Artikel Dit bijzonder decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Ar



Dovnload 106.57 Kb.
Pagina1/4
Datum20.08.2016
Grootte106.57 Kb.
  1   2   3   4
Publicatie : 1998-09-30

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


14 JULI 1998

Bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs1


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

TITEL I. - Inleidende bepalingen


Artikel 1. Dit bijzonder decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2. Voor de toepassing van dit bijzonder decreet wordt onder gemeenschapsonderwijs begrepen, het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van :

1° het onderwijs ingericht door de universiteiten;

2° het onderwijs ingericht door de hogescholen;

3° het hoger zeevaartonderwijs;

4° het onderwijs georganiseerd door gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand;

5° het schriftelijk onderwijs.


TITEL II. - Algemene bepalingen


Art. 3. Bij de Vlaamse regering, hierna regering te noemen, wordt onder de benaming "het Gemeenschapsonderwijs" een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de zetel van het Gemeenschapsonderwijs.

Art. 4. § 1. Met uitsluiting van ieder ander orgaan zijn de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs de inrichtende macht van het in artikel 2 bedoelde onderwijs, binnen de bevoegdheden die door en krachtens dit bijzonder decreet worden toegekend.

§ 2. De inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs bezitten al de bevoegdheden die rechtstreeks of onrechtstreeks noodzakelijk of nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdracht, met inbegrip van het oprichten van of deelnemen in andere rechtspersonen.

§ 3. In de uitoefening van de bevoegdbeden bedoeld in § 2 worden geen middelen die de inrichtende machten van de Vlaamse Gemeenschap ontvangen, gebruikt voor de financiering van deze andere rechtspersonen, en worden geen bevoegdheden die voortspruiten uit artikel 24, § 2, van de Grondwet, afgestaan.

TITEL III. - De structuur van het Gemeenschapsonderwijs

HOOFDSTUK I. - Bestuursniveaus van het Gemeenschapsonderwijs


Art. 5. § 1. De bestuursniveaus van het Gemeenschapsonderwijs zijn :

1° het lokale niveau : de scholen;

2° het meso-niveau : de scholengroepen;

3° het centrale niveau : het niveau waar artikel 127, § 2, van de Grondwet op van toepassing is.

§ 2. Elke school wordt bestuurd door een directeur, bijgestaan door een adviserende schoolraad. Schoolraden van hetzelfde onderwijsniveau die in eenzelfde omgeving zijn gevestigd, kunnen één schoolraad vormen. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de wijze waarop de nieuwe schoolraad wordt gevormd.

§ 3. De scholengroepen worden bestuurd door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een college van directeurs en een algemeen directeur.

§ 4. Het centrale niveau wordt bestuurd door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de afgevaardigd-bestuurder.

§ 5. De raden van bestuur van de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs dragen de juridische aansprakelijkheid voor de hen door dit bijzonder decreet verleende bevoegdheden, en voeren de op hun door dit bijzonder decreet verleende bevoegdheden betrekking hebbende gedingen.

§ 6. Een scholengroep is een geografisch samenhangende entiteit waarin onderwijsinstellingen van alle niveaus en een centrum voor leerlingenbegeleiding kunnen vertegenwoordigd zijn, en die tenminste basisonderwijs en secundair onderwijs aanbiedt.

Art. 6. § 1. De leden van de bestuursorganen en van de schoolraden ondertekenen de verklaring van gehechtheid aan het gemeenschapsonderwijs, de neutraliteitsverklaring en het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs. Deze ondertekening gebeurt bij de aanvaarding van het lidmaatschap van een bestuursorgaan of van een schoolraad van het Gemeenschapsonderwijs.

§ 2. Bij de samenstelling van de bestuursorganen en van de schoolraden van het Gemeenschapsonderwijs worden de rechten van de ideologische en filosofische minderheidsstrekkingen gewaarborgd.


HOOFDSTUK II. - De scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding

Afdeling 1. - De schoolraden

Onderafdeling A. - Samenstelling


Art. 7. § 1. De schoolraad is samengesteld uit :

1° drie stemgerechtigde leden, rechtstreeks verkozen door en uit de ouders van de regelmatige leerlingen, uitgezonderd in het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs voor volwassenen, waar de meerderjarige cursisten kiesgerechtigd en verkiesbaar zijn;

2° drie stemgerechtigde leden, rechtstreeks verkozen door en uit het personeel, tewerkgesteld in een onder de schoolraad ressorterende school;

3° twee meerderjarige stemgerechtigde leden, door de groepen onder 1° en 2° gecoöpteerd uit de lokale sociale, economische en culturele milieus;

4° de directeur, die de vergaderingen bijwoont met raadgevende stem.

§ 2. Voor de verkiezingen bedoeld in § 1, 1°, is ieder die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent over een kind dat ingeschreven is in een onder de schoolraad ressorterende school, stemgerechtigd en verkiesbaar.

Meerderjarige leerlingen en ontvoogde minderjarigen zijn stemgerechtigd, maar niet verkiesbaar. Niemand kan over meer dan een stem beschikken.

§ 3. De rechtstreeks verkozen leden uit § 1, 1°, voltooien hun mandaat in de schoolraad ook nadat :

1° hun kinderen de school verlaten hebben;

2° zijzelf als cursist in het onderwijs voor sociale promotie de school hebben verlaten.

§ 4. De rechtstreeks verkozen leden bedoeld in § 1, 2°, beëindigen van rechtswege han mandaat wanneer ze niet langer tewerkgesteld zijn in een onderwijsinstelling die onder de schoolraad ressorteert.

§ 5. De schoolraden worden verkozen voor een periode van vier jaar, met uitzondering van het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs, waar de schoolraad voor een periode van twee jaar wordt gekozen.

§ 6. Een verkozen lid van de schoolraad dat zijn mandaat voortijdig beëindigt, wordt opgevolgd door diegene die bij de laatste verkiezing de eerste niet verkozen kandidaat was. Bij voortijdige beëindiging van een mandaat van gecoöpteerd lid, gebeurt er een nieuwe coöptatie. Het aldus verkozen of gecoöpteerd lid voleindigt het mandaat.

§ 7. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs stelt de kiesprocedure voor de schoolraden vast en bepaalt de wijze waarop de coöptatie van de leden, bedoeld in § 1, 3°, gebeurt.



Art. 8. De schoolraad kiest onder de leden, bedoeld in artikel 7, § 1,1° en 3°, een voorzitter.

Art. 9. § 1. Met het stemgerechtigd lidmaatschap van een schoolraad is onverenigbaar :

1° het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een regering, een bestendige deputatie, of de hoedanigheid van burgemeester;

2° de hoedanigheid van personeelslid van de school;

3° bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad, of de hoedanigheid van echtgenoot of samenwonende partner met een persoon bedoeld in 2°;

4° de hoedanigheid van lid van de raad van bestuur van een scholengroep van het gemeenschapsonderwijs;

5° de hoedanigheid van personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst;

6° de hoedanigheid van accountant belast met het financieel toezicht op het gemeenschapsonderwijs;

7° de hoedanigheid van verantwoordelijk leider, vast gevolmachtigde of vast afgevaardigde van een vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van het onderwijs behartigt;

8° de hoedanigheid van personeelslid van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap;

9° de hoedanigheid van personeelslid of lid van het bestuur van een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs of van een gesubsidieerd centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd;

10° het lidmaatschap van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs;

11° het lidmaatschap van een andere schoolraad.

§ 2. De onverenigbaarheden, bedoeld in § 1, 2° en 3°, gelden niet voor de door de personeelsleden verkozen leden van de schoolraad.

Onderafdeling B. - Bevoegdheden en werking


Art. 10. In het secundair onderwijs bepaalt de schoolraad de wijze waarop de leerlingen worden betrokken bij de werking van de schoolraad. Hij kan daartoe een leerlingenraad oprichten.

Art. 11. § 1. De schoolraad heeft volgende bevoegdheden :

1° advies aan de directeur inzake :

a) de algemene organisatie van de school;

b) de werving van leerlingen of cursisten;

c) de organisatie van extra muros-activiteiten en parascolaire activiteiten

d) het schoolbudget;

e) het schoolwerkplan.

2° advies aan de raad van bestuur en de algemeen directeur inzake :

a) de toewijzing van het mandaat van directeur;

b) de programmatie van het studieaanbod;

c) de schoolinfrastructuur;

d) de organisatie van het leerlingenvervoer.

3° overleg met de directeur inzake :

a) het vastleggen van de criteria voor de aanwending van het lestijdenpakket;

b) de organisatie van de niet-lesgebonden opdrachten;

c) welzijn en veiligheid op de school;

d) het schoolreglement.

§ 2. De schoolraad stelt een eigen reglement van orde op.

§ 3. De organen van het Gemeenschapsonderwijs die bevoegd zijn beslissingen te nemen in de in § 1 genoemde aangelegenheden, kunnen slechts rechtsgeldig beslissen indien het advies van de schoolraad is gegeven. Indien de schoolraad in de aangelegenheden bedoeld in § 1, 1° en 2°, geen advies geeft binnen een termijn van 21 kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de vraag om advies, kan het bevoegde orgaan vrij een beslissing nemen.

§ 4. De schoolraad kan voor aangelegenheden bedoeld in § 1, 1° en 2°, en voor andere aangelegenheden op eigen initiatief een advies geven aan de directeur, de raad van bestuur en de algemeen directeur.

§ 5. Andere advies- en overlegbevoegdheden kunnen bij decreet of besluit worden verleend aan de schoolraad.

Art. 12. § 1. De schoolraad heeft het recht informatie te vragen over beslissingen van de directeur en van de bestuursorganen van de scholengroep die het schoolleven beïvloeden.

§ 2. De bestuursorganen van de scholengroep moeten de vraag om informatie van de schoolraad binnen een redelijke termijn beantwoorden.



Art. 13. De schoolraad formuleert zijn advies bij gewone meerderheid. De schoolraad kan slechts geldig adviseren wanneer meer dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is. Voor de bepaling van het meederheidsquorum worden onthoudingen, ongeldige stemmen en blanco stemmen niet meegeteld.

Afdeling 2. - De directeur


Art. 14. § 1. De directeur is bevoegd voor :

1° de algemene en pedagogische organisatie van de school;

2° het schoolwerkplan;

3° het opstellen van het schoolreglement;

4° het vaststellen van de ambtsbevoegdheden van de personeelsleden;

5° het opstellen van de functiebeschrijvingen van de personeelsleden;

6° de begeleiding en evaluatie van de personeelsleden;

7° het formuleren van voorstellen voor de vaste benoeming van personeelsleden;

8° de tijdelijke aanstelling van personeelsleden ten behoeve van de scholen;

9° de uitvoering van de vernieuwingsprojecten;

10° de vaststelling van de behoeften van het onderwijzend personeel inzake navorming;

11° maatregelen van orde en tucht tegen de leerlingen;

12° de toepassing van de toelatingsvoorwaarden in het onderwijs voor sociale promotie;

13° de organisatie van extra muros-activiteiten en parascolaire activiteiten;

14° de aanwending van het door de scholengroep toegekende schoolbudget;

15° de externe relaties van de school;

16° daden van behoud en daden van voorlopig beheer aan de schoolinfrastructuur, en de uitvoering van de kleine infrastructuurwerken.

§ 2. De directeur heeft de bevoegdheid om in de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 13°, 15° en 16°, overeenkomsten te sluiten, met inbegrip van overeenkomsten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

§ 3. De directeur kan daarnaast bevoegdheden uitoefenen die hem door de raad van bestuur of de algemeen directeur van de scholengroep gedelegeerd worden.

§ 4. De directeur kan de bij dit artikel toegewezen bevoegdheden aan een personeelslid van de school delegeren.



Art. 15. Het mandaat van directeur wordt toegewezen en beëindigd onder de voorwaarden en op de wijze zoals bij decreet bepaald.

Afdeling 3. - De directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding


Art. 16. § 1. De directeur is bevoegd voor :

1° de algemene organisatie van het centrum voor leerlingenbegeleiding;

2° het opstellen van een beleidsplan of een beleidscontract;

3° het vaststellen van de ambtsbevoegdheden van de personeelsleden;

4° het opstellen van de functiebeschrijvingen van de personeelsleden;

5° de begeleiding en evaluatie van de personeelsleden;

6° het formuleren van voorstellen voor de benoeming van personeelsleden;

7° de tijdelijke aanstelling van personeelsleden;

8° de uitvoering van de vernieuwingsprojecten;

9° de aanwending van het door de scholengroep toegekende budget;

10° de externe relaties van het centrum voor leerlingenbegeleiding;

11° daden van behoud en daden van voorlopig beheer en kleine infrastructuurwerken.

§ 2. De directeur heeft de bevoegdheid om binnen de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomsten te sluiten.

§ 3. De directeur kan daarnaast bevoegdheden uitoefenen die hem door de raad van bestuur of door de algemeen directeur van de scholengroep gedelegeerd worden.




  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina