Arbitragereglement



Dovnload 92.82 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte92.82 Kb.

Arbitragereglement van het Centrum voor Arbitrage inzake Seksueel Misbruik




CENTRUM VOOR ARBITRAGE

INZAKE SEKSUEEL MISBRUIK


ARBITRAGEREGLEMENT



Inhoud


  1. Inleiding




  1. Reglement


DEEL 1: ARBITRAGE-ORGANISATIE
Artikel 1 – De arbitrage-organisatie

Artikel 2 – Samenstelling en opdracht van de Permanente Arbitragekamer
Artikel 3 – Samenstelling en rol van het Wetenschappelijk Comité
DEEL 2: TOEPASSINGSDOMEIN
Artikel 4 - De partijen bij de procedure
Artikel 5 – De vordering
Artikel 6 – De regels van bewijsvoering
Artikel 7 – De feiten volgens hun ernst en de categorieën van financiële compensatie
Artikel 8 – De opdracht van de arbiters
DEEL 3: ARBITRAGEPROCEDURE
Artikel 9 – De aanvraag
Artikel 10 – Opvolging van de aanvraag door het juridisch Secretariaat
Artikel 11 – Antwoord van de verweerder
Artikel 12 – Rol van de Permanente Arbitragekamer
Artikel 13 – Samenstelling van de scheidsgerechten
Artikel 14 – Behandeling van de zaak door de arbiters
Artikel 15 – Toepasselijke rechtsregels
Artikel 16 – Vertrouwelijk karakter van de procedure
Artikel 17 – Het vellen van de arbitrale uitspraak
Artikel 18 – Toetsing van de overeenstemming van de arbitrale uitspraak met het Reglement door de Permanente Arbitragekamer
Artikel 19 – Kennisgeving en uitvoerbaarheid van de uitspraak
Artikel 20 – De kosten van de arbitrageprocedure
3. Toelichting

4. Bijlagen:


    • Aanvraagformulier voor billijke herstelmaatregelen

    • Model van Akte van Opdracht

    • Lijsten van arbiters

    • Lijst van erkende bemiddelaars

    • Tarieflijst voor erelonen van de arbiters

    • Formulier voor de verklaring van onafhankelijkheid en onpartijdigheid


I. Inleiding

Context van de arbitrageregeling
Bewust geworden van de omvang van het fenomeen van het seksueel misbruik gepleegd op minderjarigen in het kader van een gezagsrelatie, hebben meerdere leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers een voorstel ingediend om een bijzondere commissie op te richten betreffende “de behandeling van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie, inzonderheid binnen de Kerk”. Dit voorstel werd neergelegd en met eenparigheid aangenomen op de plenaire vergadering van de Kamer van 28 oktober 2010. Diezelfde dag werd de Bijzondere Commissie opgericht om het bestaan van de slachtoffers te erkennen en om te begrijpen hoe dergelijke misdrijven konden gepleegd worden en decennia lang bedekt blijven onder een loden mantel van stilzwijgen.

De Bijzondere Commissie legde haar verslag neer op 31 maart 2011 (Doc 53 0520/002) (2010-2011). Naast talrijke aanbevelingen wordt een voorstel in het bijzonder tot de kerkelijke autoriteiten gericht. Op pagina 399 van het verslag stelt de Bijzondere Commissie inderdaad vast : « omdat de feiten al zo lang geleden zijn gebeurd en omdat ze jarenlang werden verzwegen, dreigen de slachtoffers geen dienstige rechtsvorderingen te kunnen instellen bij de strafgerechten en de burgerlijke rechtbanken, op grond waarvan zij niet alleen erkenning zouden kunnen krijgen, maar ook een passende behandeling en, in voorkomend geval, een schadevergoeding». De Bijzondere Commissie stelt, anderzijds, ook vast dat de kerkelijke autoriteiten zich bereid getoond hebben een morele verantwoordelijkheid te dragen en, in voorkomend geval, de slachtoffers financiële hulp te geven.



Op grond van deze tweevoudige vaststelling heeft de Bijzondere Commissie aan de kerkelijke overheden voorgesteld om concreet vorm te geven aan die bereidheid tot schadeloosstelling, door mee te werken aan procedures toevertrouwd aan een arbitrage-organisatie, onder het gezag van de « Opvolgingscommissie seksueel misbruik in gezagsrelaties». Een arbitrage-organisatie, zo vervolgt het verslag, « kan ook dienen voor het beslechten van “geschillen” tussen slachtoffers en andere dan kerkelijke organisaties ».
De morele verantwoordelijkheid opgenomen door de kerk
In hun persbericht van 30 mei 2011 hebben de bisschoppen en religieuze oversten in de problematiek van de verjaarde feiten van seksueel misbruik, hun verantwoordelijkheid genomen en hun bereidheid uitgedrukt om mee te werken aan een multidisciplinaire vorm van arbitrage, als volgt: “(…) bewust van hun morele verantwoordelijkheid en van de verwachting van de gehele samenleving naar hen toe”, verbinden zij zich ertoe “de erkenning van de slachtoffers en het herstel van hun leed te verzekeren. Zo willen zij de slachtoffers in hun eer herstellen en hen, volgens hun noden, ook geldelijke tegemoetkomingen doen.” Hiertoe aanvaarden zij om, volgens het voorstel van de parlementaire commissie, “samen te werken met de deskundigen van de Opvolgingscommissie aan de organisatie van een pluridisciplinaire vorm van arbitrage voor de reeds verjaarde feiten, waarover rechtbanken geen uitspraak meer kunnen doen.” Daarenboven achten zij het wenselijk dat de arbiters ook de bevoegdheid zouden hebben om de partijen te oriënteren naar bemiddeling.
De experten van de Parlementaire Opvolgingscommissie hebben overlegd met de experten die door de bisschoppenconferentie en de hogere oversten zijn aangeduid, over een arbitrage-oganisatie, die de waarborgen biedt van een eerlijk proces en voldoet aan de vereisten van de artikelen 1676 tot 1723 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit kader worden pluridisciplinaire arbitrageprocedures toegankelijk gemaakt voor slachtoffers van verjaarde feiten van seksueel misbruik die vragen om erkenning van het aangedane leed en/of om toekenning van een financiële compensatie.
Met het oog op deze procedures hebben de bisschoppen en religieuze oversten een rechtspersoon opgericht die gemachtigd is om hen in deze procedures te vertegenwoordigen als verweerder.
De kenmerken van dit arbitragereglement
Dit reglement bepaalt het juridisch kader waarbinnen de arbiters uitspraak zullen doen over de aanvragen ingediend door slachtoffers van seksueel misbruik die minderjarig waren op het ogenblik van de feiten.
De procedure heeft enerzijds tot voorwerp de erkenning van het aan de slachtoffers aangedane leed en hun herstel in hun waardigheid. Anderzijds heeft zij ook tot doel de eventuele toekenning te regelen van een vrijwillige, forfaitaire en subsidiaire financiële compensatie door de rechtspersoon die gemachtigd is om de bisschoppen en de religieuze oversten te vertegenwoordigen, ten behoeve van minderjarige slachtoffers van verjaarde feiten van seksueel misbruik gepleegd door een priester van een Belgisch bisdom of een lid van een religieuze congregatie of orde die in België is gevestigd. Dit betekent het volgende:


  1. De bisschoppen en religieuze oversten aanvaarden de toekenning van een financiële compensatie op zuiver vrijwillige basis, zonder enige juridische verbintenis hiertoe. De grondslag voor de financiële compensatie bestaat dus niet in een vermoeden van fout die men zou leggen in hoofde van de rechtspersoon die bevoegd is om de bisschoppen en religieuze oversten te vertegenwoordigen, maar op een vrijwillig verklaarde morele verantwoordelijkheid en een collectieve solidariteit met de slachtoffers. Nu de feiten verjaard zijn en niet meer berecht kunnen worden door de gewone hoven en rechtbanken, kan er geen sprake meer zijn van juridische aansprakelijkheid.



  1. Ondermeer om die reden is de financiële compensatie ook forfaitair. De arbiters beschikken over een ruime appreciatiebevoegdheid die zowel de opportuniteit van de toekenning van een financiële compensatie aangaat als de omvang ervan. De compensatie wordt naar billijkheid toegekend, binnen de grenzen bepaald in het arbitragereglement. Dank zij het forfaitair karakter van de compensatie is het slachtoffer, in de meeste gevallen, bevrijd van het zware bewijs van de omvang van zijn schade en van het oorzakelijk verband tussen de feiten van seksueel misbruik en de geleden schade. Het bewijs van de feiten van seksueel misbruik volstaat. De categorieën die in het reglement worden onderscheiden volgens de ernst van de feiten zijn geïnspireerd door de bepalingen van het Strafwetboek zoals het geïnterpreteerd wordt in de de rechtspraak en de rechtsleer.




  1. De financiële compensatie via een arbitrage is subsidiair: de arbitrage is enkel mogelijk wanneer het slachtoffer geen beroep meer kan doen op enig rechtsmiddel voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde wegens verjaring van de feiten en er geen andere procedure meer hangende is waarin hij partij is omwille van dezelfde feiten.


De arbitrage-organisatie
Een arbitrage-organisatie wordt opgericht op initiatief van de “Opvolgingscommissie seksueel misbruik in gezagsrelaties”.

In overeenstemming met de wens van de Bijzondere Commissie, heeft het Centrum voor Arbitrage een tijdelijk karakter: het heeft tot doel enkel kennis te nemen van de aanvragen die ingediend zijn uiterlijk voor 31 oktober 2012.


Het Centrum voor Arbitrage is een neutrale instelling die onafhankelijk is van de kerkelijke overheden. De aangestelde arbiters zijn bevoegd om een bindende uitspraak te doen. Op vraag van de partijen kunnen de arbiters ook een verzoeningspoging ondernemen of de partijen kunnen zelf ook verkiezen dat een onafhankelijke en onpartijdige persoon (een erkende bemiddelaar) met hen een minnelijke regeling zou nastreven. Mocht een poging tot verzoening of bemiddeling niet slagen, dan hernemen de arbiters die gevat waren de procedure en spreken zij zich onpartijdig uit over de aanvraag. Mondt een verzoening of een bemiddeling uit in een minnelijke regeling tussen partijen, wordt dit bekrachtigd door de arbiters die hieraan dezelfde uitvoerbare kracht gegeven als aan een arbitrale uitspraak.
Het Centrum voor Arbitrage beschikt over een vast Secretariaat dat gehuisvest is op het adres Brederodestraat 21, 1000 Brussel.
Definities (van toepassing in dit Reglement)
Arbitrage is een procedure om een geschil te laten beslechten, buiten de gewone hoven en rechtbanken om, door beroep te doen op onafhankelijke arbiters die aangeduid worden omwille van hun expertise in de materie. Hun beslissing (of arbitrale uitspraak) is bindend voor de partijen.
De verzoening is een stap binnen de arbitrageprocedure waarbij de arbiters en de partijen, op tegensprekelijke wijze, in dialoog hun geschil pogen op te lossen, zodat men een regeling kan uitwerken die beide partijen tevreden stemt. De arbiters hebben een actieve rol in de dialoog tussen de partijen en kunnen een voorstel tot regeling formuleren.
De bemiddeling is een procedure waarin een derde, onafhankelijke en onpartijdige persoon (de bemiddelaar), van de partijen de opdracht krijgt om hen te helpen om tot een minnelijke regeling te komen. De bemiddelaar heeft niet de bevoegdheid om aan de partijen een bepaalde oplossing van het geschil op te leggen.
Anders dan bij verzoening, kan bij bemiddeling de bemiddelaar gesprekken hebben met elke partij afzonderlijk.

II. Reglement

DEEL 1: ARBITRAGE-ORGANISATIE

Artikel 1 - De arbitrage-organisatie
Het Centrum voor Arbitrage inzake Seksueel Misbruik (hierna “het Centrum”) is het arbitrage-orgaan dat tijdelijk wordt opgericht om aanvragen te behandelen in verband met verjaarde feiten van seksueel misbruik op minderjarigen gepleegd door een priester van een Belgisch bisdom of een lid van een religieuze congregatie of orde gevestigd in België. De scheidsgerechten zullen gevormd worden in het kader van dit Centrum, dat tevens bestaat uit een Permanente Arbitragekamer, een Wetenschappelijk Comité en een juridisch Secretariaat.


Artikel 2 – Samenstelling en opdracht van de Permanente Arbitragekamer
2.1. Opdracht van de Permanente Arbitragekamer
De Permanente Arbitragekamer van het Centrum heeft tot opdracht te waken over het goede procesverloop en de correcte naleving van dit reglement. Haar bevoegdheden worden hierna in artikel 12 gepreciseerd.
2.2. Samenstelling van de Permanente Arbitragekamer
De Permanente Arbitragekamer bestaat uit zeven leden van wie de onafhankelijkheid, de onpartijdigheid en de eerlijkheid erkend zijn. De samenstelling is pluridisciplinair. Deze leden kunnen geen deel uitmaken van een scheidsgerecht omschreven in artikel 13.
De zeven leden van de Permanente Arbitragekamer worden aangesteld door het Wetenschappelijk Comité omschreven in artikel 3. De duur van hun opdracht stemt overeen met de definitieve regeling van de laatste aanvraag die nog bij het Centrum aanhangig is.
De Permanente Arbitragekamer dient met minstens vijf leden te vergaderen om geldig beslissingen te nemen. Zij kan evenwel aan één lid of meerdere van haar leden de bevoegdheid verlenen om welbepaalde opdrachten te vervullen, onder voorwaarde dat zij verslag uitbrengen in haar volgende zitting.
Wanneer een lid van de Permanente Arbitragekamer, in welke hoedanigheid dan ook, een belang heeft bij een aanvraag die bij het Centrum aanhangig is, moet hij het Secretariaat van het Centrum daarvan in kennis stellen. Het lid ontvangt dan geen verdere informatie noch enig stuk in verband met deze aanvraag en wordt niet verder betrokken bij de behandeling ervan.

Artikel 3 – Samenstelling en rol van het Wetenschappelijk Comité
Het Wetenschappelijk Comité van het Centrum is ermee belast dit arbitragereglement te interpreteren. Vragen die niet geregeld zijn in het Reglement worden aan het Wetenschappelijk Comité onderworpen zodat het deze kan beslechten. Het Comité kan hiertoe geraadpleegd worden door de Permanente Arbitragekamer of door een scheidsgerecht.
Jaarlijks stelt het Wetenschappelijk Comité een schriftelijk verslag op met eerbied voor de vertrouwelijkheid van de behandelde dossiers.
Het Wetenschappelijk Comité brengt verslag uit van de activiteiten van het Centrum aan de “Opvolgingscommissie seksueel misbruik in gezagsrelaties” telkens zij hierom verzoekt.
Het Wetenschappelijk Comité stelt de lijsten van arbiters op zoals omschreven in artikel 13.1.2. Het staat in voor de vervanging van de leden van de Permanente Arbitragekamer die ontslag zouden nemen of die zouden komen te overlijden.
Het Wetenschappelijk Comité bestaat uit vier leden, waarvan twee leden worden aangeduid door de “Opvolgingscommissie seksueel misbruik in gezagsrelaties” en de twee andere door de bisschoppen en de oversten van de religieuze congregaties en ordes. De duur van hun mandaat strekt zich uit tot op het ogenblik waarop een definitieve regeling is bereikt van de laatste aanvraag die nog bij het Centrum aanhangig is. In geval een lid van het Wetenschappelijk Comité ontslag zou nemen of komen te overlijden, zal de overheid die dit ontslagnemend of overleden lid had aangesteld, een nieuw lid aanduiden.
Het Comité geeft haar adviezen en neemt haar beslissingen bij consensus.
De leden van dit Comité zetelen niet in de Permanente Arbitragekamer en kunnen evenmin optreden als arbiter in dossiers behandeld door het Centrum.

DEEL 2: TOEPASSINGSDOMEIN
Artikel 4 - De partijen bij de procedure
4.1. De aanvrager
Aanvrager kan zijn elke natuurlijke persoon, minderjarig op het ogenblik van de feiten, die rechtstreeks slachtoffer is geweest van een seksueel misbruik gepleegd door een priester van een Belgisch bisdom of een lid van een religieuze congregatie of orde in België gevestigd en die wegens de verjaring geen ander rechtsmiddel meer heeft dan deze procedure.
De aanvrager kan zich beroepen op feiten die hebben plaatsgevonden hetzij in België, hetzij in het buitenland op voorwaarde dat de aangewezen priester of het aangewezen lid van een religieuze congregatie of orde in opdracht van zijn overste in het buitenland verbleef en de feiten in België strafrechtelijk vervolgbaar waren.
Aanvrager kan ook een natuurlijke persoon zijn, onrechtstreeks slachtoffer van de aangevoerde feiten van seksueel misbruik, wanneer deze de determinerende oorzaak zijn geweest van de zelfdoding van het rechtstreekse slachtoffer. In dit geval kan de vader, de moeder, één van de erfgenamen in de eerste graad, de echtgenoot of echtgenote, de wettelijk samenwonende partner van het rechtstreekse slachtoffer of de persoon die op het ogenblik van zijn zelfdoding feitelijk als zijn partner duurzaam samenwoonde met het rechtstreekse slachtoffer een aanvraag indienen in eigen naam en voor eigen rekening en, desgevallend, in naam en voor rekening van de genoemde familieleden, met het oog op het bekomen van de erkenning van hun persoonlijk leed en van een billijke compensatie, die bepaald is in artikel 7.3. van dit reglement. In deze hypothese moeten de aangevoerde verjaarde feiten gepleegd zijn na 31 december 1945. Desgevallend zullen de aanvrager en de familieleden die hij vertegenwoordigt de compensatie onder elkaar moeten verdelen volgens een verdeelsleutel die ze onderling afspreken of die, op hun verzoek, door de arbiters wordt bepaald.

Voor zover al de personen die gemachtigd zijn om een aanvraag in te dienen, op grond van voorgaande alinea, overleden zijn, kan een broer of een zus van het slachtoffer dat door zelfdoding is overleden een aanvraag indienen op deze grondslag, in eigen naam en voor eigen rekening en, desgevallend, in naam en voor rekening van sommige van de broers en zussen of van allen. Geen andere verwanten of aanverwanten kunnen een geldige aanvraag indienen in het kader van dit reglement.





4.2. De verweerder
De verweerder is de rechtspersoon die gemachtigd is om op te treden in het kader van deze procedure als vertegenwoordiger van de bisschoppen en de religieuze oversten van religieuze congregaties of ordes.

Artikel 5 – De vordering
5.1. Voorwerp van de vordering
De aanvrager bepaalt in zijn aanvraag het voorwerp van zijn of haar vordering. Deze kan bestaan in een vraag tot erkenning van het aangedane leed van het slachtoffer van een seksueel misdrijf en tot herstel in zijn waardigheid, en/of in tot toekenning van een financiële compensatie. Deze laatste, gesteund op de morele verantwoordelijkheid opgenomen door de bisschoppen en de religieuze oversten, wordt toegekend overeenkomstig de voorwaarden bepaald in dit reglement. Zij bestaat uit een éénmalig, forfaitair bedrag, naar billijkheid begroot in het kader van de arbitrageprocedure.
5.2. Subsidiariteit van de vordering
5.2.1. Een vordering is enkel mogelijk wanneer het slachtoffer geen partij is in een andere hangende procedure over dezelfde feiten en wanneer het slachtoffer geen beroep meer kan doen op enig rechtsmiddel voor de hoven en rechtbanken omwille van de verjaring van deze feiten. Mocht hierover een onenigheid rijzen, worden deze punten beslecht door de Permanente Arbitragekamer.
5.2.2. Indien een slachtoffer voor dezelfde feiten een burgerlijke procedure heeft ingeleid waarvan hij afstand wil doen, maar vreest hij dat om redenen eigen aan het procesverloop, de afstand nog geen einde zal gesteld hebben aan die procedure binnen de termijn die op 31 oktober 2012 verstrijkt, kan het slachtoffer voor verjaarde feiten een aanvraag indienen ten bewarende titel. De Permanente Arbitragekamer beslist over de ontvankelijkheid van de aanvraag uiterlijk op 31 juli 2013. Voorafgaandelijk deelt het slachtoffer haar het bewijs mee van zijn afstand en van het einde van de burgerlijke procedure.
5.2.3. Indien een slachtoffer als burgerlijke partij betrokken is bij een proces dat nog aanhangig is bij een strafrechtbank, en vreest dat de zaak zal verjaren, kan hij ten bewarende titel een aanvraag indienen tijdens de termijn die loopt tot uiterlijk 31 oktober 2012. De Permanente Arbitragekamer, nadat zij bij toepassing van art. 12.1., tweede streepje, desgevallend contact heeft opgenomen met het bevoegde parket, beslist over de ontvankelijkheid van de aanvraag uiterlijk op 31 juli 2013.
5.2.4. Mocht het slachtoffer eerder al een geldelijke vergoeding hebben ontvangen van de aangeklaagde dader, van zijn kerkelijke overste of een kerkelijke instantie en gaf hij hiervoor een definitieve kwijting aan die dader of aan de kerkelijke overste of instantie voor dezelfde feiten, dan kan geen aanspraak gemaakt worden op een financiële compensatie in dit kader. De Permanente Arbitragekamer of het scheidsgerecht dat werd gevat, oordeelt of de kwijting definitief is en of de geldelijke vergoeding dezelfde feiten betreft. Werd geen definitieve kwijting gegeven, dan staat deze procedure open voor het slachtoffer, zij het dat wat eerder is ontvangen in mindering wordt gebracht op de financiële compensatie die in dit kader zou worden toegekend door de arbiters.


Artikel 6 – De regels van bewijsvoering
6.1. Bewijs van feiten van seksueel misbruik
Het door de aanvrager aangeklaagd seksueel misbruik moet door hem bewezen worden of moet minstens een hoge graad van waarachtigheid hebben, die geen redelijke twijfel toelaat. De aanvrager dient ook relevante bijkomende omstandigheden, zoals zijn leeftijd op het ogenblik van de feiten en de duur in de tijd van de feiten, te bewijzen.
Het bewijs van de feiten kan geleverd worden door vermoedens en getuigenissen, waarover de arbiters soeverein oordelen, en door schriftelijke bekentenissen en rechterlijke uitspraken.
6.2. Bewijs van schade en oorzakelijk verband: algemene principes
Ten einde de bewijslast van het slachtoffer te verlichten, worden in de eerste drie categorieën van feiten van seksueel misbruik, bepaald in artikel 7.1.3., de schade en het oorzakelijk verband vermoed. In die categorieën volstaat het bewijs van de feiten van seksueel misbruik en van hun ernst.
Indien de aangevoerde feiten vallen onder categorie 4, wordt, naast het bewijs van de uitzonderlijke ernst van de feiten, vereist dat de aanvrager de omvang van de door hem geleden schade daadwerkelijk bewijst evenals het oorzakelijk verband tussen de aangeklaagde feiten en zijn bewezen schade.
Wanneer de aanvrager een onrechtstreeks slachtoffer is, zoals omschreven in artikel 4.1., derde lid van dit reglement, wordt, naast het bewijs van de feiten van seksueel misbruik en van de zelfdoding van het rechtstreekse slachtoffer, vereist dat de aanvrager bewijst dat deze feiten de determinerende oorzaak zijn geweest van de zelfdoding van het rechtsreeks slachtoffer. De morele schade van de aanvrager wordt vermoed.


Artikel 7 – De feiten volgens hun ernst en de categorieën van financiële compensatie
7.1. De feiten volgens hun ernst
7.1.1. De financiële compensatie van een rechtstreeks slachtoffer hangt af van de ernst van de feiten van seksueel misbruik en wordt ingedeeld in vier categorieën. Aan elke categorie wordt een maximum bedrag aan financiële compensatie gekoppeld, zodat de arbiters een marge hebben waarbinnen ze meer precies rekening kunnen houden met alle omstandigheden van het geval. Zij houden rekening met onder meer de volgende drie elementen: de jonge leeftijd van het slachtoffer, de eenmaligheid, de kortstondige of langdurige herhaling in de tijd van de gepleegde feiten, evenals de kosten van een eventuele therapie.
7.1.2. In het geval van feiten die onder verschillende categorieën vallen, geldt enkel de categorie met het hoogste cijfer.
7.1.3. De financiële compensatie volgens de vier categorieën is:
Categorie 1: bij aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd op het slachtoffer: financiële compensatie tot maximum 2.500 Euro.

Wanneer het minderjarige slachtoffer op het ogenblik van de feiten onder de volle leeftijd van 16 jaar was of een bijzondere kwetsbaarheid vertoonde, valt hij onder categorie 2.


Categorie 2: bij aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd op het slachtoffer, of waarbij er een vermoeden van geweld of bedreiging wordt aangenomen wanneer de minderjarige op het ogenblik van de feiten onder de volle leeftijd 16 jaar was of een bijzondere kwetsbaarheid vertoonde: financiële compensatie tot maximum 5.000 Euro.

Categorie 3: bij verkrachting, meer bepaald bij feiten van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een minderjarige die daar niet in toestemde, waarbij in rekening wordt gebracht dat als de minderjarige op het ogenblik van de (eerste) feiten onder de volle leeftijd van 16 jaar was of een bijzondere kwetsbaarheid vertoonde, hij geacht wordt niet te hebben toegestemd: financiële compensatie tot maximum 10.000 Euro.
Categorie 4: bij feiten van de voorgaande categorieën die, gezien de ernst, de uitzonderlijke langdurigheid of de bijzondere omstandigheden van het seksueel misbruik, als uitzonderlijk dienen beschouwd en die geleid hebben tot een aantoonbare buitengewone schade waarvan het causaal verband met het seksueel misbruik bewezen wordt: financiële compensatie tot maximum 25.000 Euro.
7.1.4. Indien een scheidsgerecht bij unanimiteit oordeelt, in een uitzonderlijk geval, dat er een kennelijke onevenredigheid bestaat tussen het maximum bedrag van categorie 4 en de schade die het slachtoffer werkelijk heeft geleden door de feiten van seksueel misbruik, kan de Permanente Arbitragekamer, op gemotiveerd verzoek van dat scheidsgerecht en na de partijen gehoord te hebben, uitzonderlijk een toelating verlenen aan het scheidsgerecht om het bepaalde maximum te overschrijden wanneer zij vaststelt dat de werkelijk geleden en bewezen schade een buitengewoon omvangrijk karakter heeft dat de schade overtreft die geleden wordt door andere slachtoffers die vallen onder categorie 4. De Permanente Arbitragekamer beslist bij unanimiteit van haar leden over deze toelating.
7.2. Gemengd karakter van de financiële compensatie
7.2.1. De bedragen binnen de categorieën 1 tot en met 3 hebben een forfaitair en gemengd karakter en vormen een compensatie voor zowel morele als materiële schade (zoals therapie- en andere medische kosten, verplaatsingskosten) van een rechtstreeks slachtoffer.
7.2.2. De bedragen binnen de categorie 4 hebben ook een gemengd karakter en vormen een compensatie voor morele en voor materiële schade, inbegrepen vermogensschade (blijvende arbeidsongeschiktheid).
7.3. Financiële compensatie in geval van zelfdoding van het rechtstreekse slachtoffer
De aanvrager die een onrechtstreeks slachtoffer is en handelt in de zin van en binnen de voorwaarden omschreven in de artikel 4.1., derde lid en 6.2., derde lid van dit reglement, kan een financiële compensatie bekomen tot een maximum van 7.000 Euro.


Artikel 8 – De opdracht van de arbiters
8.1. Principe
Aangezien de feiten van seksueel misbruik die voorwerp zijn van deze procedure verjaard zijn, kunnen noch de Permanente Arbitrale Kamer noch de scheidsgerechten in een arbitrale uitspraak een veroordeling uitspreken ten aanzien van de in de aanvraag aangewezen dader van het seksueel misbruik.
De arbiters onthouden zich ervan om in hun arbitrale uitspraken en eventuele processen-verbaal de naam van de aangewezen dader en elk element dat zijn identificatie zou mogelijk maken, te vermelden, uit eerbied voor zijn recht op de verworven verjaring en voor zijn recht op privé-leven.


8.2. Verzoening of bemiddeling in het kader van deze procedure

8.2.1. Vanaf de aanvraag en op elk ogenblik van de procedure kunnen de arbiters – hetzij de Permanente Arbitragekamer, hetzij een scheidsgerecht – op verzoek van de partijen of op eigen initiatief waar de partijen bij aansluiten, een verzoening met het oog op een minnelijke regeling betrachten. De verzoeningspoging van de arbiters heeft tot doel om een geschil door discussie op te lossen, zodat men een regeling kan uitwerken die beide partijen tevreden stemt. De arbiters hebben een actieve rol in de dialoog tussen de partijen en kunnen een voorstel tot regeling formuleren. Wanneer de partijen tot een akkoord komen, wordt dit in een proces-verbaal vastgelegd dat ondertekend wordt door de partijen en de arbiters. Dit proces-verbaal heeft dezelfde uitvoerbare kracht als een arbitrale uitspraak.
Wanneer partijen instemmen met een poging tot verzoening door de Permanente Arbitragekamer of door een scheidsgerecht, aanvaarden zij dat ingeval van mislukking van deze poging, de betrokken arbiters later niet kunnen gewraakt worden omwille van hun optreden als verzoener, althans voor zover de arbiters tijdens de verzoeningsprocedure geen besprekingen met de partijen afzonderlijk hebben gehad.
8.2.2. Vanaf de aanvraag en op elk ogenblik van de procedure kunnen de partijen een beroep doen op een bemiddeling om tot een minnelijke regeling te komen. Zij moeten hiertoe, in onderling overleg, een erkende bemiddelaar kiezen, die zelf geen arbiter mag zijn. Een indicatieve lijst van erkende bemiddelaars is opgenomen als bijlage bij dit reglement.

De bemiddeling is een procedure waarin een derde, onafhankelijke en onpartijdige persoon (de bemiddelaar), van de partijen de opdracht krijgt om hen te helpen om tot een minnelijke regeling te komen. De bemiddelaar heeft niet de bevoegdheid om aan de partijen een bepaalde oplossing van het geschil op te leggen. Wanneer de bemiddeling uitmondt in een akkoord tussen partijen, wordt dit in een proces-verbaal vastgelegd dat ondertekend wordt door de partijen en de bemiddelaar. Desgevallend kunnen de partijen door de Permanente Arbitragekamer of door een scheidsgerecht hun akkoord laten bekrachtigen, door een arbitrale uitspraak.


8.2.3. In geval de arbiters van de Permanente Arbitragekamer of van een scheidsgerecht vaststellen dat geen minnelijke regeling bereikt kon worden, noch door verzoening, noch door bemiddeling, wordt de procedure verdergezet voor de arbiters waar de zaak aanhangig was.

8.3. Buitenvervolgingstelling of vrijspraak
Indien de in de aanvraag aangewezen dader voor de feiten van seksueel misbruik die hem worden toegeschreven, reeds heeft genoten van een buitenvervolgingstelling of een vrijspraak, onderzoekt de Permanente Arbitragekamer of het dezelfde feiten betreft, in welk geval zij vaststelt dat de aanvraag niet ontvankelijk is.

8.4. De aangewezen dader is overleden of niet identificeerbaar
Indien blijkt dat de in de aanvraag aangewezen dader overleden is of indien de dader niet kan worden geïdentificeerd, ondanks het voeren van een diepgaand onderzoek met ondermeer de hulp van de verweerder, tracht de Permanente Arbitragekamer de partijen te verzoenen.
Indien de verzoeningspoging is mislukt kan de Permanente Arbitragekamer de zaak doorverwijzen naar een scheidsgerecht indien zij vaststelt dat er geldige bekentenissen van seksueel misbruik voorhanden zijn.

8.5. Horen van de aangewezen dader
Op elk ogenblik van de procedure kunnen de Permanente Arbitragekamer of de scheidsgerechten de aangewezen dader uitnodigen ten einde hem te horen over zijn versie van de aangevoerde feiten.

DEEL 3: ARBITRAGEPROCEDURE

Artikel 9 – De aanvraag

9.1. Termijn van indiening
Een aanvraag is enkel ontvankelijk indien deze geldig is ingediend uiterlijk voor 31 oktober 2012.
9.2. Formulier van aanvraag
9.2.1.

De aanvrager dient een geldige aanvraag in bij het Centrum, door het gebruik van het formulier, dat volledig is ingevuld. Dit formulier wordt door het Centrum ter beschikking gesteld op verzoek, via de website of via andere organisaties en verenigingen (zoals justitiehuizen, bureau’s voor juridische bijstand, …).


9.2.2.

Het formulier moet bij indiening verplichtend ondertekend zijn door de aanvrager zelf. Een niet-ondertekend formulier maakt de aanvraag onontvankelijk.


9.2.3.

De aanvraag wordt ingediend door neerlegging van het formulier met zijn bijlagen in twee exemplaren tegen ontvangstbewijs op het Secretariaat van het Centrum of door aangetekende verzending van het formulier met zijn bijlagen in twee exemplaren aan het adres van het Centrum. De datum van verzending is bepalend voor eerbiediging van de termijn bepaald in art. 9.1.


9.3. Bijlagen bij het formulier
Wanneer de aanvrager bijlagen met stavingsstukken aan zijn formulier toevoegt, dient hij ook een inventaris van deze stukken aan te hechten.


Artikel 10 – Opvolging van de aanvraag door het juridisch Secretariaat

10.1. Nazicht van de aanvraag
10.1.1.

Bij ontvangst van een aanvraag controleert het juridisch Secretariaat:




    • of de termijn van voor indiening bepaald in art. 9.1. gerespecteerd is,

    • of niet blijkt, volgens de informatie verschaft door de aanvrager, dat hij partij is bij een andere, lopende procedure voor dezelfde feiten, 

    • of het formulier volledig is ingevuld en voorzien van de noodzakelijke bijlagen.

10.1.2.


Het juridisch Secretariaat kan aan de aanvrager vragen om het formulier aan te vullen, wanneer bepaalde elementen niet zijn ingevuld of niet helemaal leesbaar zijn. Aanvullingen worden ingediend binnen een termijn van 15 werkdagen te rekenen vanaf de derde dag na verzending van het verzoek om aanvulling.
10.1.3.

Het juridisch Secretariaat doet verslag aan de Permanente Arbitragekamer.



10.2. Mededeling van de aanvraag aan verweerder
Van zodra aan de voorwaarden van artikel 10.1.1. is voldaan, zendt het Secretariaat een exemplaar van de aanvraag en van haar bijlagen binnen een termijn van 20 werkdagen aan de verweerder.

Artikel 11 – Antwoord van de verweerder
De verweerder beschikt over een termijn van 45 werkdagen te rekenen vanaf de derde dag na verzending van de aanvraag, voor het formuleren van zijn opmerkingen bij de aanvraag (over, bijvoorbeeld, de plaats, de periode of de omschrijving van de feiten, over de identificatie van de aangewezen dader, enz.). Hij deelt zijn “antwoord op de aanvraag” mee aan het juridsich Secretariaat die het zonder verwijl overmaakt aan de aanvrager.

Artikel 12 – Rol van de Permanente Arbitragekamer
12.1. Behandeling van de aanvraag door de Permanente Arbitragekamer
Na ontvangst van het antwoord van de verweerder of na afloop van de termijn voor het antwoord, onderzoekt de Permanente Arbitragekamer het dossier. In dit stadium beschikt zij over de volgende bevoegdheden:



  • zij bepaalt, op basis van de stukken van het dossier, of de aanvraag ontvankelijk is en of de arbitrageprocedure kan worden verder gezet;

  • in geval van twijfel, kan zij het parket vragen of een vooronderzoek, een onderzoek of een vordering hangende zijn en of daden van stuiting van de verjaring werden gesteld;

  • zij onderwerpt de aanvraag aan een eerste onderzoek en, indien nodig, neemt zij contact op met de vermeende dader van het seksueel misbruik, waarbij zij kan rekenen op de volle medewerking van de verweerder;

  • zij waakt over de correcte en pluridisciplinaire samenstelling van de scheidsgerechten en zij maakt hen de dossiers over.

  • zij kan op elk ogenblik een procedure van verzoening voeren;

  • indien de partijen opteren voor een bemiddeling, maakt zij het dossier over aan de bemiddelaar die de partijen kiezen;

  • zij bekrachtigt en verleent uitvoerende kracht aan de processen-verbaal die de neerslag zijn van een akkoord na bemiddeling, bij toepassing van artikel 8.2.2.;


12.2. De verjaring
12.2.1.

Indien de Permanente Arbitragekamer oordeelt dat de aanvraag niet ontvankelijk is, omdat het geval van seksueel misbruik nog niet verjaard is, velt zij een arbitrale uitspraak om dit vast te stellen.


De partijen worden vervolgens in kennis gesteld van deze arbitrale uitspraak.
12.2.2.

Indien de Permanente Arbitragekamer oordeelt dat de aangevoerde feiten van seksueel misbruik verjaard zijn, betracht zij een verzoening van de partijen. Bij gebrek aan verzoening van de partijen, verwijst de Permanente Arbitrale Kamer de zaak door naar een scheidsgerecht dat zal oordelen over de grond van de aanvraag. Alvorens te beslissen over de doorverwijzing controleert de Permanente Arbitragekamer, in de hypothesen waarover artikel 8.4. handelt, of de voorwaarden van deze bepaling vervuld zijn.


12.3. Andere bevoegdheden van de Permanente Arbitragekamer
De Permanente Arbitragekamer heeft ook volgende bevoegdheden:


  • zij oordeelt over de wraking van de arbiters, de aanvaarding van het ontslag van een arbiter en de vervanging van arbiters, overeenkomstig artikel 13.5;

  • zij duidt de arbiters aan in de gevallen beschreven in de artikelen 13.2.2 et 13.3 en bevestigt desgevallend hun aanstelling in het geval van artikel 13.4.2 ;

  • zij verifieert of de akte van opdracht overeenstemt met dit reglement, zoals bepaald in artikel 14;

  • zij kan de termijn, bedoeld in artikel 17, verlengen;

  • zij verifieert of de ontwerpen van arbitrale uitspraken gewezen door de scheidsgerechten, overeenstemmen met dit reglement, bij toepassing van artikel 18;

  • zij stelt de arbitragekosten vast, aan het einde van de procedure, bij toepassing van artikel 20, tweede lid;

  • zij waakt over de naleving van de bepalingen van dit reglement.


Artikel 13 – De samenstelling van de scheidsgerechten
13.1. Principe van pluridisciplinaire samenstelling van de scheidsgerechten
13.1.1.

De scheidsgerechten bestaan uit drie arbiters, waaronder een voorzitter. De scheidsgerechten zijn pluridisciplinair samengesteld.


13.1.2.

Het Wetenschappelijk Comité van het Centrum stelt lijsten van arbiters op die beschikken over verschillende beroepservaring: een lijst van personen met ervaring in de zorgsector, een lijst van personen met ervaring in de welzijnssector en een lijst van juristen.


13.1.3. Wanneer de Permanente Arbitragekamer beslist over een doorverwijzing naar een scheidsgerecht, maakt het juridisch Secretariaat aan elk der partijen de drie lijsten over die genoemd worden in artikel 13.1.2.

13.2. Principe van de keuze van hun arbiter door elke partij
13.2.1.

De aanvrager en de verweerder kunnen elk vrij een arbiter kiezen uit de lijsten van arbiters vastgelegd door het Wetenschappelijk Comité van het Centrum. Doen zij dit niet, dan wordt de arbiter in hun plaats gekozen door de Permanente Arbitragekamer uit de lijsten genoemd in artikel 13.1.2.

13.2.2.

In geval de partijen dezelfde arbiter kozen, worden beide partijen uitgenodigd om elk een nieuwe arbiter te kiezen.



13.3. De aanduiding van de Voorzitter

De partijen kunnen de voorzitter gezamenlijk aanduiden uit de lijst met juristen, zoals beschreven in artikel 13.1.2. Doen zij dit niet of raken zij het niet eens over de persoon van de voorzitter, dan wordt hij gekozen door de Permanente Arbitragekamer uit de lijst met juristen.


13.4. Verklaring van onafhankelijkheid en onpartijdigheid
13.4.1.

Vooraleer zij gevat worden van een zaak, ondertekenen de arbiters een verklaring waarmee zij hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid ten opzichte van de partijen en hun advocaten bevestigen en garanderen gedurende de hele procedure onafhankelijk en onpartijdig te zullen blijven.


13.4.2.

Ingeval, bij zijn aanstelling, een arbiter van oordeel is dat er omstandigheden zijn die zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid in de ogen van de partijen in twijfel zouden kunnen trekken, deelt hij dit mee aan het juridisch Secretariaat dat onmiddellijk de partijen hierover inlicht en hen een korte termijn tot stellingname verleent. Na ontvangst van de opmerkingen van de partijen of na afloop van de toegekende termijn, beslist de Permanente Arbitragekamer of deze persoon als arbiter kan aangesteld worden. Ingeval de door een partij voorgedragen persoon niet bevestigd wordt als arbiter, wordt aan deze partij door het juridisch Secretariaat een nieuwe termijn verleend om een arbiter uit de lijsten te kiezen.


13.4.3.

Indien, in de loop van de arbitrageprocedure, een arbiter van oordeel is dat er zich omstandigheden voordoen die zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid in het gedrang zouden kunnen brengen, brengt hij deze onmiddellijk ter kennis van het juridisch Secretariaat en de partijen. Men volgt dezelfde procedure als bepaald in artikel 13.4.2.



13.5. Wraking van een arbiter, ontslag door een arbiter en vervanging van een arbiter
13.5.1.

Een arbiter kan gewraakt worden door een partij, wanneer er twijfel ontstaat over zijn onafhankelijkheid of zijn onpartijdigheid. In voorkomend geval, verleent het juridisch Secretariaat aan de gewraakte arbiter, aan de andere leden van het scheidsgerecht en aan de andere partij de gelegenheid om hierover stelling in te nemen. Na ontvangst van deze opmerkingen of, bij gebreke ervan, na afloop van de toegekende termijn, beslist de Permanente Arbitragekamer over de vraag tot wraking van de arbiter.


13.5.2.

Indien de vraag tot wraking wordt aanvaard, wordt de partij die de gewraakte arbiter had voorgedragen, uitgenodigd om een nieuwe arbiter te kiezen uit de lijsten.


13.5.3.

Ingeval van overlijden van een arbiter of van zijn aanvaard ontslag, wordt hij vervangen door een arbiter die gekozen wordt door de partij die deze arbiter had aangesteld of door de Permanente Arbitragekamer indien het om de Voorzitter gaat van het scheidsgerecht.


13.5.4.

Eens het scheidsgerecht opnieuw is samengesteld, beslist het, na de partijen hierover gehoord te hebben, of en in welke mate bepaalde stappen van de procedure worden hernomen.



Artikel 14 – De behandeling van de zaak door de arbiters
14.1. Opstellen van een Akte van Opdracht
14.1.1.

Van zodra het scheidsgerecht is samengesteld en het dossier van het juridisch Secretariaat heeft ontvangen, stelt het scheidsgerecht op basis van de stukken, desgevallend in aanwezigheid van de partijen, en met inachtneming van hun laatste mededelingen, een ontwerp van akte van opdracht op.

De akte van opdracht moet opgesteld zijn volgens de modelakte, opgenomen als bijlage bij dit Reglement.

Het ontwerp wordt onderworpen aan een controle door de Permanente Arbitragekamer en, vervolgens, aan de goedkeuring van de partijen voorgelegd.


14.1.2.

De partijen ondertekenen de akte van opdracht vooraleer de debatten door de arbiters geopend worden.


14.2. Het in staat stellen van de zaak
14.2.1.

Van zodra de akte van opdracht is ondertekend, bevestigt het scheidsgerecht zo spoedig mogelijk de overeengekomen kalender aan de partijen.


14.2.2.

Het scheidsgerecht kan aan de partijen alle inlichtingen vragen die het nuttig acht, zowel met betrekking tot de aangevoerde feiten, als met betrekking tot de echtheid van neergelegde bewijsstukken en/of met betrekking tot eerder ontvangen vergoedingen.


14.2.3.

Indien het dit aangewezen acht, kan het scheidsgerecht de partijen en eventuele getuigen horen.


Gelet op de pluridisciplinaire samenstelling van de scheidsgerechten, kan een deskundige slechts aangesteld worden door de arbiters indien zijn expertise onmisbaar is om hun oordeel te vellen over de schade. De uitspraak waarbij een deskundige wordt aangesteld, moet een omstandige motivering bevatten.
14.2.4.

Het scheidsgerecht bepaalt het verloop van de zittingen, waarbij de partijen het recht hebben aanwezig te zijn. De partijen kunnen in persoon verschijnen. Zij kunnen zich ook laten bijstaan en/of laten vertegenwoordigen door een advocaat



Artikel 15 – Toepasselijke rechtsregels
De arbiters passen de procedureregels toe die in dit Arbitragereglement zijn vastgelegd.
Zij oordelen naar billijkheid overeenkomstig de regels ten gronde vervat in dit Arbitragereglement.

Artikel 16 – Vertrouwelijk karakter van de arbitrageprocedure

Het Centrum, de Permanente Arbitragekamer, de scheidsgerechten, de eventuele deskundigen en bemiddelaars, en de partijen waken erover dat de procedure en de arbitrale uitspraak of een mogelijke minnelijke regeling van het geschil vertrouwelijk blijven.


Teneinde de publieke opinie in te lichten over haar werking en over de gevelde uitspraken, zal het Centrum een jaarverslag bekendmaken zonder evenwel persoonlijke gegevens kenbaar te maken.

Artikel 17 – Het vellen van de arbitrale uitspraak
Het scheidsgerecht moet uitspraak doen bij meerderheid van stemmen, binnen een termijn van zes maanden vanaf de ondertekening van de Akte van Opdracht.
De Permanente Arbitragekamer kan deze termijn verlengen op grond van een gemotiveerd verzoek van het scheidsgerecht.
De arbitrale uitspraken moeten gemotiveerd zijn.
De uitspraak wordt geacht te zijn gedaan op de plaats van arbitrage en op de datum die erin vermeld wordt.

Artikel 18 – Toetsing van de overeenstemming van de arbitrale uitspraak met het Reglement door de Permanente Arbitragekamer
Alvorens de arbitrale uitspraak te ondertekenen, moet het scheidsgerecht deze in ontwerp aan de Permanente Arbitragekamer voorleggen.
De Permanente Arbitragekamer kan wijzigingen opleggen betreffende de vorm van de uitspraak en kan eveneens, zonder evenwel de beslissingsbevoegdheid van het scheidsgerecht aan te tasten, zijn aandacht vestigen op inhoudelijke punten.
Ter gelegenheid van deze controle, begroot de Permanente Arbitragekamer ook de arbitragekosten.
Geen uitspraak kan door een scheidsgerecht worden gedaan zonder dat zij in haar eindversie is goedgekeurd door de Permanente Arbitragekamer wat de vormelijke aanpassingen betreft.

Artikel 19 – Kennisgeving en uitvoerbaarheid van de uitspraak
19.1. Kennisgeving van de uitspraak
Wanneer de uitspraak is gedaan, maakt het scheidsgerecht drie originele exemplaren van de ondertekende uitspraak over aan het juridisch Secretariaat. Het juridisch Secretariaat maakt aan elk der partijen een exemplaar over per aangetekend schrijven.
De partijen doen afstand van enige andere vorm van kennisgeving of neerlegging door het scheidsgerecht.
Enkel de partijen kunnen eenvormig verklaarde afschriften van de arbitrale uitspraak bekomen bij het Centrum.
19.2. Uitvoering van de uitspraak
De arbitrale uitspraak is definitief, zonder mogelijkheid van een hoger beroep, en bindt de partijen. Door hun geschil aan arbitrage overeenkomstig dit Reglement voor te leggen, verbinden de partijen er zich toe de arbitrale uitspraak na te komen. De verweerder beschikt over een termijn van maximum drie maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van de uitspraak, om de betaling uit te voeren van het bedrag dat als financiële compensatie is toegekend aan de aanvrager.

Artikel 20 – De kosten van de arbitrageprocedure
De arbitragekosten omvatten de erelonen van de arbiters zetelend in de scheidsgerechten, evenals de erelonen en de kosten van de eventueel aangestelde deskundige.
Het bedrag van de erelonen van deze arbiters wordt bepaald door de Permanente Arbitragekamer overeenkomstig de tarieflijst die van toepassing is op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.

De arbitrale einduitspraak beslist over de arbitragekosten die, in beginsel, gedragen worden door de verweerder. In geval de vordering steunt op moedwillig onjuiste of leugenachtige verklaringen van de aanvrager, mogen de arbiters hem alle arbitragekosten of een deel ervan doen dragen.


De eventuele zitpenningen van de leden van de Permanente Arbitragekamer en van het Wetenschappelijk Comité en de administratiekosten nodig voor de goede werking van het Centrum, worden gedragen door de federale overheid.


05.03.2012




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina