Baaierd wanboel, wanorde baai in Afrika



Dovnload 1.52 Mb.
Pagina13/24
Datum22.07.2016
Grootte1.52 Mb.
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   24

bestralen - asfalteren, plaveien

bestraling   beschijning, hoogtestraling, irradiatie, zandstraling

bestraling door de zon - insolatie

bestraten   asfalteren, plaveien, verharden

bestrate wallekant - kade

bestrating - asfalt, beton, klinkers, plaveisel, steen

bestratingsmateriaal   asfalt, beton, keien, kinderhoofdjes, klinkers, steen

bestruiven - bevuilen, bezwangeren

bestrijdbaar – discutabel

bestrijden   aanvallen, bekampen, betwisten, contesteren, opponeren, tegengaan, tegenspreken, tegenwerpen, weerleggen,

bestrijder   antagonist, contradictor, opponent, tegenpartij, tegenstander

bestrijding – aanvechting, antagonisme, tegenstreving

bestrijdingsmethode - therapie

bestrijdingsmiddel - D.D.T., harpuis, pesticide

bestrijken – manipuleren, rapen, smeren

bestrijkend – rasant

bestseller - succesboek

bestuderen - doornemen

bestudeerd - gemaakt, onnatuurlijk

bestudeerde houding – pose

bestudering der fraaie letteren - bellettristiek

bestudering der klassieken als grondslag van de opvoeding -

humanisme



bestuiving - polinatie, pollinisatie

bestuiving door insecten   entomogamie

bestuiving door slakken   malacogamie

bestuiving door vleermuizen   chiropterogamie

bestuiving door vogels   ornithografie

besturen – aanvoeren, administreren, begaan, beheren, beschikken, bestieren, dirigeren, gouverneren, heersen, leiden, mennen, regelen, regeren, tomen,

besturend college   raad

besturend lichaam - kabinet, raad, regering volksvertegenwoordiging

besturing - beheren, dirigeren, leiden, moderamen, regelen, regeren, stuur

besturingssysteem bij aanhangwagens - molenbesturing

bestuur   aanvoering, beheer, beleid, bestel, bewind, college, controle, directie, directoraat, gemeente, gestie(rt), gouvernement, heerschappij, leiding, macht, moderamen, opperbewind, opperleiding, overheersing, overheid, patronaat, regeling, regering, regime(nt), ressort, roer, staatsbestel, terreur, terrorisme, toezicht, vroedschap

bestuur en toezicht – beheer

bestuurbaar luchtschip - zeppelin



bestuurbare slee – bob, bobslee

bestuur van beurs - beurscommité

bestuur van classis   moderamen

bestuur van genootschap   comité

bestuur van klooster   prioraat

bestuur van land   kabinet, ministerie, regering, regime,

bestuur van studentencorps   collegium, senaat

bestuur van universiteit   curatorium, presidium, senaat

bestuur van directeuren – directorium

bestuur van een aalmoezeniershuis – aalmoezenierskamer

bestuur van een hogeschool - senaat

bestuur van een land- kabinet, ministerie, regering

bestuur van een polder - polderstoel

bestuur van een staat - regering, regiem, staatsbestel

bestuurder – baas, beheerder, bewindvoerder, chauffeur, directeur, dirigent, functionaris, gouverneur, leider, manager, minister, moderateur, overste, rector, regeerder, regent, resident, senator, voerder, voerman, voogd

bestuurder van een Engelse stad - alderman

bestuurder van een gilde   olderman

bestuurder van een klooster   abdes, abt, overste, prior, priores, priorin, regent,

bestuurder van een polder – dijkgraaf

bestuurder van een stoomwerktuig – machinist

bestuur van een universiteit - curatorium, presidium, senaat,

bestuurder van een vliegtuig – piloot

bestuurder van Gallilea - Antipas, Herodes

bestuurder van Israël - Richter

bestuurder van Venetië   doge

bestuurdersruimte – cabine, cockpit

bestuurlijk – administratief

bestuurlijk gebied - gemeente, gewest, provincie

bestuurlijk gewest – departement

bestuurlijke leiding - moderamen

bestuursambtenaar   baljuw, drost, gezaghebber, ruwaard, schout

bestuurscollege   directie, gemeenteraad, presidium, raad, senaat

bestuurscollege van de generale staf – gs

bestuurseenheid - gemeente

bestuursfunctie - penningmeester, praeses, scriba, secretaris, voorzitter

bestuurskamer van een weeshuis - regentenkamer

bestuurslichaam   college, decemviraat, directie, directorium, gemeenteraad, polderbestuur, raad, senaat, senaattienmanschap, stadsbestuur

bestuurslid - abactis, bewindsman, commisaris, conrector, penningmeester, praesis, rector, scribent, secretaris, senator, thesaurier, (vice)voorzitter

bestuurslid van een hofje - regent

bestuurslid van een studentenvereniging - abactis (secretaris) bestuurslid van een gemeente – wethouder

bestuurster   regentes

bestuurster van een abdij - abdis

bestuurster van een nonnenklooster - abdis

bestuur van een genootschap - comite

bestuur van een staat – regering, regime

bestuur van universiteit - senaat

bestuurswerkzaamheid - gouvernementsdienst

bestwil – belang

besuikeren - vleien, verzachten

betaalbaar - payabel

betaalbaar bij een bank - bankabel

betaalbaar - payabel

betaalbaar stellen - ordonnanceren

betaalbewijs – bon, factuur, kwitantienota, rekening

betaalbon – bewijs, rekening

betaalbriefje – bon, cheque, mandaat

betaald   voldaan

betaaldag – pree., kazem, soldij, soldijdag, tractementsdag,

vervaldag, werkloon, zakgeld



betaald bedrag - prijs

betaald antwoord   r.p.

betaald kunnende worden - betaalbaar

betaald sportman   prof(essional)

betaald zetten   inpeperen, vergelden wreken,

betaalde danser in dancing   gigolo

betaalde onruststoker - provocateur

betaalde som – overdracht, uitkering

betaaldienst – bank, giro

betaald minnaar - gigolo

betaalkantoor   kas

betaalkrachtig - solvabel, solvent

betaalloket – kassa

betaalmeester - intendant, kassier, kwartiermeester, penningmeester, purser, thesaurier, tresorier

betaalmeester aan boord - purser

betaalmiddel – bankbiljet,bon, cheque, geld, giro, munt

betaalpas met pincode – chipknip, pinpas

betaalplaats – kas(sa)

betaalstaat - loonlijst

betaalt men bij Burgerlijke Stand   leges

betalen – afdoen, afrekenen, afschuiven, bekopen, bekostigen, belonen, besjolmen, bloeden, boeten, delegeren, dokken, fourneren, gireren, honoreren, kwijten, lonen, nantiseren, neerleggen, opdokken, overdragen, overmaken, remitteren, schokken, schuiven, storten, uitgeven, uitkeren, vereffenen, vergelden, vergoeden, verrekenen, voldoen

betalen aandringen - manen

betalen per bank - overmaken

betaling – afdoening, afrekening, delegatie, fournissement, geldoverdracht, girering, kwijting, payment, solutie, storting, uitkering, vereffening, vergelding, verrekening, voldoening

betaling bij ontvangst – COD, rembours

betalingen doen - last

betaling met gesloten beurs - clearing

betaling uit vergissing – indebitum

betaling van overheidsdiensten - leges, registratiekosten, retributie

betaling van schuld - presteren

betaling van verrichte diensten - loon

betaling vragen   manen, aanmanen

betaling zonder verplichting - indebitum

betalingsaanwijzing   assignatie

betalingsbewijs   bon, girobewijs, kassabon, kwitantie, nota, reçu, stortingsbewijs

betalingsmethode - bankgiro, giro, postwissel

betalingsoverdracht - cheque, mandaat

betalingstermijn – paayement

betalingstermijn verlengen - paaiement, prolongeren

betalingsuitstel – indult, krediet

betalingsvermogen - solvabiliteit

betalingswijze   bank, betalkaart, cash, cheque, contant, bankgiro, kontant, postwissel

betamelijk   behoorlijk, convenabel, decent, eerbaar, eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, gepast, keurig, kies, net(jes), oirbaar, oorbaar, passend, rechtgeaard, voeglijk, voegzaam, welvoeglijk zedelijk

betamen   behoren, competeren, erkennen, horen, inwilligen, passen, schenken, toegeven, toestaan, toewijzen, vergunnen, verschaffen, voegen

betamelijkheid – decentie, gepastheid, fatsoen

betasten – aankomen, aanraken, bevoelen, duwen, manipuleren palperen, stoten, toucheren

betasten (med.) - palperen

betaster – voeler

betasting – aanraking, manipulatie, touche

betasting bij onderzoek – palpate

bètavakken – natuurkunde, scheikunde, wiskunde

bete   hap(je), beet

bête   dom, naïef, onnozel, schaapachtig

betegelen - oplaveien

betekenen – beduiden, designeren, notificeren

betekening – exploot, notificatie

betekenis   bedoeling, beduidenis, begrip, belang, draagwijdte, gewicht, inhoud, invloed, nut, omvang, portée, relevantie, strekking, waarde, zin

betekenisaanduiding   significatie

betekenis (in) tegengesteldheid - antagonisme, tegenstrijdigheid

betekenis van - belangrijk, gewichtig, relevant

betekenis van geen - irrelevant

betekenisleer   semantiek, semasiologie, semiotiek, signific

betel   pinang, sirih

betelen – bebouwen, telen

betelnoot - arekanoot, pinang

betelpalm - areca, pinang

betel pruim - sirihpruim

beter – betrouwbaargeheeld, genezen, hersteld, opgeknapt, superieur

beter dan nooit – laat

beter maken - kureren, opknappen, verbeteren

beter wetend   eigenwijs

beter worden   herstellen, genezen

betere functie krijgen - promoveren

beteren – aansterken, genezen, helen, herstellen

beterend   convalescent

betering - genezing, herstel, schadeloosstelling

beterschap   herstel, verbetering

beteugelen   betomen, bedwingen, breidelen, inhouden, intomen, onderdrukken, ringeloren, temmen, tomen

beteugelend - intomend, repressief

beteugeling - afremming, bedwang, belemmering, beperking, betoming, breidel, inhouding, inkorting, intoming, matiging, toom,

repressie, versperring



beteuterd – angstvallig, bedremmeld, beduusd, bedwelmdm, benepen, betoeterd, onthutst, sip, sippig, verlegen, verwezen

betichte - beklaagde

betichten – beschuldigen, verwijten

betichting – aanklacht, beschuldiging, verwijt

betiel - plateel

betijen - begaan

betimmering - lambrisering

betingeld - bezeten, verzot

betingsteunder - steekspeen

bêtise   blunder, domheid, enormiteit, onnozelheid, stommiteit

betitelen - aanspreken, noemen, tituleren

betiteling   B. l. Dr., Mr, Dra., Drs., Ir., Mr., Prof., W. I:, Z.D., Z D H., Z E., Z.em., Z.Exc., Z.H., Z.H.E., Z.H.E.G., Z.H.G., Z.K.H., Z.K.M. Z.M.

betiteling van bisschop – monseigneur

betiteling van hoogleraren - prof.

betiteling van minister - excellentie

betiteling van vorstelijk persoon – majesteit, sire

betittelaar - vitter

betjah - fietstaxi

betjoegd   betjoecht, betjoekt, geslepen, leep, listig, slim

betjoend   betoverd

betoel   inderdaad, waarlijk,werkelijk

betoeterd - beteuterd, sip, verdwaasd

betogen   aantonen, argumenteren, beweren, demonstreren, manifesteren, oreren, redeneren, spreken, uiten

betoger   demonstrant, manifestant, protestant, provo

betoging   demonstratie, manifestatie, optocht, redenatie,

redenering,



betomen   bedwingen, beheersen, beteugelen, betrachten, betuigen, breidelen, inhouden, intomen, offenen

betonen   accentueren beklemtonen, benadrukken, betuigen, bewijzen, blijkgeven, kronen

betonie - betonica

betoning - betoon

betonmachine - betonmolen, betonstamper

betonnen geschutsvloer - bedding

betonnen onderkomen - bedding, bunker

betonstaal - wapeningsijzer



betonnen balk - kesp

betonnen zinkbak – caisson, zinkstuk

betoningsstelsel - bebakening

betontimmerman - bekister

betoog   argument(atie), bewijs(voering), manifest, opstel, pleidooi, redekaveling, rede(natie), redenering, redevoering, relaas, sermoen, uiteenzetting, verhandeling, verdrag, vertoog

betooggrond - argument

betoogtrant   argumentatie, redeneerwijze, redenering

betoon   betoning, bewijs, blijk

betoonde lettergreep in een versvoet   arsis

betoonde lettergreep - arsis

betoonde verzen - vers

betoon van droefheid - rouw

betoon van trouw – hulde

betoppen - bedotten, bedriegen

betoverd   betjoend

betoveren   beheksen, bekoren, bezeren, biologeren, boeien, enchanteren, fascineren, incarteren verrukken

betoverend   behekst, boeiend, fascinerend, magisch, poëtisch, ravissant, verrukkelijk

betoverende invloed - ban



betovering   ban, beheksing, bekoring, bezwering, charme, fascinatie, seductie, verblinding, verrukking

betoveringsmiddel - amulet, talisman

betraand - behuild

betrachten - behartigen, beoefenen, betonen, bevorderen, bijhouden, doen, nakomen, naleven, oefenen, opvolgen, vervullen, volbrengen

betrachting - meditatie, oefening, overdenking, vervulling

betrachting van het geloof in de mens - geloofsleven

betrappen   arresteren, attraperen, deprehenderen, frapperen, snappen, overlopen, overrompelen, overvallen, pakken, snorren, verrassen

betrapping - deprehensie

betrapt – gesnapt, verrast

betreden – begaan, belopen, binnengaan, ingaan, intreden, klimmen, opgaan, treden,

betreffen   aangaan, belangen, concerneren, ontmoeten, raken, regarderen, treffen

betreffend – bewust, nopens

betreffende   aangaande, geding, hoofd, inzake, nopens, omtrent, over, principaal, rakende, t.a.v., wegens, w.b.

betreffende de beschavingsgeschiedenis – cultuurhistorisch

betreffende de endeldarm - rectaal

betreffende de groei van het organisme – vegatief

betreffende de koophandel – mercantiel

betreffende de luchtwegen - bronchiaal

betreffende de meter - metriek

betreffende de natuur - fysiek, fysisch, physisch

betreffende de ritus   ritueel

betreffende de sterren - sideraal, siderisch

betreffende de zeevaart   maritiem

betreffende de zon - solair

betreffende het gehalte   kwalitatief

betreffende het klimaat - klimatologisch

betreffende het leenstelsel - feodaal, feudaal

betreffende het ontstaan en de ontwikkeling ener zaak - genetisch

betreffende het weer - meteorologisch

betreffende het zien - visueel

betrekkelijk – distributief, nogal, relatief, tamelijk

betrekkelijk klein of gering   beperkt

betrekkelijk korte damesmantel - swagger

betrekkelijk voornaamwoord   dat, die, dewelke, hetgeen, hetwelk, relativum, wat, welke, wie, wiens, wier

betrekkelijke hoeveelheid - gehalte

betrekkelijke zwaarte van stoffen   s.g.

betrekkelijkheid - relativiteit

betrekking   ambt, baan, connectie, contact, dienst, emplooi, job, officie, post, positie, relatie, verband, verhouding, werkkring

betrekking hebben op   aangaan, betreffen, reageren, strekken

betrekking hebbend op de gehoorswaarneming   auditief

betrekking hebbend op de gezichts waarneming   visueel

betrekking hebbend op bestaan   existentieel

betrekking hebbend op de - axilliair, oksels

betrekking hebbend op de tastzin - tactiel

betrekking hebbend op het bestaan - existentieel

betrekking hebbend op het zintuiglijk waarnemen - sensorisch

betrekking tussen volzinnen – onderling, zinsverband

betreuren   bejammeren, beklagen, beschreien, bewenen, regretteren, spijten

betreurenswaardig – deplorabel, droevig, erg, jammer(lijk), miserabel, naar, regrettabel, treurig, zielig,

betrokken   bedekt, bewolkt, bleek, flets, lusteloos ongezond, somber, pips, treurig, ziekelijk, zwak

betrouwbaar – authentiek, best, beter, bonafide, braaf, degelijk, deugdzaam, eerlijk, fair, fideel, fijn, geloofbaar, geloofwaardig, geschikt, getrouw, gezellig, goed, integer, leuk, onkreukbaar, onschendbaar, oprecht, prettig, probaat, rechtgeaard, rechtschapen, rechtvaardig, safe, solide, sympathiek, tof, zeker

betrouwen - toevertrouwen, vertrouwen,

betten   bevochtigen, deppen, dopen, indompelen, natten, soppen

betuigde eerbied - knieval

betuigen – betomen, bewijzen, protesteren, verklaren, verzekeren

betuiging   blijk, testificatie, uiting

betuiging van eer   eerbetoon

betuiging van eerbied   groet, knieval, reverentie

betuiging van erkentelijkheid   bedankbrief, dankbrief, dankwoord, dankbetuiging,

betuiging van genegenheid – aai, dankbrief, dankwoord, kus, liefkozing, omhelzing, streling, zoen

betuin - schaars

betuining - heg, mandewerk, (om)heining

betuline - berkekamfer

betuttelaar - muggenzifter, vitter

Betuwe, stad in de - Tiel

Betuwse vrucht - kers

betweter   eigenwijs, frik, pedant, pruttelaar (Z.N.), waanwijze, wijsneus

betweterig - beter weten, bedillerig, betweterij, eigenwijs, neuswijs, pedanterig, waanwijs, wetend, verwaand, waanwijsheid, wijsneuzig(heid)

betweterij - bedilzucht

betwist - litigieus, omstreden

betwistbaar – aanvechtbaar, discutabel, disputabel, exceptionabel, kwestieus, litigieus, problematisch, twijfelachtig

betwistelaar - contestabel

betwiste zaak - lis

betwisten   aanvechten, bestrijden, betwijfelen, contesteren, ontzeggen, tegenspreken, tegenwerpen

betwisting - contest, contestatie

betijen - otteren

beu – afkerig, blasé, moe, (spuug)zat

beu, iets - zijn - blasé, moe

beug – vislijn, vistuig

beugel – haak, handvat, klem, knip, pothaak, sluitschalm, stijgbeugel

beugelbaan - kolfbaan

beugel die tot steun dient - steunbeugel

beugelhoorn – klaroen

beugel van een elektrische tram of bus - trolley

beugel van een emmer - hengsel

beugvis - kabeljauw, schelvis

beuk - fagus, haagbeuk

beukenboom - beukelaar, koek

beukei - beukenoot

beukelaar – beukeboom, rondas

beuken – bonken, bonzen, braken, bulken, meppen, hameren, kloppen, rammeien, rammen, slaan, stompen, stoten

beukennoot - beukel

beukhamer - beuker

beukpaal – ram rammei, stormram

beukvaren - nephrodium, phegopteris

beul – carnifex, folteraar, hangman, henker, onmens, ravenkok, scherprechter, wreedaard

beulemaal - galgemaal

beulen - aftuigen, doodwerken, mishandelen, sloven, zwoegen

beuling – bloedworst, rondstaaf, wrong,

beun   bak, ben, bun, (vis)kaar, kanis, rugkorf, viskaar, vliering, vlonder , zoldering

beunhaas   brekebeen, charlatan, dilettant, falsaris, kluns, knoeier, kreukelaar, kwakzalver, leek, onbevoegde, onderkruiper, ondeskundige, prutser, renegaat, roffelaar, sufferd, zolderhaas,

beunhazen – knoeien, prutsen

beuren   innen, lichten, ontvangen, (op)heffen, (op)tillen

beuren van geld - innen

beurs   aangestoken, bedorven, blamot, buidel, buikziek, geldbuidel, geldtas, geldzak, Messe(D.), handelsgebouw, overrijp, portefeuille, portemonnee, stipendium, studiefonds, week

beursagent - makelaar

beursbelasting – beurszegel

beursbengel – beursklok

beursdaling - baisse

beurs en zacht – overrijp, zacht

beursgezwel - wen

beursgokker   speculant

beurshokje - nis

beursje – portomonnee, zakje

beursjeskruid - herderstasje

beursklok   beursbengel

beursontwrichting (hevige) - krach

beursprijs   koers

beursspeculant - agioteur, beursgokker, jobber,

beursspel – agiotage speculatie

beursspel drijven - agioteren

beursspeler   agioteur, gokker, jobber, speculant speculateur


1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina