Artistieke opleiding



Dovnload 163.5 Kb.
Pagina1/4
Datum26.08.2016
Grootte163.5 Kb.
  1   2   3   4



ARTISTIEKE OPLEIDING

derde graad KSO




LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

september 2006

LICAP – BRUSSEL D/2006/0279/024




Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs

Guimardstraat 1, 1040 Brussel







ARTISTIEKE OPLEIDING

derde graad kSO





LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

LICAP – BRUSSEL D/2006/0279/024

(vervangt D/2004/0279/012 met ingang van september 2006)

ISBN 978-90 -6858-661-9




Inhoud

Lessentabel 5

1 De derde graad Artistieke opleiding 6

2 Kunstinitiatie 8

2.1 Beginsituatie 8

2.1 Beginsituatie 8

2.2 Algemene doelstellingen 8

2.2 Algemene doelstellingen 8

2.3 Leerplandoelstellingen en leerinhouden 9

2.3 Leerplandoelstellingen en leerinhouden 9

2.4 Pedagogisch-didactische wenken 11

2.4 Pedagogisch-didactische wenken 11

2.5 Minimale materiële vereisten 12

2.5 Minimale materiële vereisten 12

2.6 Evaluatie 12

2.6 Evaluatie 12

2.7 Leerplanwerking 14

2.7 Leerplanwerking 14

2.8 Bibliografie 14

2.8 Bibliografie 14

3 Artistieke opleiding 18

3.1 Beginsituatie 18

3.1 Beginsituatie 18

3.2 Algemene doelstellingen 18

3.2 Algemene doelstellingen 18

3.3 Leerplandoelstellingen en leerinhouden 20

3.3 Leerplandoelstellingen en leerinhouden 20

3.4 Pedagogisch-didactische wenken 25

3.4 Pedagogisch-didactische wenken 25

3.5 Minimale materiële vereisten 28

3.5 Minimale materiële vereisten 28

3.6 Evaluatie 29

3.6 Evaluatie 29

3.7 Leerplanwerking 31

3.7 Leerplanwerking 31

3.8 Bibliografie 31

3.8 Bibliografie 31






    Lessentabel

Pedagogische vakbenaming uren/week Administratieve vakbenaming

Minimum / Maximum 30 – 36 30 – 36

Godsdienst 2 2 AV Godsdienst

Aardrijkskunde 1 1 AV Aardrijkskunde

Frans 2 2 AV Frans

Geschiedenis 1 1 AV Geschiedenis

Lichamelijke opvoeding 2 2 AV Lichamelijke opvoeding

Nederlands 3 3 AV Nederlands

Wiskunde 2 2 AV Wiskunde

Kunstinitiatie 3 3 AV Kunstgeschiedenis /
KV Kunstinitiatie

Artistieke opleiding 14-17 14-17 KV Beeldende vorming /


Kunstambachten /
Toegepaste beeldende vorming /
Waarnemingstekenen

Voor deze vakken is het leerplan in deze brochure opgenomen.

  1. De derde graad Artistieke opleiding

De studierichting Artistieke opleiding richt zich tot leerlingen met een uitgesproken belangstelling voor beeldende kunsten in het algemeen en voor de toegepaste kunstvormen in het bijzonder.
Voor sommige leerlingen kan Artistieke opleiding een voorbereiding zijn op het hoger kunstonderwijs. Andere leerlingen kunnen het eventueel aanvullen met een specialisatiejaar.
Er zal enkel een basisopleiding nagestreefd worden daar een al te professionele aanpak van alle mogelijke kunstvormen een zaak is voor het hoger onderwijs.
Onderzoeken, verkennen, experimenteren en creatief zijn dienen een natuurlijke ingesteldheid te zijn om het domein van diverse kunstvormen te ontdekken.
Belangrijk bij deze vorming zijn de beeldende en culturele vakken elk met hun eigen vormingswaarde en vormtaal. Zij omvatten ongeveer de helft van het totale aantal lestijden.
De algemene vakken bieden leerinhouden die naast hun eigen vormingswaarde ook een ondersteunende waarde hebben voor de vakken van het specifiek gedeelte.




  1. ARTISTIEKE OPLEIDING

    derde graad kSO





    Kunstinitiatie

    Eerste leerjaar: 3 uur/week


    Tweede leerjaar: 3 uur/week

    Kunstinitiatie

    1. Beginsituatie

De leerlingen hebben in de tweede graad op een actieve en creatieve wijze kennis gemaakt met diverse aspecten van de kunst. Daarbuiten zijn ze via de media beïnvloed door de eigentijdse beeld- en muziekcultuur.
In de lessen kunstgeschiedenis hebben ze in de tweede graad een chronologisch overzicht en inzicht verworven over de belangrijkste stijlstromingen in de westerse cultuur vanaf de prehistorie tot en met de gotiek (eerste leerjaar) en van de renaissance tot en met het rococo (tweede leerjaar). Hierbij hebben ze tevens de hoofdvertegenwoordigers leren kennen.
In de lessen kunstinitiatie van de tweede graad hebben ze diverse beeldcomponenten met hun inhoud en betekenis leren kennen, aanduiden en toelichten, en dit ondermeer via voorbeelden uit de kunstgeschiedenis.
Men dient echter ook rekening te houden met de beginsituatie van de nieuwe leerlingen die in de derde graad kunnen instromen maar geen tweede graad kunstonderwijs hebben gevolgd. De leerinhouden kunstgeschiedenis/kunstinitiatie uit de tweede graad kunnen daarom ook in de derde graad, waar nodig, aangehaald en herhaald worden.

    1. Algemene doelstellingen

De jongere

  1. ontwikkelt belangstelling voor de kunst en het kunstgebeuren en de behoefte om met kunst om te gaan.

  2. ervaart Kunstinitiatie als verdieping/verrijking van het atelierwerk.

  3. leert kunst op objectieve wijze benaderen.

  4. beleeft kunst via waarneming en analyse van de relatie tussen vormgeving en inhoud van een kunstwerk.

  5. hanteert een juiste vakterminologie en een creatieve onderzoeksmethode.

  6. situeert een kunstwerk en/of kunstenaar binnen zijn kunsthistorische context.

    1. Leerplandoelstellingen en leerinhouden

LEERPLANDOELSTELLINGEN




De jongere

  1. analyseert, ontdekt en expliciteert de waarde van kunstwerken.

  1. verdiept zichzelf via actief en creatief analyseren en bespreken van het verband tussen de verschillende componenten van een kunstwerk en legt de relatie tussen vorm en inhoud.

  1. herkent en benoemt diverse elementen die de stijl van een kunstwerk bepalen.

  1. analyseert en bespreekt kunstwerken methodisch.

  1. heeft aandacht voor de culturele actualiteit (tentoonstelling, museum- en/of concertbezoek, enz.), creatieve uitingen en atelierwerk.

  1. bezit kennis over de belangrijkste stijlstromingen of “-ismen” en hun vertegenwoordigers in de 19de en 20ste eeuw (en eventueel van vroegere periodes). Deze kennis is aanvullend bedoeld als achtergrond voor het adequaat onderzoek van kunstwerken.




LEERINHOUDEN




De hieronder vermelde leerinhouden dienen vooral aangeboden te worden:

  • via de studie van de kunst van de 19de en 20ste eeuw en de actuele kunst;

  • via participatie aan het actuele kunstgebeuren (tentoonstellingen, musea, galerijen, ateliers, veilingen, ...);

  • als voedingsbodem, verrijking en evaluatie van atelierwerk.




Beeldcomponenten




Kennis, analyse en bespreking van de beeldcomponenten die reeds globaal zijn aangereikt in de lessen kunstinitiatie van de tweede graad worden verder uitgediept.




De relatie tussen de beeldcomponenten van het kunstwerk wordt verder bestudeerd.




De relatie tussen vormgeving en inhoud wordt geanalyseerd.




De componenten komen niet systematisch aan bod. De bespreking van concrete voorbeelden dient te gebeuren met het accent op de 19de, 20ste eeuw en de actuele kunst en met voldoende ruimte voor andere perioden.




De hieronder vermelde opsomming geeft de componenten weer

  • Architectuur:

  • functie en betekenis, materiaal, constructie en bouwprincipe, grondplan, doorsnede, opstand, interieur, kleur, licht, inplanting en relatie met de omgeving, relatie tot de mens (toeschouwer, bezoeker, bewoner), ...

  • Beeldhouwkunst:

  • functie en betekenis, iconografie, materiaal en techniek, grootte, vorm en restvorm, snijlijnen en kruislijnen, beweging, oppervlaktebehandeling, kleur, lichtwerking, plaatsing en relatie tot de ruimte/omgeving/architectuur, relatie tot de mens (toeschouwer, participant), ...

  • Schilderkunst:

  • functie en betekenis, iconografie, materiaal en techniek, grootte, vorm, compositie, krachtlijnen, ruimtewerking, kleur, licht, oppervlaktebehandeling, plaatsing in relatie tot ruimte/omgeving/ander werk,/architectuur, relatie tot de mens (toeschouwer, participant), ...




Methoden




Men hanteert diverse methoden om kunstwerken op een zinvolle manier te benaderen:

  • men kan een kunstwerk waarnemen/beleven en beschrijven wat er te zien is;

  • men kan een kunstwerk onderzoeken en situeren:

  • één of meerdere specifieke componenten;

  • en/of onderzoek naar de tijdsgeest, de filosofie eigen aan het kunstwerk.

  • men kan via het verwoorden van de waarneming verschillende impressies en visies confronteren en toetsen.




Kunst in de 19de en 20ste eeuw en de belangrijkste vertegenwoordigers




Studie van het werk van één kunstenaar: stijlevolutie, oeuvre, invloed(en), visie, denk- en werkproces.




Studie van een thema (voorstelling, vorm, stijl, materiaal, techniek, ...) door verschillende kunstenaars in verschillende stijlperiodes.




De hieronder vermelde opsomming van stijlstromingen zijn een leidraad bij de uiteindelijke keuze:

  • neoclassicisme;

  • romantiek;

  • realisme

  • impressionisme;

  • neo-impressionisme;

  • voorlopers van de kunst van de 20ste eeuw;

  • symbolisme;

  • architectuur en toegepaste kunst rond 1900;

  • kubisme;

  • expressionisme;

  • fauvisme;

  • surrealisme;

  • dadaïsme;

  • futurisme;

  • abstracte kunst;

  • kunst na 1945;

  • actuele kunst.




Uitbreiding




Onderstaande elementen komen als leerinhoud aan bod wanneer ze kaderen binnen een lesonderwerp en/of het atelierwerk:

  • volkskunst;

  • staat-kunst (underground, subculturen, …);

  • interactie tussen Europese en niet-Europese kunst;

  • verband tussen kunst en reclame;

  • andere kunstdisciplines zoals mode, juwelen, meubel, affiche, fotografie, film, ...

  • filmtaal en het filmgebeuren (samenstelling en taken van de filmploeg, verhaalstructuur; synopsis, scenario en draaiboek, camerabeweging en opnamehoek, beeldcompositie, kadrering en plans, sfeer, belichting en klank, decor, muziek, kostuums, ...);

  • muziektaal (genre, stijl, melodie, ritme, klankkleur, klanksterkte, samenklank, vorm, structuur, ...);

  • vergelijken van elementen uit de muziekgeschiedenis met elementen uit de beeldende kunsten;

  • functie van de kunst: kunst als spiegel van de tijd en/of signaalfunctie.

    1. Pedagogisch-didactische wenken

De leerlingen worden niet overladen met encyclopedische kennis. Ze worden op een actieve wijze bij kunstbeschouwing betrokken. Analyse van representatieve voorbeelden via interactieve leergesprekken op het niveau van de leerlingen is hierbij een voor de hand liggende werkvorm. Dit sluit het gebruik van andere werkvormen uiteraard niet uit.
De basis van de lessen is de waarneming. Het leerproces wordt steeds omkaderd door kwalitatief beeld- en/of klankmateriaal. Illustratie is geen decorum maar een voorwaarde. Om stijlkenmerken scherper te plaatsen en om een referentiekader vast te zetten in het visueel geheugen kunnen dezelfde, goed gekozen voorbeelden, meer dan eens aan bod komen waarbij men ze bv. vergelijkt en confronteert met ander beeldmateriaal en andere stijlkenmerken. Andere wijzen om het visueel geheugen aan te spreken en te trainen zijn vb. het thuis illustraties laten opzoeken van tijdens de lessen besproken kunstwerken en regelmatig kunstherkenning opnemen tijdens evaluatiemomenten.
Het vak Kunstinitiatie staat niet op zich. Regelmatig worden vakoverschrijdend met “Artistieke opleiding” verbanden gelegd en onderwerpen uitgediept.
Het interactieve leergesprek is nuttig om de leerlingen zelf te leren ontdekken en hen zelf aan het woord te laten. De leerlingen raken op deze wijze vertrouwd met analysemethodes en worden gestimuleerd om na te denken, ervaringen uit te wisselen en deze aan elkaar te toetsen. Bovendien zullen ze wat ze zelf ontdekken en verwoorden beter onthouden en beheersen.

      1. De geïntegreerde proef

De geïntegreerde proef slaat op de vakken van het fundamenteel gedeelte. In deze studierichting zijn dit: “Artistieke opleiding” en “Kunstinitiatie”. Wanneer men een aantal andere vakken mee opneemt bij de organisatie en de realisatie van de geïntegreerde proef is dit een meerwaarde wanneer er echt integraal gewerkt wordt.
De geïntegreerde proef moet tijdens het tweede leerjaar van de derde graad Artistieke opleiding gerealiseerd worden. Het concept, de opdracht e, de realisatie van de proef moeten van bij het begin van dit tweede leerjaar voldoende aandacht krijgen. Deze proef heeft tot doel de mate waarin de jongere de beoogde doelstellingen heeft verworven (alle of een deel ervan) op een synthetische en realiteitsgebonden wijze te toetsen. De evaluatie omvat meer dan de eindpresentatie. Het proces is in deze studierichting even belangrijk als het eindresultaat. Evalueren van en tijdens het proces laat toe om de leerlingen bij te sturen en aan te moedigen.

    1. Minimale materiële vereisten

De leerkracht moet beschikken over een eigen lokaal waarin – naast de normale inrichting – de volgende uitrusting absoluut noodzakelijk is:

  • projectieapparatuur met scherm en aangepaste verduistering;

  • klankinstallatie;

  • videoapparatuur.

In een vlot toegankelijke schoolbibliotheek zijn kunstboeken en -tijdschriften aanwezig.



    1. Evaluatie

      1. Evalueren conform de visie op onderwijs

Evaluatie is niet alleen kennisgericht. Het ontwikkelen van leerstrategieën, van algemene en specifieke attitudes en de groei naar actief leren krijgen een centrale plaats in het leerproces. Hierbij neemt de leraar naast vakdeskundige de rol op van mentor, die de leerling kansen biedt en methodieken aanreikt om voorkennis te gebruiken, om nieuwe elementen te begrijpen en te integreren.
Evaluatie is een onderdeel van de leeractiviteit van leerlingen en vindt bijgevolg niet alleen plaats op het einde van een leerproces of op het einde van een onderwijsperiode. Evaluatie maakt integraal deel uit van het leerproces en is dus geen doel op zich.
Evalueren is noodzakelijk om feedback te geven aan de leerling en de leraar.

  • Door rekening te houden met de vaststellingen gemaakt tijdens de evaluatie kan de leerling zijn leren optimaliseren.

  • De leraar kan uit evaluatiegegevens informatie halen voor bijsturing van zijn didactisch handelen.

Behalve het bijsturen van het leerproces en/of het onderwijsproces is een evaluatie ook noodzakelijk om andere toekomstgerichte beslissingen te ondersteunen zoals oriënteren en delibereren. Wanneer hierbij rekening gehouden wordt met de mogelijkheden van de leerling, dan staat ook hier de groei van de leerling centraal.


Evaluatie wordt zo een continu proces dat optimaal en motiverend verloopt in stress- en sanctiearme omstandigheden.

      1. Hoe evalueren?

        1. De leerling centraal

Bij evaluatie staat steeds de groei van de leerling centraal. De te verwerven kennis, vaardigheden en attitudes worden bepaald door de leerplandoelstellingen.
Uit het voorgaande volgt dat de leraar zich bevraagt over de keuze van de evaluatievormen. Het gaat niet op dat men tijdens de leerfase het leerproces benadrukt, maar dat men finaal alleen het leerproduct evalueert. Zowel proces als product moeten hun plaats krijgen in de beoordeling. De literatuur noemt die samenhang tussen proces- en productevaluatie assessment.
Een goede evaluatie moet gespreid zijn in de tijd en moet voldoen aan criteria van doelmatigheid en billijkheid.

  • Een doelmatige evaluatie moet aan de volgende aspecten beantwoorden: validiteit, betrouwbaarheid en efficiëntie.

  • Men kan spreken van een billijke evaluatie indien er sprake is van objectiviteit, doorzichtigheid en normering.

Bij assessment nemen de actoren van het evaluatieproces een andere plaats in. De meest gebruikte vormen zijn zelfevaluatie, co-evaluatie en peerevaluatie.



  • Peerevaluatie (leerling-leerling):
    Bij peerevaluatie beoordelen de leerlingen elkaar.

  • Co-evaluatie of collaboratieve evaluatie (leerling-leraar):
    Bij co-evaluatie creëert men een evaluerende dialoog tussen de leraar en de leerling(en).

  • Zelfevaluatie (leerling):
    Hierbij evalueert de leerling zichzelf.

        1. Rapportering

Wanneer we willen ingrijpen op het leerproces is de rapportering, de duiding en de toelichting van de evaluatie belangrijk. In de rapportering kunnen de sterke en de zwakke punten van de leerling weergegeven worden. Eventuele adviezen voor het verdere leerproces kunnen ook aan bod komen.

        1. Aandachtpunten bij Kunstinitiatie

De nadruk bij de evaluatie ligt op de waarneming. Evalueren wordt, zoals het leerproces, zoveel mogelijk onderbouwd met representatief beeld- en klankmateriaal.


Als neerslag van leerlingenactiviteiten kunnen volgende zaken deel uitmaken van de evaluatie:

  • een persoonlijk werk in de context van de lessen;

  • een schriftelijke of mondelinge presentatie van vb. een stijl, het werk van een kunstenaar of een kunstwerk;

  • een documentatiemap met beeldmateriaal door de leerling aangelegd;

  • een toets/een examen.

Kunstinitiatie maakt deel uit van de geïntegreerde proef, de geïntegreerde proef maakt deel uit van de evaluatie.



    1. Leerplanwerking

Leerplannen van het VVKSO zijn het werk van leerplancommissies, waarin begeleiders, leraren en eventueel externe deskundigen samenwerken.
Op het voorliggende leerplan kunt u als leraar reageren en uw opmerkingen, zowel positief als negatief, aan de leerplancommissie meedelen via e-mail (leerplannen@vsko.be) of per brief (Dienst Leerplannen VVKSO, Guimardstraat 1 te 1040 Brussel.
Vergeet niet te vermenden over welk leerplan u schrijft: vak, studierichting, graad, Licapnummer.
Langs diezelfde weg kan u zich ook aanmelden om lid te worden van een leerplancommissie.
In beide gevallen zal de Dienst Leerplannen zo snel mogelijk op uw schrijven reageren.
Dit leerplan kwam tot stand met de medewerking van:

  • Danny Van Hoeck, Sint-Lukas Kunsthumaniora, Schaarbeek;

  • Ingrid Van Tilburg, Kunsthumaniora Sint-Lucas, Gent;

  • Liesbeth Oversteyns, Kunstschool, Genk;

  • Sandra Willems, Technisch Instituut Heilige Familie, Brugge.

    1. Bibliografie



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina