Avondgebed ‘tIs goed in ’t eigen hart te kijken nog even voor het slapen gaan, of ik van dageraad tot avond geen enkel hart heb zeer gedaan. Of ik geen ogen heb doen schreien, geen weemoed op een wezen lei



Dovnload 19 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte19 Kb.
AVONDGEBED

tIs goed in ’t eigen hart te kijken



nog even voor het slapen gaan,

of ik van dageraad tot avond

geen enkel hart heb zeer gedaan.
Of ik geen ogen heb doen schreien,

geen weemoed op een wezen lei,

of ik aan liefdeloze mensen

een woordeken van liefde zie.
En vind ik in het huis mijns harten,

dat ik één droefenis genas,

dat ik mijn armen heb gewonden,

rondom een hoofd dat eenzaam was…
Dan voel ik op mijn jonge lippen,

die goedheid lijk een avondzoen. …

tIs goed in ’t eigen hart te kijken



en zo zijn ogen toe te doen.

Alice Nahon
Aleer het licht ten avond raakt,

O Schepper aller dingen waakt

en zorg voor ons, die al den tijd,

  • wij bidden u, - barmhartig zijt!


Voor droomgedrochten, die ’t verstand

verdwazen, berge ons uwe hand;

en ’s vijands onraad, ingesnoerd,

ons lichaam laat onaangeroerd !
O Vader, in uw mildheid groot,

met God den Zoon, uws zelfs genoot,

die eeuwig God zijt, Heilig Geest,

vertroost ons al, van minst tot meest. G.Gezelle

Herfstbezinning
De blaadren vallen door de stugge nevel,

er zijn geen klanken meer, er is geen lied,

slechts in het dorre riet een vroom geprevel…

Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet.
Want wij zijn arm en knagen aan ’t verleden

en spelen met de kaarten van verdriet.

Het schoonste sprookje stelt ons niet tevreden

en door de nevel lokt de toekomst niet.
Het leven vlood en d’as blijft in onz’ handen,

verlangen stijgt om mede te vergaan.



Doch in weemoed blijft één lichtje branden,
het licht dat w’in de zomer overslaan,

waarvoor wij slechts, tot onze scha en schande,

rondom de wintertijd om olie gaan.

(Felix Timmermans)

De herfst blaast op den horen en ’t wierookt in het hout; de vruchten gloren.

De stilten weven gobelijnen van gouddraad over

t woud, met reeën , die verbaasd verschijnen uit varens en frambozenhout, en sierlijk weer verdwijnen…



De schoonheid droomt van boom tot boom, doch alle schoonheid zal verkwijnen, want alle schoonheid

is slechts droom, maar Gij zijt d’Eeuwigheid !

Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt en zegen ook mijn vruchten ! Een ganzendriehoek in de luchten. Nu komt de wintertijd. Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.

Ik ben bereid.

De herfst van het leven
Heel langzaam sluipt het binnen, zonder dat je het herkent.

En opeens de diagnose, “Oma is dement”.

Ze herhaalt vaak dingen honderd keer,

maar ja, ze is ook geen twintig meer.

En iedereen zal wel eens dingen missen,

een arts kan zich toch ook vergissen.

Je wilt de waarheid onder ogen zien,

Oma is toch zeker nog wel kien.

Ze is best slim, want als ze iets vergeet

merk je vaak niet dat ze het niet weet.

Ze noemt geen namen, dekt zich in, vooral bij leden van haar gezin.

Ze verandert van karakter, wordt een beetje hard.

Praat over vroeger, heel verward.

En via oorlog en werk als boerenmeid, gaat ze terug naar haar kindertijd. En dan komt de dag, dat ze haar huis moet verlaten,

ze heeft het zelf niet eens in de gaten.

Het doet veel pijn, maar ja het moet, we bedoelen het goed.

Nu zit ze in het verpleegtehuis en voelt zich daar toch niet thuis.

Het enige wat we voor haar kunnen doen, is een bezoekje, een aai en een zoen.

Ze zit in haar eigen wereld, heel klein.

Och kon ik maar even dicht bij haar zijn.

Om haar te vertellen, dat wij dit niet deden,

omdat ze niet goed was in het verleden,

maar juist omdat wij zoveel van haar houden,

ze altijd klaar stond en voor ons sjouwde.

Maar helaas, ze snapt het niet meer en dat doet haar en mij zo zeer. (Doortje Hutting)

Mijn Oma,

Waar zit ze toch met haar verstand.

De kaars is zo goed als opgebrand.

Er is geen herkenning als ze me ziet.

En geloof me, dat doet veel verdriet.

Dit noem ik geen menswaardig leven.

Er valt voor haar niets meer te beleven.

Ik ben niet in staat haar te bereiken.

Niets kan haar leven nog verrijken.

Ze weet niet eens meer waar ze is.

Ik had een oma, nu een gemis.

Ze ziet niets meer, hoort geen geluid.

En als ik het kon, blies ik het kaarsje uit.


Soms ontmoet je een mens

bij wie je mag zijn, zoals je bent,

onzeker en klein.

Iemand bij wie je veiligheid vindt,

en weet, dat je ondanks je fouten,

toch wordt bemind.

Soms ontmoet je een mens

met een warmvoelend hart,

daar voel je je geborgen

in leed en in smart.

In aanvoelend weten,

zonder te vragen, wordt je geholpen

jouw zorgen te dragen.

Soms ontmoet je een mens,

die jouw warmte vraagt

en wie jij je innigste liefde toedraagt.



Zo ontstaat harmonie, is het goed om te leven,

wat jou geschonken is, mag verder leven.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina