Auteurs: Elsbeth Boxum, klinisch linguïst



Dovnload 176.14 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte176.14 Kb.
Copyright © Vereniging voor Klinische Linguïstiek

Oktober 2013


www.klinischelinguistiek.nl

Auteurs:

Elsbeth Boxum , klinisch linguïst

De Vogellanden, Centrum voor Revalidatie

Hyacinthstraat 66a

Postbus 1057, 8001 BB Zwolle

e.boxum@vogellanden.nl

Fennetta van der Scheer, klinisch linguïst

Advies-en behandelcentrum zorggroep Noordwest Veluwe

Sonnevancklaan 2

3847LC Harderwijk

fennetta.vander.scheer@znwv.nl

Mariëlle Zwaga, klinisch linguïst

De Vogellanden, Centrum voor Revalidatie

Hyacinthstraat 66a

Postbus 1057, 8001 BB Zwolle

m.zwaga@vogellanden.nl

ASTA

Analyse voor Spontane Taal bij Afasie
Standaard in samenwerking

met de VKL

Inhoudsopgave

Voorwoord………………………………………………………………......5




  1. Het maken van een opname: vragen………………………………..6




  1. Afspraken over transcriberen……………………………………….. 6




  1. Afspraken over tellen…………………………………………………...7




  1. Lexicale maten………………………………………………………….8




  1. Fonematische maten…………..…………………………………..…10




  1. Morfosyntactische maten…………………………………………….10




  1. Normgegevens en interbeoordelaarsbetrouwbaarheid……………12




  1. Interpretatie …………………………………………………………...14

Glossarium………………………………………………………………...16


Referenties………………………………………………………………...19
Appendix 1: voorbeeld werkwijze……………………………………….20
Appendix 2: lastige gevallen…………………………………………….22

VOORWOORD


Voor u ligt de nieuwste versie van de Analyse voor Spontane Taal bij Afasie: de ASTA. Dit is alweer de 4e versie, 10 jaar na de start.

Verstoring van de spontane taal is vaak de meest opvallende manifestatie bij een afasie. De spontane taal bepaalt het functioneren van de patiënt in het dagelijks leven en is daarom het speerpunt van de therapie. Adequate behandeling van een taalstoornis kan alleen plaatsvinden als duidelijk wordt vastgesteld wat de onderliggende stoornissen zijn die aan de afasie ten grondslag liggen. De analyse van de spontane taal is daarbij onmisbaar in een adequate diagnostiek. De ASTA voorziet in een uitspraak over de onderliggende stoornissen en hun onderlinge samenhang. Bovendien geeft de ASTA een uitkomstmaat die voor de patiënt van belang is aangezien de doelstelling van de patiënt er vaak op neer komt dat hij een gesprek wil kunnen voeren. Door de analyse van de spontane taal kunnen er goede aanknopingspunten voor vervolgonderzoek en de therapie gegeven worden en kan herstel objectief gemeten worden.


Analyse van de spontane taal kan zowel kwalitatief als kwantitatief van aard zijn. Als project binnen de Vereniging voor Klinisch Linguïstiek (VKL) is in mei 2003 een start gemaakt met het opstellen van een VKL standaard voor de kwantitatieve analyse van de spontane taal van afasiepatiënten. In 2005 is er consensus gekomen over een standaard werkwijze. De ASTA: de Analyse voor Spontane Taal bij Afasie, een standaard volgens de VKL werd gepresenteerd.

In de loop der jaren zijn er aanpassingen en aanvullingen gedaan, waardoor er nu een versie ligt met een standaard werkvolgorde, een aantal gestandaardiseerde maten met bijbehorende goede normen, een glossarium en een uitgebreide appendix met lastige gevallen.


De VKL adviseert dat de ASTA door klinische linguïsten wordt afgenomen, aangezien linguïstische kennis is vereist bij de uitvoering van de analyse maar vooral bij de interpretatie van de scores.
NB: Bij dit protocol hoort een digitaal scoreformulier dat te vinden is op de VKL website www.klinischelinguistiek.nl

Bij het uitvoeren van een Analyse van de Spontane Taal bij Afasie dient onderstaande volgorde te worden aangehouden als werkvolgorde.



1HET MAKEN VAN EEN OPNAME: VRAGEN


  • De vragen die worden gesteld bij de audio-opname van het sample zijn:

  • Kunt u mij vertellen wat er met u is gebeurd?

  • Wat voor beroep heeft u (gehad)? Kunt u daar wat over vertellen?

  • Kunt u iets vertellen over uw familie?

  • Heeft u hobby’s/ wat doet u graag in uw vrije tijd?

  • Neem de vragen in bovenstaande volgorde af.

  • Zorg dat in het sample tenminste drie onderwerpen aan bod komen.

Deze vragen zijn afgeleid van de vragen die gesteld worden bij de opname voor de Spontane Taal van de Akense Afasie Test (Graetz, de Bleser en Willmes, 1992). Voor een kwalitatieve analyse van het transcript kan de methodiek van de AAT gebruikt worden.

De reden om te streven naar verschillende onderwerpen binnen het transcript is om te voorkomen dat bepaalde morfosyntactische of semantische maten niet of juist in relatief hoge mate aan bod komen. Soms hangt namelijk van het onderwerp af of men bijvoorbeeld voltooid verleden tijdsvormen gebruikt.


2AFSPRAKEN OVER TRANSCRIBEREN





    1. Transcriptie

  • Wel transcriberen:

  • alle uitingen van de patiënt

  • alle vragen van de testleider

  • pauzes (middels #) indien deze niet communicatief en opvallend lang zijn

  • /hé/ /euh/ /ho/ /oh/ om een gevulde pauze aan te duiden



  • wat te doen bij (deels) onverstaanbare uitingen?

  • Transcribeer zoveel mogelijk wat wel verstaanbaar is binnen de uiting. Geef de onverstaanbare delen aan middels XXX


2.2 Sampledeel


  • Begin in principe met transcriberen vanaf de start van de opname, direct bij de eerste vraag.

  • Indien het begin duidelijk slechter is, begin dan met transcriberen na de 50 eerste woorden.

Verschillende factoren kunnen de kwaliteit van de taal beïnvloeden waaronder emoties. Als er hierdoor een duidelijk verschil waarneembaar is met de rest van het sample, wordt gestart met transcriberen na 50 woorden.



    1. Grootte




  • Een transcript beslaat in totaal uit 300 woorden.

Uit literatuuronderzoek blijkt dat 300 woorden een veel gebruikte maat is (Bastiaanse & Jonkers 1998; Vermeulen, Bastiaanse & Van Wageningen 1989, Prins & Bastiaanse 2004). Bij samples met minder woorden zijn de resultaten minder betrouwbaar (Berghuis 2004).




3AFSPRAKEN OVER TELLEN





  • Tel in het sample vanaf het begin totdat je 300 woorden hebt. Houd hierbij rekening met onderstaande afspraken.


3.1 Herhaling


  • Tel een herhaling mee om tot het totaal van 300 woorden te komen.

  • Er is sprake van een herhaling als tenminste 50% van het aantal fonemen van het doelwoord is gerealiseerd. Indien minder dan 50% van het doelwoord is gerealiseerd, is er sprake van een valse start.

Po politie = 1 woord
Aantal herhalingen = 0 (valse start)
Poli politie = 2 woorden
Aantal herhalingen = 1


Morgen morgen = 2 woorden.

Aantal herhalingen=1

Vlieg, vlieg, vliegtoef = 3 woorden

Aantal herhalingen= 2

  • Een herhaling hoeft niet direct aansluitend op de eerste realisatie te volgen.

Kees gaat naar huis, Kees = 5 woorden

Aantal herhaling = 1

  • Uitzonderingen zijn /ja/ /nee/ /nou/.
    Ja ja ja ja ja = 1 woord


3.2 Minimale respons


  • Tel een minimale respons mee om tot het totaal aantal van 300 woorden te komen.

Bekende voorbeelden van een minimale respons zijn /ja/ /nee/ nou/ en onderscheiden zich van de éénwoordsuiting.


Heeft u kinderen?
Ja = 1 woord
Ja is hier minimale respons
Heeft u kinderen?
Twee = 1 woord
/ twee/ is een éénwoordsuiting




  • Een minimale respons die een herhaling bevat wordt als één woord geteld.

Ja ja ja ja ja = 1 woord

3.3 Neologismen


  • Tel een neologisme mee in het totaal aantal van 300 woorden.



3.4 Echolalie



  • Tel een echolalie mee in het totaal aantal van 300 woorden.



    1. Stereotypen




  • Tel een stereotype mee in het totaal aantal van 300 woorden.




    1. Eindmarkering




  • Het sample loopt tot en met woord nummer 300, ook al valt deze grens midden in een uiting. Tot deze grens worden alle lexicale maten bepaald.


3.7 Interjecties


  • /hé/ /eh/ /ho/ /oh/ etc. niet meetellen voor het aantal van 300 woorden.




    1. Deels onverstaanbare uitingen




  • De verstaanbare woorden binnen een deels onverstaanbare uiting worden meegeteld in het totaal aantal van 300 woorden.

4LEXICALE MATEN

Bepaal nu binnen het verkregen sample van 300 woorden onderstaande lexicale maten.





    1. Aantal zelfstandige naamwoorden

Tel het aantal zelfstandige naamwoorden. Hierbij gelden de volgende regels.


Reken de volgende woorden ook als zelfstandig naamwoord:

  • Elke herhaling van een zelfstandige naamwoord.

  • Dagen van de week en maanden van het jaar.

  • Eigennamen, waaronder plaatsnamen en landsnamen.

  • In vaste uitdrukkingen gebruikte zelfstandige naamwoorden.
    -De mensen zijn er mee aan de gang,
    2 zelfstandige naamwoorden: /mensen/, /gang/
    -Druk in de weer
    1 zelfstandig naamwoord: /weer/

  • Reken semantische parafasieën en fonematische parafasieën gebruikt als zelfstandig naamwoord ook mee als zelfstandig naamwoord.

  • Werkwoorden die gebruikt worden als zelfstandig naamwoord tellen als zelfstandig naamwoord.

Het praten gaat nog moeilijk

Praten = zelfstandig naamwoord

Mijn hobby’s zijn lezen en hardlopen

lezen en hardlopen = 2 zelfstandige naamwoorden
Reken de volgende woorden niet mee als zelfstandig naamwoord:

  • Zelfstandige naamwoorden gerealiseerd in een echolalie.

  • Zelfstandig gebruikte telwoorden.

  • Neologismen.



4.2 Diversiteit (type-token ratio) van de zelfstandige naamwoorden
Bepaal nu de diversiteit van de zelfstandige naamwoorden.

  • Deel het aantal verschillende zelfstandige naamwoorden door het totaal aantal zelfstandige naamwoorden.

  • Reken homoniemen als twee verschillende zelfstandige naamwoorden.


    1. Aantal lexicale werkwoorden


Tel het aantal lexicale werkwoorden. Hierbij gelden de volgende regels.
Reken de volgende woorden ook als lexicaal werkwoord:

  • Elke herhaling van een lexicaal werkwoord.

  • In vaste uitdrukkingen gebruikte lexicale werkwoorden
    Hij schudt het allemaal zo uit zijn mouw
    1 lexicaal werkwoord: /schudden/

  • Reken semantische parafasieën en fonematische parafasieën gebruikt als werkwoord ook mee als een lexicaal werkwoord.

Reken de volgende woorden niet mee als lexicaal werkwoord:



  • Lexicale werkwoorden gerealiseerd in een echolalie.

  • Het werkwoord /zijn/.

  • Neologismen



5Diversiteit (type token ratio) van de lexicale werkwoorden


Bepaal nu de diversiteit van de lexicale werkwoorden.

  • Deel het aantal verschillende werkwoorden door het totaal aantal werkwoorden.

  • Er wordt gekeken naar het werkwoord zelf, ongeacht de vervoeging.
    lopen, loopt, liep, gelopen = 1 type en 4 tokens

  • Reken homoniemen als twee verschillende werkwoorden.



6Aantal semantische parafasieën

Tel het aantal semantische parafasieën. Hierbij gelden de volgende regels.

Reken de volgende woorden ook als een semantische parafasie.

  • Elke herhaling van een semantische parafasie.


  • Bepaal het aantal semantische parafasieën op basis van alle inhoudswoorden, dus kijk naar de zelfstandige naamwoorden, lexicale werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.



    1. Neologismen

Tel het aantal neologismen.




5 FONEMATISCHE MATEN


Bepaal het aantal fonematische parafasieën. Hierbij gelden de volgende regels.
  • Elke herhaling van een fonematische parafasie wordt als fonematische parafasie geteld

  • Bepaal het aantal fonematische parafasieën op basis van alle 300 woorden




  1. MORFOSYNTACTISCHE MATEN

Bepaal vervolgens onderstaande morfosyntactische maten


6.1 Modalen en koppelwerkwoorden
Bepaal nu het aantal koppelwerkwoorden en modalen. Hierbij gelden de volgende regels.

  • /zullen/, /willen/, /moeten/, /mogen/, /kunnen/ altijd als modaal tellen.

  • /zijn/, /worden/, /blijven/, /blijken/, /lijken/ /schijnen/, /heten/, /dunken/ en /voorkomen/ als koppelwerkwoord tellen met in acht neming van de regels. (Zie E-ANS : www.ans.ruhosting.nl voor de uitleg wanneer deze woorden daadwerkelijk koppelwerkwoorden zijn).

  • Tel alle herhalingen van modalen en koppelwerkwoorden ook mee

  • Reken modalen en koppelwerkwoorden gerealiseerd binnen een echolalie niet mee

  • Houd er rekening mee dat ook andere werkwoorden zich soms kunnen gedragen als een koppelwerkwoord ( ze zijn dan te vervangen door de koppelwerkwoorden zijn of worden)

De man raakte (werd) uitgeput

Raken = koppelwerkwoord

Die opmerking viel (was)verkeerd

Vallen = koppelwerkwoord



6.2 Uitingsgrenzen
Bepaal nu de uitingsgrenzen. Hierbij gelden de volgende regels.

  • Een grammaticale eenheid is een uiting.

  • Een dalend intonatiepatroon markeert een uitingsgrens.

  • Een duidelijke pauze markeert een uitingsgrens.

De regels moeten in bovenstaande volgorde worden toegepast. Pas als er geen grammaticale eenheid is te achterhalen, is intonatie bepalend voor de uitingsgrens, gevolgd door een pauze. Op bovenstaande regels gelden de volgende aanvullingen.


  • /en/ is een uitingsgrens tenzij /en/ in een opsomming voorkomt.

(Vermeulen & Bastiaanse 1984).

De man liep op straat en hij sloeg links af.

Aantal uitingen = 2

De man en de vrouw liepen op straat.

Aantal uitingen = 1

  • Conjuncties zoals /maar/ /want/ /omdat/ /dat/ vormen geen uitingsgrens.

  • Het voegwoord /dus/: hierbij geldt de volgende afspraak

Dus markeert een nieuwe uiting als de woordvolgorde na /dus/ die van een hoofdzin is:

Ik voel me niet zo lekker dus ik blijf thuis = 2 uitingen

Dus markeert het begin van een bijzin als de woordvolgorde na /dus/ die van een bijzin is:



Ik voel me niet zo lekker dus blijf ik thuis = 1 uiting met een bijzin

  • Bij directe rede is er geen uitingsgrens.
    De man zegt: ‘Ik lust wel een ijsje’.
    Aantal uitingen = 1


  • Let op: soms vertelt iemand langere tijd in de directe rede. In dat geval kun je ook binnen een directe rede meerdere uitingen onderscheiden.

Mijn vrouw zegt: ‘het is zo koud we gaan naar huis en we gaan lekker koffie drinken

Aantal uitingen= 3

Mijn vrouw zegt: ‘het is zo koud

We gaan naar huis

En we gaan lekker koffie drinken’

  • Samentrekking: hier is sprake van 2 uitingen

Karel maait het gras en gaat daarna naar de supermarkt

Aantal uitingen = 2, namelijk: karel maait het gras en en gaat daarna naar de supermarkt

  • Let op: in sommige gevallen kan er een uiting binnen een uiting voorkomen.

Op een gegeven moment, ik heb het zelf niet meegekregen, ben ik van de trap gevallen.
Aantal uitingen = 2, namelijk : op een gegeven moment ben ik van de trap gevallen
en ik heb het zelf niet meegekregen

6.3 Gemiddelde uitingslengte, MLU (Mean Length of Utterance)
Stel de MLU vast. Hierbij gelden de volgende regels.

  • Streep de volgende woorden weg binnen de zojuist bepaalde uitingsgrenzen.
    - minimale responsen ( /ja/ /nee/ /nou/ (tenzij gebruikt in de betekenis van /nu/))
    - iedere herhaling
    - iedere echolalie
    - iedere mislukte poging om te komen tot realisatie van het doelwoord
    Ik ging zitten op de kast, nee stoel, nee bank
    Aantal woorden voor bepalen samplegrootte = 10


MLU=6

  • Streep /hé/, /goh/, /och/ etc. weg.

  • Uitingen die deels onverstaanbaar zijn worden in hun geheel weggelaten (eventuele lexicale maten zijn dan al wel geteld)

  • Tel het aantal overgebleven uitingen.

  • Indien de laatste uiting onvolledig is, door het afkappunt bij de 300-woordengrens, wordt deze uiting in zijn geheel weggelaten.

  • Tel per overgebleven uiting het aantal woorden.

  • Tel vervolgens het aantal woorden van de overgebleven uitingen bij elkaar op.

  • Deel het totaal van de overgebleven woorden door het totaal aantal uitingen. Dit is de MLU.



6.4 Percentage correcte uitingen

Bepaal na de MLU per uiting de correctheid. Hierbij gelden de volgende regels.



  • Beoordeel iedere uiting op basis van het overgebleven aantal woorden.
    Gister, gisteren ging ik naar het ziekenhuis verpleeghuis
    Gister, gisteren ging ik naar het ziekenhuis verpleeghuis= correcte uiting.

  • Een grammaticale eenheid die volledig is, dus met een volledige argumentstructuur, is een correcte uiting.

  • De lexicaliteit van een uiting moet kloppen.

  • Een in normaal taalgebruik voorkomende ellips is een correcte uiting.
    Waar ben je gisteren geweest?.
    In Zwolle = correcte uiting
    .

  • De fonologie mag afwijken zolang de woorden herkenbaar zijn.

  • Deel het aantal correcte uitingen door het totaal aantal uitingen. Dit is het percentage correcte uitingen.

  • Uitingen die deels onverstaanbaar zijn, worden weggelaten en hoeven dus ook niet beoordeeld te worden op hun correctheid

  • Samentrekkingen: beide uitingen rekenen we als correct ook al ontbreekt in de tweede uiting het onderwerp

Hanneke wast de ramen en veegt daarna de vloer

Hanneke wast de ramen= correcte uiting

En veegt daarna de vloer = correcte uiting

6.5 Finietheidsindex

Bepaal nu de finietheidsindex. Hierbij gelden de volgende regels.



  • Bepaal per uiting of een persoonsvorm verplicht is. Let op ! per uiting kunnen meerdere persoonsvormen verplicht zijn.

  • Bekijk of deze persoonsvorm is ingevuld en zo ja of die correct is.

  • Deel nu het aantal correct gerealiseerde persoonsvormen door het aantal verplichte persoonsvormen.
    Ik weet er niks meer van. = 1 verplichte persoonsvorm, correct gerealiseerd
    Toen naar ziekenhuis. = 1 verplichte persoonsvorm, niet gerealiseerd
    Mijn vrouw zei dat ik van de bank viel = 2 verplichte persoonsvormen, beide


gerealiseerd
Toen weet ik mijn naam niet eens. = 1 verplichte persoonsvorm, fout gerealiseerd
Finietheidsindex = 3/5 = 0.60


  • Uitingen die deels onverstaanbaar zijn, worden weggelaten. Hier wordt dus niet meer gekeken of de persoonsvorm is ingevuld.




    1. Aantal bijzinnen




  • Tel nu het aantal bijzinnen.

  • Let op: een beknopte bijzin is geen bijzin. Daarom wordt deze niet meegeteld bij de bijzinnen


7 NORMGEGEVENS EN INTERBEOORDELAARSBETROUWBAARHEID



7.1 Normgegevens
De normgegevens met gemiddelde, standaarddeviatie en range zijn opgenomen in tabel 1.

Voor de herziene versie van de ASTA 2010 werden de normen gebruikt die verzameld zijn door F. van der Scheer (2009) in het kader van haar masterthese in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen en De Vogellanden, Centrum voor Revalidatie. Zij hanteert een normgroep van 41 personen, in de leeftijd van 18 tot en met 78 jaar, met een gevarieerd opleidingsniveau. Verder heeft zij onderzocht of er een invloed is van leeftijd, sekse en opleiding op de maten van de ASTA. Hiervan is geen significante invloed gevonden. Dit betekent dat de gevonden waarden voor de verschillende groepen samengenomen kunnen worden.




Spontane-taalmaat

Gemiddelde

Standaarddeviatie

Range

Aantal zelfstandige naamwoorden

48

7,88

33 – 64

TTR zelfstandige naamwoorden

0,76

0,08

0,53 – 0,89

Aantal lexicale werkwoorden

29

4,14

20- 39

TTR lexicale werkwoorden

0,63

0,11

0,45 – 0,84

Aantal koppelwerkwoorden/modalen

12

4,15

3 – 20  

MLU

8,63

1,74

5,71 – 13,05

Percentage correcte uitingen

0,93

0,06

0,74 – 1

Finietheidsindex

0,99

0,03

0,88 – 1

Aantal bijzinnen

4,8

2,78

0 – 13

Semantische parafasieën

0

0,57

0 – 2

Fonematische parafasieën

0

0,33

0 - 1

Neologismen

0

0

0
Tabel1: normgegevens

7.2. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid

Uit het hiernagenoemd onderzoek blijkt een hoge correlatie op de maat interbeoordelaarsbetrouwbaarheid. Deze correlatie is voor alle gebruikte taalmaten significant. Er ontstaat dus geen verschil in uitkomsten wanneer een ander persoon de analyse uitvoert (zie artikel vd Scheer F., Zwaga M. en Jonkers R., 2011). De uitkomsten van deze berekening staan in tabel 2.




Spontane-taalmaat

Correlatiecoëfficiënt

p-waarde

Aantal zelfstandige naamwoorden

0,968

< 0,001

TTR zelfstandige naamwoorden

0,913

< 0,001

Aantal lexicale werkwoorden

0,738

0,002

TTR lexicale werkwoorden

0,781

0,001

Aantal koppelwerkwoorden/modalen

0.848

<0,001

MLU

0,981

<0,001

Aantal bijzinnen

0,624

<0,05

Percentage correcte uitingen

0,750

<0,01

Finietheidsindex

0,550

<0,05

Tabel 2: uitkomsten berekening interbeoordelaarsbetrouwbaarheid


  1. INTERPRETATIE





    1. Standaarddeviatie

Beschrijf de score als het aantal standaarddeviaties ten opzichte van het gemiddelde. Je verkrijgt de standaarddeviatie door van de ruwe score het gemiddelde af te trekken en dit vervolgens te delen door de standaarddeviatie. De gemiddeldesn en de standaarddeviaties van de verschillende maten staan in tabel 1.

Formule: ruwe score - gemiddelde

--------------------------------------------

standaarddeviatie
Beschouw de score als afwijkend als deze meer dan twee standaarddeviaties afwijkt van het gemiddelde. Het beschrijven in standaarddeviaties biedt ook de mogelijkheid bij een volgende analyse de vooruitgang objectief weer te geven.

In 2013 is er een excellformulier ontwikkeld waarin de ruwe scores zoals de diversiteit, percentage correcte zinnen, de finietheidsindex en alle standaarddeviaties van de gebruikte maten automatisch worden berekend. Dit formulier is te downloaden vanaf de VKL site (www.klinischelinguistiek.nl).




    1. Interpretatie van de scores

Het is de taak van de linguïst om de verkregen scores te interpreteren.

Dit kan in de volgende zes stappen:

Stap 1: nadat de scores zijn omgezet naar standaarddeviaties (dit kan automatisch met behulp van het digitaal scoreformulier dat te vinden is op de VKL website www.klinischelinguistiek.nl), wordt per maat beschreven of deze scores wel of niet afwijkend zijn.

Stap 2: hier worden de gevonden resultaten beschreven en afgezet tegen de andere taalmaten van de ASTA.

Voorbeeld: het te lage aantal zelfstandige naamwoorden en het hoge aantal semantische parafasieen wijzen op een woordvindprobleem.

Of: het aantal correcte zinnen is te laag, dit komt voor een groot deel door het slechte vervoegen waardoor de finietheidsscore afwijkt.

Stap 3: hier wordt er gekeken of de gevonden resultaten overeen komen met andere testgegevens.

Stap 4: de uiteindelijke interpretatie wordt binnen vier domeinen ondergebracht, te weten communicatie, woordvinding, fonologie en syntaxis.

Stap 5: er wordt er een advies gegeven voor eventuele vervolgtesten en wordt er een behandeladvies opgesteld.

Stap 6: in een overleg met de linguïst, de psycholoog en de behandelend logopedist wordt de interpretatie van de scores besproken en het behandeladvies doorgenomen

GLOSSARIUM


Akense Afasie Test

Psychometrisch verantwoorde en genormeerde test voor de diagnostiek van afasie

Beknopt bijzin

Een beknopte bijzin is een woordgroep waarin de persoonsvorm ontbreekt maar die makkelijk om te bouwen is tot een gewone bijzin.

Voorbeeld: na drie kwartier rennen was hij doodop (beknopte bijzin: na drie kwartier rennen)

Nadat hij drie kwartier gerend had was hij doodop (bijzin: nadat hij drie kwartier gerend had)


Bijzin

Een zinsdeel of zinsdeelstuk dat zelf weer een zin is.

Voorbeeld: dat het gaat vriezen, is nu wel duidelijk.



Conjunctie

Een voegwoord: verbindt twee of meer taalelementen en onderscheidt zich van andere verbindende elementen doordat het zelf geen deel uitmaakt van een

van de verbonden elementen, in die zin dat het niet als


zinsdeel benoembaar is (Geerts et al, 1984, ANS)

Diversiteit

Mate van verschillende items binnen een bepaalde

categorie



Echolalie

Letterlijke herhalingen van woorden van de gesprekspartner

Ellips

Onvolledige zin. Zinnen die niet ten minste een onderwerp en een gezegde bevatten, en niet behoren tot de beknopte bijzinnen, bevelende zinnen waarin het onderwerp niet is uitgedrukt of samengetrokken zinnen noemen we onvolledige zinnen of elliptische zinnen

Finietheidsindex


Het percentage correcte persoonsvormen gedeeld door het aantal werkwoordsvormen waarbij een persoonsvorm nodig is

Fonematische parafasie


Het doelwoord wordt verkeerd uitgesproken, maar is nog

wel herkenbaar. Klanken worden gesubstitueerd (/map/ voor /man/) weggelaten (/afel/ voor /tafel/) verwisseld

(/eksol/ voor /oksel/) of toegevoegd (/prapier/ voor /papier/)


Herhaling

Wanneer iemand een woord twee keer in ongewijzigde

vorm in dezelfde uiting realiseert, is er sprake van een herhaling. We spreken bij spontane-taalanalyse ook van een herhaling als meer dan 50% van het doelwoord is gerealiseerd.

/ Po politie / bevat geen herhaling.

/ Poli politie / bevat één herhaling.

/Kees gaat naar huis, kees/ bevat één herhaling.


Homoniem


Een woord dat dezelfde klank en spelling heeft als een ander woord, maar ervan verschilt in betekenis, zoals bijv. ‘bank’ (zitmeubel en geldinstelling) of ‘school’ (leerinstelling en groep vissen)

Hoofdzin

Een volledige zin die geen bijzin of beknopte bijzin is

Hulpwerkwoord

Een werkwoord dat samen met een ander werkwoord het gezegde vormt

Interjectie .


Tussenwerpsel. Klanknabootsende (kaboem, pfff) en niet klank-nabootsende (nou nou, jeetje). Woorden als kukelekuu en bombombom en ook vloeken zijn interjecties

Koppelwerkwoord .


Een koppelwerkwoord verbindt een naamwoord (bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord)met een onderwerp

Kwalitatieve analyse

Inhoudelijke analyse waarmee een beschrijving van een bepaald linguïstisch niveau wordt gegeven zoals voorbeeld: prosodie, semantiek. Een voorbeeld van een kwalitatieve spontane taal analyse is die van de AAT

Kwantitatieve analyse


Analyse waarbij telbare maten gebruikt worden. Gegevens van gezonde sprekers vormen hierbij de norm

Kwantitatieve maat

Maat die telbaar is en daarmee objectief.

Voorbeeld: MLU, Type token ratio zelfstandige

naamwoorden


Lexicaal

Het woord betreffend

Lidwoorden

/de/ en /het/ zijn lidwoorden van bepaaldheid.

/een/ is lidwoord van onbepaaldheid



Lexicaal werkwoord

Inhoudswerkwoord

MLU


Mean Length of Utterance = gemiddelde uitingslengte.

Deel het totaal aantal woorden door het totaal aantal uitingen om de MLU te verkrijgen



Minimale respons

Taalkundig niet informatieve éénwoordsuiting of een ontkenning dan wel bevestiging

Modaal werkwoord



Hulpwerkwoord dat iets mogelijks, noodzakelijks, of waarschijnlijks uitdrukt.

- zullen; willen; moeten; mogen; kunnen

(Zie ook werkwoord)


Morfologie

Wetenschap die zich bezig houdt met de vormverandering van woorden

Neologisme

Niet bestaand woord. Voorbeelden van neologismen zijn

pluimjestennis en afrekenmachine. Soms is het doelwoord zodanig vervormd dat het niet meer herkenbaar is (laggel of jaal). Ook dan spreken we van een neologisme



Parafasie

Vervanging van het doelwoord door een klank- of

betekenisverwant woord

Zie ook:

- fonematische parafasie

- semantische parafasie


Pauze

Een stilte: een moment waarin niet wordt gesproken

Sample

Een eenheid van opgenomen taal. Een sample bestaat

bijvoorbeeld uit 10 minuten opgenomen taal



Semantische parafasie



Foutieve vervanging van het doelwoord door een

betekenisverwant woord

Voorbeeld: tafel voor stoel, moeder voor vrouw


Stereotypen



Vormvaste formules die voortdurend weerkeren, maar

die gewoonlijk wel aangepast zijn aan de spreeksituatie. Bijvoorbeeld: ‘enzovoorts’, ‘mijn god’, ‘je weet wel wat ik bedoel’



Syntaxis

Wetenschap die zich bezig houdt met de zinsbouw

Taalautomatisme

Steeds weerkerende, vormvaste uitdrukking die uit

neologistische samenvoegingen van lettergrepen,

toevallige woorden of zinnen bestaat. Een taalautomatisme past niet in de taalcontext


Transcript

Een uitgeschreven of getypte weergave van een sample

Type token ratio

Diversiteit: verhouding tussen het aantal verschillende items van een categorie ten opzichte van het totaal aantal items van die zelfde categorie.

Voorbeeld type token ratio van zelfstandige naamwoorden: deel het aantal verschillende zelfstandige naamwoorden door alle zelfstandige naamwoorden



Type


Lemma

/ging/ /gaat/ /gegaan/ = 1 type

/krant/ /kranten/ = 1 type


Token

Het totaal aantal verschijningen van een lemma

/ging/ /gaat/ /gegaan/ = 3 tokens



/krant/ kranten/ = 2 tokens

Uiting

Een aaneengesloten reeks woorden in de spontane taal die een grammaticale eenheid vormt

Werkwoord

Een woord dat een actie uitdrukt en dat vervoegd kan worden en dat deel uitmaakt van het lexicon

Zelfstandig naamwoord

Substantief. Woord waar een lidwoord voor gezet kan worden en dat deel uitmaakt van het lexicon


GEBRUIKTE LITERATUUR


  • Bastiaanse, R. (2010) Afasie ( Bohn Stafleu van Loghum)

  • Bastiaanse, R & Jonkers, R (1998) Verb Retrieval in Action Naming and Spontaneous Speech in Agrammatic and Anomic Aphasia. Aphasiology, 12, 951-969

  • Jager. B. ( 1983). Ontleed je taal goed ( ThiemeMeulenhoff, Utrecht)

  • Geerts, G., Haeseryn, W., De Rooij, J. & Van den Toorn, M.C. (1984) Algemene Nederlandse Spraakkunst. (Wolters-Noordhoff, Groningen)

  • Graetz, P., de Bleser, R., & Willmes, K. (1992) Akense Afasie Test. Nederlandstalige bewerking van de Aachener Aphasie Test.

  • Prins, R. & Bastiaanse, R. (2004). Review. Analysing the spontanous speech of aphasic speakers. Aphasiology, 18 (12), 1075-1091

  • Vermeulen, J. & Bastiaanse, R. (1984) Stoornissen in de spontane taal bij afasiepatiënten: een factoranalytisch onderzoek. Rapport voor de stichting afasie Nederland.

  • Vermeulen, J., Bastiaanse, R & Van Wageningen, B. (1989) Spontaneous Speech in Aphasia: a Correlation Study. Brain and Language, 36, 252-274


REFERENTIES VERVOLGONDERZOEK ASTA


  • Berghuis, D. (2004) Analyse van spontane taal volgens de VKL-SAST. Bachelorscriptie.

  • Lindner, R. (2012). De ASTA en het in kaart brengen van afasie van Broca en restafasie. Onderzoek naar de toegevoegde waarde van een aantal optionele maten voor het in kaart brengen van agrammatisme en woordvindingsproblemen bij restafasie. MA Thesis

  • Lindne,r R., Zwaga, M., Boxum ,E en Jonker,s R. De spontane taal van patiënten met restafasie (in press) .

  • Potkamp-van den Belt, J. (2011) Test-hertestbetrouwbaarheid van spontane-taalonderzoek bij gezonde volwassenen. MA Thesis

  • Scheer, van der F., Zwaga, M. en Jonkers, R. (2011) Normering van de ASTA, Analyse voor Spontane Taal bij Afasie. Stem-Spraak en Taalpathologie vol 17, no 2, 19-30

  • Scheer, van der F (2009). De invloed van geslacht, leeftijd en opleidingsniveau op verschillende kwantitatieve maten binnen een spontane taalsample. MA Thesis.

  • Zwaga,M.,Scheer, van der F., Boxum, E.  (2011).  ASTA: Analyse voor Spontane Taal bij Afasie. De inzet van spontane-taalanalyse in de afasiebehandeling, Logopedie en Foniatrie , 9,


APPENDIX 1: VOORBEELD WERKWIJZE


1 Transcribeer de spontane-taalopname

Alleen zinnen # alleen zinnen # ja begin dat dat dat was niets eigenlijk # ja nie eens nie eens nie eens mijn naam nog nie eens geen aantállen niets en toen dacht ik wel ja toen dacht ik # een dag dacht ik, toen dacht ik twee dagen nou wel en nie eens kranten. Toen dacht ik prima je kunt wel met met benen en armen dat dat is prima maar alleen die zinnen en een krant dat dat gaat niet en dan denk ik nou # toen dacht ik nog een keer een dag en toen dacht ik een week, toen dacht ik twee twee weken dacht ik toen en raar en eh je kunt alles, ik wil wel verhalen wil ik en ik wil heel veel vrienden en en mijn mijn bedrijf # en natuurlijk mijn mijn directeuren en en vrienden maar dat kan ik niet. Ik weet ik wel, maar het gaat niet.




  1. Tel het sample tot 300 woorden

In bovenstaand voorbeeld zijn er 150 woorden



3 Tel de lexicale maten



Aantal zelfstandige naamwoorden

Zin: 3x, begin, naam, aantal, dag: 3x, krant: 2x, been, arm, keer, week:2x, vriend: 2x, bedrijf, directeur.

Aantal: 20

Diversiteit zelfstandige naamwoorden

13 Type


20 Tokens

Type token ratio= 13: 20 = 0,65


Aantal werkwoorden:

Denken: 10x, gaan: 2x, weten, verhalen: 1x

Aantal: 14
Diversiteit werkwoorden:

4 types


13 tokens

Type token ratio= 4:13 = 0,29


Semantische parafasieën:

verhalen


Aantal: 1

Fonematische parafasieën:

Aantal: 0


4 Bepaal de morfosyntactische maten
Koppelwerkwoorden + modalen

zijn: 2x; kunnen: 3x; willen: 3x

Aantal: 8


Uitingsgrenzen
Alleen zinnen / alleen zinnen / ja begin dat dat dat was niets eigenlijk / ja nie eens nie eens nie eens mijn naam nog nie eens / geen aantállen niets / en toen dacht ik wel / ja toen dacht ik / een dag dacht ik/ , toen dacht ik twee dagen / nou wel / en nie eens kranten. / Toen dacht ik prima je kunt wel met met benen en armen dat dat is prima maar alleen die zinnen en een krant dat dat gaat niet / en dan denk ik nou / toen dacht ik nog een keer een dag / en toen dacht ik een week,/ toen dacht ik twee twee weken dacht ik toen / en raar / en eh je kunt alles /, ik wil wel verhalen wil ik / en ik wil heel veel vrienden / en en mijn mijn bedrijf / en natuurlijk mijn mijn directeuren en en vrienden maar dat kan ik niet/. Ik weet ik wel, maar het gaat niet.
MLU
Streep de overbodige woorden weg en bepaal per uiting het aantal woorden
(Onderstreepte woorden: niet tellen)

Alleen zinnen = 2 woorden

alleen zinnen = 2 woorden

ja begin dat dat dat was niets eigenlijk = 5 woorden

ja nie eens nie eens nie eens mijn naam nog nie eens = 5 woorden

geen aantállen niets = 3 woorden

en toen dacht ik wel = 5 woorden

ja toen dacht ik = 3 woorden

een dag dacht ik = 4 woorden +

toen dacht ik twee dagen = 5 woorden +

nou wel = 2 woorden

en nie eens kranten = 4 woorden

Toen dacht ik prima je kunt wel met met benen en armen dat



dat is prima maar alleen die zinnen en een krant dat dat gaat niet = 24 woorden

en dan denk ik nou = 4 woorden

toen dacht ik nog een keer een dag = 8 woorden +

en toen dacht ik een week = 6 woorden +

toen dacht ik twee twee weken dacht ik toen = 5 woorden

en raar = 2 woorden

en eh je kunt alles = 4 woorden +

ik wil wel verhalen wil ik = 4 woorden +

en ik wil heel veel vrienden = 6 woorden

en en mijn mijn bedrijf = 3 woorden

en natuurlijk mijn mijn directeuren en en vrienden maar dat kan ik niet = 11 woorden

Ik weet ik wel, maar het gaat niet = 7 woorden



Bereken de MLU : 124 woorden gedeeld door 23 uitingen = 5.39



Percentage correcte uitingen

6 / 23 = 0.26


Finietheidsindex

  1. “frasen” met een werkwoord (uiting 12 heeft 4 pv en uiting 6 en 23 hebben er 2)

20 persoonsvormen

21 : 21 = 100 %



APPENDIX 2: LASTIGE GEVALLEN



Zelfstandig naamwoord

Gaten

In de uiting: ‘En ik hield in de gaten’ is /gaten/ een zelfstandig naamwoord

Thuis

In de uiting: ‘Dit hier is mijn thuis’ ’is/ thuis/ een zelfstandig naamwoord,

In de uiting: ‘Ik ben thuis’ is /thuis/ geen zelfstandig naamwoord maar een bijwoord



Frans, Duits, Engels

Reken deze woorden als zelfstandig naamwoord.
Voorbeeld: ‘Ik spreek vloeiend Frans’

Interjecties

Au

Goh


Tjonge jonge

Gompie


Jeetje



Reken deze woorden als een interjectie en tel deze niet mee voor het totaal aantal van 300 woorden

Geluiden

(zoals pfieuw of diggedigge)



Als in een sample een geluidsnabootsingvoorkomt, reken dat dan als een interjectie en tel dit niet meer voor het totaal aantal van 300 woorden

Lexicale werkwoorden: wel of niet?

Bedankt

Reken dit als een lexicaal werkwoord


Stond

In de uiting: ‘stond ik zowaar te kijken dat ik de weg kwijt was’ is /stond/ een lexicaal werkwoord (net als /kijken/)

Zeg

In de uiting: ‘Ik heb zeg maar een infarct gehad’ is /zeg/ een lexicaal werkwoord (net als gehad)

Weet

In de uiting: ‘Weet ik het’ is /weet/ een lexicaal werkwoord

Hoor

In de uiting: ‘Hij was niet thuis hoor’ wordt / hoor/ niet geteld als lexicaal werkwoord.

Klopt

In de uiting: ‘Ja dat klopt’ is /klopt/ een lexicaal werkwoord

Doen

In de uiting: ‘Ik doe dat wel even‘ is /doen/ een lexicaal
werkwoord.

Gaan

In de uiting: ‘Ik ga naar huis’ is /gaan/ een lexicaal
werkwoord.

Geboren

Reken dit als een lexicaal werkwoord

Hebben

In de uiting: ‘ik heb veel dieren thuis’ is /hebben/ een lexicaal werkwoord

Afkrijgen / terugkrijgen

Dit zijn twee verschillende lexicale werkwoorden

Meekomen / bijkomen

Dit zijn twee verschillende lexicale werkwoorden

Laten

In de uiting: ‘ik liet de dingen liggen’ zijn /laten/ en /liggen/ lexicale werkwoorden

koppelwerkwoorden

Zijn

In de uiting: ‘er is niets aan de hand’ is /is/ een koppel werkwoord

Hulpwerkwoorden

Gaan

In de uiting: ‘Ik ga een eindje lopen” is /gaan/ een hulpwerkwoord en geen lexicaal werkwoord

Doen

In de uiting: ‘Doe maar dooreten’ is /doen/ een hulpwerkwoord

Hebben

In de uiting: ‘Hij heeft aardappels gegeten is /hebben/ een hulpwerkwoord van tijd

Blijken

In de uiting: ‘En dat bleek kapot te zijn’ is /bleek / hulpwerkwoord en wordt dus nergens bij geteld. /zijn/ is hier het koppelwerkwoord

Aantal woorden

Van den Berg



Tellen als 1 woord

Jan van den Berg

Tellen als 2 woorden (1 voornaam en 1 achternaam)

Alphen aan de Rijn

Den Haag


Zeeuws Vlaanderen

Tellen als 1 woord (Plaatsnamen altijd tellen als 1 woord)

Zwolle-Zuid

Tellen als 2 woorden (specificering)

Ja precies

Ja inderdaad



Tellen als 2 woorden.

Maar het is een uiting van één woord (/ja/ wel tellen bij het totaal van 300 woorden, maar niet voor de MLU)



’s Nachts

’s Middags

’s Avonds

’s Ochtends

’s Winters

’s Zomers

’s Maandags

etc


Tellen als 2 woorden (want oorspronkelijk was het des Nachts).



Diversen

Luistergedrag

Als een korte interruptie van de testleider een uiting van de patiënt onderbreekt, beschouw dan de uiting toch als één uiting. Voorbeeld:

P: Ik ga morgen naar euh euh


T: ja

P: mijn ouders

Dan wordt het één uiting: ‘ik ga morgen naar mijn ouders’.


Man/vrouw aanduiding

Bij zelfstandige naamwoorden waar een mannelijke en een vrouwelijke verwante vorm is, wordt dit gezien als 1 type (voorbeeld: /danser/ - /danseres/ en /schrijver/ - /schrijfster/).

(/haan/ en /kip/ wordt wel als 2 verschillende types gezien en dus als 2 verschillende zelfstandige naamwoorden






__________________________________________________________________________________________


ASTA: Analyse voor Spontane Taal bij Afasie

Standaard in samenwerking met de VKL – oktober 2013






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina