Autonomie en haar grenzen. Verantwoordelijkheid en zorg in de postindustriële samenleving 1



Dovnload 70.45 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte70.45 Kb.

Artikel CEVI Ronald Commers 21.10.2002.



Autonomie en haar grenzen. Verantwoordelijkheid en zorg in de postindustriële samenleving 1
Prof. Dr. M. S. Ronald Commers

Centrum voor Ethiek en Waardeonderzoek (UG)

§1. Ter inleiding

Mijn stelling is dat de menselijke autonomie, een construct of the mind, haar grenzen heeft.

We weten onderhand wel dat in onze culturele, sociale en economische geschiedenis de particuliere individualiteit, als ideaaltype en als rechtvaardigingsgrond voor zowel het individuele als het sociale gedrag een vast gegeven is geworden. Het is al lang zo, in de cultuurgeschiedenis van Europa, West-Europa in het bijzonder. Dat heeft naast kwalijke gevolgen –met name de idolatrie van de idiosyncratische individualiteit–, onbetwistbaar ook een uitgesproken gunstige invloed uitgeoefend. Ik denk aan het volgende. De beklemtoning van de persoonlijke verantwoordelijkheid, van de voor ons individueel geldende morele gevoeligheid, van de decentrering (‘ik’ als slechts een perspectief in een wereld van perspectieven) en van de realiteit van het inlevingsvermogen (‘ik’ als aanvoeler van wat er gebeurt), zijn de bouwstenen geworden van een moreel leven en van het theoretisch nadenken over dat moreel leven. Ik denk dat wij daar allemaal bij gebaat zijn. Wij kunnen ons bij woorden als zelfstandigheid, verantwoordelijkheid, plicht, nauwelijks wat voorstellen als wij ook niet de individuele persoon als actor op de voorgrond halen.

Hiermee is naar mijn inzicht ook al onderstreept dat


  • individualiteit,

  • de idee van menselijke autonomie, en

  • de decentrering en het inlevingsvermogen

in hun onderlinge en wederzijdse verbanden moeten en kunnen worden beschouwd. Dat wij allen geïndividualiseerde wezens zijn –in staat tot het inleven in situaties en persoonlijke motieven die niet de onze zijn geweest en zullen zijn– ligt precies aan de basis van het feit dat wij ons niet langer als centrum van de wereld kunnen opvatten. Wij, individueel; niet als HET centrum samen met onze clan, onze stam, onze familie, onze ingroup. Maar wel wij elk voor zich als individu onder individuen, te midden van een complex cultureel, sociaal en economisch proces van rollen, van functiedifferentiatie, van particularisering. Steeds, zo lijkt het mij, gaat het om die bijzondere dialectiek van individualiteit en decentrering, van particulariteit en veralgemening.

Laat dat het fundament zijn van een beknopte bijdrage waarin ik vrij schematisch enkele elementen voor het overwegen van het thema vrijheidsberoving in de jeugdzorg en de gehandicaptenzorg wil aanreiken.


§2. Over de morele beperkingen van de toepassing van de gerechtvaardigde vrijheidsberoving

Voor enkele jaren deed een Amerikaanse rechts- en moraalfilosoof een opmerkelijk vierdelig boek publiceren over de morele beperkingen van de toepassing van wettelijke en juridische maatregelen. Het gaat om Joel FEINBERG en om zijn vierdelig werk, The Moral Limits of the Criminal Law (1983 t / m 1988). Het is ongetwijfeld een standaardwerk.

Feinberg geeft een bekritiseerbare systematiek van de rechtvaardiging en wettiging van de toepassing van wettelijke dwang en van vrijheidsberoving. Het toneel van die rechtvaardiging en wettiging –justificatie en legitimatie- is een moderne, uiterst functioneel gedifferentieerde samenleving, waarin zich verschillende centra van besluitvorming, naast een centrale agent van besluit en administratie aftekent. Kortom een moderne samenleving in een kapitalistische wereld van productie en consumptie van goederen en diensten op massale schaal.

Laten wij met de auteur uitgaan van vier basisgevallen waarin –althans op het eerste gezicht– vrijheidsberoving en wettelijke dwang gerechtvaardigd lijkt en kan worden gewettigd:



  • Het geval waarin schade / nadeel wordt berokkend aan anderen (derden) (Sa = schade aan anderen)

  • Het geval waarin anderen (derden) worden gekwetst, beledigd, of daden worden gesteld waaraan anderen op pijnlijke wijze aanstoot nemen (Ka = kwetsen van anderen)

  • Het geval waarin een actor –de persoon die daden stelt, in woord of handeling– schade berokkent aan zichzelf (Sz = schade aan zelf)

  • Het geval van het wangedrag dat aan derden noch aan de actor schade berokkent (of waaraan geen anderen aanstoot nemen) –kortom, geen schade berokkenend wangedrag– maar waarin werkelijke of veronderstelde vigerende standaarden van behoren en / of ordentelijkheid werden geschonden (gSa+z = geen schade aan anderen of aan zelf)

§ 3. Een wereld van schade en van belediging?

Welke bedenkingen hieromtrent?

Sa

Schade aan anderen (derden)

Wat is schade berokkenen?

Relatie tot belangen, behoeften, beledigingen, kwetsen, rechten, en instemming.

We nemen aan dat daarover duidelijkheid en eensgezindheid bestaat. Is die duidelijkheid makkelijk te bereiken? Is die eensgezindheid eenvoudig?



Ka

Kwetsen van anderen (derden)

Wat is kwetsen en beledigen en aanstoot geven, in tegenstelling tot schade of nadeel berokkenen?

Bijv.: storend lawaai veroorzaken; kwetsend gedrag inzake kinderen, ouderen, dode lichamen, gewijde symbolen, sacrale voorwerpen, aanstootgevende politieke emblemen, pornografie, obsceniteit, vuile woorden.

Ook hier moeten de verdedigers aannemen dat er duidelijkheid is en eensgezindheid bestaat.

Is die duidelijkheid nog even makkelijk te bereiken? Is die eensgezindheid hier nog zo eenvoudig? Antwoord wellicht neen.

Sz

Schade aan zelf

Als we aannemen dat iemand schade aan zichzelf kan toebrengen, moeten we ook overwegen of we in zijn of haar voordeel en belang kunnen en moeten tussenkomen. In dat geval is er sprake van Legitiem paternalisme: betekenis en reikwijdte.

Het gaat om een interessante constructie. Dat wordt geïllustreerd door de vragen die ze oproept.

In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden mag een officiële instantie personen hun vrijheid ontnemen –van hun vrijheid beroven– en dat in het voordeel en / of het belang van hun (verondersteld of gepostuleerd; of zelf geformuleerd) eigenbelang.



  • Wat is dan persoonlijke autonomie?

  • Wat is vrijwillige slavernij?

  • Wat is onherroepelijk verbintenissen aangaan?

  • Wat zijn gevaarlijke drugs / stimulerende middelen? (gebruik van EPO en andere in de sport)

  • Wat zijn noodzakelijke beschermende maatregelen (autogordel; valhelmen)?

  • Wat zijn vrije wil reducerende / verminderende factoren (hulpbehoevendheid; verminderde geestelijke vermogens; verminderde lichamelijke mogelijkheden; onbekwaamheid in morele termen, zoals in verminderde verantwoordelijkheid)?

gSa+z

Geen schade aan anderen of aan zelf

In dit geval wordt het nog moeilijker voor de rechtvaardiging en de wettiging van maatregelen van controle en beteugeling. Mensen die pleiten voor een gerechtvaardigde vrijheidsberoving en voor wettelijke dwang in gevallen waarin standaarden van behoren en / of ordentelijkheid werden of worden overtreden, zijn voorstanders van een legitiem moralisme.

Het legitiem moralisme in juridisch opzicht roept de centrale en –gegeven de moderniteit– heel moeilijk te beantwoorden vraag op welke verbodsbepalingen en vrijheidsberovende maatregelen moreel gerechtvaardigd en gewettigd zijn vanuit hun uitdrukkelijke en doelmatige rol om


  • samenlevingsverbanden te verbeteren, te verstevigen en te beschermen

  • een levensstijl en levenspeil te garanderen of te bewaren

  • een waarachtige zedelijkheid in stand te houden

  • te voorkomen dat er op misbruikende wijze winst wordt gemaakt van de vrije keuzes van personen die zich zonder tegenzin onderwerpen aan bedenkelijke of verderfelijke smaken, karakters en gedragingen.

Gegeven de moderniteit, die juist als kern de individualisering en de decentrering heeft, zoals hiervoor aangestipt, is het zeer de vraag dat er een werkzame consensus bestaat over

  • de kwaliteit van de samenlevingsverbanden

  • de te bewaren levensstijlen en levensniveaus

  • de waarachtige zedelijkheid

  • de verderfelijke smaken, karakters en gedragingen

§ 4. Schade / belediging / baten, van government naar governance

Ik wil dat nog even problematischer maken.

In een postindustriële samenleving, waarin wij van een government focused sociaal en politiek beleid naar een governance focused sociaal en politiek beleid evolueerden, zijn de meningen over het gebruik van alle vier de beginselen sterk verdeeld.

Mijn definitie van postindustrieel hou ik kort. Het is een onderwerp op zichzelf en dat wil ik niet aansnijden. Ik geef slechts drie elementen –zonder twijfel zijn er veel meer– ter verduidelijking van de betekenis.

a) Postindustrieel heet ik deze samenleving die op een veralgemeende wijze de idee van een centralistisch staatsoptreden op bestuurlijk, sociaal, pedagogisch, agogisch, etc. vlak, heeft opgegeven voor een gedecentraliseerde bestuurlijke opvatting, waarbij aan formele organisaties (bijv. bedrijven, ngo, raden van bestuur, etc.), plaatselijke (lokale) besturen, kortom aan ‘meso-overheden’, de taak van het bestuur en de wettiging van dat bestuur worden overgelaten. Dat gebeurt onder de strikte voorwaarde dat minimale voorwaarden van politieke en sociale cohesie onaangetast blijven (bijv. staatsgrenzen, staatsfinancies, militaire afspraken en regelingen, maar bijv. gehomologeerde diploma’s, etc.). De overgang van centralistisch besturen naar gedecentraliseerd en uitbesteed besturen duid ik, overeenkomstig de sociologische literatuur aan als de overgang van government naar governance.

Die overgang heeft, zoals hiervoor gezegd, implicaties voor de door mij (aan Joel Feinberg geïnspireerde) aangeduide vier beginselen voor de rechtvaardiging en wettiging van vrijheidsberoving en van dwang.

 Bijv.: het geval An De Meulemeester versus Herman Brusselmans. Kwetsen en beledigen in het openbaar en zich tegen kwetsen en beledigen verdedigen.

 Bijv.: het geval van de sadomasochistische praktijken van een Mechelse rechter en zijn vrouw.

Ik wil nog twee andere elementen aanduiden ter precisering van de postindustriële samenleving (waarvoor ik o.a. ook verwijs naar mijn vorige lezing in de Leerstoel «Medische Ethiek / Erevoorzitter J. Knapen», Ethische aspecten van de palliatieve zorg en het levenseinde). Het zijn:

b) de mediatisering van ’s mensen bestaan in het kader van een massaconsumptie georiënteerd samenleven, wat diepgaande en vooral immer veranderlijke consequenties heeft voor de distincties tussen de openbare en privé-domeinen van ons persoonlijk leven en van onze intermenselijkheid;

 Het voorbeeld van het VTM-programma Big Brother hoef ik zelfs niet te geven, naar ik aanneem. Wie kent vandaag niet de blote borsten van de vrouw van de beenhouwer van Ingelmunster? Het gaat, paradoxaal, om de openbare blote privé borsten, die ingepakt en verpakt zijn voor de massaconsumptie via televisie en weekbladen.

c) de verregaande ontbinding, evenwel gekoppeld aan de nieuwe inbinding, van het sociale leven, wat betrekking heeft op familie, op beroepskringen, op het verenigingsleven, op de vriendschaps- en kennissenrelaties. Doorgaans vat men dit op in een defaitistisch en fatalistisch discours waarin eenzijdig het ‘verlies’ aan verband en aan zin wordt beklemtoond. Ik ben van mening dat elk verlies van zin –ik ontken dus niet dat er van zo iets sprake kan zijn– ook gepaard gaat met winst van zin. Een opvatting die wordt ingegeven door de vaststelling (of is het een uitgangspunt) dat samenleven en existeren altijd een gebeuren is dat met zin en vanuit zin plaatsvindt.
§ 5. Morele rechtvaardiging van de vrijheidsberoving

Laat ik terugkeren naar het thema van de rechtvaardiging van de vrijheidsberoving en voor de wettiging van de dwang, vanuit de vier aangeduide gevallen, waarin schade en belediging centraal staan.

Laten we eens overwegen waar mensen zich, gegeven de moderne conditie, zonder problemen bij kunnen aansluiten (consensus), aangenomen dat wij kunnen werken vanuit de eenvoud van de wijsgerig-ethische constructie van de anderen en het zelf.

Wat ik zal doen is 2 verschillende moraalfilosofische benaderingen aan u voorleggen (u kunt dat volgen in mijn synopsis / hand-out van de lezing, ik verwijs u dus naar de desbetreffende schema’s).

§ 5. 1.

Over het beginsel van de gerechtvaardigde vrijheidsberoving / het beginsel van gewettigde dwang. 1ste moraalfilosofische benadering.

Vrijheidsberoving gerechtvaardigd / dwang gewettigd (twee kanten van één zaak), afgekort als PRV en / of PWD (Principe van geRechtvaardigde Vrijheidsberoving / Principe van geWettigde Dwang) in toepassing. Overlopen wij de vier basisgevallen van toepassing.

1) In het geval van zichtbare en bewijsbare schade die aan de anderen dan de dader werd berokkend wordt het PRV toegepast. Iedereen zal, zo luidt de veronderstelling, gemakkelijk het «schade aan de anderen toepassing» willen erkennen als grond voor vrijheidsberoving.

 Bijv.: klassieke assisenzaken; beroving; verkrachting; geweldpleging; maar ook gevallen van witte-boorden-criminaliteit met een groot aantal aan gedupeerden

Er kan oneensgezindheid ontstaan wanneer het gaat om andere dan die zichtbare en bewijsbare schade aan de anderen dan de dader.

Maar verder blijft de vraag: is het hiervoor ingeroepen schade aan de anderen beginsel het enige beginsel van de gerechtvaardigde vrijheidsberoving. Klaarblijkelijk niet. In het verleden werd vaak de vrijheidsberoving gerechtvaardigd geacht vanuit andere dan de «zichtbare en bewijsbare schade aan de anderen dan de dader»-grond.

 Een literair beroemd voorbeeld is dat van Denis de Diderots La religieuse. Daar gaat het om vrijheidsberoving, ten nadele van een jonge mooie vrouw die wordt vastgehouden in een klooster, zogezegd voor haar eigen zielenheil. Haar verlangens naar een man, naar de beleving van haar lichamelijkheid, van haar verlangens, worden gekanaliseerd –met rechtvaardigingen– naar een voor haar immer onaanvaardbare godsdienstige behoeftebevrediging. De vrouw heeft geen schade berokkend aan derden en is daarenboven zeker geen gevaar voor zichzelf.

Drie andere gevallen voor werden in het verleden ingeroepen voor toepassing van het PRV en / of PWD:

2) Het is gerechtvaardigd / gewettigd om tot vrijheidsberoving / dwang over te gaan wanneer het gaat om het kwetsen, beledigen, aanstoot geven van anderen. In dat geval gaat het om een minder algemeen erkende «belediging van anderen toepassing».

Moeilijkheid is hier te bepalen wat belediging is, wat kwetsen inhoudt, en wat aanstootgevend is. Het «O tempora, o mores», is hier zeker in het geding.

De meeste discussies doen zich voor inzake de toepassing in dit geval.

 Bijv. de ontkenning van de holocaust.

 De naaktaffiches van theatergezelschappen

 De verspreiding van nationaal-socialistische symbolen en emblemen

 Seksistische uitspraken

3) Het is gerechtvaardigd / gewettigd om tot vrijheidsberoving / dwang over te gaan wanneer het gaat om een geregistreerde of veronderstelde schade die een dader toebrengt aan zichzelf, onafhankelijk van het feit dat dit consequenties heeft voor anderen / of zonder dat het überhaupt consequenties heeft voor anderen. In dat geval gaat het om de «legitiem paternalisme toepassing».

Veel van de ‘morele’ discussies draaien rond die toepassing. Ik bedoel dan steeds zulke gevallen dat het, verondersteld, gaat om de volmaakte scheiding tussen Sz en Sa. Het zal niet altijd makkelijk zijn om zoiets door te voeren. Vooral het volgende is van belang. De monumentale veronderstelling dat er een clear-cut onderscheid tussen die twee bestaat, wat, andermaal leg ik daarop de klemtoon, juist de condities van een modern geïndividualiseerd leven (de notie van een afgesloten zelf, een homo clausus) vooronderstelt.

 Bijv.: vaak gaat het om vermenging van de twee Sz en Sa. Dat Richard Virenque EPO nam gaat, zo lijkt het, alleen om hemzelf. Maar het heeft invloed op een wedstrijdverloop, op sportiviteit, op competitie, maar ook op imitatie, nabootsing, waardoor jonge renners in de maalstroom terecht komen van het EPO-gebruik (aangenomen dat dit inderdaad schade berokkenend is).

4) Het is gerechtvaardigd / gewettigd om tot vrijheidsberoving / dwang over te gaan wanneer het gaat om te verhinderen dat een verondersteld immoreel handelen wordt gesteld, onafhankelijk van het feit of dat schade berokkend of kwetsend / aanstootgevend is voor iemand. In dat geval gaat het om de «legitiem moralisme toepassing»

Voor die toepassing zijn er door de ontwikkeling van een moderne, op de media gestoelde en consumeristische sociale cultuur, waarbij het winstmotief de doorslag blijkt te geven, weinig gronden meer. Wordt beteugeling, onder de vorm van het doen verwijderen van opschriften, tekeningen, fotomateriaal, en andere, nog wel eens toegepast, toch is een andere dwangmaatregel, van staatswege niet meer gebruikelijk.

 Een beroemd en dramatisch voorbeeld hebben we in de Chevalier de la Barre, waarover Voltaire heeft bericht. De Ridder werd op het einde van de 18de eeuw, in de Noord-Franse stad Abbéville (Somme) beticht van heiligschennis, kortom een immoreel geacht handelen dat geen enkele schade of rechtstreekse belediging had toegebracht aan derden. Hij had zijn hoed niet afgenomen toen in de straten van Abbéville de processie voorbijkwam. Hij betaalde dat niet alleen met vrijheidsberoving. Hij liet er het leven bij, want hij werd ongenadig terechtgesteld. Voltaire heeft in zijn acties als schrijver tegen de “onwaardige Roomse kerk” daar, niet ten onrechte, een zaak van gemaakt. Hij schreef o.a.:

Il est aussi absurde que cruel de punir les violations des usages reçus dans un pays, les délits commis contre l’opinion régnante, et qui n’ont opéré aucun mal physique, du même supplice dont on punit les parricides et les empoisonneurs.

Het is een argumentatie die tegen de extreme vorm van gewettigd moralisme in de meest brede zin ingaat.

Belangrijke vraagstukken zijn: a) wie zal bepalen wat «tegen de goede zeden en gebruiken» is (met name in een dynamische, functioneel gedifferentieerde, op diversiteit en pluraliteit van levenstijlen drijvend sociaal-cultureel geheel)? B) hoe zal inhoud kunnen worden gegeven aan «heersende opvattingen».

Voor wat volgt laat ik dit geval in de overweging van de ethische gronden inzake vrijheidsberoving achterwege.

Tot zover de 1ste moraalfilosofische benadering van het PRV / PWD.

§ 5. 2.


Over het beginsel van de gerechtvaardigde vrijheidsberoving / het beginsel van gewettigde dwang. 2de moraalfilosofische benadering.

Tot dusver heb ik losweg Joel Feinberg gevolgd in zijn analytische benadering. Het ogenblik is aangebroken om een kritische kanttekening te maken die voor een 2de moraalfilosofische benadering van het PRV / PWD niet onbelangrijk is.

In de theoretische constructie van Sa, Ka, Sz hebben we gewerkt met wat in de politieke filosofie en de wijsgerige ethiek wordt genoemd: negatieve vrijheidsopvatting. De betekenis is eenvoudig. Iemand heet vrij te zijn, wanneer er geen uitwendige belemmeringen zijn handelen beperken. Negatief is die opvatting omdat we gebruik maken van een negatie. «Ik ben vrij wanneer niet….». Gewoonlijk plaatst men die opvatting in oppositie met de positieve vrijheidsopvatting, waarvan de inhoud de volgende is: Iemand heet vrij te zijn, wanneer hij of zij zijn of haar beperkingen kent en een zelfstandig inzicht heeft in wat hij of zij kan willen. Positief is die opvatting omdat er in bevestigende zin wordt gesproken. «Ik ben vrij door te weten wat ik kan willen….

Door daarnet steeds maar de klemtoon te leggen op:



  • schade aan anderen

  • kwetsen van anderen

  • schade aan het zelf

  • schade aan of kwetsen van heersende opvattingen en een veronderstelde orde

zijn we, zonder dat misschien heel goed door te hebben, uitgegaan van de negatieve vrijheidsopvatting. De anderen of wijzelf werden verondersteld in onze vrijheid van handelen / denken uitwendig te zijn belemmerd, en dat werd stilzwijgend aangenomen als de rechtvaardigende grond voor de toepassing van het PRV / PWD. Kortom: vrijheidsberoving is gerechtvaardigd en dwang is gewettigd steeds wanneer de anderen of het zelf wordt belemmerd in zijn mogelijkheden.

Kunnen we het ook anders gaan zien door de positieve vrijheidsopvatting in te schakelen? Ik geloof van wel.

De basis voor elk liberaal getint ethisch discours is ongetwijfeld de negatieve vrijheidsopvatting geweest. Door de aandacht te verleggen naar een positieve invulling van vrijheid wordt het mogelijk niet alleen schade en kwetsen, maar vooral ook bescherming en verzorging in de kijker te brengen. Dat is niet onbelangrijk.

Met een voorbeeld, dat ik aan Hans Jonas (maar ook aan Carol Gilligan) ontleen. Het fundament van de ouder-kind relatie is de bescherming en de verzorging. De ouder neemt voor het kind verantwoordelijkheid op, niet omdat het kind geen vrijheid zou worden gegund, maar omdat het tot de toestand van vrijheid, in positieve zin, moet worden gebracht. De ouder is de verzorgende begeleider, die bescherming geeft en die de baten, veeleer dan de schade, centraal stelt. In functie van die baten-benadering draagt het Verzorgend / Beschermingsbeginsel ertoe bij dat het kind progressief in de mogelijkheid wordt gesteld van handelen en ervaren.

 Bijv. Moet ik als ouder mijn 3-jarig kind de vrijheid geven (Negatief!) om met jongetjes van tien jaar uit de supermarkt te wandelen, of moet ik dat voorkomen? De kleine Jeremy werd door twee tienjarige jongens vermoord, nadat hij vrij aan de hand van één van hen met hen meewandelde. Het is een scherp en dramatisch voorbeeld, maar het is een voorbeeld.

De meeste mensen zullen erover akkoord gaan dat de ouder, ten bate van het kind, moet tussenkomen. De ouder moet zorg dragen, beschermen dus.

In de wijsgerige ethiek werd de laatste 20 jaar geargumenteerd dat het misschien ook beter ware uit te gaan van dit basisgegeven van de verzorging en de bescherming. Niet alleen in de relatie ouder-kind, maar ook buiten die relatie is het van belang het beginsel van verzorging en bescherming toe te passen.

In overeenstemming met onze eerder gegeven 4-indeling, waar schade en kwetsen centraal stond, verkrijgen we nu:



  • Baten van anderen Ba

  • Baten van zelf Bz

  • Baten van een veronderstelde gemeenschap gBa+z

De toepassing van het PRV / PWD neemt daardoor een andere wending.

Ba

Ten bate van anderen is het gerechtvaardigd een persoon van de vrijheid te beroven en gewettigd dwang aan te wenden.

Belangrijk hier is de niet makkelijk te bereiken consensus over baten van anderen.

Bz

Ten bate van een persoon is het gerechtvaardigd hem van de vrijheid te beroven en gewettigd dwang tegen hem aan te wenden.

Misschien nog moeilijker, en in elk ertoe leidend dat op de meest uitdrukkelijke wijze goede redenen worden gegeven voor de toepassing van het baten voor de persoon zelf. Cf. Legitiem paternalisme hiervoor

gBa+z

Waar ik in het geval gSa+z heb besloten dat het om een erg discutabele restcategorie ging, kan voor het gBa+z worden opgemerkt dat het er enigszins anders uitziet.

 Bijv. Het kan ten bate van een samenlevingsverband in onze steden gerechtvaardigd zijn geweldscènes uit films en advertentie te weren. Sommigen zullen zelfs argumenteren dat het verwijderen –en het van hun vrijheid beroven– van vagebonden (cf. de acties van de gewezen burgemeester van Brussel, Desmaret) ten bate van het stedelijk samenleven is.

Belangrijk is ook te zien dat het Verzorgings- en Beschermingsbeginsel ook kan worden ingepast in een schadevertoog. Maar hoe dit ook zij, steeds zal de klemtoon blijven vallen niet op de absoluut gestelde vrije zelfstandigheid, zoals in de negatieve vrijheidsopvatting, maar wel op de kwetsbaarheid en de hulpbehoevendheid. De opvoedende relatie als voorbeeld laat toe duidelijk te maken dat in dit geval steeds goede redenen moeten worden gegeven voor de invulling van de kwetsbaarheid en de hulpbehoevendheid. Het is hier dat de grijze zone zich situeert inzake de billijke toepassing van het gerechtvaardigde vrijheidsberovingsbeginsel.



Inzake de ethische beoordeling van situaties waarin vrijheidsberoving en dwang zich opdringen is

a) het van belang te zien waar wij vanuit ons verstandelijk inzicht (onze rationele intuïtie én onze morele gevoeligheid) een consensus vanzelfsprekend achten

b) het onontbeerlijk om op feitelijke gronden goede redenen te geven voor het veronderstellen van een dergelijke consensus.

c) het essentieel rekening te houden met de snelle maatschappelijke veranderingen, in een postindustriële samenleving.
§ 6 Voorlopig besluit.

A)


Inzake de rechtvaardiging van de vrijheidsberoving (en de legitimatie van de dwang) kunnen wij twee ‘imaginaire werelden’ bewonen:

1) de negatieve vrijheid-wereld;

2) de verzorging en beschermingswereld.

B)


Slechts in de tweede wereld is het mogelijk inzake de toepassing van het PRV / PWD redenen van schade én van baten aan te voeren.

C)


In de eerste wereld kan voor de toepassing van het PRV / PWD het alleen maar gaan over schade.

D)


Samengevat:

I. Schade / kwetsen en PRV / PWD-toepassing






Negatieve vrijheid-wereld

Verzorgings- en beschermingswereld

Anderen

Zelf

Anderen

Zelf

Schade

PRV consensus

PRV

Ter discussie



PRV consensus

PRV consensus

Belediging

PRV

Ter discussie



Je kunt jezelf niet beledigen

PRV

consensus



Je kunt jezelf niet beledigen

II. Baten en PRV / PWD-toepassing

Verzorgings- en beschermingswereld




Anderen

Zelf

Baten

PRV

Consensus niet waarschijnlijk

Wel mogelijk

Steeds goede redenen en feedback



PRV

Consensus niet waarschijnlijk,

Wel mogelijk

Steeds goede redenen en feedback



E) Bij elk van de hier ter analyse aangeboden gevallen passen specifieke discours van morele rechtvaardiging en juridische wettiging. Het lijkt mij van belang die gevallen, waar mogelijk, uit elkaar te houden.

F) Het is goed in herinnering te houden wat ik bij de aanvang van mijn lezing heb gezegd: met name dat de menselijke autonomie, een construct of the mind, haar grenzen heeft.


Prof. Dr. M. S. Ronald Commers
Vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen

http://allserv.rug.ac.be/~mcommers
Directeur Centrum voor Ethiek en Waardeonderzoek (Center for Ethics and Value Inquiry) http://home.pi.be/%7Ekessel/cevi/index.htm


1 Bewerking van een lezing Limburgs Universitair Centrum, Leerstoel «Medische Ethiek. Erevoorzitter Dr. J. Knapen». Thema: Vrijheidsberovende maatregelen in de jeugdzorg en de gehandicaptenzorg. Donderdag 16 november 2000.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina