Arrest van het gerecht van eerste aanleg (derde kamer) van 13 juli 1995



Dovnload 0.71 Mb.
Pagina1/11
Datum29.09.2016
Grootte0.71 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
61993A0466

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 13 JULI 1995.

THOMAS O'DWYER, THOMAS KEANE, THOMAS CRONIN EN JAMES REIDY TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE UNIE.

GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN IN SECTOR MELK EN ZUIVELPRODUKTEN - MELKQUOTA - EXTRA HEFFING OP MELK - VERLAGING VAN REFERENTIEHOEVEELHEDEN ZONDER VERGOEDING - SCHADEVORDERING.



GEVOEGDE ZAKEN T-466/93, T-469/93, T-473/93, T-474/93 EN T-477/93.

Jurisprudentie 1995 bladzijde II-02071

1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Verlaging van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld, zonder vergoeding ° Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen ° Schending ° Afwezigheid

(Verordening nr. 816/92 van de Raad)

2. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Verordeningen

(EEG-Verdrag, art. 190)

3. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Doelstellingen ° Afweging ° Beoordelingsbevoegdheid van instellingen ° Stabilisering van markt in sector zuivelprodukten ° Verlaging van referentiehoeveelheden die van extra heffing zijn vrijgesteld

(EEG-Verdrag, art. 39, lid 1, sub c, 40 en 43; verordening nr. 816/92 van de Raad)

4. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Verlaging van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld, zonder vergoeding ° Eigendomsrecht ° Vrije beroepsuitoefening ° Evenredigheidsbeginsel ° Non-discriminatiebeginsel ° Schending ° Afwezigheid

(EEG-Verdrag, art. 40, lid 3, tweede alinea; verordening nr. 816/92 van de Raad)


1. Aangezien de vaststelling van de gegarandeerde totale hoeveelheden in het kader van het bij verordening nr. 816/92 ingevoerde stelsel van een extra heffing op melk behoort tot de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Raad om de gemeenschappelijke ordening in de sector melk en zuivelprodukten aan te passen aan de gewijzigde economische situatie, kan in beginsel geen enkele marktdeelnemer erop vertrouwen, dat de Raad in het kader van het beheer van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek in de toekomst de gegarandeerde totale hoeveelheden en dus ook de individuele referentiehoeveelheden van de producenten niet zal verlagen, en kan hij er evenmin op vertrouwen, dat elke verlaging van individuele referentiehoeveelheden gepaard zal gaan met een vergoeding. In het bijzonder kan het enkele feit, dat bij de verlaging van de gegarandeerde totale hoeveelheden in eerdere verordeningen wel een vergoeding is toegekend, bij de betrokken marktdeelnemers, wat de verlaging van de referentiehoeveelheden voor de periode 1992/1993 zonder vergoeding betreft, geen gewettigd vertrouwen hebben gewekt, dat bij elke verdere verlaging van de betrokken hoeveelheden een vergoeding zou worden toegekend.

Dit klemt te meer, omdat de gehele regeling betreffende de extra heffing op 31 maart 1992 afliep. Aangezien de Raad met betrekking tot de voorwaarden voor de voortzetting van deze regeling voor de toekomst over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte, kon in beginsel geen enkele marktdeelnemer gewettigd vertrouwen stellen in de strekking van de regeling die de Raad voor de periode na deze datum zou vaststellen, met name wat de handhaving van de gegarandeerde totale hoeveelheden aangaat.

Nu immers dezelfde referentiehoeveelheden gedurende de vijf voorafgaande jaren waren geschorst, en tijdens deze periode reeds een degressieve vergoeding van in totaal 45,5 ECU per 100 kg aan de producenten was uitbetaald, en er nog steeds te veel melk werd geproduceerd, kon een voorzichtig en bezonnen handelaar voorzien dat de referentiehoeveelheden voor de periode van 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993 zonder vergoeding zouden worden verlaagd, wat gebeurd is bij verordening nr. 816/92. Door de bekendmaking van de Commissievoorstellen op 31 december 1991 waren alle belanghebbenden bovendien uitdrukkelijk gewaarschuwd voor een dergelijke verlaging van de betrokken hoeveelheden zonder vergoeding. Aangezien de melkproduktie hoofdzakelijk op jaarbasis wordt gepland vanaf 1 april van elk jaar, konden de producenten de weerslag van de voorgestelde maatregelen dus tijdig inschatten en op de gepaste wijze daarop reageren.

2. De door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering moet aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden. De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. Bij verordeningen kan evenwel geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende, soms zeer talrijke en ingewikkelde onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen.

3. Bij het toewerken naar de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten de instellingen van de Gemeenschap voortdurend ervoor zorgen, mogelijke tegenstrijdigheden tussen de afzonderlijke doelstellingen te verzoenen, en dienen zij in voorkomend geval aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang dienen te verlenen overeenkomstig de eis van de economische gegevenheden of omstandigheden met het oog waarop zij hun besluiten nemen.

De gemeenschapswetgever die op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 van het Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid, kon dus, zonder de hem bij artikel 39 van het Verdrag toegekende bevoegdheden te overschrijden, tijdelijk voorrang verlenen aan het doel de door structurele overschotten gekenmerkte markt voor melk en zuivelprodukten te stabiliseren, zoals hij heeft gedaan door voor het tijdvak 1992/1993 bij verordening nr. 816/92 te besluiten tot verlaging van de referentiehoeveelheden die van de extra heffing zijn vrijgesteld.

4. De bij verordening nr. 816/92 voor het tijdvak 1992/1993 ingevoerde verlaging van referentiehoeveelheden die van de extra heffing op melk zijn vrijgesteld, zonder vergoeding, maakt geen inbreuk op het recht van eigendom, het recht op vrije beroepsuitoefening, het evenredigheidsbeginsel en het discriminatieverbod.

Deze maatregel kan namelijk op zich niet worden beschouwd als een schending van het recht van eigendom of het recht op vrije beroepsuitoefening, die volgens het gemeenschapsrecht zeker geen absolute gelding hebben, maar aan bepaalde in het algemeen belang gerechtvaardigde beperkingen kunnen worden onderworpen, noch als een schending van het evenredigheidsbeginsel omdat zij in verhouding tot het doel ervan, namelijk stabilisatie van de melk- en zuivelmarkt, niet kennelijk ongeschikt is, noch als een inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling, dat in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in artikel 40, lid 3, tweede alinea, is neergelegd, omdat het gaat om een maatregel die voor alle producenten van de Gemeenschap geldt en objectieve elementen ontbreken waaruit blijkt, dat bepaalde producenten op grond van hun bijzondere situatie, terecht aanspraak zouden hebben kunnen maken op een daaraan, in naam van de gelijkheid, aangepaste behandeling.
In de gevoegde zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93, T-474/93 en T-477/93,

T. O' Dwyer, T. Keane, T. Cronin en J. Reidy, wonende respectievelijk te Drumdowney, Snowhill, Waterford (Ierland), Corbally, Gurtymadden, Loughrea, County Galway (Ierland), Ardmore, Waterford (Ierland) en Carrowreagh, Cooper, Tubbercurry, County Sligo (Ierland), vertegenwoordigd door A. Burke, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Kronshagen, advocaat aldaar, Boulevard de la Foire 12,

verzoekers,

tegen


Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Brautigam, juridisch adviseur, en M. Bishop, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,

verweerder,

ondersteund door

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet, juridisch adviseur, en C. Docksey, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

interveniënte,

betreffende, in de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93, vergoeding van de schade die verzoekers zouden hebben geleden wegens de toepassing van verordening (EEG) nr. 816/92 van de Raad van 31 maart 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 86, blz. 83), en in zaak T-477/93, vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden wegens de toepassing van verordening (EEG) nr. 748/93 van de Raad van 17 maart 1993 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3950/92 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1993, L 77, blz. 16),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),



samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, C. P. Briët en C. W. Bellamy, rechters,

griffier: H. Jung

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 14 februari 1995,

het navolgende

Arrest
Feiten en toepasselijke verordeningen

1 Alle verzoekers zijn melkproducenten, gevestigd in Ierland. Hun bedrijven hebben een oppervlakte van respectievelijk 42 ha (O' Dwyer), 30 ha (Keane), 51 ha (Cronin) en 33 ha (Reidy). O' Dwyer heeft 50 melkkoeien, Keane 23, Cronin 32 en Reidy 45.

2 In 1984 heeft de Raad ter bestrijding van de overproduktie van melk verordening (EEG) nr. 856/84 van 31 maart 1984 vastgesteld, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10; hierna: "verordening nr. 856/84"). Daarbij is aan verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB 1968, L 148, blz. 13; hierna: "verordening nr. 804/68") een nieuw artikel 5 quater toegevoegd, bepalende dat gedurende vijf opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden, te beginnen op 1 april 1984, een extra heffing op melk wordt ingesteld (thans gelijk aan 115 % van de richtprijs voor melk) over geleverde hoeveelheden melk die een bepaalde referentiehoeveelheid overschrijden ("quotum"), die voor elke producent of koper wordt bepaald (lid 1) binnen de grenzen van de voor iedere Lid-Staat vastgestelde "gegarandeerde totale hoeveelheid", die gelijk is aan de som van de hoeveelheden melk die in het kalenderjaar 1981 zijn geleverd, verhoogd met 1 % (lid 3), en eventueel aangevuld met een extra hoeveelheid uit de "communautaire reserve" (lid 4). De extra heffing kon naar keuze van de Lid-Staat worden toegepast hetzij op de producenten, op basis van de geleverde hoeveelheden ("formule A"), hetzij op de kopers, op basis van de hoeveelheden die hun door de producenten waren geleverd, in welk geval de heffing naar evenredigheid van hun leveringen aan de producenten wordt doorberekend ("formule B"). Ierland heeft voor formule B gekozen.

3 Toen er in 1986 nog steeds overschotten waren in de melksector, heeft de Raad bij verordeningen (EEG) nrs. 1335/86 van 6 mei 1986 tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1986, L 119, blz. 19), en 1343/86 van 6 mei 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1986, L 119, blz. 34), de gegarandeerde totale hoeveelheden voor het tijdvak 1987/1988 met 2 % en voor het tijdvak 1988/1989 met 1 % verlaagd, zonder vergoeding. Deze verlaging ging gepaard met een vergoedingsregeling voor de beëindiging van de produktie, ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1336/86 van de Raad van 6 mei 1986 tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie (PB 1986, L 119, blz. 21).

4 Aangezien er in 1987 nog steeds geen evenwicht was tussen vraag en aanbod, is bij artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 775/87 van de Raad van 16 maart 1987 betreffende de tijdelijke schorsing van een deel van de referentiehoeveelheden bedoeld in artikel 5 quater, lid 1, van verordening nr. 804/68 (PB 1987, L 78, blz. 5; hierna: "verordening nr. 775/87") overgegaan tot een tijdelijke schorsing van 4 % van elke referentiehoeveelheid voor het tijdvak 1987/1988 en van 5,5 % voor het tijdvak 1988/1989. Daartegenover stond, dat artikel 2 van verordening nr. 775/87 in de toekenning voorzag van een vergoeding van 10 ECU per 100 kg voor elk van deze tijdvakken.

5 In 1988 werd het stelsel van extra heffingen met drie jaar verlengd, tot het einde van het achtste tijdvak van 12 maanden (te weten tot 31 maart 1992), ingevolge verordening (EEG) nr. 1109/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1988, L 110, blz. 27). Tevens werd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1111/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 775/87 (PB 1988, L 110, blz. 30; hierna: "verordening nr. 1111/88") de in verordening nr. 775/87 voorziene tijdelijke schorsing van 5,5 % van de referentiehoeveelheden gedurende drie extra tijdvakken van 12 maanden gehandhaafd (1989/1990, 1990/1991 en 1991/1992). Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1111/88 bepaalde ook, dat ter compensatie van de schorsing een degressieve vergoeding moest worden betaald van 8 ECU per 100 kg voor 1989/1990, 7 ECU per 100 kg voor 1990/1991 en 6 ECU per 100 kg voor 1991/1992.

6 In 1989 zijn bij verordening (EEG) nr. 3879/89 van de Raad van 11 december 1989 tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1989, L 378, blz. 1; hierna: "verordening nr. 3879/89") de gegarandeerde totale hoeveelheden met 1 % verminderd teneinde de communautaire reserve te verhogen en aldus de toewijzing van extra referentiehoeveelheden aan bepaalde minder begunstigde producenten mogelijk te maken. Teneinde de niet-geschorste hoeveelheden op peil te houden is bovendien bij verordening (EEG) nr. 3882/89 van de Raad van 11 december 1989 tot wijziging van verordening nr. 775/87 (PB 1989, L 378, blz. 6; hierna: "verordening nr. 3882/89") het percentage van de tijdelijk geschorste referentiehoeveelheden verlaagd van 5,5 tot 4,5 %. Bij dezelfde verordening is bovendien de in verordening nr. 1111/88 bedoelde vergoeding verhoogd tot 10 ECU per 100 kg voor 1989/1990, 8,5 ECU per 100 kg voor 1990/1991 en 7 ECU per 100 kg voor 1991/1992, teneinde de producenten een bedrag te blijven betalen dat overeenkomt met een schorsing van 5,5 %.

7 In 1991 zijn bij verordening (EEG) nr. 1630/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1991, L 150, blz. 19), de gegarandeerde totale hoeveelheden opnieuw met 2 % verlaagd. Hiervoor werd een vergoeding toegekend ingevolge de artikelen 1 en 2 van verordening (EEG) nr. 1637/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van een vergoeding met betrekking tot de verlaging van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde referentiehoeveelheden en van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie (PB 1991, L 150, blz. 30).

8 Op 31 maart 1992 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 816/92 vast tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1992, L 86, blz. 83; hierna: "verordening nr. 816/92"). Deze verordening is in geding in de gevoegde zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93. De eerste twee overwegingen van de considerans van verordening nr. 816/92 luiden als volgt:

"Overwegende dat de regeling inzake de extra heffing die is ingesteld bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 (...) op 31 maart 1992 afloopt; dat in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een nieuwe regeling dient te worden vastgesteld die tot het jaar 2000 van kracht is; dat de huidige regeling derhalve in de tussenliggende tijd verlengd dient te worden met een negende tijdvak van twaalf maanden; dat, overeenkomstig de voorstellen van de Commissie, de krachtens de onderhavige verordening vastgestelde totale hoeveelheid voor dat tijdvak tegen een vergoeding kan worden verlaagd, om de reeds aangevangen sanering voor te zetten;

Overwegende dat de tijdelijke schorsing van een deel van de referentiehoeveelheden van het vierde tot en met het achtste tijdvak van twaalf maanden als vastgesteld in verordening (EEG) nr. 775/87 (...), noodzakelijk was in verband met de marktsituatie; dat, wegens de aanhoudende overschotsituatie, 4,5 % van de referentiehoeveelheden voor leveringen niet in aanmerking moeten worden genomen in de gegarandeerde totale hoeveelheden voor het negende tijdvak; dat de Raad in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid definitief zal besluiten wat er met deze hoeveelheden moet gebeuren; dat het, daarvan uitgaande, dienstig is de betrokken hoeveelheid voor elke Lid-Staat te preciseren".

9 Bij artikel 1 van verordening nr. 816/92 is artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr. 804/68 gewijzigd en is daaraan het volgende punt toegevoegd:

"g) bedraagt de gegarandeerde totale hoeveelheid voor het tijdvak van 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993, onverminderd een verlaging, in de loop van het tijdvak, rekening houdend met de voorstellen van de Commissie in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met 1 % berekend op de in de tweede alinea van dit lid bedoelde hoeveelheden:

(...)


Ierland 4 725,600

(...)


De in verordening (EEG) nr. 775/87 bedoelde hoeveelheden die niet in de eerste alinea zijn opgenomen, luiden als volgt (in 1 000 ton):

(...)


Ierland 237,600

(...)


De Raad zal in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid definitief besluiten wat er met deze hoeveelheden moet gebeuren."

10 Bij verordeningen (EEG) van 30 juni 1992, nrs. 2071/92 tot wijziging van verordening nr. 804/68, 2072/92 tot vaststelling van de richtprijs voor melk en van de interventieprijzen voor bepaalde zuivelprodukten voor twee perioden van twaalf maanden die lopen van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1995, 2073/92 inzake maatregelen om de consumptie van melk en zuivelprodukten in de Gemeenschap te stimuleren en de markten voor melk en zuivelprodukten te verruimen, en 2074/92 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 215, respectievelijk blz. 64, 65, 67 en 69), heeft de Raad de nodige wetgeving vastgesteld met betrekking tot de werking van de markten voor melk en zuivelprodukten voor de periode 1992/1993, zonder de in verordening nr. 816/92 bedoelde, niet in aanmerking genomen referentiehoeveelheden te vermelden.

11 Bij brief van 16 december 1992 verzocht de Irish Creamery Milk Suppliers Association namens al haar leden, waaronder verzoekers, de Raad een vergoeding toe te kennen wegens de schorsing van de in verordening nr. 816/92 bedoelde referentiehoeveelheden en aan deze schorsing geen permanent karakter toe te kennen, of anders aan de betrokken producenten een passende vergoeding toe te kennen. Bij brief van dezelfde datum verzocht de Irish Creamery Milk Suppliers Association de Commissie te bevestigen, dat de door haar aan de Raad voorgelegde voorstellen niet strekten tot een permanente verlaging van de referentiehoeveelheden met 4,5 %, of anders die voorstellen in te trekken en te bevestigen dat zij een voorstel zou indienen ter compensatie van de schorsing gedurende het tijdvak 1992/1993, alsmede voor elke definitieve verlaging van de betrokken hoeveelheden.

12 Aangezien een stelsel van extra heffingen noodzakelijk bleef, verlengde en codificeerde de Raad vervolgens bij verordening (EEG) nr. 3950/92 van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 405, blz. 1; hierna: "verordening nr. 3950/92") de regeling inzake de referentiehoeveelheden en de extra heffingen voor een nieuwe periode van zeven jaar, waarbij de vroegere communautaire reserve in de gegarandeerde totale hoeveelheden werd opgenomen (zie met name de eerste en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 3950/92). Artikel 3 van verordening nr. 3950/92 bepaalt, dat de sommen van de individuele referentiehoeveelheden van dezelfde aard niet groter mogen zijn dan de overeenkomstige totale hoeveelheden die voor elke Lid-Staat worden vastgesteld. Artikel 4 bepaalt, dat de individuele referentiehoeveelheden gelijk zijn aan de op 31 maart 1993 beschikbare hoeveelheden, onder voorbehoud van aanpassingen op nationaal niveau, binnen de grenzen van de totale hoeveelheid bedoeld in artikel 3.

13 Op 5 februari 1993 liet de Raad de Irish Creamery Milk Suppliers Association weten, dat tijdens de zitting van de Raad van 14 tot en met 17 december 1992 geen maatregelen waren genomen met betrekking tot de tijdelijke schorsing als bedoeld in verordening nr. 816/92.

14 Op 17 februari 1993 deelde de Commissie de Irish Creamery Milk Suppliers Association mee, dat in de door de Raad op voorstel van de Commissie vastgestelde besluiten rekening was gehouden met het algemeen belang, zodat de mogelijkheid bestond, dat daarbij niet aan alle particuliere belangen in ieder opzicht recht was gedaan. In deze brief maakte de Commissie eveneens melding van de "vaststelling van de verordening van de Raad waarbij de in verordening (EEG) nr. 775/87 bedoelde hoeveelheden zonder andere compensaties in een definitieve verlaging zijn omgezet".

15 Op 17 maart 1993 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 748/93 tot wijziging van verordening nr. 3950/92 vast (PB 1993, L 77, blz. 16; hierna: "verordening nr. 748/93"), die in zaak T-477/93 in geding is. De laatste drie overwegingen van de considerans van verordening nr. 748/93 luiden als volgt:

"Overwegende dat het dringend geboden is met ingang van 1 april 1993 de gegarandeerde totale hoeveelheden van de Lid-Staten vast te stellen om te voorkomen dat de bepalingen van verordening (EEG) nr. 3950/92 door het ontbreken van regelgeving hun effect zouden verliezen;

Overwegende dat, in afwachting van een later besluit, moet worden overgegaan tot verlenging van de op 31 maart 1993 van kracht zijnde gegarandeerde totale hoeveelheden, vermeerderd met de op diezelfde datum bestaande, uit de communautaire reserve afkomstige bedragen;

Overwegende dat de bij deze verordening vastgestelde gegarandeerde totale hoeveelheden zo nodig zullen worden aangepast op het ogenblik waarop alle problemen in verband met de vaststelling van de prijzen voor het verkoopseizoen 1993/1994 zullen worden heroverwogen (...)".

16 Bij artikel 1 van verordening nr. 748/93 is aan artikel 3 van verordening nr. 3950/92 de volgende alinea toegevoegd:

"Voor het tijdvak van twaalf maanden van 1 april 1993 tot en met 31 maart 1994 worden de gegarandeerde totale hoeveelheden van de Lid-Staten vastgesteld op hetzelfde niveau als die welke zijn vastgesteld in artikel 5 quater, lid 3, onder g), van verordening (EEG) nr. 804/68, vermeerderd met de uit de communautaire reserve afkomstige bedragen zoals verdeeld op 31 maart 1993 en op het niveau van de hoeveelheden die zijn vastgesteld in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 857/84."

17 Verordening nr. 748/93 heeft dus de door verordening nr. 816/92 voor het tijdvak 1992/1993 niet in aanmerking genomen referentiehoeveelheden van de voor het tijdvak 1993/1994 gegarandeerde totale hoeveelheden uitgesloten.

18 Ten slotte is bij verordening (EEG) nr. 1560/93 van de Raad van 14 juni 1993 houdende wijziging van verordening nr. 3950/92 (PB 1993, L 154, blz. 30; hierna: "verordening nr. 1560/93") artikel 3 van verordening nr. 3950/92 vervangen door een nieuwe tekst, waarbij voor elke Lid-Staat totale hoeveelheden zijn vastgesteld. Voor Ierland werd de totale hoeveelheid verhoogd met 0,6 % met het oog op de toekenning van extra hoeveelheden aan bepaalde categorieën producenten (artikel 1 van verordening nr. 1560/93).

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina