Baaierd wanboel, wanorde baai in Afrika



Dovnload 1.52 Mb.
Pagina17/24
Datum22.07.2016
Grootte1.52 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   24

bijbels land - Kanaan

bijbels vaartuig   ark

bijbelse held   Gideon, Simson

bijbelse belastinginner - tollenaar

bijbelse berg - Horeb, Karmel, Sion

bijbelse hogepriester   Eli

bijbelse hoofdstad   Jeruzalem, Samaria

bijbelse koning - David, Saul

bijbelse leiders   profeten, richteren

bijbelse maat - bath

bijbelse munt   bekah, drachme gera, kikkar, manen, sikkel, stater, talent,

bijbelse plaats   Achor, Aduilam, Afek, Al, Aja, Ajalon, Anathoth, Aratat, Arnon, Asdod, Askelon, Astharoth, Basan, Bazan, Berseba, Bethaniê, Bethiehem, Bethsaîda, Caesarea, Colosse, Dan, Dothan, Ebal, Eden, Efreze, Efratha, Ekron, Elath, Endor, Erech, Galatië, Galilea, Gath, Gaza, Gebal, Gerar, Gerizim, Gethsemane, Gibeâ, Gibeon, Gihon, Gilead, Gilgal, Golgotha, Gomorra, Gosen, Hazor, Hebron, Hermon, Jabbok, Jabes, Jericho, Jeruzalem, Jizreël, Joppe, Jafo, Jaffa, Jordaan, Kades, Kaparnaûm, Karmel, Kidron, Lachis, Machpela, Mizpa, Nazareth, Paddan, Peor, Ribia, Samaria, Saron, Scheba, Seïr, Smal, Horeb, Sinear, Sodom, Sunem, Taânach, Tarsus, Thabor, Thekoa, Thessalonica, Tiberias, Tirza, Tofet, Ur, Uz, Zion

bijbelse reus   Enak, Goliath

bijbelse vrijstad   Bezer, Gol, Hebron, Kades, Ramoth, Sichem,

bijbelterm - tekst

bijbeluitleg   anagoge, exegese

bijbeluitlegger - exegeet

bijbelverering - bibliolatrie

bijbelverklaring   exegese

bijbelvertaling   itala, pessjitto, vulgaat

bijbelwoord – schriftwoord, tekst

bijbenadering – approximatief,globaal, grofweg

bijbetalen   supleren, bijpassen

bijbetaling – toeslag

bijbetaling op aandelen - assesment

bijblad   bijvoegsel, inlegvel, supplement

bijblijven - aanblijven

bijbol - klister

bijbouwen - aanbouwen

bijbrassen   bijdraaien

bijbreien - meerderen

bijbrengen – aandammen, leren

bij dag - daags, overdag

bij dat woord   a.v.

bij de geboorte   nataal

bij de hand - adrem, behendig, brutaal, gehaaid, gevat, gewiekst, handig, kien, leep, levendig, link, pienter, plat, schrander, slim, snugger, uitgeslapen, vigilant, vlug, waakzaam, wakker

bijdehands - linker

bijdehante vrouw   feeks, xantippe, wijf

bij de pinken – knap, pienter, snugger

bij de tijd - pienter

bij de vleet – genoeg, talloos, zat

bijdicht - episode

bijdoen - aanvullen, toevoegen

bijdrage – aandeel, artikel, contingent, contributie, donatie, gave, geschenk, gift, opstel, som, subsidie

bijdragen – aanbrengen, bijspringen, geven, helpen, medewerken, opbrengen, steunen, toeleggen, tegemoetkomen, verschaffen

bij eb droogvallend. grond – kwelder, plaat, schor, wad

bijeen – saam, samen, tegader, tezamen

bijeen behorend geheel - collectie, klasse, set, span, stel,

bijeen behorend stel - span

bijeen behorende voorwerpen   garnituur, set, stel

bijeen behorende schepen   vloot

bijeenbrengen   inzamelen, lezen, opzamelen, vergaderen, verzamelen, wannen, zamelen

bijeengaren – rapen, verzamelen

bijeengeveegd stof - veegsel

bijeenharken - aanharken

bijeenhorend geheel – collectie, klasse, set, stel,

bijeenhorend stel - span

bijeenkomen – aantreden, reuniëren vergaderen

bijeenkomen om iets te bespreken - vergaderen

bijeenkomst - conferentie, congres, feest, meeting, rally, receptie, rendez-vous, reünie, samenzijn, seance, treffen, vergadering

bijeenkomst, sektarische - conventikel

bijeenkomst op hogeschool - academie-vergadering, faculteitsvergadering

bijeenkomst van cowboys   rodeo

bijeenkomst van geliefden   rendez-vous

bijeenkomsten houden - oefenen

bijeenrapen - verzamelen

bijeenroepen – alarmeren, beleggen, convoceren, oproepen, optrommelen, samenbrengen, samenroepen, verzamelen

bijeenroeping - convocatie

bijeen schikken - groeperen, opmaken

bijeentellen – adderen

bijeentellend - optellend

bijeenvoegen – adderen, koppelen, lijmen, mengen, mixen, pakken, paren, summeren

bijeenvoeging - suminatie

bijeenzoeken – assorteren, schikken

bij elkaar   opeen, saam, samen, tezamen

bij elkaar behorend vaatwerk   servies

bij elkaar behorende voorwerpen   garnituur

bijenboer - iemker

bijenbijter - libel

bijengift – apitoxine

bijenhars - propolis

bijenhouder – bijker, iemker, imker, ymker

bijenhuif   bijenkorf, bijenkap

bijenkoningin   moer

bijenkorf – stok

bijenkruid - melisse

bijenmasker - bijenkap

bijen product   honing, raat, was

bijensoort - anthocopa, behangersbij, graafbij, groefbij,

bijenteelt – apicultuur

bijenvolk - bijenzwerm

bijenziekte - bijenroer, roerziekte, vuilbroed

bijenzwerm   imme

bijfiguur - figurant

bijgaand – bijgevoegd, ingesloten

bijgat   lom

bijgebouw   annex, appendance, dependance, paviljoen

bijgebouw van een hotel - dependance

bij gedeelten - deels, partieel, deelsgewijs

bijgedachte   bijbedoeling

bijgeloof   superstitie

bijgelovig - lichtgelovig, superstitieus

bijgeluid   piepen, ruis, schal

bijgeluid van een radio - ruis

bijgenaamd - alias

bij gelegenheid   p. ooc.

bijgestaan - gered, gereed

bij geval – indien, misschien, ook, soms(tijds), toevallig

bijgeven – naspelen

bijgevoegd - adjectief, subjunctief

bijgevoegd stuk   bijlage

bijgevolg – aldus, alzo, daarom, derhalve, dus, ergo, igitur, uiteraard

bijgezant - subdelegaat

bijhangsel   aanhangsel

bij het volk geliefd - populair

bijhouden – bijbenen, betrachten

bijjou – juweel, parel

bij iets doen   mengen, (toe)voegen

bijkans – bekant bijna, haast, nagenoeg, ongeveer, schier, vrijwel, zowat

bijkantoor – agentschap, filiaal

bijkelk - epicalyx

bijker   bijenhouder, iemker, ijmker

bijkeuken - kooknis

bijknippen - trimmen

bijknippen van haa r - punten

bijkoetsier - palfrenier

bijkomen – herademen, inhalen, kastijden, ontwaken, straffen

bijkomend   aanvullend, accessoir, accessorisch, accidenteel, additief, additioneel, extra, intercurrent

bijkomende kosten - onkosten

bijkomende ziekte   complicatie

bijkoming - herleving

bijkomstig - accidenteel

bijkomstige bate   emolument

bijkomstigheden – accidentiën, imponderabilia

bijl   (a)aks, dissel

bijlaan   zijlaan

bijlage   aanhangsel, aanvulling, addenda, acclusum, bijvoegsel, inseraat, supplement, toelichting

bijlage achter in een boek   addenda

bijldrager (in Rome)   lictor

bijleggen - beslechten, bijdoen, goedmaken, vereffenen, uitpraten

bijlegger – bladwijzer, leeswijzer

bijlegging   beslechting, schikking, vereffening

bijleveren - bijzenden

bijlhout - walaba

bijlhouwer – timmerman

bijlichten - aflaten

bijliggend - bijgaand, ingesloten

bijligger – bijschip

bijlmes   kapmes

bijl met gekromde punt – enterbijl

bijl met twee sneden - labrys

bijloop   aanhang, gevolg

bijloper   hulp, klaploper, leerjongen, leerling, loopjongen

bijlslag - hak

bijlsteen - nephriet

bijmaag - netmaag

bij machte - capabel

bijnaam – paraselena, parhelium, spotnaam, toenaam

bijna – amper, bekant, bijkans, bijster, feitelijk, haast, nagenoeg, omtrent, ongeveer, practisch, schier, temee, temet, temets, vrijwel, welhaast, zowat

bijna alle - meest, meeste

bijna altijd - meestal, voornamelijk

bijna bloot - topless

bijna dood - halfdood

bijna gehuwde vrouw - bruid

bijna loodrecht   steil

bijna niet - kwalijk

bijna niets – kleinigheid, nauwelijks, weinig

bijna nooit   schaars, sporadisch, zelden, zeldzaam

bijna rakend   rakelings

bijna rechte sabel in Indië - golok

bijnaam - alias, epitheton, pseudoniem, spotnaam, toenaam

bijnaam van Aphrodite   Pontia

bijnaam van Apollo - Paean

bijnaam voor Artemis   Delia

bijnaam voor Athene   Palias

bijnaam van Brits soldaat - Tommy

bijnaam van Duitse keizer Frederik 1   Barbarossa

bijnaam van De Ruyter   Bestevaar, bestevaer

bijnaam van Diana   Cynthia

bijnaam van een Brits soldaat   Tommy

bijnaam van een Londenaar   cockney

bijnaam van een olifant   jumbo

bijnaam van Eisenhouwer   ike

bijnaam van Ezau   Edom

bijnaam van Frederik de Vijfde - winterkoning

bijnaam van Hecate   Trivia

bijnaam van Helius - Titan

bijnaam van Homerus - Maonides

bijnaam van Jakob   Israël

bijnaam van kantoorbediende - pennelikker

bijnaam van universiteit - Alma, Mater

bijnaam van de vroegere koning van Bohemen – winterkoning

bijnaam van een keurvorst - winterkoning

bij name - nominatimbij opslag verkopen - mijnen

bijna zwartekers - kriek

bijou - parel

bijpassen – aanzuiveren, bijbetalen, suppleren

bijplaneet   maan, satelliet, trawant, wachter

bijproduct van gasfabriek   cokes, teer

bijprodukt van petroleum - pacura

bijprijs – bonus, premie

bij raming – globaal, ongeveer

bijrijder - meerijder

bijrivier - zie zijrivier

bijrivier van de Elbe - Iser

bijscherm - cyma

bijscherpen – afpennen

bijschikkend - nevenschikkend

bijschildklier - epitheellichaampje

bijschip - bijlegger, bijligger

bijslaap – bedgenoot, coitus

bijslaapster - bedgenote, concubine

bijslag - extra, toegift, toemaat

bijslaper - bedgenoot

bijsmaak - smaakje

bijspeler - figurant

bijspringen - helpen, (onder)steunen, secoureren

bijspijkeren - bijbetalen, goedmaken, herstellen, inhalen, opknappen

bijstaan   assisteren, bijspringen, helpen, seconderen, secoureren, secunderen, sterken, (onder)steunen, stijven, subveniëren

bijstand   assistentie, heul, hulp, ministerie, onderstand (onder)steuning, raad, secours, steun, subventie, uitkering

bijstand verlenen - secunderen

bijstellen - aanpassen

bijstelling   appositie

bij stemming toeslaan   voteren

bijster - bijzonder, erg, kwijt, onbestendig, zeer, zoek

bijstorting – suppletie

bijstukken - pertinentiën

bijt   gat, lom opening, wak

bijtak - waterloot

bijtak van bergketen   uitloper

bijten   branden, happen, kluiven, knabbelen, knagen, prikkelen

bijtend   bits, bitter, caustisch, cynisch, grievend, incisief, invretend, kwetsend, onvriendelijk, prikkelend, sarcastisch, schamper, scherp, snibbig, stokend, stotend, vinnig

bijtend middel   soda, natron, pyrotica, vitriool, loogzout

bijtend scherp - mordant

bijtende oplossing   loog

bijtende opmerking   sneer

bijtende scherpte - mordaciteit

bijtende soda - loog

bijtende stof - natron, soda, vitriool

bijter - tand

bijterig - agressief

bij tijden - soms

bijtijds   tijdig, op tijd, vroeg, vroegtijdig

bijt in ijs – gat, wak

bijtitel – ondertitel

bijtmiddel - mordant



bijtmug   muskiet, mosquito, steekmug

bij toeval - onvoorzien

bijtoon – boventoon, ondertoon

bijtorgaan   gebit, kies, tand

bij tussen tijd   a.i. (ad interim)

bij uitzondering – zelden

bijtvermogen - mordacitiet

bijval – adhesie, applaus, acclamatie, goedkeuring, instemming, steun, succes, toejuiching, waardering

bijvallen - instemmen

bijvalletje - buitenkansje

bijverdienste – snabbel, schnabbel

bijverdiensten   accidentiën, emolumenten

bij vergissing – abusievelijk

bijverzoekschrift vragen - rekestreren

bijvoegen - aanvullen, adderen, toevoegen, (ver)meerderen

bijvoegend   additief

bijvoeglijk - adjectivisch

bijvoeglijk naamwoord – adjectief, bn

bijvoegsel   aanhangsel, aanvulling, aanvulsel, accessorium, addenda, appendix, bijblad, bijlage, supplement, toelichting

bijvoegsels - addenda

bij volmacht   p.p., p.o.

bij voorbaat - provisoir

bij voorbeeld   bv., bijv., e..e., e.g., p.e., p, ex, zoals

bij voorkeur – gaarne, graag, liefst, liever

bij voortduring – aldoor, almaar, nog, steeds, voortdurend

bij vordering vaststellen - reglementeren

bijvrouw van Abraham - Hagar

bijweg - zijpad

bijwagen – aanhangwagen, oplegger

bijwerken   herstellen, restaureren, retoucheren

bijwerking van een foto   retouche

bijwezen - tegenwoordigheid

bijwijlen – ongeregeld, soms, somtijds, temet

bijwinkel – filiaal

bijwinst - premie

bijwonen   beleven, meemaken

bijwoner - getuige

bijwoord  

2 af, al, er, na, nu, om, te, zo

3 aan, dan, dra, erg, hoe, mee, nog, nou, ook, tel, toe

4 alom, daar, door, ergo, eens, haar, hier, mede, nabij, ooit, open, toch, toen, weer, zeer

5 aldra, aldus, alsof, doods, edoch, eerst, elders, eraan, ereis, ertoe, evenzo, ginds, heden, immer, meest, midden, nadat, nadien, nooit, omheen, overal, reeds, sedert, sinds, temee, temet, terug, tevens, thans, weder zelden

6 achter, alevel, alsdan, ergens, gereed, ginder, gister, immers, laatst, straks, weerom, zozeer

7 alreeds, altemet, beneden, dermate, eertijds, eenmaal, nergens, onderen, onderin, telkens, vroeger, wederom

8 achteraf, andersom, desnoods, helemaal, ondereen, voorheen

9 hierboven, niettemin, voormaals, waartegen

10 allereerst, enigermate



bijwoordelijk - adverbaal

bijwoord van beweging   af

bijwoord van graad   al, bijna, erg, meer, schier, te, uiterst, veel, zeer

bijwoord van modaliteit   beslist, denkelijk, geenszins, graag, misschien, mogelijk, ongetwijfeld, stellig, toch

bijwoord van plaats   daar, er, ergens, ginds, hier, hiernaast, nergens, te

bijwoord van reden   bijgevolg, daarom, derhalve, dientengevolge, dus, hierom

bijwoord van tijd   altijd, dan, eindelijk, gisteren, laatst, later, nog, nooit, nu, ooit, soms, straks, tegelijk, telkens, toen, vaak, vandaag

bijwijlen   ongeregeld, soms, somwijlen, somwijls, temet

bij wijze van gunst - precario

bijzaken - allotria

bijzakken - bedaren, bijkomen

bijzettafeltje   bijzetje, mini, piedestal, stommeknecht

bijzetteugels - martingale

bijzetten - toevoegen

bij zich doen komen   halen, ontbieden

bijziende   kippig, kortzichtig, myoop, myopisch

bijziendheid   kippigheid, myopie, plesiopsie

bijzig - onstuimig, tochtig, winderig

bijzit - concubine, maîtresse

bijzijn   aanwezigheid, presentie, tegenwoordigheid

bijzitter   assessor

bijzon   parhelium

bijzonder   afzonderlijk, anders, apart, bovenmate, buitengewoon, eigen, eigenaardig, enorm, erg, exclusief, extra, geweldig, intens, intiem, inzonderheid, markant, merkwaardig, noemenswaard, ongewoon, onwijs, opmerkelijk, particulier, privaat, privé, raar, singulier, speciaal, supra, uiterst, uitzonderlijk, vooral, vreemd, wonderlijk, zeer, zeldzaam

bijzonder aantrekkelijk - riant

bijzonder begaafd   geniaal

bijzonder begaafd iemand - fenomeen, genie

bijzonder begaafd man   genie

bijzonder goed – prima, uitmuntend, uitnemend, uitstekend

bijzonder goed uitkomend - markant

bijzonderheid   detail, eigenaardigheid, finesse, inzonderheid, selectheid, specialiteit

bijzonder hoge mate – extreem, zeer

bijzonder lief   bloemzoet

bijzonder mooi meisje   beeld, beeldje, engel

bijzonder pauselijk gezant – ablegaat

bijzonder studievak - specialiteit

bijzonder uitkomend – markant

bijzonder vlug - overhaast

bijzonder zuur   inzuur

bijzondere aanleg - flair

bijzondere beloning – premie

bijzondere eigenschap - eigenaardigheid

bijzondere handigheid - flair



bijzondere kleding - livrei

bijzondere taalles – dictee

bijzondere naam - eigennaam

bijzondere omstandigheden - particulariteiten

bijzondere werkkamer van een minister - kabinet

bijzonderheden personen betreffende - personalia

bik   houweel, laadkraan, puin, steenafval, steengruis, steenslag,

bikhamer - kaphamer

bikkel – hieltik, hoed, kei, koot, kootbeentje, pikhouweel, stuiter, stoere knaap

bikkelbal   stuiter, speelbal

bikkelen – eten, koten, zwoegen

bikken - eten, hakken, uithakken

bikker – pooier

bikkerbal - speelbal, stuiter,

bil – dijspier, ham, hesp

bilateraal   tweezijdig

bilbord   ankervoering

bilharziosis - schistosomiasis

bilinguïsme   tweetaligheid

biljarten   stoten, queuën

biljartspel met zakken – snooker

biljartstok   keu

biljartterm   acquit, amortiseren, bandstoten, bricole, carambole, doorschieten, effect, kader, libre, massé, nastoot, piqueren, pomerans, trekbal, trekstoot

biljet – affiche, afgiftebewijs, bewijs, briefje, formulier, kaartje, lap

biljetje – kaartje

biljet van f. 10,- - joetje

biljet van f. 100,- - meier

biljet van f.25,- - geeltje

biljet van inschrijving – aannemingsbiljet

biljoenvoud - tera

billen - achterste, achterwerk, bibs, bips, kont

billenkoek – slaag

billentikker – pandjesjas, slipjas

billen van kleine kinderen - bolus



billetdoux - minnebriefje

billijk   behoorlijk, betamelijk, eerlijk, fair, fatsoenlijk (fig.), genadelijk (Z.N.), genadig, gerechtvaardigd, goed, goedkoop, handelbaar, juist, mak, moderaat, onbevooroordeeld, onpartijdig, oorbaar, raisonnabel, rechtmatig, rechtvaardig, redelijk, recht, schappelijk, schikkelijk, terecht, verstandig

billijken - goedkeuren

billijkheid – (recht)vaardigheid, redelijkheid

billijkheid in aanmerking nemende - billijkerwijs

bilnaad – perineum

bilstuk van een slachtdier - biefstuk

biltong - pemmican

bilzenkruid - dolappel, dolkruid, hyoscyamus, malkruid, malwillempjeskruid

bimbambeieren - klokgelui

bimbammen – luiden, luien

bims –bimszand, lavazand, luiden, puimsteengruis

binair   dubbel, paarsgewijs, tweedelig, tweeledig, tweevoudig

bindbalk - dwarsbalk, zolderbalk

bindbies - raffia

binde - akkerwinde

bindeenheid - katern

binden – boeien, knevelen, snoeren, strikken, vasthechten, vastmaken, verbinden

bindend   dwingend, gebiedend, imperatief, normatief

bindend meel   maizena, sago

bindend voorschrift – reglement, richtlijn, wet

bindende grondregels   axioma, principe, richtlijnen, statuten

bindende regel – wet

bindgaren - bindtouw, hennepgaren

bindhout of bindlat   klamp

binding   (gevoels)band, koppeling

, ohesie

bindlaag   rand

bindlat   klamp


1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina