Baaierd wanboel, wanorde baai in Afrika



Dovnload 1.52 Mb.
Pagina14/24
Datum22.07.2016
Grootte1.52 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   24

beursstudent   beneficiarius, bursaal

beursstijging - hausse

beursstudent - beneficiarus, b eurstelegraaf, bursaal, tikker

beursterm   account, agio, banco, G.B., gi, G.L., koers, pari(teit), tape, wissel

beurs van een student – stipendium

beurs voor de graanhandel – korenbeurs

beurs voor studiedoeleinden - stipendium

beurs (met gesloten � betalen) - toebeurs

beurstikker – koerstelegraaf

beurszegel - beursbelasting

beurt - dienst, figuur, predikbeurt, (bij)afwisseling, rang(orde), schoonmaak, taak, toer, tour, volgorde, wisselkeer

beurtelings   achtereen, afwisselend, alternatief, keer-om-keer, overhand (Z.N.), rotelings (Z.N.), roulerend, variërend

beurtelings handelen – afwisselen

beurtgesprek - dialoog

beurt in een spel - zet

beurtschipper   pontschipper, veerman

beurt volgens vastgestelde volgorde – toerbeurt

beurtwisseling - alternatie

beurtzang   antifoon, canon, keerzang, leis, tegenzang, wisselzang

beurzensnijder - dief, oplichter, zakkenroller

beuzel – geklets, kletspraat, larie, leugen, onwaarheid

beuzelaar   futselaar, lanterfanter, talmer, sukkel

beuzelachtig   kinderachtig, onbeduidend, peuterig

beuzelachtigheid - niaserie

beuzelarij – len, bagatel, kletsen, krikkemik, larie, nesterij, nietigheid

beuzelen – bazetalmen, femelen, frutselen, haarkloven, huichelen, keffen, kletsen, kwezelen, lanterfanten, peuteren, pietlutten, pointilleren, raaskallen, raffelen, suilen, talmen, treuzelen, tutten

beuzeling   bagatel, futiliteit, larie, leugen, lor, nesterij, wissewas

beuzelpraat   apekool, bakerpraatje, franje, geleuter, kinderpraat, larie, nonsens, onzin

bevaarbaar – navigabel, water

bevaarbaar maken van een rivier - kanaliseren

bevallen - aanstaan, accoucheren, baren, behagen, bekoren, kramen, lijken, verlossen

bevallig   aanlokken, aanminnig, aantrekkelijk, aanvallig, aardig, abel, bekoorlijk, bekoren, bekwaam, charmant, elegant, geestig, goed, goeddunken, gracieus, gratieus, grazioso, innemend, keurig, knap, levendig, lief, lief(e)lijk, lieftallig, lusten, monden, mooi, net, nuver, prettig, rank, sierlijk, smaakvol, strelen, vleiend, zwierig

bevallig (muz)   gentile, gradevole, graziose

bevallige schenkster - hebe

bevalligheid - agrement, bekoorlijkheid, bekoring, charme, elegantie, élégance, gratie, lieflijkhid, netheid, sierlijkheid, zwier,

bevalling   accouchement, baren, baring, geboorte, partus, verlossing

bevangen – aangaan, aanvatten, beklemd, benauwd, kortademig, omvangen, overmeesterd, schuchter, verlegen

bevanging - schrik

bevaren matroos - paai, oorlam, pekbroek, pikbroek

bevattelijk   begrijpelijk, duidelijk, geleerd, intelligent, knap, pienter, slim, snugger

bevatten   begrijpen, behelzen, hebben, (in)houden, snappen, omsluiten, (om)vatten

bevatting   begrip, behelzing, benul, conceptie, doorzicht, idee, inhoud, intelligentie, portee, verstand

bevattingsvermogen – begrip, bevechten, intellect, verstand

bevechten – bekampen, bestrijden, comprehensie, veroveren

bevechter - strijder, voorvechter

bevederd - vederachtig

bevedering - verenkleed

beveiligd - beschut

beveiligen – aarden, behoeden, beschermen, beschutten, borgen, hoeden, preserveren, privilegiëren, secureren, versterken, waarborgen, zekeren

beveiligende bedekking - vernis

beveiliging   alarm, bescherming, beschutting, bewaking, borg, dekking, hek, preservatie, radar, schut

beveiliging tegen harde slagen - harnas, pantser

beveiliging tegen stoten - helm

beveiliging tegen wateroverlast - dijk

beveiliging van een spoorwegovergang - ahob, aki, spoor(bomen)

beveiliging voor het scheepvaartverkeer - baken, brulboei,

betonning, vuurtoren



beveiligingsinstallatie – alarmsysteem, beveiligingspen, pal, pin,

radar, spie



bevel – aanschrijving, aanvoering, bepaling, commandement, commando, decreet, doe, eet, eruit, ga, gebod, halt, ho, hu, koest, kommando, last, lastgeving, mandaat, oekaze, opdracht, opgelet, order, ordonnantie, sta, sommatie, stil, stop, verordening, voorschrift, voort, vort, vuur, weg,

bevel (Eng.) - hands up

bevel aan een hond – af, opport, koest, lig, volg

bevel van de sultan – ferman

bevel vooraf - commando, waarschuwing

bevelen – aanzeggen, betitelen, commanderen, decreteren, gebieden, geboden, gelasten, heten, kwalificeren, noemen, opdragen, ordonneren, sommeren, verklaren, verordenen, verordineren

bevelend - gelasten, imperatief

bevelgever - lastgever

bevelhebber – admiraal, aga chef, chief, commandant, commandeur, dux, emi(e)r, gezagvoerder, hoofdman, imperator,

legeraanvoerder, officier, overste, veldheer



bevelhebber over duizend - chiliarch

bevel om te shieten – vuur

bevelhebber van een leger - legerhoofd

bevelhebber van het leger - veldheer

bevelhebber (Turks) - aga

bevelschrift   edict, ferman, lastbrief, Irade, mandaat, mandement, oekaze, order, ordonnantie, plakkaat, ukase, verordening

bevelschrift tot aanhouding - arrestatiebevel

bevelschrift tot betalen   mandaat

bevelschrift van de sultan   irade

bevelschrift van de tsaar   oekaze

bevel om te schieten - vuur

bevel tot opstappen - eruit

bevelsuitvaardiging - decreet

bevel van een schildwacht - sta, werda

bevelvoerder - aanvoerder, bevelhebber, chief, commandant, generaal, bevelhebber, gezaghebber, hoofdman, leider, opperhoofd, veldheer



bevelvoeren - commanderen, bevelen, gebieden

bevelvoering - commando, leiding

bevel vooraf - waarschuwingscommando

beven   bibberen, huiveren, kwakkelen, popelen, schudden, sidderen, trembleren, tremor, (t)rillen, vibreren

bevend   rillend, (muz.) tremolo, vibrato

bevende toon - tremolo, tremulant, triltoon, vibrato,



bever (Lat.)   Castor (fiter)

bever - koorts, schrik, triller

beverbont - bbiberette

bevergeil - castoreum

beverhaar   vilt, kastoor, pimpernel

beverig – beefachtig, koorstachtig, trillerig, vibrerend

beverig zingen - tremoleren, tremuleren

bevernel - pimpernel, pimpinella, sorbenkruid

beverrat – moerasbever, moerasrat, nutria

bevertien - moleskin

bevertjes - trilgras

bevervilt - beverhaar, kastoor

bevestigd - vast

bevestigen – aangorden, aanhangen, aanspannen, affirmeren, attesteren, beamen, bedillen, bekrachtigen, besturen, bezegelen, certificeren, confirmeren, fixeren, hechten, klampen, knopen, monteren, opsluiten, plakken, singelen, solderen, solideren, stabileren, staven, vasthechten, vastmaken, versterken, verzegelen, verzekeren, waarmaken

bevestigend - affirmatief, assertoir, bekrachtigend, confirmatief, positief, toestemmend

bevestiging   affirmatie, assertie, bekrachtigen, bekrachtiging, confirmatie, eed, erkenning, fixatie, fortificatie, installatie, ja, jawel, jazeker, jegens, knik, obsignatie, oke, sanctie, sanotie, speld, staving, toestemming, vasthechting, verzekering, wel, zeker

bevestiging in een ambt   installatie

bevestigingsmiddel   anker, band, bout, gesp, gom, haak, kabel, keg, keil, keten, ketting, klamp, klink, klinknagel, knoop, knijper, koord, kram, lacet, lijn, malie, moer, nagel, neet, niet, pal, pen, pin, pol, paperclip, punaise, riem, schroef, snoer, spang, speld, spie, spijker, talie, tengel, touw, trens, tros, veter, wervel, wig

bevestigingsvoet - fels

bevinden - ervaren

bevindt zich langs de spoorbaan   seinpaal, spoorboom

bevinding - conclusie, slotsom

beving   aardschok, bibber, bibberatie, oscillatie,rilling, seisis, siddering, tremolo, tremor, trilling, vibrato, vibratie

bevitten – bebabbelen, bedillen

bevlekken – bekladden, besmetten, besmeuren, bevuilen, ontreinigenvuilmaken

bevlekking - pollutie, bezoedeling

bevlekt - besmet

bevlieging   aanval, aanvechting, bui, caprice, begeerte, caprie, drift, frats, gril, inval, kuur, lust, manie, nuk, opwelling, rage, razernij, scheut, stormloop, verlangen, vlaag

bevloeide rijstvlakte   huerta(Sp.), sawah, sawa

bevloeide vlakte in Spanje   huerta, vega

bevloeien – besproeien, bewateren, irrigeren, onderlopen

bevloeiing   drenking, irrigatie

bevloering - klankier

bevochtigen   benatten, besproeien, betten, deppen, dopen, druppelen, gieten, humecteren, invochten

bevochtigen met lapje – betten

bevochtiger - natmaker

bevoegd   aangewezen, bekwaam, competent, erkend, gediplomeerd, geldig, gemachtigd, gerechtigd

bevoegde - licentiaat

bevoegdheden - regalia, regaliën

bevoegdheid – competentie, recht

bevoegdheidsschema - kruiskaart

bevoegd persoon – kenner

bevoegd waarnemer – provisor

bevoelen   aanraken, betasten, palperen, tasten

bevolking   populatie

bevolkingsafname door sterfte - mortualiteit

bevolkingscentrum   city, metropool, plaats, stad

bevolkingsgroei door geboorte - nataliteit

bevolkingsgroep – etnie, middenstand

bevolkingsgroep in India   kaste

bevolkingsklasse   stand

bevolkingsleer - biostatie, demografie, demologie

bevolkt – volkrijk

bevolktheid – bezettingsgraad

bevoogdend - paternalistisch

bevoogding   paternalisme

bevoordelen - avantageren, begunstigen

bevoordelen van verwanten bij het vergeven van - nepotisme

bevooroordeeld   eenzijdig, gepreoccupeerd, partijdig, prevenu, subjectief, vooringenomen

bevooroordeeldheid - preoccupatie

bevoorraden - provianderen, ravitailleren

bevoorrading - ravitaillering

bevoorradingsofficier - foerier, fourier

bevoorrecht – favoriet, geprivilegieerd, preferent, toekennen voorgetrokken

bevoorrechte vrouw - kadin (harem)

bevoorrechten – privilegiëren

bevoorrechting - 9nepotisme, privilegiëren, voorrang,



bevorderaar   begunstiger, bepleiter, beschermer, fautor, manager, patroon, promotor, propagandist, verdediger, voorstander, ijveraar

bevorderd worden – overgaan, promoveren

bevorderde - promotus

bevorderen   aanbevelen, aankweken, aanmoedigen, begunstigen, bespoedigen, dienen, pousseren, promoveren, stimuleren, verhaasten, verhogen, versnellen, voorstaan, vooruitbrengen, vooruithelpen, ijveren

bevordering - avancement, begunstiging, bloei, ontwikkeling, opbouw, promotie, stimulering, stijging, verhoging

bevordering van een zachte dood   euthanasie

bevorderingswedstrijd - promotiewedstrijd

bevorderlijk - aanbevolen, dienstbaar, dienstig, goed, gunstig, nuttig

bevorderlijk zijn - baten, helpen, meewerken

bevorens   (al)eer, tevoren, vooraf, voordat , vroeger

bevracht - geladen

bevrachten – beladen, laden, belasten, stuadoren

bevrachter – aflader, afscheper, cargadoor, expediteur, lader, reder, stuwadoor, verscheper

bevrachting – ballast, charter, lading, last

bevredigd   content, contenteren, klaar, tevreden, voldaan, verzadigd, zat

bevredigen   apaiseren, boeten, bedaren, dempen, pacificeren, radouceren, stellen, stillen, tevredenstemmen, vergenoegen, verzachten, verzoenen, voldoen

bevredigend – lonend, tevredenstellend, voldoend, voldoeninggevend

bevrediger - pacificateur, pacificator, vredestichter

bevrediging   11pacificatie, perversiteit, voldoening, satisfactie

bevreemd - verbaasd, verrast, verwonderd

bevreemden - frapperen, opvallen, verbazen, verrassen,

verwonderen



bevreemdend - raar, verwonderlijk, vreemd, zonderling

bevreemd, zeer - stupéfait

bevreemding – suprise, verbazing, verwondering

bevreesd – afkerig, angstgevend, angstig, angstvallig, bang, bangelijk, beangst, beducht, beklemd, benauwd, 10beschroomd,bezorgd, biberachtig, bunzig, kleinhartigk, moedeloos, ongerust, onrustig, opschuw, schuw, timide, schichtig,

schuchter, versaagd, vervaard, vreesachtig



bevreesd maken – intimideren

bevreesd persoon - bangerd

bevreesdheid – angst, bangheid

bevriend - amicaal

bevriend meisje – vriendin

bevriezen - congelatie

bevriezing - congelatie

bevrijd   gered, ontzet, verlost

bevrijden – ontbinden, ontdoen, ontketenen, ontwarren, ontzetten, uithelpen, verlichten, verlossen, vinciceren, vrijlaten, vrijmaken, vrijstellen

bevrijder   liberator, redder, verlosser

bevrijding   delivrance, liberalisatie, ontheffen, ontzet, ontzetten, ontzetting, redding, relevatie, verlossing, vrijmaking

bevrijdingsleger van igus - geallieerden

bevroeden   begrijpen, bevatten, denlen, geloven, inzien, menen, vermoeden, verwachten

bevroeding - begrip, inzicht, vermoeden

bevroren - steenkoud

bevroren afdruipend water   pegel, ijspegel, ijstap

bevroren dauw   rijm, rijp, ijzel

bevroren neerslag – hagel, ijzel

bevroren plek in de grond   hal

bevroren regen   ijzel

bevroren water   hagel, pegel, rijm, rijp, sneeuw, ijs, ijsbloemen, bevroren waterdamp - sneeuwkegel

bevrucht – gedekt, gepaard, zwanger

bevruchte eicel - zygote

bevruchten - bestuiven, fecunderen, bezwangeren

bevruchtend - seminaal

bevruchting - conceptie, fecundatie, fertilisatie, ontvangenis

bevruchting zonder geslachtsverkeer - inseminatie , k.i.,

bévue - bok, flater, misslag

bevuilen – bekladden, bemorsen, besmeren, besmeuren, bezwalken, bevlekken, bezoedelen, ontreinigen, tateren, vuilmaken

bevuild – modderig, vies

bewaarder – bewaker, cipier, conservator, wachter

bewaarder van gevangenen - cipier

bewaarder van in beslag genomen goederen   sequester,

sekwester



bewaarengel – engelbewaarder

bewaargever - deponent

bewaargeving – consignatie, deponering, depot, safe,

stalling,



bewaargeving van geld   deposito

bewaarheiden - affirmeren, bevestigen, staven, vervullen, waarmaken

bewaarplaats – aktentas, archief, baal, bak, ben, blik, boet, brandkast, bureau, bus, cassette, depot, doos, dossier, entrepot, etui, fietsenhok, garage, garderobe, hoes, hok, kaar, kanis, kast, kelder, kist, kluis, koelcel, koelkast, koffer, kolenhok, la, lade, magazijn, mand, pakhuis, pot, remise, reservoir, safe, schrijn, schuur, silo, spaarpot, spinde, stalling, ton, trommel, urn, vat, ijskast, zak

bewaarplaats van papier – doos

bewaarplaats van de kas - thesaurus

bewaarplaats van heilige zaken - sacrarium

bewaarplaats van het Allerheiligste (r.k.) - tabernakel

bewaarplaats van vis - beun, kaar

bewaarplaats voor afval   asemmer, vuilnisbak

bewaarplaats voor bescheiden   archief, dossier

bewaarplaats voor curiositeiten - rariteitenkabinet

bewaarplaats voor de laatste as   urn, columbarium

bewaarplaats voor drukletters – letterkast

bewaarplaats voor een sleutel - sleutelring

bewaarplaats voor eieren - eiernet

bewaarplaats voor fietsen - 15fietsenstalling, 14rijwielstalling,

bewaarplaats bewaarplaats voor geld - bank, beurs, brandkast, kas, kluis, kous, muik, portefeuille, portemonnaie, pot, safe, spaarpot, spaarvarken,

bewaarplaats voor geschriften   archief

bewaarplaats voor goederen   depot, entrepot, magazijn, stapelplaats

bewaarplaats voor graan   silo

bewaarplaats voor kleren van kinderen   crèche, kapstok, garderobe, kleerkast, kindergarten, mottenzak, vestiaire

bewaarplaats voor kleren – garderobe

bewaarplaats voor koopmansgoederen - depot, entrepot, magazijn, opslagplaats, pakhuis, stapelplaats, veem



bewaarplaats voor kostbaarheden - kluis, safe

bewaarplaats voor kunstwerken   museum

bewaarplaats voor levensmiddelen   garderobe, diepvries,

kleerkast koelkast, provisiekast, ijskast



bewaarplaats voor lijkurnen in nissen van een oud Romeins grafgewelf - columbine

bewaarplaats voor olie - tank

bewaarplaats voor reisgoed - bagagedepot, bagagekluis

bewaarplaats voor urnen bij een crematorium - columbarium

bewaarplaats voor vis – aquarium, beun, kaar, kanis

bewaarplaats voor vleeswaren - diepvries(kast), frigidaire, koelkast

bewaarplaats voor vis   kaar, beun, bun

bewaarplaats voor wijn - kelder

bewaarplaats voor zeker broodbelegsel - kaasstolp

bewaarplaats voor zout - saline, zoutkeet

bewaarplaats voor zuigelingen en kleuters – crèche, kindergarten

bewaarschool – kleuterschool

bewaarschoolhoudster - matres

bewaarstelling - consignatie

bewaarstuk - gok

bewaken   behoeden, beschermen, garderen, hoeden, nagaan, oppassen, survailleren, toezien, wachten, wachthouden

bewaker – agent, behoeder, bewaarder, cipier, conciërge,

gevangenbewaarder, herder, hoeder, koddebeier, leidsman, nachtwacht, oppasser, opzichter, ordonnans, politieagent, portier, post, predikaat, priester, provoost, schepper, stokbewaarder, stokkenknecht, schildwacht, suppoost, surveillant, toezichthouder, veldwachter, wacht, wachter, wachtsman, wachtpost, waker, zaalwachter



bewaker (Mal.) - djaga

bewaker in een museum - custos, suppoost

bewaker van de goede zeden - moralist, zedemeester

bewaker van de Hades - Cerberus

bewaker van de openbare orde - politie

bewaker van de Tartarus - Ceberus

bewaker van een brug - brug(ge)wachter

bewaker van een harem - eunuch

bewaker van het orakel Delphi - Pythia

bewaker van lo - Argus

bewaker van strijdperk - krijtbewaarder

bewaker van tol   tolbaas, tollenaar

bewaker van vroeger verkeersobstakel   tolbaas

bewaking   beveiliging, garde, hoede, oppas, opzicht, surveillance, toezicht, wacht

bewapenen – uitrusten, wapenen

bewapening - armatuur, wapening

bewaren   (be)hoeden, behouden, beschermen, conserveren, handhaven, opbergen, opsparen, overhouden, preserveren, reserveren, responeren, toezien, verzorgen

bewaring – behoud, bescherming, conservatie, gijzeling, hechtenis, preservatie

bewaring van betwist goed - sekwestratie, sequestratie

bewassen - begroeien

bewateren   besproeien, bevloeien, irrigeren

beweeg - drukte

beweegbaar - los, mobiel, roerend, verplaatsbaar

beweegbaarheid – mobiliteit

beweegbaar schot – luik

beweegbaar stuk aan een schipbrug - aanbrug

beweegbare afsluiting - deur

beweegbare balk - heiblok, ramsteven

beweegbare beugel - hengsel

beweegbare ledepop   androïde, marionet, robot

beweegbare lucht - wind

beweegbare verbinding - scharnier

beweeggrond   agiel, beweegrede, drang, drangrede, drijfveer, grond, moment, motief, ratio, overweging, rede(n), roersel

beweeggrond van een handeling – principe

beweeginrichting - waag

beweegkracht - aandrijving, benzine, elektriciteit, locomotief, machine, mechaniek, moment, motor, stoom, straalaandrijving



turbine

beweeglijk – agiel, bewogen (licht), dartel, driest, druk, impuls(ie), kwiek, levendig, los mobiel, ongedurig, onrustig, orageus, roerig, speels, tierig, verplaatsbaar, vlug, volubel, volubiliteit, vrij, week, woelig

beweeglijkheid - lichtheid, mobiliteit, motiliteit,

beweeglijk in bed - woelig

beweeglijk kind   draaitol

beweegreden – beweeggrond, drijfveer, grond, motief, motivering, oorzaak, overweging, ratio

beweerschrift - memorie

bewegelijk - los, mobiel

bewegen – aangrijpen, beroeren, commoveren, dansen, deinen, draaien, gepriegel, motiveren, moveren, ontroeren, optreden, overhalen, overreden, permoveren, popelen, roeren, schokken, schudden, stampen, trillen, verroeren, vertederen, vertoeven, zwaaien, zwermen, zwieren

bewegende beelden – film

bewegende lucht - stormwind

bewegen tot - drijven

beweging   aandrang, aandrift, actie, arsis, beroering, bombarie, buiging, circulatie, commotie, daling, dans, deining, draai, drukte, emotie, gang, gebaar, gedoente, gedrag, gedraging, getier, gewoel, gisting, heffing, lawaai, locomotie, loop, mobiliteit, motie, motoriek, motus, mouvement, onrust, ontroering, ophef, oploop, opschudding, roering, rumoer, statisch, stroming, sprong, stroming, stroom, trilling, vaart, val, vertier, werking, woeling, zwaai


1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina