Artikelen Communicatieonderzoek Communication Audits Artikel 1: 8: The Interpretive Perspective: An Alternative to Functionalism – Linda L. Putnam



Dovnload 285.18 Kb.
Pagina1/8
Datum27.09.2016
Grootte285.18 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8
Artikelen Communicatieonderzoek

Communication Audits

Artikel 1:

8: The Interpretive Perspective: An Alternative to Functionalism – Linda L. Putnam
Het hoofdstuk dat in dit artikel wordt besproken gaat in op een belangrijke paradigma shift in de manier waarop naar organisatiecommunicatie wordt gekeken, de interpretatieve benadering genoemd. De interpretatieve benadering is een nieuwe manier van denken over onderzoek doen en zet zich af van het positivisme, deze benadering richt zich op welke manier individuen de denken over de wereld door hun communicatieve gedrag.

Binnen de interpretatieve benadering bestaan er twee stromingen: de naturalistische en de kritische.


Wat houd de interpretatieve benadering in?
Binnen de Organisatie en de organisatiecommunicatie hebben in de loop der jaren veel veranderingen

plaatsgevonden. Op een gegeven moment is er een verschuiving opgetreden in de voorlichtingskringen. Een verschuiving van een mediumgecentreerde naar een ontvangersgecentreerde benadering. In de ontvangersgecentreerde modellen wordt het constructieve aspect benadrukt (het zogenaamde interpretatieve model). Belangrijk daarbij is dat ons handelen weliswaar gebaseerd is op signalen die we vanuit onze omgeving

ontvangen, maar dat de betekenis van die signalen niet eenduidig vaststaat. Integendeel, die betekenis

maken we zelf. We construeren die betekenis op basis van de kennis die we al over de wereld bezitten.

Het bijzondere karakter van de interpretatieve benadering bestaat er dus uit, dat het handelen van mensen

niet zozeer als een automatische reactie op een objectief gegeven begrepen moet worden, maar veeleer als

een zorgvuldig geplande actie gebaseerd op subjectief geconstrueerde betekenissen. Sociologen die het

interpretatieve perspectief aanhangen verwerpen over het algemeen het perspectief dat de maatschappij is

opgebouwd volgens een duidelijke structuur die individuen dwingt zich op een bepaalde manier te

gedragen.


Welke denkbeelden omvatten de interpretatieve benadering?
In de literatuur worden verschillende stromingen binnen de interpretatieve sociologie onderscheiden. Het vroege interpretatieve werk kan worden onderverdeeld in Actie-theorie, fenomenologie. Later kwamen hier

de etnomethodologie en het symbolisch interactionisme bij. Sommige aanhangers van de sociale actie theorie ontkennen het bestaan van een sociale structuur niet, maar zij zien een structuur voortkomen uit de acties van individuen zelf. Weber vormt op sommige vlakken een overbrugging tussen het structuur en het sociale actie perspectief. Hij erkent het bestaan van klasse, statusgroepen en partijen, maar hij bestrijdt het perspectief van Durkheim dat de maatschappij bestaat onafhankelijke van wat de individuen van die maatschappij maken. Symbolisch interactionisten accepteren het bestaan van sociale rollen, maar ze ontkennen dat deze rollen vastgesteld en inflexibel zijn. Tevens ontkennen ze dat de rollen bepaald worden door veronderstelde “behoeften” van het sociale systeem. Fenomenologie en ethnomethodologie representeren een radicalere verwerping van structurele perspectieven. Ze ontkennen het bestaan van elk soort van sociale structuur. Al deze perspectieven

argumenteren dat sociologen het menselijk gedrag moeten proberen te begrijpen en proberen te

interpreteren en de betekenis die erachter ligt te ontdekken. Fenomenologie en ethnomethodologie beweren

dat sociologie niet verder kan gaan dan het bereiken en begrijpen van de betekenissen die individuen geven

aan de wereld om zich heen.


Wat zijn de verschillen tussen de functionele benadering en de interpretatieve benadering in definities van organisatie en communicatie?
De functionele benadering behandeld een organisatie als een concrete structuur en zij maken gebruik van een container framework waarin alle activiteiten verschijnen. Boodschappen worden behandeld als tastbare substanties. De betekenis van een boodschap speelt een secundaire rol.
De interpretatieve benadering hangt een mening gecentreerde kijk op organisatorische communicatie aan. Onderzoekers die deze benadering aanhangen onderzoeken boodschappen als symptomen en redenen voor het ontwikkelen van sociale betekenissen.

Artikel 2: Communicatie tevredenheids enquête (CSQ)
De communicatie tevredenheid enquête (CSQ1)is ontwikkeld door C.W. Downs en Hazen (1977) met de bedoeling om de relatie tussen communicatie en werktevredenheid (job satisfaction) te ontdekken.

Redding (1976) definieerde communicatie tevredenheid als de “algehele mate van tevredenheid die een werknemer ervaart in zijn totale communicatie-enviorment.”

Wel vroeg Redding zich af of het concept multidimensionaal was.

Wiio (1976) identificeerde 4 dimensies van communicatie tevredenheid:



  1. werktevredenheid

  2. inhoud van de boodschap (message content)

  3. verbetering van de communicatie

  4. efficiency van het communicatiekanaal

In de CSQ zijn 8 factoren onderscheiden, die te maken hebben met tevredenheid van communicatie en informatie, relaties, kanalen en klimaat. Aan elke factor zijn 5 items gekoppeld die samen het gemiddelde van de factor bepalen. De 40 items kunnen volgens de likert-schaal beantwoord worden van ‘zeer tevreden’ (1) tot ‘zeer ontevreden’ (7).



De 8 factoren





  1. Communicatie klimaat. Als je mensen vraagt naar de communicatietevredenheid, zal het communicatieklimaat het sterkst geassocieerd worden met de tevredenheid.

De vragen van deze factor meten de communicatie op zowel organisatorisch als individueel niveau. Om te onderzoeken of de communicatie van de organisatie stimulerend of motiverend is en of het de werknemeridentificatie stimuleert.

De vragen meten ook de huidige communicatie competenties van de werknemer en de mate waarin informatiestromen het werkproces versterken.



  1. Relatie met de leidinggevende. Hiermee bedoelen we de componenten van communicatie naar boven en naar beneden (Bottum-up en Top-down)

Deze dimensie meet de openheid van leidinggevende naar ondergeschikten, alswel de competentie van de leidinggevende om te luisteren. Het vertrouwen wat de werknemer heeft/geeft aan de leidinggevende is ook meegenomen in deze factor.

  1. Organisatie integratie gaat over de informatie die werknemers ontvangen over hun werk en daarmee gerelateerde zaken. Zoals regelgeving (protocollen) en benefits. Wat ook bij deze factor wordt meegenomen is de informatie over actuele zaken, zoals ‘wat gebeurt er op andere afdelingen’ en personeelsnieuws. Informatie over zulke zaken zorgt ervoor dat de werknemer het gevoel krijgt ergens bij te horen (geïntegreerd is).

  2. Kwaliteit van de media kijkt hoe de communicatie zich verspreidt door middel van verschillende kanalen en middelen. Werknemers worden gevraagd naar de duidelijkheid van een informatiebron en de mate waarin de informatie voor hen toegevoegde waarde heeft. Tevens wordt de kwantiteit van de informatie meegenomen bij deze vraag

  3. Horizontale en informele communicatie onderzoekt de activiteiten van informatie netwerken en de accuratie van de informatie die ze geven.

  4. Organisatie perspectief wijst op de informatie die gegeven wordt over de doelen, prestaties en bezorgdheden van een organisatie. Deze factor kijkt ook naar de kennis over externe zaken, zoals landelijke regelgeving en politiek, die de organisatie beïnvloeden.

  5. Relaties met de ondergeschikten. Deze factor wordt alleen beantwoord door de mensen in een leidinggevende of management functie. Het meet hoe de leidinggevenden denken dat de werknemer bereid is om top-down informatie te ontvangen en de bereidheid en capabelheid om goede informatie omhoog te geven. Leidinggevenden worden ook gevraagd of er volgens hun een teveel aan communicatie wordt gegeven (communication overload.)

  6. De persoonlijke feedback. Deze dimensie bevat vragen over de competentie van de leidinggevende om problemen in het werkproces te begrijpen en of werknemers het gevoel hebben dat de criteria waarop zij beoordeeld worden eenduidig zijn..

Er zijn drie bijkomende items gevonden in de CSQ. 1 globaal item dat de werknemer vraagt naar de indicatie van hun werktevredenheid (dit gebeurt op een 7-punten likert-schaal) Dan worden ze gevraagd of hun tevredenheid gestegen, gedaald of gelijk gebleven is, in de afgelopen 6 maanden. Een open vraag, vraagt de respondenten om een indicatie te geven wat er veranderd moet worden aan de communicatie binnen de organisatie om hun tevredenheid te verbeteren. De CSQ neemt ongeveer 20 tot 30 minuten in beslag om het te beantwoorden.





  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina