R pronomina, P=s er toe kun­nen brengen een AgrP te induceren­.33 Of preciezer, dat ze P=s kunnen dwingen hun Casus (het kenmerk +c) te ‘absorberen=, d.w.z. dat ze met dat kenmerk niet simpelweg een com­plement selecteren, maar dat kenmerk checken aan een hogere Agr met datzelfde kenmerk.34 Zo bezien induceren die P=s dus een predikatieve dan wel ergatieve AgrP structuur, althans een quasi-predikatieve dan wel quasi-ergatieve structuur, want Agr wordt niet als een variabele of relatie geïnterpreteerd (althans, niet dat ik weet).35


4.1 Postposities en paden

Sommige P=s kunnen op eigen kracht een Casus-AgrP induceren, of moeten dat zelfs. P=s die dat moeten zijn postposities zoals af, heen e.d. (vgl. *af het dak). Het ligt in de rede te veronderstellen dat ze +c inherent als (aan een Agr te checken) agr-kenmerk hebben.36 Daarnaast zijn er P=s die niet alleen prepositioneel maar ook postposi­tio­neel kunnen voor­komen; in het laatste geval hebben ze op eigen gezag een agr-kenmerk­. Ik neem aan dat het bezit van zo=n inherent agr-kenmerk gepaard gaat met een speci­fieke inter­pre­tatie. Niet alleen selecteert de P nu verplicht een e+go als eerste term,37 bovendien wordt de geïndu­ceerde Agr geïnterpreteerd als een predikaatvariabele. Het idee is dat Agr weliswaar Ca­susgemarkeerd is, maar dat het Casuskenmerk niet (potentieel) interpreteerbaar is (zoals in het geval van AgrS met de kenmerken [s,c]), maar in feite syntactisch geïnterpreteerd wordt als >complement=, en daardoor niet veroorzaakt dat Agr als een relatie (θ) geïnter­preteerd wordt.

Onder de gemaakte aannames kun­nen we ons die speciale interpretatie van een postpositie voorstellen als in (22)a. De Agr wordt als een variabele geïnterpre­teerd die gebonden wordt door de uitdrukking die ook het complementspoor van de P bindt.38 Daarbij neem ik aan dat die variabele door het predikatieve af gesorteerd is als een pad-variabe­le. Tegelijk wordt het door het dak gebonden spoor geïnterpreteerd als de tweede term van af. Met andere woorden, af wordt niet alleen predikatief geïnterpreteerd (aangegeven als >PP(xpad)=) maar ook als een (prepositionele) relatie (aangegeven als >af(e,x)=.39
 a. [AgrP het daki Agr [PP af ei]]  ex:hetdak[PP(xpad) & af(e,x)]

b. [AgrP eri Agr [PP af ei]] -/-> af(e,erhet) (waar erhet  het)


Gegeven dat af per se postpositioneel is, is (22)b uitgesloten. Merk op dat (22)a niet alleen voorstelbaar is; de mogelijkheid ervan is onder de ge­maakte aannames praktisch een voorspelling.

De specifieke interpretatie van een postpositionele PP laat zich verdui­delij­ken aan het contrast tussen (23)a en b.


 a. hij springt op de bank

b. hij springt de bank op


Zin (23)a is ambigu: op de bank geeft óf de plaats van het springen aan (waar springt hij?) óf het eind van het door het springen geïmpliceerde traject.40 Zin (23)b is niet ambigu: de bank op heeft per se betrekking op een door het springen afge­legd pad. Maar met deze karakterisering doen we geen recht aan de interpre­tatieve details van deze constructies. Zo laat ze onverklaard dat zowel (23)a als (23)b van toepassing kunnen zijn op onze hond, maar dat (23)b dat niet kan zijn als de bank ondersteboven op de grond ligt.41 Ook kan (23)a van toepas­sing zijn op iemand die uit een vliegtuig springt en de bank als landings­plaats kiest; maar in dat geval is (23)b weer niet van toepassing. Ook dat verschil volgt niet uit wat we tot zover veron­dersteld hebben.42

Maar de beperkt­ere toe­pas­sing van (23)bvergeleken met (23)alaat zich eenvou­dig verklaren als we de verschillen tussen de representaties in (24) in aanmerking nemen. In (24)a is de PP een plaatsbepaling, in (24)b een prepositionele rich­tings­bepaling en in (24)c een postpositionele richtings­bepaling.43


 a. [PP op de bank]  e[op(ego,debank)]

b. [PP op de bank]  e[op(e+go,debank)]

c. [AgrP de banki Agr [PP op ei]]  ex:debank[PP(xpad) & op(e+go,x)]
Alleen in (24)c wordt het ‘bank’-pad (xpad) gedefinieerd als >op= (door >PP(xpad)=), als een ‘opwaarts’-pad dus. Het is die beperking die ons bij het contrast tussen (23)a en b parten speelt. Alleen in (23)b is sprake van een door de bank gekarakteriseerd ‘op=-pad. Noch de hond die op de omgekeerde bank springt, noch de parachutesprin­ger, die vanuit de lucht op de bank neer­daalt, volgt het aan de bank intrinsieke pad.44

Volgens (24) is er alleen in (23)b met het postpositionele op sprake van een inherent pad. Maar in (23)a wordt ook een pad geïmpliceerd. Is dat geen reden om voor (23)a in plaats van structuur (24)b, een structuur als (24)d aan te nemen waarin een impliciete postpositie ø is opgenomen die de aangege­ven inter­pretatie oplevert?45


(24) d. [PP op [AgrP de banki Agr [P ø ei]]]  ex:debank[ø(x) & ø(e+go,x) & op(e,x)]

4.2 Impliciete postposities

Eén reden om (24)d met de impliciete postpositie  af te wijzen is dat ze ten onrech­te voorspelt dat ook in (23)a sprake is van een inherent pad, dat mogelijkerwijsCals ø semantisch leeg isCongespecificeerd is.46 Nemen we daarbij in aanmer­king, niet alleen dat ø in (24)d geen expliciete variant kent,47 maar ook dat de veronder­stelde seman­tische inhoud voor de intuïtie (de mijne althans) onvatbaar is, dan lijkt me dat voldoende reden (24)d vooralsnog niet als repre­sentatie van op de bank in (23)a aan te nemen.

Maar mogelijk is de structuur van (24)d wel in een ander geval te beargumenteren. Ik doel hier op PP=s waar de P naar het hoofd van is en dieCals naar een e+go als eerste term heeftCblijkens (25)a kunnen voorkomen met de expliciete post­positie toe. In (25)b, waar naar bij het kijk-gebeuren hoort dat niet een e+go is, is toe uitgesloten.48
 a. hij komt naar de bank (toe)

b. hij kijkt naar de bank (*toe)


Dat toe in (25) een postpositie is blijkt o.a. daaruit dat het een >intrinsiek pad= definieert. In een geval als (25)a komt dat niet zo uit de verf maar in een paar als (26)a en b is het inter­pretatieve effect van toe onmis­kenbaar.
 a. hij gaat naar de aarde (?toe)

b. hij gaat naar links (*toe)


Bij een >toe=-pad stellen we ons kennelijk een pad voor met een ‘natuurlijk’ eindpunt, een punt dat a.h.w. een onderdeel van dat pad vormt, en daarmee dus in verhouding staat. Personen en instanties vormen voor bewe­gende mensen kennelijk zulke natuurlijke eindpun­ten van de afgelegde weg.49 Zin (26)a is dan ook alleen acceptabel als de aarde opge­vat wordt als iets aan het eind van een (voor de aarde en de beweger natuurlijk) pad. Dat ligt anders in (26)b: links is (normaal gesproken) geen punt (of object) en vormt dus per definitie geen natuurlijk eindpunt.50 En dus is toe uitgesloten.

Voor zin (25)a met toe ligt structuur (27)aanaloog aan (24)ddus voor de hand.


 a. ...[PP naar [AgrP de banki Agr [PP toe ei]]] 

...ex:debank[PPtoe(xpad) & toe(e+go,x) & naar(e,x)]

b. ...[PP naar [AgrP de banki Agr [PP ø ei]]] 

...ex:debank[PPtoe(xpad) & ø(e+go,x) & naar(e,x)]


Betekent dat nu dat als toe ontbreekt, naar desalniettemin vergezeld gaat van een postposi­tie, zij het een impliciete zoals in (27)b? Die conclusie is ver­leidelijk, in aanmerking nemend dat naar ook zonder expliciete postpositie een af te leggen pad denoteert. We kunnen die pad-denotatie dan op het conto van de impliciete postpositie schrijven.51 Alleen moeten we het feit dat in (27)b niets te merken is van uit de bank afleidbare beperkingen op het pad er­heen, dan wel toe­schrijven aan het semantisch leeg zijn van de impliciete postpositie (ø).52 En ook moeten we dan voor zin (25)b, waar een overte postposi­tie uitgeslo­ten is en er geen sprake lijkt van een af te leggen pad,53 een struc­tuur als (27)c aan­nemen, of zelfs (27)d (waar naar met kijkt een complex gebeu­ren denoteert).
(27) c. ...[PP naar [AgrP de bank]]  ...naar(e,debank)

d. ...[PP naar [AgrP de bank]]  ...kijkt_naar(e,hij) & C(e,deb­ank)


De conclusie dat naar inherent postpositioneel is als er sprake is van een +go gebeuren, is verleidelijk, maar enkel onze intuïties over de interpreta­tie van (25)a en b, is wel erg weinig en weinig solide empirische evidentie. Geluk­kig is er het contrast in (28) dat een degelijker grondslag lijkt te vormen.
 a. hij gaat daar naar *(toe)

b. hij kijkt daar naar (*toe)


Op het eerste gezicht gaat het in (28) om het­zelfde contrast als in (25), maar er is een cruciaal verschil: anders dan in (25)a, is toe in (28)a verplicht. En het is dit verschil dat een reden vormt om aan te nemen dat naar in (25)a een impliciete postpositie projecteert.54 Om dat te kunnen inzien, moe­ten we eerst vaststellen dat +R pronomina niet mogelijk zijn bij postpo­sitio­nele PP=s waarvan het hoofd niet inherent postpositioneel is. +R pronomina kunnen dus wel bij af, maar niet bij (postpositioneel) op. De zinnen in (29) demon­streren dat. In (29)b kan het dak op niet door erop vervangen worden (de betekenis verandert in die van zin (29)c). Dat komt, neem ik aan, omdat op (blijkens (29)c) niet inherent postpositi­oneel is.
 a. hij gaat het dak af  hij gaat eraf

b. hij gaat het dak op /> hij gaat erop

c. hij gaat op het dak  hij gaat erop
Ook het contrast in (30) laat zien dat op met een +R pronomen niet post­posi­tioneel kan zijn. Alleen als op postpositioneel is met een niet-pronominaal complement (zoals in (30)b), kan het fietsen erga­tief maken.
 a. hij heeft/*is op de snelweg gefietst

b. hij is/*heeft de snelweg op gefietst

c. hij heeft/*is erop gefietst
Het is mij niet duidelijk wat precies achter deze genera­lisatie zit, maar het contrast in (28) is ermee in overeenstem­ming, en dat is hier vol­doende. Althans, het contrast in (28) klopt met de generalisa­tie als we aanne­men dat naar niet in­herent postpo­sitio­neel is. Nu lijken we dat idee net te hebben verwor­pen, dus we moeten preciezer zijn. Wat we hebben vast­gesteld is dat naar in (25)a een postpositie bij zich heeft (toe of ø). Maar we hebben ook vast­ge­steld dat naar in (25)b niet van een postpositie vergezeld gaat (zie (27)c en d). En dus is naar niet intrinsiek postpositioneel (anders kon het niet in (25)b voor­komen). En dus klopt het contrast in (28) met de generalisatie dat +R prono­mina naast preposities enkel intrinsieke postposities verdragen. In (28)a is naar een postposi­tie (wegens e+go), maar naar is geen intrinsieke postpositie.

We kunnen deze verklaring ook anders, enmeen ikinteressanter formuleren. We veronderstellen dan dat naar, net zoals op en in, gespecifi­ceerd is als α, waar α een varia­bele is die gefixeerd kan worden als >from= of >go=. In (25)a eist e+go dat α als from (en per implicatie +go) gefixeerd wordt. In (25)b, daarentegen, eist de ego (van kijken) dat α de waarde go krijgt.55 Verder nemen we aan dat naar enkel postpositio­neel is als het from (en dus +go) is, maar ook dat naar, als het een expliciete postposi­tie selecteert (zoals toe), niet als α gespecificeerd is, maar als from (en dus +go). Alleen het geïsoleerde, op eigen kracht opererende naar is dus α. Onder deze aannames kunnen we ver­onder­stel­len dat in aanwezig­heid van een +R prono­men, P=s die het kenmerk α bevat­ten, voor dat kenmerk de defaul­t-waarde aanne­men.56 Dan volgt het contrast in (28) onmid­dellijk. Als naar vergezeld gaat van toe, is het from; ontbreekt toe, dan is het α en wordt het per default go.57 Maar naar (zonder toe) kan in (28)a niet go zijn omdat gaan een e+go denoteert. En dus is (28)a met naar zonder toe onwel­gevormd.

Als deze laatste gedachtegang op het goede spoor zit, vormt ze interessante en solide evidentie voor de voorgestelde analyse van PP=s. Bovendien kunnen we con­cluderen dat het hier ontwikkelde kader ons in staat stelt om een min of meer principiële analyse van PP=s te ontwikkelen waarbij de systema­tische relatie tussen vorm en betekenis niet door botte stipulaties verant­woord hoeft te worden, maar op een natuurlijke wijze voort­vloeit uit onafhankelijk gemo­ti­veerde eigenschappen en principes. Het oordeel >inzicht= lijkt me nog voorbarig, maar het uitzicht daarop is onmiskenbaar.58, 59
5 Conclusie

In deze appendix heb ik geprobeerd vast te stellen hoe mijn eigen voorstellen over de aard en het gedrag van voorzetsels zich verhouden tot die van anderen. Daarbij heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt mijn eigen voorstel verder uit te werken en nader te precise­ren. Bij de bespreking van de analyses van anderen heb ik vastgesteld dat die analyses een wat wezenloos karakter hebben. Daarmee bedoel ik dat ze in feite erop neerkomen dat concepten en principes op preposities worden toegepast die naar aanleiding van andere verschijnselen zijn voorgesteld. Omdat bij die toepassing weinig of geen nieuws aan het licht komt en al zeker geen inzichtgevend licht geworpen wordt op de specifieke aard en eigenschappen van die P=s zelf, vormen die analyses op z=n best een zwakke bevestiging van de origine­le ideeën. Vooral het feit dat die toepassingen geen theoretische consequen­ties hebben, en ook geen weerslag hebben op de originele ideeën of het empirisch domein waaraan ze ontleend zijn, geeft te denken over de waarde van die exercities.

In mijn benadering van preposities ontkom ik er natuurlijk ook niet aan te leunen op de theoretische inzichten die via andere verschijnselen ontwik­keld zijn. Maar mijn analyse is meer dan enkel een toepassing van bestaande ideeën op een nieuw domein van verschijnselen. Zoals Jackendoff (1973) voorzetsels op de theoretische kaart gezet heeft door aannemelijk te maken dat het om een volwaardige lexicale categorie gaat (een waarde van X uit de Xbar theorie), zo heb ik willen laten zien dat voorzetsels ook interpretatief een natuurlijke categorie vormen.


1  Ik ga hier voorbij aan ondoordachte ideeën zoals het idee dat de PP van zichzelf in (i)a een adjunct is met (laten we zeggen) de structuur van (i)b, waarin PRO een subject is dat zichzelf bindt (vgl. Petter 1998). Een dergelijke structuur mag intuïtief plausibel zijn voor een zin als hij is van zichzelf met de structuur in (i)c, voor (i)a is die structuur op z=n zachtst gezegd ongemotiveerd.
(i) a. Jani gaf Pietj een boek van zichzelfi

b. [NP [NP een boek] [PP PROi [P= van zichzelfi]]]

c. hiji is [PP ti [P= van zichzelfi]]]


2  Een illustratie vormt Haegeman (1994:48), een inleiding in de standaardtheorie. Daarin wordt n.a.v. (i)a gesteld dat in net zoals een werk­woord een argumentstruc­tuur heeft, in casu een relatie uitdrukt tussen John en London. En t.a.v. (i)b wordt gesteld dat in de theta-rol Locatie toekent aan the cellar. Weer later wordt van de syn­tacti­sche structuur van de PP gesteld dat hij gelijk is aan die van de VP. Dit alles zonder argumen­tatie.
(i) a. John is in London

b. Maigret killed the burglar in the cellar


Deze quasi-analyse parasiteert dus volledig op de quasi-predika­atlogische analyse die standaard is voor werkwoorden, en heeft geen enkel eigen gewicht.

3  Het is verleidelijk hier de woorden van Jackendoff (1973) aan te halen: APeople seem never to have taken prepositions seriously@, instemmend aangehaald in Van Riemsdijk (1978). Die woorden begeleidden indertijd het voorstel preposities op te vatten als een waarde van X in de Xbar theorie en als een volwaardig hoofd met een volwaardige rol in andere principes dan wel modules van de grammatica. Dat preposities daarmee de stiefkin­deren van de theorievorming werden, kan achteraf pas worden vastgesteld. Hun verhef­fing tot volwaardige woorden heeft uiteindelijk geen ander effect gehad dan dat ze als probleem van de onderzoeksagenda zijn afgevoerd.

4  Volgens Sturm kan een voorzetsel geen waarde van X uit de Xbar theorie zijn. Als een voorzetsel een functionele categorie is, is het juist wel een waarde van X. In die zin lopen de ideeën van Sturm dus niet vooruit op de latere voorstellen.

5  Later zal ik een vormelijk identieke analyse voor postpositionele PP=s voorstellen, maar op geheel andere gronden en met een geheel andere inhoud (zodat de overeenkomst eerder misleidend is dan inzichtge­vend, en op z=n best nietszeggend).

6  Onder mijn aannames zit het verschil hem er in dat naar bij kijken geen +go P is, en in die zin meer weg heeft van een functioneel hoofd dan van een lexicaal hoofd (het omgekeerde van wat Zwarts veronderstelt).

7  Zo=n vergelijking is ten dele giswerk. Omdat noch over de structuur noch over de interpretatie van PP=s consensus bestaat, bestaat er geen standaardanalyse van PP=s op basis van intuïties over de vorm en de betekenis ervan. Daardoor is het empirisch domein van iedere theorie over PP=s in feite beperkt tot precies die gevallen die behandeld worden. Van een geval dat niet behandeld is valt niet te voorspellen hoe hij door de voorgestelde analyse moet worden bejegend. Neem het geval van (i)a: alleen als een voorgestelde theorie expliciet iets zegt over (i)a, weten we hoe die theorie die constructie bejegent. Maar als bijvoorbeeld niet (i)a maar (i)b in het domein zit (d.w.z. als >token= behandeld wordt), kunnen we eigenlijk nergens uit afleiden hoe (i)a door de theorie bejegend zal worden, omdat de intuïtie dat (i)b van hetzelfde laken een pak is als (i)a, door gebrek aan consensus, niet voldoen­de is.
(i) a. van het dak af

b. onder de deur door


Ook het idee dat (i)a structuur (ii)a moet hebben omdat het dak Casusgemarkeerd wordt door van wijst niet eenduidig naar structuur (ii)a. Ook (ii)b met het dak af een SC-complement van van, staat toe dat het dak door van Casusgemarkeerd wordt.
(ii) a. [PP [PP van het dak] af]

b. [PP van [SC het dak af]]

c. [FP vani [FP het dakj ei [PP ei [PP ej af]]]]
En als we FP=s toelaten (zonder verdere motivatie dan dat een (ad hoc) kenmerk gecheckt moet worden), is de aanname dat het dak door van Casusgemarkeerd wordt ook compati­bel met de struc­tuur in (ii)c (waar het dak in spec,FP Casus checkt met van op doorreis in F). Kortom: de klasse van mogelijke analyses is in elk afzonderlijk geval te groot om over onbehandelde gevallen te kunnen generaliseren.


8  Anders dan bij Zwarts mag bij Van Riemsdijk een functioneel hoofd dus wel op z’n complement volgen.

9  In die Duitse PP=s wordt de naamval van het dak waarneem­baar bepaald door van en niet door af: we hebben wel (i)a maar niet (i)b, en unter eist der terwijl durch de vorm die eist.
(i) a. unter der Brücke durch

b. *unter die Brücke durch



10  Zwart maakt evenwel niet duidelijk waarom de analyse in (7)c de voorkeur zou verdienen boven een analyse waarin vanaf een complexe P is; sterker, Zwart moet accepteren dat (7)b (onverklaarbaar) anders geïnterpreteerd wordt dan (6)a.

11  Overigens blijven van de adjunctie van van aan af in (8)b de feitelijkheid ongemotiveerd en de oorzaak onbekend.

12  Hetzelfde probleem duikt ook op in de appendix Over de standaardvisie op theta-rollen bij hoofdstuk 4, bij de beoordeling van de gangbare analyses van themati­sche relaties.

13  Ik zal beweren dat (9)a een door het dak bepaald pad impliceert, en dat dat onder normale omstandighe­den neerkomt op een pad omlaag (een dak is normaal gesproken het hoogste punt). Maar er zijn ook situaties waarin de zaken anders liggen. In hij trok het kleed van de tafel af, bijvoorbeeld, is geen sprake van een implicatie van neerwaartse beweging.

14  Vermoedelijk volgt de onmogelijkheid van *van maandag af uit het feit dat de notie >neerwaarts= hier niet op zijn plaats is. Maar een probleem is wel dat we naast vanaf nu ook van nu af aan aantreffen. Doet aan iets om de notie >neerwaarts= buiten spel te zetten? Maar waarom dan niet in *van maandag af aan?

15  Ook volstrekt onduidelijk is de relatie tussen (9)a,b en (i)a,b. Waarom is (i)a niet van hetzelfde laken een pak als (9)a, en waarom is (i)b i.t.t. (9)b onmogelijk? Niets in de analyse van Zwart biedt een aankno­pingspunt voor een antwoord op die vragen.
(i) a. hij springt op het eten af

b. *hij springt opaf het eten



16  Volgens Jackendoff (1983) verwijzen P=s naar plaatsen en paden. Verschillen­de plaatsen zoals in de keuken en op de keuken kunnen via hetzelfde referentieobject geïden­tificeerd worden (in casu de keuken). Plaatsen zijn simpeler dan paden, maar zelfs die kunnen niet goed in termen van een 1e-orde predikatenlogi­ca gekarak­teriseerd worden, al suggereert Jackendoff dat >op(boek,tafel)= in (i)b een adequate weergave is van de betekenis van op de tafel: een relatie tussen het boek en de tafel.
(i) a. het boek ligt op de tafel

b. ligt(boek) & op(boek,tafel)


Maar in andere gevallen, zoals (ii), gaat het mis. Hoewel (ii)a en b verschillende betekenissen hebben, zouden die in beide gevallen neerkomen op (ii)c (de veronder­stelde analoog van (i)b). Dat kan niet.
(ii) a. Jan legt het boek op de tafel

b. Jan legt het boek neer en het is op de tafel

c. legt(Jan,boek) & op(boek,tafel)
Aanpassingen als die in (iii)CContleend aan Thomason & Stalnaker (1973) en Johnson-Laird (1976)C, staan Jackendoff ook niet aan. Volgens (iii)a vormt op samen met het werkwoord een complex predikaat met een extra argumentplaats; volgens (iii)b is legt een 3-plaats predikaat dat de PP als argument neemt.
(iii) a. legt_op(Jan,boek,tafel)

b. legt(Jan,boek,op(boek,tafel))


Wat volgens Jackendoff bijvoorbeeld in (iii)a niet uit de verf komt is dat PP=s, zoals uit (iv) blijkt, referen­tieel kunnen zijn: de NP die plaats denoteert dezelfde plaats als op de tafel.
(iv) Jan legt het op de tafel. En die plaats bevalt me beter.
Wat dat betreft komt een representatie als (iii)b meer in de buurt, meent Jackendoff, maar nu moet het verband met de syntactische structuur nog beter tot uitdrukking komen. Zijn voorstel is de conceptuele structuur in (v)b (in feite een verrijkte versie van de 1e-orde predikatenlogica) af te leiden uit de syntactische structuur van (v)a.
(v) a. [S [NP Jan] [VP [V legt] [NP het boek] [PP op de tafel]]]

b. [gebeuren legt([ding Jan], [ding boek], [plaats op([ding tafel])])]


Volgens (v)b is niet alleen de PP een argument van legt, maar wordt ook de P op niet langerCzoals in (iii)bCals een 2-plaats predikaat geïn­terpreteerd, maar als een 1-plaats functie die een referentie-object (een [ding]) afbeeldt op een [plaats].

Een ander voorbeeld van wat Jackendoff voorstelt is representatie (vi)b van zin (vi)a. Het idee is dat P=s zoals onder, op, in e.d. ambigu zijn tussen een plaats en een pad interpretatie, en in een geval als dit behalve onder ook naar onder kunnen betekenen (vgl. Jackendoff 1983:163).


(vi) a. Jan kroop onder de tafel

b. ...[pad NAAR ([plaats ONDER ([ding tafel])])]

c. hij zat onder de tafel

d. hij kwam onder de tafel


De vraag hoe en onder welke omstandigheden de pad-interpretatie van (iv)a mogelijk is (in (vi)c is hij uitgesloten) wordt door Jackendoff niet gesteld, evenmin als de vraag waarom P=s als onder naast onder ook naar onder kunnen betekenen maar bij­voor­beeld beslist niet van onder (wat in een zin als (vi)d en in de situatie waar hij van onder de tafel kwam, toch goed denkbaar zou zijn). Ik kom hier op terug.

17  In Helmantel (1998) wordt in navolging van Zwarts (1996) voorgesteld de betekenis van P=s te analyse­ren in termen van vectoren. Aldus is het mogelijk P=s te onderscheiden in termen van het al dan niet beperkt zijn van de geïmpliceerde vector. Is die vector onbeperkt dan is modificatie (door bijv. vlak) mogelijk, zoals in (i)a; anders niet.
(i) a. hij zit vlak voor/achter me

b. *hij zit vlak op/in me


Postposities betekenen volgens Helmantel verandering van plaats, d.w.z. dat het pad dat door de van plaats veranderende entiteit wordt afgelegd groter is dan nul. Daarbij kan men twee soorten postposities onder­scheiden: niet alle hebben een prepositionele tegen­hanger die ook een pad impliceren. Vgl. (ii) waar dat voor in geldt, maar niet voor door.
(ii) a. pad de tunnel +pad

b. +pad de tunnel +pad


Karakteristiek voor de P=s die altijd een pad impliceren (of denoteren), is dat ze geen modificatie toelaten. Nemen we aan dat het inherente pad de geïmpliceerde vector beperkt, dan volgt het contrast in (iii) uit de eerdere aanname dat modificatie een onbeperkte vector nodig heeft.
(iii) a. 3 meter de tunnel in

b. *3 meter de tunnel door


Ook voor de analyse van Helmantel geldt dat er geen systematisch verband gelegd wordt tussen de vorm van PP=s en hun interpretatie. De vraag waarom postposities per se een pad impliceren wordt niet eens gesteld.

18  Zo volgt daar bijvoorbeeld uit dat het dak in zowel (i)a als (i)b praktisch dezelfde thematische rol vervult, gegeven de voor de hand liggende thematische analyse van (ii).
(i) a. hij bezet het dak

b. hij zit op het dak

(ii) a. e[bezet(e,hij) & E(e,het dak)]

b. e[zit_op(e,hij) & E(e,het dak)]



19  In een geval als hij gaat het dak af is het dak specifier van af en wordt het geïnterpreteerd als bron. Volgens Zwarts (1995) is een P als naar gekenmerkt als [Doel] en van als [Bron]; de gelijkenis tussen PP-betekenissen en de thematische betekenis van indirect objecten is zodoende een kwestie van stipulatie, nl. de stipulatie dat zowel indirect objecten als naar het kenmerk [Doel] hebben. De kenmerken [Doel] en [Bron] schieten ook tekort als het er om gaat de parallellie tussen (i)a en b te karakteriseren: met het kenmerk [Doel] kun je misschien wel het beteke­nisverschil tussen prepositioneel en postpositi­oneel op aangeven, maar het paral­lelle contrast in (i)b valt buiten het bereik van die kenmerken.
(i) a. op de brug versus de brug op

b. over de brug versus de brug over



20  En zelfs een geval als (i)b, waar het dak moeilijk als doel of bron opgevat kan worden (zie vorige noot), vormt geen probleem als we in aanmerking nemen dat doel en bron in feite pre-theoretische noties zijn die onder de gemaakte aannames een bijverschijnsel zijn van de notie A zoals toegepast op het speci­fieke gebeuren.
(i) a. hij komt over het dak

b. hij komt het dak over



21  We beperken ons gemakshalve tot de lezing waarbij de PP in (14)a als complement van zit begrepen wordt, c.q. op als een quasi-instrumentele (d.w.z. door het gebeuren bepaalde) relatie. Verder staat E voor de rollen I en C (die E impliceren).

22  De representatie in (15)b zou adequaat zijn als op het dak een voorzetselvoorwerp zou zijn, d.w.z. een PP waarvan het voorzetsel in de interpretatie geen zelfstandige rol (als relatie) speelt. Zoals in bijv. hij houdt het op soep.

23  Het toekennen van theta-rollen is voorbehouden aan elementen die een gebeuren denoteren. Stellen we ons het gebeuren voor als een relatie en de theta-rollen als de relata, dan komt de toekenning van theta-rollen neer op het verbinden van relata met argumenten. Omdat P=s geen gebeuren denoteren kunnen ze dus ook geen theta-rollen toekennen.

24  Het idee is dat rekenen en op geïnterpreteerd worden als één predikaat dat één gebeuren denoteert. Daardoor wordt het door op toegekende Casuskenmerk -s geïnterpreteerd als de rol -C in dat ene gebeuren.

25  Dit soort quasi-instrumentele PP=s zijnCneem ik aanCL-geselecteerde complementen die niet gescram­bled kunnen voorkomen, zoals (i)b en c laten zien waar in het bed niet (of slechts onder dwang) quasi-instrumenteel (+instr) kan worden geïnterpreteerd.
(i) a. hij heeft niet [in dat bed]instr geslapen

b. hij heeft [in dat bed]instr niet geslapen

c. hij heeft niet geslapen [in dat bed]instr
Het ligt in de rede te veronderstellen dat een PP die niet de complement-positie t.o.v. een hoofd inneemt, geïnterpreteerd wordt als een adjunct , en dat een adjunct niet of alleen met moeite als geselecteerd argument kan worden geïnterpreteerd. Ik ga hier verder niet op dit soort kwesties in.


26  Dit betekent dat we ook in het geval van een zin als (i)a moeten aannemen dat de (datief) Casus c die aan me wordt toegekend, niet geïnterpreteerd wordt als A.
(i) a. het lukt me

b. [AgrSP het AgrS [VP me [V= (ge)lukt]]]

c. e[(ge)lukt(e) & θ(e,het) & A(e,me)]

d. e[lukt(e) & θ(e,het) & ge(e,me)]


Hier is immers ook geen sprake van een thematisch (+E) gebeuren dat een A partici­pant impliceert? Voor de hand ligt te veronderstellen dat de rol van het indirect object in zulke gevallen uitgedrukt wordt door het (soms coverte) affix of partikel dat kenmerkend is voor deze klasse van psychologische ergatieven. D.w.z. dat (i)a met structuur (i)b, niet gerepresenteerd wordt als in (i)c maar als in (i)d (gegeven dat lukken een notationele variant is van gelukken met het prefix ge-). Het ligt daarbij in de rede te veronderstellen dat de rol uitgedrukt door ge in effect non-distinct is van de rol uitgedrukt door A, met dien verstande dat A een onergatief (+E) gebeuren impliceert en ge niet. In ieder geval verklaren we nu dat dit soort indirect objecten niet met aan kunnen voorkomen (vgl. dat is (*aan) me gelukt). (Denk ook aan gevallen als haar gewerd een kind; het geviel dat de vreselijke plagen neerdaalden, etc.)

27  De lezer herinnere zich dat we in hoofdstuk 1 ('3.2.1) hebben aangenomen dat een voorzetsel als op (zoals voorkomend in de PP op die machine) als argumentstructuur het Casuskenmerk +c heeft (i.e. >[P op, +complement]=), en daarmee het complement die machine selecteert. Verder hebben we aangenomen dat een PP aan de VP geadjungeerd kan zijn, zoals aangegeven in (i)a en dat bij de interpretatie de denotatie e van de VP en x van het complement de relata zijn, zoals aangegeven in (i)b.
(i) a. ...[VP [PP [P= P NP+c ]] VP ]  ...P=(e,x)

b. ...[VP V [PP P NP]]  ...Pe=(e,x)

c. ...[VP V+P [PP e NP]]  ...V+P=(e) & C(e,x)

d. ...[XP [XP...VP] PP]  e1e2[hij:x[[zich_bevindt(e,x) & op(e,machine)] ...


In aanmerking nemend wat we in '5 van hoofdstuk 7 hebben aangenomen omtrent de viervoudige ambiguïteit van een zin als (ii)a, kunnen we veronderstellen dat de interpretatie in (ii)b correspondeert met structuur (i)a (de PP is geadjungeerd aan de VP). De lezingen in (ii)c-e corresponderen dan met resp. (i)b-d, zoals hieronder aangegeven.
(ii) a. hij rekent op die machine

b. hij rekent en dat rekenen vindt plaats op die machine (plaats) (= (i)a)

c. hij rekent en doet dat met die machine (instrument) (= (i)b)

d. hij rekent er op dat het goed zit met die machine (voorzetselvoorwerp) (= (i)c)

e. als hij zich op die machine bevindt, dan rekent hij (omstandigheid) (= (i)d)
Het idee is dus dat de PP een instrumentele interpretatie heeft (bepaald door de V) als de PP een complement van de V is (zoals in (i)b). Is de relatie tussen V en P zo intiem dat de P zijn zelfstandigheid verliest (en vaak gedacht wordt bij de interpretatie te zijn opgenomen in de V zoals in (i)c), dan wordt het complement van de P geïnterpreteerd als een complement van de complexe V+P, d.w.z. als een prepositioneel object (= (ii)d). De adjunctieve interpretatie, tenslotte, hoort bij structuur (i)d: nu is de PP niet geadjungeerd aan de VP en evenmin het complement van een V, maar het is geadjungeerd aan een XP die niet een gebeuren denoteert. In dat geval induceert de PP een eigen (passend) gebeuren (zoals aangegeven in (19)).


28  In (i) staan de P=s die sterk genoeg zijn om een eigen e te induceren. De α P=s eisen óf een go óf een from e.

(i) +go: naar, *uit, *van, tot

go: bij, naast, aan, tegen, achter, voor, beneden, boven, buiten, tussen

α: in, op, onder, over?, langs, binnen, om


In (i) zijn de met * gemarkeerde P=s te zwak om op eigen kracht een adjunct te vormen: ze hebben blijkens (ii)a en b eenmaal nodig om een go gebeuren te kunnen induceren.
(ii) a. *(eenmaal) de kerk , kocht hij een ijsje

b. *(eenmaal) van het dak, kocht hij een ijsje


Opmerkelijk is dat uit en van de twee (enige) P=s zijn die inherent als +from geken­merkt zijn, en waarvan we dus zouden verwachten dat ze een +go e zouden induce­ren. Maar blijkens (iii)a hebben ze daar een overt werkwoord voor nodig, en tonen ook daarbij een eigenaardige beperking: +from P=s houden niet van gaan.
(iii) a. uit de kerk *(komend), kocht hij een ijsje

b. *uit de kerk gaand, kocht hij een ijsje

c. hij gaat/komt het dak af
Het feit dat uit en van (maar blijkens (iii)c af niet) iets tegen gaan hebben, wijst er op dat ook de werkwoor­den een inherente voorkeur voor een bepaald soort traject (of pad) hebben. Eén mogelijke verklaring voor het patroon in (iii) zou kunnen zijn dat gaan op eigen kracht een +from argument induceert, d.w.z. dat (iv)a >canoniek= geïnterpreteerd wordt als (iv)b (>hij gaat weg van een bepaald oriëntatiepunt ( = er)=).
(iv) a. hij gaat

b. e[gaat(e,hij) & weg(e+from, er)]


De onmogelijkheid van (iii)b zou dan dezelfde grondslag hebben als die van (v)a: een representatie met twee +from argumenten, zoals (v)b, is onwelgevormd.
(v) a. *hij gaat uit de kast uit de kerk

c. *e[gaat(e,hij) & weg (e+from,er) & uit(e+from,dekerk)]


Een andere, op het oog interessantere verklaring voor het patroon in (iii) zou kunnen zijn, dat gaan (anders dan komen) een inherent pad eist, en zich daarom alleen inlaat met postposities (vgl. (vi)). Mogelijk induceert gaat in (iv)a dan ook een impliciete postpositie, bijv. weg.
(vi) a. hij gaat van de kast *(af)

b. hij gaat <*uit> de kerk

c. hij gaat het dak

Maar de meest interessante optie is de veronderstelling dat de werkwoorden komen en gaan inherent gespecificeerd zijn met het variabele kenmerk  (waarden: go,from). Daarbij nemen we aan dat gaan het kenmerk - heeft en komen het kenmerk +, en dat ze geïnterpreteerd worden als (vii)a en b.

(vii) a. gaan  ex[gaan(e) & (e,x)]

b. komen  ex[gaan(e+) & (e,x)]

Nu volgt niet alleen het contrast tussen (viii)a en b (zie (iii)), maar ook voorspellen we het ontbreken van een contrast tussen (ix)a en b.

(viii) a. hij komt+from van+from de keuken

b. *hij gaat-go/-from van+from de keuken

(ix) a. hij komt+go naar-from de keuken

b. hij gaat-from naar-from de keuken

Voor (ix)a nemen we dan aan dat de kenmerken +go en –from compatibel zijn (wegens ‘from  +go’). Ook het het interpretatieve verschil tussen (x)a en b kunnen we nu op een principiële manier verklaren.

(x) a. hij gaat-from/-go slapen
b. hij komt+from/+go slapen

Zin (x)a kan, maar hoeft niet te betekenen dat hij gaat (in welk geval gaan wel als een temporeel of aspectueel hulpwerkwoord wordt opgevat). Zin (x)b, daarentegen, impliceert per se dat hij komt. Dit verschil nu kan worden herleid tot de inherente specificatie van gaan als - en de twee opties –from (dus +go) en –go (hij verplaatst zich niet), en de specificatie van komen als +, waardoor er in alle gevallen een verplaatsing geïmpliceerd wordt (+go of +from). Op dezelfde manier kunnen we (mogelijk) het anders raadselachtige contrast in (xi) verklaren: aangenomen dat ook zijn inherent als - gespecificeerd is, volgt dat alleen (xi)b is uitgesloten.

(xi) a. Jan is –from naar-from huis

b. *Jan is-from van+from huis

c. Jan is-go thuis

En mogelijk kunnen we ook het feit dat zijn in een zin als hij is zwemmen geïnterpreteerd wordt op de wijze van gaan uit (x)a aan diezelfde specificatie toeschrijven (al is mij nog niet duidelijk hoe dat precies zou moeten). Maar onder deze aannames blijft vooralsnog een onopgelost probleem de relatie tussen werkwoorden als gaan, komen (en zijn) en postposities. Laten we wel wezen: er zijn meer problemen. Eén daarvan is dat de variabele kenmerken in bijv. gaan, komen en zijn (en ook in P’s) zo te zien niet aan een vaste waarde komen door in een spec, positie te staan van een hoofd met die vast waarde. Anders gezegd: het gaat hier vermoedelijk om kenmerken die geen rol spelen aan de syntactische kant van de interface met de betekeniscomponent. De vraag is dus hoe het er aan de semantische kant van de interface aan toe gaat. Daarover heb ik vooralsnog geen heldere ideeën.



29  Merk op dat in het inchoatieve (i)a met interpretatie (i)b een gebeuren e1 geïnduceerd wordt dat niet gecontroleerd wordt (d.w.z. dat >P(e1,x)= of zelfs >P(e1)= ontbreekt).
(i) a. hij staat in een uur

b. e1,e2[staat(e2,hij) & I(e1,e2) & in(e1,een uur)]



30  Deze analyse generaliseert over het als lidwoord en het als pronomen. Zie voor de eigenschappen van beide: hoofdstuk 2.

31 De vraag of ook V’s casus (i.e. +c) kunnen absorberen, en zo nee (vgl. ik zie het versus *ik zie er), waarom niet, ga ik hier uit de weg.


32  Zo vormen het en er net zo=n minimaal paar als het en de (en generaliseren we dus over er en de).

33  Het idee is dat +R pronomina gekenmerkt worden door +var. Uit *het huis bij blijkt dat NP=s als het huis (die geen +var bevatten) geen +c Agr induceren, en dus geen Casus (= +c) absorberende P.

34  Hier doet zich het probleem voor dat we eerder (in hoofdstuk 6, '5.5) Agr verboden hebben het kenmerk +c te hebben (het is immers geen complement). Hoe dat probleem moet worden opgelost, laat ik hier verder in het midden. Wel wil ik hier één mogelijke implicatie onder ogen zien, nl. dat de AgrP door het kenmerk +c (van het hoofd ervan) per se een complement is, en dus dezelfde distributie kent als reguliere (casus-gemarkeerde) complementen. Het contrast in (i) en (ii) zou een bevestiging van de juistheid van die implicatie kunnen vormen. De aanname dat het kenmerk +c ‘extrapositie’ blokkeert, houdt de juiste voorspelling in dat daarover in (i)b zich gedraagt als het boek in (i)a en niet als de PP over dat onderwerp in (i)c. Mogelijk kan datzelfde kenmerk ook de oorzaak zijn van de parallellie in het contrast in (ii)a en b.
(i) a. dat Jan


  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina