Arbeidsvoorwaardenbeleid mei 2002 – December 2006 Aanpak drugssmokkel vanaf de Antillen



Dovnload 192.79 Kb.
Pagina1/5
Datum23.08.2016
Grootte192.79 Kb.
  1   2   3   4   5
ARBEIDSVOORWAARDENBELEID
Mei 2002 – December 2006

Aanpak drugssmokkel vanaf de Antillen

Eind mei 2002 reisde een commissie van werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers naar de Nederlandse Antillen en Aruba om de problemen rond de rechtspositie van de aldaar gedetacheerde Nederlandse politieambtenaren te onderzoeken. Dit gebeurde op verzoek van de korpsbeheerder van het KLPD – de minister van BZK. Uiteraard was de NPB als grootste landelijke politievakbond vertegenwoordigd in de vijfkoppige commissie en wel in de persoon van bondspenningmeester Jan Willem van de Pol. Hij noteerde tijdens de reis zijn bevindingen in een dagboek. Die aantekeningen waren mede de basis voor een NPB-brandbrief aan de ministers van BZK en Justitie over de aanpak van de georganiseerde criminaliteit en in het bijzonder de drugshandel op de Antillen. Het uitlekken van de tekst van deze brief leidde eind juni 2002 tot grootscheepse media-aandacht voor de stellingname van de NPB.


Kamervragen

Toen de Tweede Kamer de minister van Justitie vervolgens vragen stelde over de inhoud van onze brandbrief, deed de bewindsman alsof zijn neus bloedde. Hoe kwam de NPB toch aan al die gegevens, vroeg hij zich af. Het Koninkrijksstatuut verhinderde volgens hem dat de Nederlandse overheid ingreep – iets waar de NPB voor gepleit had. Uit een gesprek met Justitie bleek dat men op het departement precies wist hoe het zat en dat de NPB geen woord te veel had gezegd. De door de minister aangezwengelde discussie over de juistheid van de genoemde aantallen leek dan ook voornamelijk bedoeld om de aandacht af te leiden van het werkelijke probleem: het gebrek aan daadkracht en politieke wil om de problemen op de Nederlandse Antillen op te lossen.


Bolletjesslikkers

In het bondsblad van juni 2003 publiceerde de NPB een artikel over de weinig succesvolle aanpak van de Antilliaanse bolletjesslikkers. Aanleiding: het uitlekken van een vertrouwelijk rapport van politie en marechaussee, waarin min of meer hetzelfde werd vastgesteld als in de brandbrief die de NPB in juni 2002 aan de ministers van BZK en Justitie had gestuurd.

Op woensdag 21 mei 2003 was de schrijver – Jan Willem van de Pol – te zien in het NPS/VARA-programma NOVA, commentaar gevend op de inhoud van het uitgelekte rapport.
Rechtspositie bij internationale uitzendingen

In de zomer van 2002 heeft de NPB een lijst opgesteld met verlangens ten aanzien van de voorwaarden waaronder Nederlandse politieambtenaren in VN- en EU-verband worden uitgezonden voor het leveren van een bijdrage aan internationale vredesmissies. Deze lijst, gebaseerd op ervaringen van eerder uitgezonden NPB-leden en militaire collega’s van de AFMP en de Marver, is vervolgens bij de minister van BZK gedeponeerd. Een eerder voorstel van zijn kant liet nog het nodige te wensen over, met name ten aanzien van de volgende onderwerpen: goede opvang bij terugkeer in het korps, gezinsbezoek, het opmaken van beoordelingen tijdens de missie, debriefing, home-leave en het afdekken van molestrisico’s.


Onaanvaardbare redenering

Op veel punten bleek de minister bereid aan onze wensen tegemoet te komen, maar een aantal belangrijke meningsverschillen bleef bestaan. Bijvoorbeeld over de compensatie in verlofuren als tijdens de missie het verlenen van recuperatieverlof (door de inlenende organisatie VN, EU of OVSE) niet mogelijk is gebleken. De minister wilde ons niet tegemoetkomen omdat de regeling dan beter zou worden dan die voor de marechaussee. Voor ons een onaanvaardbare redenering: als de minister van Defensie ook zo zou redeneren, kwam er dus nooit meer een verbetering. Bovendien vonden we de compensatie-eis van onze kant ook alleszins redelijk; de minister legde het risico nagenoeg geheel bij de politieambtenaar. Daarnaast wilden we een zogenaamde horizonbepaling, zodat de regeling na een bepaalde periode zou expireren en volledig in heroverweging kon worden genomen.


Politie-inzet tijdens MKZ-crisis

In mei 2001 had de NPB er al aandacht voor gevraagd op zijn website en in zijn bondsblad: de buitensporige werktijden die van veel politieambtenaren gevraagd waren tijdens de jongste golf van mond- en klauwzeer in Nederland. In augustus 2002 werd de NPB-kritiek op de gesignaleerde ‘achterlijk lange dienstverbanden van 14 uur of meer’ onderschreven door de Arbeidsinspectie. Zij onderzocht in hoeverre de korpsen zich tijdens de MKZ-periode aan de Arbeidstijdenwet hebben gehouden en stelde daarover een kritisch rapport op.


Oneigenlijk gebruik

Om tijdens het uitvoeren van het MKZ-beleid de orde te handhaven en desnoods te herstellen was vier weken lang een buitengewone politie-inzet noodzakelijk. De politie werd belast met het uitvoeren van de cruciale transport- en grenscontroles, het begeleiden (lees: beschermen) van de RVV-medewerkers en het waar nodig optreden als Mobiele Eenheid. Voor het leveren van deze krachtsinspanning werden politiemensen uit 18 regiokorpsen ingezet, wat voor velen van hen extra lange werk- en reistijden met zich meebracht. Daarnaast werd volgens de Arbeidsinspectie in nogal wat gevallen oneigenlijk gebruikgemaakt van artikel 2.5 ATW. In plaats van zich op dat artikel te beroepen, hadden de korpsen ook kunnen kiezen voor minder ingrijpende maatregelen. Te denken valt aan artikel 5.9 ATW, het zogenaamde overwerkartikel; op basis daarvan is het mogelijk personeel langer te laten werken tot een maximum van 12 arbeidsuren. Een andere mogelijkheid biedt artikel 4.3.1 ATW, het zogenaamde calamiteitenartikel; op basis daarvan is het zelfs mogelijk personeel te laten doorwerken tot een maximum van 14 arbeidsuren.


De Arbeidsinspectie is bevoegd sancties op te leggen en heeft dat ook gedaan. In totaal werden er tien zogeheten waarschuwingen Arbeidstijdenwet gegeven en twee processen-verbaal opgemaakt.
Heinsbroek en het gezag van de politie

In de eerste week van september 2002 nam de NPB in de media krachtig stelling tegen een uitspraak van Herman Heinsbroek, de toenmalige LPF-minister van Economische Zaken. In een interview met het VNO/NCW-blad Forum had hij verklaard dat van hem als Bentley-rijder niet verwacht hoefde te worden dat hij zich op de snelweg aan de maximumsnelheid hield. ‘Ministers staan niet boven de wet’, aldus de kop van het uitgegeven NPB-persbericht. ‘Door zijn laatdunkende uitlatingen over parkeer- en snelheidsovertredingen heeft Heinsbroek een actieve bijdrage geleverd aan het ondermijnen van het gezag van de politie – iets waarover hij zich eerder zo bezorgd toonde.’


Gasfittersembleem’

Tien dagen eerder – op 23 augustus – had Heinsbroek in het televisieprogramma ‘Netwerk’ namelijk laten weten wel een verklaring te hebben voor het afgebrokkelde respect voor de politie. Volgens hem werden dienders niet serieus genomen ‘door hun piercings, staartjes, uniform, te kleine auto’s en niet te vergeten dat malle politielogo, dat verdacht veel lijkt op een gasfittersembleem.’ De NPB liet weten dat het gezag van de politie slechts voor een piepklein deel afhankelijk is van uiterlijk vertoon. De belangrijkste bronnen zijn houding en gedrag, consequent en begrijpelijk optreden, een overheid die zelf een geloofwaardig beleid voert.

Bijvoorbeeld door de bestaande verkeerswetten serieus te nemen.

Aanstellingseisen politie

In september 2002 bereikten de politiebonden en de minister van BZK overeenstemming over een nieuwe regeling van aanstellingseisen voor kandidaat-aspiranten. Op aandringen van de NPB is daarin een hogere integriteitsnorm opgenomen dan de minister van BZK had voorgesteld.


Dienstauto en fiscus

Diezelfde maand werden de bonden en de minister het eens over volledige compensatie voor de fiscale bijtelling in verband met het gebruik van een dienstauto voor woon-werkverkeer. Aansluiting zou worden gezocht bij artikel 17 van het Besluit vergoeding dienstreizen politie. Daarmee was de regeling juridisch verankerd en verder regionaal overleg dus niet nodig.



Verlofsparen politie

Tot slot lukte het in september 2002 ook het laatste geschilpunt over het verlofsparen bij de politie uit de weg te ruimen. Afgesproken werd dat bij een verlofperiode van maximaal een jaar maximaal vier weken ziekte voor rekening van de ambtenaar kunnen komen. Die ziekteperiode hoeft niet aaneengesloten te zijn. Voor kortere verlofperioden geldt het beginsel van evenredigheid. De procedure voor het kiezen van een spaarfonds kon in gang worden gezet.


Evaluatie gebruik pepperspray

Eind september 2002 brachten de NPB en de andere drie landelijke politiebonden een gezamenlijk vakbondsadvies uit: politiewerknemers deden er verstandig aan niet langer mee te werken aan het binnen de korpsen plaatsvindende wetenschappelijk onderzoek naar het gebruik van pepperspray door de politie. In de opzet daarvan zaten namelijk enige bedenkelijk aspecten. De deelnemers werden bijvoorbeeld geacht hun dienstnummer op het evaluatieformulier te vermelden en ook werden deze in eerste instantie door de korpsen ingezameld. Dit maakte het mogelijk dat de ingevulde gegevens in een later stadium zouden opduiken bij een strafrechtelijk of disciplinair onderzoek tegen een bepaalde werknemer.


Uiteraard vindt de NPB dat een politieambtenaar bij het gebruik van geweld tijdens de dienst binnen zijn bevoegdheden dient te blijven. In de praktijk worden op dat punt echter fouten gemaakt – al dan niet verwijtbaar. De NPB vond het onacceptabel dat een agent die van geweldsmisbruik wordt verdacht in een extra kwetsbare positie zou kunnen komen door zijn eigen verklaringen ten gunste van een wetenschappelijk onderzoek.
In april 2003 kon bondsvoorzitter Hans van Duijn melden dat het probleem was opgelost en de anonimiteit van de deelnemers gegarandeerd. De enquêteformulieren konden weer met een gerust hart worden ingevuld.
Safarilandholster

In 2002 was de vervanging van de ‘oude’ politieholster door de veilige Safariland 6280-holster in volle gang. In juli beloofde de minister van BZK de politiebonden dat elke politieambtenaar die uit eigen beweging (alvast) om een nieuw holster kwam vragen ook direct een Safarilandholster zou kunnen krijgen. Deze toezegging bleek echter niet gevolgd te zijn door passende ministeriële berichtgeving aan de korpsen. Veel collega’s die op basis van NPB-informatie een nieuw holster gingen aanvragen, kregen te horen dat het korps van niets wist.

In oktober 2002 kon het NPB-bestuur melden dat de korpsen inmiddels naar behoren waren geïnformeerd: ‘Alle collega’s die hun oude holster niet veilig genoeg meer vinden, krijgen op verzoek een veilig Safarilandholster en de bijbehorende training van ongeveer een uur.’


Ondeskundige montage

In het bondsblad van april 2003 besteedde de NPB aandacht aan signalen vanuit de achterban dat de nieuwe holster in de praktijk problemen opleverde. ‘Meerdere leden hebben ons inmiddels gemeld dat de drie schroefjes waarmee de holster aan de verlengde achterplaat bevestigd is, vrij snel los gaan zitten en op den duur zelfs loslaten. (…) De oorzaak is een ondeskundige montage van de onderdelen van de holster.’ De NPB riep de werkgever op het probleem aan te pakken door de holsters centraal te laten ombouwen volgens de specificaties van de leverancier.


Ondeskundig trekwerk

In het bondsblad van juli/augustus 2003 was opnieuw een artikel te vinden over de nieuwe holster, dit keer over het gebruik ervan. Op de werkvloer bleken nogal wat misverstanden te bestaan over de juiste wijze om het dienstpistool uit de Safariland 6280-holster te trekken. Ook werd IBT-specialist/docent Arie Ponsen aan het woord gelaten over de meest geëigende manier om het gebruik van de nieuwe holster te trainen.


De burgers of de super-PG?

In oktober 2002 publiceerde NPB-voorzitter Hans van Duijn een schotschrift getiteld ‘De burgers of de super-PG?’ Kern van zijn betoog: de burgers in wijken en buurten moeten betrokken worden bij de prioriteitstelling in het politiewerk. Een rechtstreekse aanval op Joan de Wijkerslooth, de toenmalige ‘superprocureur-generaal’: ‘die vindt dat de keuzes over de zaken die wel en niet worden aangepakt op eenzame hoogte moeten worden gemaakt, ver van het rumoer en de onveiligheid op straat.’


‘Bij het maken van beleid en het stellen van prioriteiten in het politiewerk wordt zelden gebruikgemaakt van de kennis en ervaring van de uitvoerenden in de politieorganisatie. Het zijn management games: cijfers, statistieken en window-dressing. De NPB bepleit al jaren dat daar verandering in moet komen, maar neemt slechts op een enkele plaats verbetering waar. Dat is op zich niet zo vreemd. Het gaat om de macht. Bij gebrek aan visie en betrokkenheid bij het dagelijks werk is de moderne manager een slaaf van de boven hem gestelde manager. Ze lopen allemaal met hun eigen statistieken onder de arm. Voor een ‘warm’ personeelsbeleid heeft men al geen tijd – ook managers moeten klussen en werkgroepen doen die hen afleiden van het echte werk – laat staan voor het stelselmatig benutten van de kennis in de organisatie. Van tijd tot tijd komen we tussen de politiemanagers een enkele verlichte geest tegen, maar daar blijft het dan ook bij. Dat heeft zo zijn gevolgen voor de motivatie van de politieambtenaren in de uitvoering. ’

Burgerpanels’

‘De NPB stelt voor te gaan werken met wat we gemakshalve maar even noemen ‘burgerpanels’. Eenvoudig en effectief, altijd gecombineerd met de (kennis van) de politieambtenaren in de uitvoering, het blauw op straat, de recherche et cetera. Uitgangspunt: de politie luistert naar de burger. De burger krijgt merkbaar invloed op het beleid en de prioriteiten van de politie in de wijk of buurt. In een aantal gevallen zijn de burgers bij de aanpak ook hard nodig. Het raadplegen van de burgers kan op verschillende manieren; ik zou in ieder geval kiezen voor discussie en debat. Welke kwesties vinden de betrokken burgers op een bepaald moment het meest belangrijk? Daar moet dan de aandacht en aanpak op worden gericht. Daar hoort ook bij dat de burgers wordt gewezen op wat ze zelf kunnen en moeten doen. Zo’n peiling gebeurt twee keer per jaar, met tussentijdse terugkoppeling (verantwoording). Bij de capaciteitverdeling over wijken en buurten wordt rekening gehouden met relatieve verschillen in zwaarte van de prioriteiten.’
‘Het resultaat zal zijn dat de super-PG zijn eigen lijstje met prioriteiten in de prullenbak kan gooien en dat minister Remkes en staatssecretaris Hessing hun prestatiecontracten geheel anders moeten inrichten en indicatoren moeten gaan gebruiken die nu helemaal niet in de begroting van BZK voor komen. De korpsleiding en het management zullen veel meer moeten zorgen voor de randvoorwaarden opdat de collega’s in de uitvoering de toezeggingen aan de burgers in wijken en buurten kunnen waarmaken. Het werk voor de collega’s in de uitvoering wordt veel leuker en nuttiger. Het contact met de burgers wordt verdiept en de tevredenheid over de politie neemt zienderogen toe.’
Naar een veiliger samenleving’

Op donderdag 17 oktober 2002 presenteerden de op dat moment demissionaire ministers Remkes (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) en Donner (Justitie) samen met staatssecretaris Hessing van Politiezaken hun beleidsplan ‘Naar een veiliger samenleving’. Op donderdag 24 oktober werden de consequenties van dit veiligheidsplan uitgebreid besproken tijdens het maandelijks overleg van de politiebonden met de minister van BZK. Meerdere onderdelen gaven namelijk reden tot grote zorg. Zo zouden de financiën van de politie door het voorgenomen beleid zeker niet op orde komen. Ook leek men niet veel waarde te hechten aan een grotere betrokkenheid van de burgers en de uitvoerende collega’s bij het politiebeleid. De beoogde toenemende centrale sturing op meer repressie zou de discretionaire bevoegdheid van politieambtenaren immers verkleinen, met als gevolg dat ze (nog) minder in staat zijn optimaal in te spelen op de omstandigheden waarmee ze te maken krijgen.



Kapitaalvernietiging

Onderdeel van het veiligheidsplan was ook het verminderen van de capaciteit van het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP – in 2004 omgedoopt tot Politieacademie) met bijna 25 procent. Regelrechte kapitaalvernietiging en dat met de wetenschap dat in de toekomst de capaciteit weer zal moeten worden uitgebreid om de massale pensionering vanaf 2008 te kunnen opvangen. De gepresenteerde sterkte-uitbreiding met 4.000 werknemers was minder mooi dan ze leek. Om te beginnen was ook de sterktegroei in 2002 meegeteld: duizend extra werknemers die al door het vorige kabinet waren toegekend. Van de resterende 3.000 moesten er ook nog eens een slordige 450 af om de reorganisatie van de Vreemdelingendiensten te financieren. Bleef dus over, als het meezat, zo’n 2.500 extra werknemers in drie jaar. Door de onduidelijkheid over de extra sterkte en de verdeling daarvan over de korpsen meldden deze zo weinig aspiranten aan dat de LSOP-capaciteit in 2003 voor een groot deel onbenut zou blijven.





  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina