Artikel 23. 05 Exploitatiewijzen



Dovnload 18.07 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte18.07 Kb.
Artikel 23.05 - Exploitatiewijzen

Wijz. no. 75 – 2004


1. Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen:


A1: vaart van ten hoogste 14 uren;
A2: vaart van ten hoogste 18 uren;
B vaart van ten hoogste 24 uren;
telkens binnen een tijdvak van 24 uur.

2. Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per week tot ten hoogste 16 uren worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig bijlage H is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een Oeverstaat of van België en wanneer er behalve de schipper nog een bemanningslid in de bemanning is opgenomen met de bevoegdheid van stuurman.


3. Een schip dat op de onder A1, onderscheidenlijk A2 bedoelde wijze wordt geëxploiteerd moet de vaart gedurende 8, onderscheidenlijk 6 aaneengesloten uren onderbreken, te weten:
a) in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur
en
b) in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig bijlage H is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een Oeverstaat of België. De tachograaf moet ten minste in bedrijf zijn vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.

-----------------------


Artikel 23.05 (wijziging bij Stb. 2002, 291)


De mogelijkheid om dagvaart in de nachtelijke uren toe te passen, indien het schip is voorzien van een ingeschakelde tachograaf, heeft in het eerste lid geleid tot het vervangen van de begrippen dagvaart, semi-continuvaart en continuvaart door een neutrale aanduiding met letters.
In het tweede lid is de mogelijkheid aangegeven om, bij de exploitatie- wijze A1, eenmaal per week de vaart tot ten hoogste 16 uur te verlengen. De voorwaarden komen inhoudelijk overeen met die in de voormalige regeling, met dien verstande dat in groep 2 niet langer de bemanning moet worden uitgebreid met een lichtmatroos als derde bemanningslid.
Aan het derde lid is toegevoegd, dat, indien gebruik moet worden gemaakt van een ingeschakelde tachograaf, deze voortaan om controletechnische redenen in werking dient te zijn vanaf het begin van de laatste aan de vaart voorafgaande ononderbroken rusttijd.

-----------------------



Artikel 23.06 - Verplichte rusttijd

Wijz. no. 75 – 2004


1. Bij exploitatiewijze A1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van 8 uren buiten de vaartijd per tijdvak van 24 uren, gerekend vanaf het eind van elke rusttijd van 8 uren.


2. Bij exploitatiewijze A2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren ononderbroken buiten de vaartijd per tijdvak van 24 uren, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van 6 uren. Voor bemanningsleden onder de 18 jaar moet een ononderbroken rusttijd van 8 uren worden aangehouden waarvan 6 uren buiten de vaartijd.


3. Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uren per tijdvak van 48 uren, waarvan er ten minste 2 maal 6 uren ononderbroken moeten zijn.


4. Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet worden verplicht tot enige taak, met inbegrip van toezicht houden of zich beschikbaar houden. De wacht en het toezicht zoals bedoeld in de politievoorschriften voor stilliggende vaartuigen worden niet beschouwd als taak in de zin van dit lid.


5. Bepalingen in de arbeidsvoorschriften of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in een langere duur van de rusttijden blijven onverminderd van kracht.


---------------------

Artikel 23.06 (wijziging bij Stb. 2002, 291)


Inhoudelijk is aan dit artikel niets veranderd. De indeling ten opzichte van het oude artikel is redactioneel aangepast en de voormalige voetnoot betreffende de rust van jongeren onder de 18 jaar in de A2-vaart is aan het tweede lid toegevoegd.

--------------------------


Artikel 23.07 - Wisseling of herhaling van exploitatiewijze

Wijz. no. 75 – 2004


1. In afwijking van artikel 23.05, eerste en derde lid, is een wisseling of herhaling van exploitatiewijze slechts mogelijk met inachtneming van het tweede tot met zesde lid.


2. Van exploitatiewijze A1 mag slechts dan naar exploitatiewijze A2 worden gewisseld, indien:


a) de bemanning in zijn geheel is afgelost
of
b) de voor exploitatiewijze A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren buiten de vaartijd, in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze A2 voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.

3. Van exploitatiewijze A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze A1


worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost
of
b) de voor exploitatiewijze A1 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.

4. Van exploitatiewijze B mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 of


A2 worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost
of
b) de voor exploitatiewijze Al, onderscheidenlijk A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren in acht genomen en aangetoond hebben.

5. Van exploitatiewijze A1 of A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze


B worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost
of
b) de voor exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden direct vór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze B voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.

6. Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de exploitatiewijze A1 of A2 voor een verdere A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan de verdere exploitatiewijze A1 en A2 een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.


7. Het bewijs van een rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren wordt aangetoond met een verklaring als bedoeld in bijlage K of door een kopie van de pagina met aantekeningen van de vaar-, onderscheidenlijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip, waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden.

--------------------------------

Artikel 23.07 (wijziging bij Stb. 2002, 291)

In dit artikel is in de eerste vijf leden de wisseling van de verschillende exploitatiewijzen nader uitgewerkt. De inhoud komt overeen met die van het oude artikel 23.07, met dien verstande dat voortaan de genoten rusttijd moet worden aangetoond. Dit dient te geschieden met de in het zevende lid genoemde verklaring uit bijlage K of met een kopie van het vaartijdenboek.


Nieuw is de in het zesde lid genoemde mogelijkheid om tot een herhaling te komen van de exploitatiewijze A1 of A2. Voorbeelden daarvan komen voor in de passagiersvaart, waarbij na een volledige uitwisseling van de bemanning een nieuwe bemanning met het schip doorvaart.


Artikel 23.07 (wijziging bij Stb. 2003, 347)

Artikel 23.07 regelt de wisseling of herhaling van exploitatiewijze. Bij een wisseling of herhaling van een exploitatiewijze zal de maximale vaartijd van het schip binnen een periode van 24 uur over het algemeen afwijken van de maximale vaart van het schip zoals genoemd in artikel 23,05, eerste lid. Om dezelfde reden zal de tijd gedurende welke de vaart van het schip moet worden onderbroken, over het algemeen afwijken van de in artikel 23.05, derde lid, genoemde waarde. Om die reden dient in artikel 23.07, eerste lid, te worden aangegeven dat niet alleen van 23.05, eerste lid, maar ook van 23.05, derde lid, dient te kunnen worden afgeweken.

---------------------------------
Artikel 23.08 - Vaartijdenboek - Tachograaf

Wijz. no. 69 - 2002


1. Aan boord van elk schip, met uitzondering van sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren, onbemande duwbakken, overheidsschepen en pleziervaartuigen, moet zich in de stuurhut een vaartijdenboek bevinden overeenkomstig het model van bijlage E. Dit boek dient te worden bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin moeten worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek, waarop het nummer 1, de naam van het schip en het officiële scheepsnummer dienen te staan, moet worden afgegeven door de autoriteit die het certificaat van onderzoek aan het schip heeft uitgereikt.
Onderdeel 2 van de aanwijzingen voor het bijhouden van het vaartijdenboek, volgens welk per reis kan worden volstaan met één schema voor het aantekenen van de rusttijden, geldt slechts voor bemanningsleden in de exploitatiewijze B. In de exploitatiewijze A1 en in de exploitatiewijze A2 moeten het begin en het einde van de rusttijd van elk bemanningslid iedere dag gedurende de reis worden aangetekend.
De na een wisseling van de exploitatiewijze noodzakelijke aantekeningen moeten op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek worden aangebracht.

2. Alle latere vaartijdenboeken mogen worden afgegeven door een plaatselijk bevoegde autoriteit, die het van een volgnummer voorziet; zij kunnen evenwel slechts worden afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. Het voorgaande vaartijdenboek moet worden voorzien van de onuitwisbare aantekening “ongeldig” en dient aan de schipper te worden teruggegeven.


Het overhandigen van het nieuwe vaartijdenboek kan geschieden op vertoon van het document, bedoeld in het vierde lid. De exploitant van het schip moet er voor zorg dragen, dat het voorafgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe vaartijdenboek, die op het document, bedoeld in het vierde lid, door de bevoegde autoriteit geregistreerd is, door dezelfde bevoegde autoriteit onuitwisbaar ongeldig verklaard wordt.
De exploitant van het schip moet er bovendien voor zorgen, dat daarna het vaartijdenboek weer aan boord wordt gebracht.

3. Het ongeldig verklaarde vaartijdenboek moet gedurende zes maanden na de laatste aantekening aan boord worden bewaard.


4. Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek overeenkomstig het eerste lid bevestigt de autoriteit, die het eerste vaartijdenboek uitreikt, deze afgifte door middel van een verklaring waarop de naam van het schip, het officiële scheepsnummer, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte zijn vermeld. Deze verklaring dient aan boord te worden bewaard en op verzoek te worden getoond. De afgifte van latere vaartijdenboeken overeenkomstig het tweede lid moet door de bevoegde autoriteit op de verklaring worden aangetekend.


5. De registraties van de tachografen moeten gedurende zes maanden na de laatste registratie aan boord worden bewaard.


6. Bij een aflossing of versterking van de bemanning als bedoeld in artikel 23.07 moet voor ieder nieuw bemanningslid een verklaring als bedoeld in bijlage K of een kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar-, onderscheidenlijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip, waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, voorhanden zijn.


---------------------------



Artikel 23.08
Artikel 1.10, eerste lid onder g, van liet Rijnvaartpolitiereglement 1995 eist in verband met de handhaving het aan boord zijn van de verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van de tachograaf, alsmede de voorgeschreven registratiebladen van de tachograaf.


Artikel 23.08 (wijziging bij Stb. 2002, 291)
In dit artikel worden het vaartijdenboek en de registraties van de tachograaf behandeld. Ten opzichte van het oude artikel 23.08 is alleen het tweede lid aangepast en is een nieuw zesde lid toegevoegd. Omwille van tijdsbesparing bestaat thans de mogelijkheid, dat niet de schipper maar de exploitant van het schip een nieuw vaartijdenboek dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit in ontvangst kan nemen en aan boord kan laten brengen. Deze exploitant moet er tevens voor zorgdragen, dat het voorgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen voor ongeldig verklaring aan de bevoegde autoriteit wordt overgelegd.
In het zesde lid is vastgelegd, dat de in artikel 23.07 aangehaalde verklaring, bedoeld in bijlage K, dan wel de kopie van een pagina uit liet vaartijdenboek voorhanden moet zijn.


-----------------------------------



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina