Auteur: H. Bouazza



Dovnload 8.25 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte8.25 Kb.
Titel: De voeten van Abdullah

Auteur: H. Bouazza

Uitgever: Uitgeverij Arena

Mijn gerezen lendentrofee


BIJZONDERE DEBUUTROMAN HAFID BOUAZZA
THOMAS VAN DEN BERGH
TOEN De Arbeiderspers vorig jaar het debuut van Hans Sahar van een bandje voorzag waarop Sahar met koeienletters als 'Haagse Marokkaan' werd aangeprezen, en toen tegelijkertijd bij andere uitgevers debuten van onder meer Malika Al Houbach en Naïma El Bezaz verschenen, leek zich een nieuwe trend af te tekenen. Festival-organisatoren, kranten en tijdschriften doken er bovenop, en voor we het wisten werd er opeens gesproken van een bescheiden 'allochtonen-hype'.
Niet iedereen was daar even blij mee - de allochtone schrijvers voorop, vrezend dat ze 'meer nog dan om hun talent (...) bewonderd werden vanwege hun culturele afkomst', zoals Anil Ramdas zijn wantrouwen verwoordde. Een van de schrijvers die zich onmiddellijk verzette tegen het etiket 'tweede-generatie-allochtoon' was de uit Marokko afkomstige Hafid Bouazza, die in een interview zei: 'Ik ben niet de stem van mijn generatie, ik spreek en schrijf voor mijzelf. Ik verdom het om me zo te laten noemen.'
Nu de debuutbundel van Bouazza is verschenen, komen die woorden mij wat vreemd voor. Want De voeten van Abdullah is ontegenzeglijk een produkt van iemand die iets mee te delen heeft over de ontworteling van de immigrant. Wel verwoordt hij deze problematiek op geheel eigen wijze, en in die zin heeft hij weinig gemeen met generatiegenoten.
Vooral de laatste twee verhalen, over een jonge Marokkaan in Nederland, schetsen deze botsing van culturen. De eerste vijf spelen in een wereld van sjeiks en imams, olijfbomen, muilezels en geiten, ruisende djellaba's en gorgelende waterpijpen. Telkens vormt hetzelfde Marokkaanse dorp het decor, en twee buurjongetjes, Abdollah en Hafid, zijn beurtelings verteller. Veel meer dan een kinderlijk-naïeve kijk op (vooral) de ontluikende seksuele gevoelens voor vrouwen, voor elkaar en voor de dierenwereld levert dat in eerste instantie niet op, maar tussen de regels wordt een tweede wereld opgebouwd van een Marokkaans plattelandsdorp waar de oude islam-waarden met hand en tand worden verdedigd tegen westerse invloeden.
Probleem is dat een overvloed aan ornamentiek het zicht op dit bouwwerk vaak ontneemt. Te zeggen dat Bouazza 'bloemrijk' schrijft zou zwak zijn uitgedrukt. Alle mogelijke stijlfiguren (beeldspraak, personificatie, metonymie etc.) worden aangewend. Bouazza's versierdrang doet soms denken aan de woordkunst van de Tachtigers, bijvoorbeeld wanneer hij nieuwvormingen introduceert in de trant van 'het schichtdoorboorde lover' en 'de witgebaarde, zwartgetulbande kadi'.
Een van de opvallendste kenmerken van Bouazza's proza is zijn gebruik van archaïsmen, waarvoor meer dan eens naar het WNT moet worden gegrepen: 'schrepele schouders' (mager), 'tuitelden' (wankelden), 'gnokte' (smeekte). Misschien dat Thomas Rosenboom er zijn voordeel mee kan doen, maar verder ontgaat mij de zin van die gedateerde varianten in een niet-historische roman.
Daarnaast bedient Bouazza zich gretig van Reviaans aandoende termen: hij heeft het over 'mijn gerezen lendentrofee' wanneer hij een erectie bedoelt en noemt masturbatie 'de eenhandige troost'. Maar waar Reves 'zadels', 'vosseholen' en 'herendelen' ingebed zijn in een superieure ironie, daar wordt Bouazza's erotische beeldspraak bij gebrek aan zelfspot al gauw potsierlijk en formuleringen als 'onze horizontale schermutselingen' en 'pas nadat de struiseling uiteindelijk geveld zijn kop op mijn onderbuik liet vallen' veroorzaken steeds meer irritatie.
Soms kreeg ik de indruk dat de verhalen misschien beter tot hun recht komen wanneer ze hardop worden voorgelezen. Het is hierin dat de vergelijking met de Vertellingen van duizend-en-een-nacht, die immers uit een orale traditie zijn ontstaan, zich opdringt. Vaak komen zinswendingen, formuleringen, en zelfs een complete alinea (of is dit een fout?) letterlijk terug, zoals ook de Vertellingen bol staan van herhalingen, als een geheugensteuntje voor de verteller.
Genoemde stijlfiguren, archaïsmen, herhalingen etc. leveren vaak mooie taal op, maar Bouazza is er met De voeten van Abdullah vooralsnog niet in geslaagd zijn barokke woordkunst zo te doseren dat de ornamentiek een middel blijft, in plaats van doel op zichzelf. En het is alsof Bouazza dat zelf ook inziet, wanneer hij halverwege het openingsverhaal zijn hoofdfiguur de fraaie regels laat opschrijven: 'Mijn proza lijkt op de spoken van mijn geheugen: lege omhulsels, losgeslagen epitheta die zielloos dwalen in een spookstad waar mijn taal gestorven is.' Zo vergaat het ook Bouazza's woorden: ze gaan tenonder in schoonheid.
Tot slot moet mij van het hart dat de eindredactie sterk te wensen overlaat. Storende fouten als 'de slagen ging' (p.18), 'daarbuiten dat' (p.116) en 'zij verwijderdt (sic!) zich' (p.117), mogen in een serieus boek niet voorkomen. Het lijkt erop dat De voeten van Abdullah een haastklus was.

© Het Parool, 31 mei 1996




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina