B. S. 1 februari 2011) Gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van: 10 juni 2011



Dovnload 0.73 Mb.
Pagina7/17
Datum27.09.2016
Grootte0.73 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   17

HOOFDSTUK 11

OPENBAARHEID VAN INFORMATIE

[Art. 56. §1. De bevoegde afdeling publiceert op haar website de voorwaarden, de modaliteiten die moeten zijn vervuld bij de indiening van de erkenningsaanvraag, de procedure en de lijsten van de erkende personen. Op vraag van de erkenninghouder kunnen gegevens van de erkende persoon niet gepubliceerd worden op de website van de bevoegde afdeling.


§2. De bevoegde afdeling verschaft op eenvoudig verzoek alle algemene informatie over de procedure tot erkenning en de toepassing van de erkenningsvoorwaarden.]
Vervangen bij artikel 131 B.Vl.Reg. 1 maart 2013, B.S. 23 april 2013


HOOFDSTUK 12

BIJZONDERE BEPALING OVER TIJDELIJKE EN INCIDENTELE UITOEFENING VAN DIENSTEN



Art. 57. §1. Dienstverrichters die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een ander gewest in België, en die over een aantoonbare beroepskwalificatie beschikken die in hun lidstaat of gewest toegang geeft tot het uitoefenen van het beroep van technicus, vermeld in artikel 6, 2°, zijn voor de tijdelijke en incidentele uitoefening van dat beroep vrijgesteld van het verkrijgen van een voorafgaande erkenning.
§2. De personen, vermeld in paragraaf 1, brengen [de bevoegde afdeling] door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens over de verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid, vooraf op de hoogte van het feit dat ze de vermelde diensten gaan verrichten in het Vlaamse Gewest. Overeenkomstig artikel 7 van de EU-richtlijn 2005/36/EG worden bij die verklaring van de volgende documenten gevoegd:

1° een bewijs van de nationaliteit van de dienstverrichter;

2° een attest dat de houder ervan rechtmatig in een lidstaat gevestigd is om er de werkzaamheden in kwestie uit te oefenen, en dat hem op het moment van afgifte van het attest geen beroepsuitoefeningsverbod is opgelegd, ook niet tijdelijk;

3° een bewijs van beroepskwalificaties.


Gewijzigd bij artikel 132 B.Vl.Reg. 1 maart 2013, B.S. 23 april 2013


HOOFDSTUK 13

TOEZICHT, BESTUURLIJKE HANDHAVING EN VEILIGHEIDSMAATREGELEN



Art. 58. Voor dit besluit worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels, vermeld in de hoofdstukken III, IV en VII van titel XVI van het decreet Milieubeleid.

HOOFDSTUK 13/1

PERIODIEKE EVALUATIE VAN ERKENDE TECHNICI VLOEIBARE BRANDSTOF, GASVORMIGE BRANDSTOF EN VERWARMINGSAUDIT EN ERKENDE AIRCO-ENERGIEDESKUNIDGEN



Hoofdstuk ingevoegd bij artikel 133 B.Vl.Reg. 1 maart 2013, B.S. 23 april 2013
[Art. 58/1. §1. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan een stooktoestel dat door een erkende technicus onderhouden is of aan een verwarmingsaudit onderworpen is als vermeld in het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle attesten van de onderhoudsbeurten en verwarmingsauditrapporten die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.
§2. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan de keuringen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 2°, of de keuringsverslagen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 3°, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle keuringsverslagen die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.]
Ingevoegd bij artikel 133 B.Vl.Reg. 1 maart 2013, B.S. 23 april 2013


HOOFDSTUK 13/2

KEURINGSINSTELLING



Hoofdstuk ingevoegd bij artikel 133 B.Vl.Reg. 1 maart 2013, B.S. 23 april 2013
[Art. 58/2. Om aangewezen te worden als keuringsinstelling, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen:

  1. een rechtspersoonlijkheid zijn;

  2. een of meer keurders aanwijzen die aan de volgende voorwaarden voldoen:

  1. in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, §1: een erkenning als technicus vloeibare brandstof, gasvormige brandstof of verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 1°, 2°, en 3°, bezitten en beschikken over minstens drie jaar praktijkervaring in de verwarmingssector;

  2. in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, §2: een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 6°, bezitten;

  1. in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, §1, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, §1, eerste lid, of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, §2, eerste lid, geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020, hetzij een bewijs leveren dat een aanvraag om die accreditatie te verkrijgen, aanvaard is door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem.

De afdeling, bevoegd voor erkenningen, wijst een keuringsinstelling aan voor een periode van maximaal vier jaar.]


Ingevoegd bij artikel 133 B.Vl.Reg. 1 maart 2013, B.S. 23 april 2013


HOOFDSTUK 14

WIJZIGINGSBEPALINGEN

Afdeling 1. Wijzigingen in titel II van het VLAREM



Art. 59. In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, worden onder “afvalwatercontroles” in de definitie “referentiemeetmethode” de woorden “Naast de meetmethoden in het compendium kunnen ook andere meetmethoden worden gebruikt die door de afdeling bevoegd voor erkenningen gelijkwaardig zijn verklaard aan het betrokken laboratorium. Als het laboratorium andere analysemethoden wil gebruiken dan opgenomen in het compendium, moet het de gelijkwaardigheid aantonen. De resultaten van het gelijkwaardigheidsonderzoek worden aan de afdeling bevoegd voor erkenningen en de VITO bezorgd. De afdeling bevoegd voor erkenningen beslist na advies van de VITO of de analysemethode al dan niet gelijkwaardig is en deelt de beslissing mee met een aangetekende brief aan het laboratorium.” opgeheven.
Art. 60. Artikel 1.3.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 1.3.1.1. §1. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses, als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder:

1° een milieudeskundige in de discipline grondwater: een laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot het besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van grondwater;

2° een milieudeskundige in de discipline oppervlaktewater:

a) een laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot dit besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van afvalwater;

b) een laboratorium in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot het besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van oppervlaktewater;

3° een milieudeskundige in de discipline lucht: een laboratorium in de discipline lucht, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;

4° een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie: een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;

5° een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen: een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu of gevaarlijke stoffen.


Niemand mag die monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses uitvoeren zonder daarvoor in het bezit te zijn van een erkenning, in voorkomend geval als vermeld in:

  1. in bijlage 3, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline water;

  2. in bijlage 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline lucht;

  3. in bijlage 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

§2. Voor het uitvoeren van akoestische onderzoeken en het opstellen en het begeleiden van saneringsplannen als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt met een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen bedoeld: een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.


§3. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses als vermeld bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunnings­voorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen wordt met een milieudeskundige in de disciplines bodem of afval bedoeld: een laboratorium, erkend volgens hoofdstuk VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer.
§4. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° milieudeskundige in de discipline elektrische installaties: erkend orgaan als vermeld in artikel 275 van het AREI;

2° milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk: instanties als vermeld in het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen;

3° milieudeskundige in de discipline recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt, of opgelost gas: erkende externe dienst voor technische controles op de werkplaats als vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 1999 betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats.".


Art. 61. In hetzelfde besluit worden afdeling 1.3.2, die bestaat uit artikel 1.3.2.1, 1.3.2.2 en 1.3.2.3, afdeling 1.3.3, die bestaat uit artikel 1.3.3.1 en 1.3.3.2, en bijlage 1.3.2.2 opgeheven.
Art. 62. In artikel 1.3.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° de woorden "afdeling Meetnetten en Onderzoek" worden vervangen door de woorden "afdeling Lucht, Milieu en Communicatie";

2° de afkorting "BTX" wordt telkens vervangen door de afkorting "BTEX";

3° in punt 1° worden de woorden "totaal koolwaterstoffen, bemonstering en analyse zwarte rook volgens de OESO-methode," opgeheven;

4° in punt 6° worden de woorden "regenmeetnet en meetnet natuurgebieden" vervangen door de woorden "depositienet verzuring".
Art. 63. Artikel 1.3.4.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 20 november 2009, wordt vervangen door wat volgt:

"Art. 1.3.4.3. Als referentiestandaard voor immissiemetingen als vermeld in artikel 1.3.4.1, gelden de ijkbank van de Vlaamse Milieumaatschappij en de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL).".


Art. 64. In artikel 4.1.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 3 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Als verschillende inrichtingen samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan ze de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze een milieutechnische eenheid vormen.”;
2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
“§4. Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.
Die instemming is echter niet vereist als:

1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;



2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon.”.;
3° er worden een paragraaf 5 tot en met 11 toegevoegd, die luiden als volgt:
“§5. De aanvraag tot instemming wordt met een aangetekende brief ingediend bij de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. De aanvraag bevat de documenten waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden om als milieucoördinator te kunnen worden aangesteld.
De exploitant kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, vragen om gehoord te worden.
§6. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, neemt een beslissing over het verzoek tot instemming met de gezamenlijke aanstelling en deelt die beslissing binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag na het verzenden van de aanvraag, mee aan de aanvrager.
§7. Het verlenen van de instemming houdt in dat is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.1.9.1.4, §2.
§8. Als de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie te worden toegelaten of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit reglement, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, de instemming schorsen of opheffen.
§9. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, brengt de exploitant en de milieucoördinator met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de instemming te schorsen of op te heffen, en van de motieven die daartoe aanleiding geven, en nodigt hen tegelijkertijd uit om hun verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een geplande hoorzitting.
§10. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, neemt een beslissing over de schorsing of opheffing van de instemming, rekening houdend met de vervulde formaliteiten en de meegedeelde verweermiddelen.
§11. Als de instemming wordt geschorst of opgeheven, betekent de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, de beslissing met een aangetekende brief aan de exploitant en de milieucoördinator.
Als de procedure tot schorsing of opheffing van de instemming wordt stopgezet, worden de exploitant en de milieucoördinator daarvan op de hoogte gebracht.”.
Art. 65. In artikel 4.1.9.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, 2°, wordt punt a) vervangen door wat volgt:
“a) in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot instemming in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor overtredingen die verband houden met de uitvoering van de taken van de milieucoördinator;”;
2° in paragraaf 2, 2°, b), wordt de zinsnede “, niet bezoldigd zijn door het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten, een vereniging van gemeenten of een daaronder ressorterende instelling of bestuur’, vervangen door de zinsnede “: met betrekking tot de erkenning van de milieucoördinator en zijn taken, in de hoedanigheid van ambtenaar, geen adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen;”;
3° in paragraaf 2, 2°, wordt punt c) vervangen door wat volgt:
“c) als de milieucoördinator een werknemer is van de exploitant, moet die voor de uitvoering van zijn taken over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid beschikken. De exploitant neemt de kosten van de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor zijn rekening. Als de milieucoördinator geen werknemer is van de exploitant, moet deze over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid beschikken. Aan de eis dat hij over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid, moet beschikken, moet uiterlijk op 1 januari 2012 zijn voldaan;”;
4° in paragraaf 2, 2°, wordt punt d) vervangen door wat volgt:
“d) personen die geen werknemer zijn van de exploitant en voor twee of meer inrichtingen als milieucoördinator worden aangesteld die samen geen milieutechnische eenheid vormen, moeten met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu als milieucoördinator zijn erkend.”;
5° in paragraaf 3 worden 1° en 2° vervangen door wat volgt:
“1° voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter “A” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat: met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste niveau of een overgangscursus van het tweede naar het eerste niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;”;
2° voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter “B” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat: ten minste met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.”.
Art. 66. Artikel 4.1.9.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, wordt opgeheven.
Art. 67. In artikel 4.1.9.2.5, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, wordt de zinsnede “zoals bedoeld sub 5 van artikel 4.1.9.2.3.” vervangen door de zinsnede “erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.”.
Art. 68. Bijlage 4.1.9.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt opgeheven.
Art. 69. In artikel 5.2.5.5.2, §1, tweede lid, 4° van hetzelfde besluit worden de woorden "een milieudeskundige erkend in de discipline grondwater of bodem" vervangen door de woorden "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, of in de discipline bodem, deeldomeinen pedologie of geologie, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".
Art. 70. In artikel 5.53.4.1, §2, tweede lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de woorden "met een milieudeskundige, erkend in de discipline grondwater" vervangen door de woorden "met een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".
Art. 71. Artikel 6.5.6.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt opgeheven.
Art. 72. Artikel 6.5.6.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 6.5.6.3. De erkende stookolietechnicus is een natuurlijke persoon die erkend wordt volgens artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

Alleen de technici die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming "stookolietechnicus, in het bezit van het certificaat van bekwaamheid of bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks” voeren en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen.”.


Art. 73. Artikel 6.5.6.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 6.5.6.4. De inrichtingen die de opleiding aanbieden, worden erkend met toepassing van artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.
Alleen de inrichtingen die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming "erkende inrichting voor het organiseren van de opleiding en het afleveren van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks” dragen en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen.”.
Art. 74. Artikel 6.5.6.5 en 6.5.6.6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden opgeheven.


Afdeling 2. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie



Art. 75. In artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° In paragraaf 2 worden de woorden "door een laboratorium erkend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse" vervangen door de woorden "door een laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, erkend voor de analyse van de desbetreffende parameters met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu";

2° In paragraaf 3, vierde lid worden de woorden "het besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse" vervangen door de woorden "het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".


Art. 76. In artikel 12 van hetzelfde besluit, worden de woorden "laboratorium dat erkend is volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse" vervangen door de woorden "laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, erkend voor de desbetreffende monsternemingen volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".
Art. 77. In bijlage 3 van hetzelfde besluit worden de woorden "volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse" vervangen door de woorden "als laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, voor de analyse van de desbetreffende parameters volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".


Afdeling 3. Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden



Art. 78. In artikel 9, §4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden worden de woorden "de analyses uitgevoerd worden door een erkend laboratorium dat vermeld wordt op de lijst die opgesteld is door de administratie, bevoegd voor bodembescherming, van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap" vervangen door de woorden "de monsternemingen, analyses en het opstellen van een landbouwkundig advies uitgevoerd worden door een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, erkend voor de desbetreffende monsternemingen en analyses volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".


Afdeling 4. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater



Art. 79. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden de definities 26° tot en met 31° vervangen door wat volgt:
“26° erkende technicus vloeibare brandstof: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof;

27° erkend opleidingscentrum vloeibare brandstof: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof;

28° erkende technicus gasvormige brandstof: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof;

29° erkend opleidingscentrum gasvormige brandstof: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof;

30° erkende technicus verwarmingsaudit: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitvoeren van een verwarmingsaudit;

31° erkend opleidingscentrum verwarmingsaudit: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de verwarmingsaudit;”.


Art. 80. Hoofdstuk V en VI en bijlage IV, V en VI van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden opgeheven.
Art. 81. In artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden de woorden “hoofdstuk III van bijlage VI” vervangen door de woorden “bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu”.
Art. 82. Artikel 40 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “die een aanvraag indient met het oog op het verkrijgen van een erkenning overeenkomstig de bepalingen van dit besluit” vervangen door de woorden “die een erkenning wenst te verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu”;
2° in paragraaf 2 wordt de eerste zin geschrapt;
3° de paragrafen 3 en 4 worden geschrapt.
Afdeling 5. Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Art. 83. In artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de woorden “artikel 3.2.3 van het decreet” vervangen door wat volgt:

“1° hoofdstuk IIIbis - Erkenningen van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, voor wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als milieucoördinator en als opleidingscentrum voor milieucoördinatoren, en het gebruik van die erkenningen;

2° hoofdstuk II - Milieucoördinatoren als vermeld titel III van het decreet.”.
Art. 84. In artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van 30 april en 4 september 2009, worden de woorden “de opleiding, de beroepservaring, de overige voorwaarden en verplichtingen waaraan de erkenninghouder moet voldoen” vervangen door de woorden “de verplichtingen inzake erkenning van personen en het gebruik van de erkenning, met uitzondering van de verplichtingen, vermeld in artikel 22.”.
Art. 85. Bijlage IV, V, VI en de regel met de woorden “artikel 1.3.3.1, 3°” en de woorden “De erkende milieudeskundige moet verder over een kwaliteitshandboek beschikken” van bijlage VII van hetzelfde besluit worden opgeheven.
De regels met de volgende woorden van bijlage IX van hetzelfde besluit worden opgeheven:


19, derde zin

De technicus is ertoe gehouden binnen de 14 kalenderdagen na datum van de beslissing tot intrekking van de erkenning het origineel van zijn erkenningsbewijs ervan aan de afdeling te bezorgen.

20, § 1

Verplichtingen van een erkende technicus

§ 1. De erkende technicus verstrekt aan de afdeling of aan de toezichthoudende ambtenaar alle inlichtingen en documenten die gevraagd worden, en toont het materiaal dat hij gebruikt bij het uitvoeren van de keuring, de onderhoudsbeurt of de verwarmingsaudit.



20, § 2

Verplichtingen van een erkende technicus

§ 2. De erkende technicus stelt de afdeling binnen een maand per aangetekend schrijven in kennis van elke wijziging in de gegevens die verband houden met zijn erkenning.



21, § 1, tweede zin

Het certificaat wordt opgemaakt volgens het model in bijlage V bij dit besluit.

27, § 1

Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum

§ 1. Het erkende opleidingscentrum meldt tijdens de erkenningsperiode zonder verwijl elke wijziging in de gegevens die tot de erkenning geleid hebben aan de afdeling.



27, § 2

Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum

§ 2. Het erkende opleidingscentrum licht de afdeling vooraf en tijdig in over de geplande lessen en examens.



27, § 3

Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum

§ 3. Het erkende opleidingscentrum deelt de afdeling al de inlichtingen mee en stelt aan de afdeling alle documenten ter beschikking waar ze om vraagt.




Art. 86. Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage XXII toegevoegd, die als bijlage 11 bij dit besluit is gevoegd.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   17


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina