Baaierd wanboel, wanorde baai in Afrika



Dovnload 1.52 Mb.
Pagina18/24
Datum22.07.2016
Grootte1.52 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   24

bindmateriaal – bandijzer, paktouw, plakband, raffia

bindmiddel – aardappelmeel, asfalt, cement, bloem, garen, gips, gom, kalk, kit, koord, kunsthars, lasso, lint, lijm, maïzena, meel, mixtion, pasta, raffia, riem, sago, singel, snelbinder, specie, tapioca, touw

bindmiddel uit zeewier - agaragar (Indon.), cement

bindmiddel voor cement – gips

bindmiddel voor naden in ijzerwerk - ijzercement

bindplaat   strip

bindsel van touwwerk - duizendpoot

bindsellijn(zeew) – beslagseizing, steeklijn

bindstok – ponderboom, weesboom,

bindstuk – klamp

bindteken – koppelteken

indvliesontsteking - conjunctivitus

bindvlies van het oog   conjunctiva

bindweefsel - collenchijm, 9parenchijm, 12steunweefsel, stroma,

bindweefselband - ligament, ligamentum

bindweefselgezwel – fibroma, fibroom

bindweefselvlies   fascia, fascie

bindweefselzakje dat het hart omsluit   pericard, pericardium, hartzakje

bindwilg - katwilg

bindwijze - oblong

bindzool   sandaal

bineren – verdubbelen

bingelkruid - smeerwortel

bink – beenkap, bonk, botterik, broekspijp, gozer, knoeier, knol, knul, lomperd, macho, man, paard, politieagent, stuk, vent, vlegel

binken - spijbelen

binnen – binnenshuis, in, inter, intern, intra (Lat), inwendig, rijk, thuis

binnenaanzicht – interieur

binnenafkomstig - endogeen

binnen afzienbare tijd – binnenkort, eerlang

binnenbekleding   voering

binnenbekleedsel – voering

binnen bepaalde grenzen beperken - begrenzen, beperken, inperken, inrijgen, insnoeren, lokaliseren

binnenbeursje – horlogezakje

binnenblad - omblad

binnenbreken - inbreken, penetreren

binnenbrengen - inhalen

binnen de cellen   intercellulair

binnendijk - dromer, slaper(dijk)

binnendijkse kolk (overgebleven na overstroming) - wiel

binnendringen – inbreken

binnendringen (het) - penetratie

binnendringer - dief, inbreker, spion

binnengaan – betreden, ingaan, inkomen, intreden, intrekken

binnengoed van sigaar   bosje, inleg

binnengrachtsboord - escarpe

binnenhalen   oogsten, inhalen, inpalmen

binnenhalen van gewas   oogsten

binnenhandvlakte - palm

binnen het bedrijf - intern

binnenhof   binnenplaats , (Spa) patio, (Vla) koer

binnenhuis   interieur

binnenin –ntern

binnenjaloezie – luxaflex, store

binnenjongen - huisknecht

binnenkleding - voering

binnenkomen - inkomen, invallen

binnenkomst   entree, inkomst, intre(de)e

binnenkoorts   sluipkoorts

binnenkort – aanstonds, alras, dra, eerdaags, eerstdaags, eerlang, gauw, ras, spoedig, strakjes, straks, weldra, welhaast,

binnen korte tijd   alras, binnenkort, dra, gauw, ras, snel, spoedig, vlug

binnenkring van een gemeente   kom

binnenlands - nationaal

binnenlandsbestuur   b. b.

binnenlandse strijdkrachten – bs

binnenleiden - inleiden, introduceren

binnenleiding   introductie

binnenloop – deur, poort

binnenoor – doolhof

binnenpad - landweggetje

binnen perken houden - inhouden

binnenplaats – binnenhof, cour (koer), patio

binnenplaneet   Aarde, Mars, Mercurius, Venus

binnenplein - atrium, binnenplaats, slotplein

binnenschip   aak, bok, botter, bijlander, duwboot, eiker, hengst, kaag, kempenaar, kog, kraag, kraak, lichter, mas, poon, praam, punter, rivierschip, schokker, schouw, snauw, snik, steilsteven, tjalk, trekschuit

binnenshuis - indoor (E), intern

binnenslaan - verorberen

binnensmonds   dof, mompelend, onduidelijk, onverstaanbaar

binnensmonds zeggen   murmelen mompelen

binnensmonds zingen   neuriën

binnensport   badminton, basketbal, volleybal, zaalhandbal, zaalsport, zaalvoetbal

binnenstad   centrum, city, kern

binnenstad (Ind.) - kota

binnenste - centrum, gemoed, geweten, hart, innerlijk, inwendige, kern, klokhuis, merg, pit, vulling, vulsel

binnenstebuiten – omgekeerd

binnenste buiten keren – omstulpen

binnenste deel   kern, merg, pit

binnenste der aarde   aardkern, magma

binnenste van bot   merg

binnenste van brood   kruim

binnenste van sigaar   inleg

binnenste van een appel - klokhuis

binnenste van een boomstam - pit

binnenste van een mens - gemoed, geweten, hart,

binnenste van een sigaar - dekblad, inleg, omblad, pop



binnenste van een vrucht - pit

binnenste van zaak   kern

binnenste vlak van een paneel - kussen

binnenstof – voering

binnenstromen - binnenglooiing, binnentalud, instromen

binnentalud van een vesting   escarpe

binnentreden – ingaan, inschrijden

binnentrekken – binnenhalen, inhalen, inhaleren

binnenvaart (soort) - duwvaart, trekvaart

binnenvaartuig   aak, eiker, hengst, kaag, rijnaak, steilsteven

binnenvaren – invaren

binnenvest - binnengracht

binnenvlakte van de hand – palm

binnenvoeren van schepen – loodsen

binnenwaard - polder

binnenwaarts – introvert, inwaarts

binnenwaarts gekeerd zijn - introversie

binnenwaarts gericht - introvert

binnenwater – boezem, kanaal, meer, plas, poldervaart, polderwater, riviertocht, sloot, trekvaart, vaart, ven, vliet, wetering

binnenwater dat als boezem dient - binnenboezem

binnenwater in heide - ven

binnenwerk – interrieur

binnenwindse zijde - lijzij, lijzijde

binnenzaal - hal

binnenzee in Europa   Kaspischezee, IJsselmeer, Zuiderzee

binnenzool - belegstuk

binnenzijde - binnenkant, innerlijk,inwendige

binocle   verrekijker, toneelkijker

binominaal - dubbelnamig, tweetermig

binomisch - tweetermig

binomium - tweeterm

bint   balk, dwarsbalk, keper, kesp, later, paal, spant

bintanker - balkanker

bintbalk – zolderbalk

biocenose - levensgemeenschap

biogene sedimenten - biolieten

biograaf   levensbeschrijver

biografie - levensbeschrijving

biografie van martelaren - martyrologie

biografisch register v/e dagblad - morgue

bio-industrie – veebedrijf, veeteelt

biokatalysator - enzym, hormoon, vitamine

biologeren - hypnotiseren, suggereren

biologie – levensleer

biologie van de akkerbodem - agrobiologie

biologie van de binnenwateren - limnologie

biologisch - natuurlijk

biologisch afbreekbaar – biogradabel

biologische term – gen

biomantie - waarzeggerij

bioscoop   bios, cinema, chineac, (film)theater, kino, theater

bioscoopbedrijf - cinema

biosfeer, deel van de - biocyclus, biotoop

biotiek - levensleer

biplane   tweedekker

bipolair - tweepolig

Birmaanse munt   kjat, pjas

Birmaanse staat   Sjan

bips – achterste, derriere, gat, kont,

bis   andermaal, encore, herhalen, nogeens, nogmaals, opnieuw, tweemaal, wederom, weer, weerom

bis roepen - bisseren

bisam   muskus

bisbillen - gehaspel, gekibbel

biscuit - kaakje, wafel(tje)

biscuitblik - koektrommel

bisdom   diocees, diocese, episcopaat, sticht

bisdom in missiegebied   vicariaat

biseksueel - amfogeen

bisette - boerenkant

biskwie - koekje

Bismarckarchipel, district van de - Manus

Bismarckbruin - fenylbruin, vesuvine

bismut – Bi, aslood, astin, spiegeltin,

bismutkoperloodsulfide - Aciculiet, patriniet

bismutoker - bismiet

bismutsulfotelluride - borniet, tetradymiet

Bissagoseilanden, een van de - Bolama

bison – buffel, karbouw, oeros, yakbizon, wisent

bisschop – kerkvoogd, pontifex, prelaat

bisschop (tot) gekozen maar nog niet gewijd - elect

bisschop der Goden   Ufilas, Wulfila

bisschop van een diocees - ordinaris

bisschop van Pergamus – Entipas

bisschoppelijk manteltje - mazet(ta)

bisschoppelijk plichtenboek - pontificatie

bisschoppelijk schrijven   mandement

bisschoppelijke brief   mandement

bisschoppelijke waardigheid – episcopaat

bisschopsgewaad – pontificaal, tabbaard, tabberd,

bisschopshoed   mijter, mitra

bisschopskleed - tunica

bisschopskruid - steeneppe

bisschopsmanteltje - camail

bisschopsmijter - infula

bisschopsmouw - gigotmouw, hammouw

bisschopmuts   olijfslak

bisschopsraad - domkapittel

bisschopsstaf – baculus, kromstaf,

bisschopsstoel - faldistorium

bisschopszetel – bema, diocees, katheder

bissectrice   deellijn, bisectrix

bisseren   herhalen

bissinge - drukte, jaarmark,t kermis

bister - roestbruin

bistouri - operatiemes, scalpel

bistro – eethuis, restaurant

bit   breidel, gebit, mondstuk

bit en leidsel   toom

bits   afgebeten, bijtend, chagrijnig, hekelig, kattig, kortaf, kribbig, luimig, narrig, nors, nuffig, nijdig, onvriendelijk, pikant, pinnig, scherp, snar, snauwachtig, snibbig, spijtig, spits, stekelig, stug, tranchant, venijnig, vinnig, vitterig, wrevelig

bits spreken – afsnauwen, blaffen, grauwen, houwen, snauwen

bits toespreken – afsnauwen, blaffen

bitsheid – scherpheid, vinnighei

bitstuk - loefhouder

bits woord - snak

bitter  alsem, bijtend, elixer, erg, gallig, grievend, hatelijk, kroppig, myrrhe, scherp, smartelijk, snerpend, spijtig, verdrietig, wrang, wrevelig, wrevelmoedig, zuur

bitterappel - bitteraugurk, kolokwint,

bitterbast - kwassiehout

bitterblad - ridderzuring

bitter bestanddeel van alsem – sinitine

bitterbloem - egelboterbloem

bitter gevoel - haat, wrok

bitter hout - quassta

bitter medicijn - kina, kinine

bitter plantesap - elixer, elixir

bitter steen - jade, nefriet

bitter vocht - alsem, azijn, elixer, gal

bittere afgunst   nijd, haat, wrok

bittere borrel - rotterdammer

bittere ernst - echt, gemeend, nadrukkelijk

bittere ervaring - alsemdronk

bittere gemoedsstemming - gal, wrevel

bittere gentiaan - amarel

bittere haat – wrok

bittere kers - tuinkers

bittere oranjeappel - pomerans

bitteren - borrelen

bitternoot - pecannoot

bittere plant   alsem

bittere scherts - galgenhumor

bittere smart – alsem

bittere spaat - dolomiet

bittere spot   hoon, sarcasme, smaad

bittere steen - jade

bittere stemming - wrevel

bittere stof – acerbiteit, alsem, amara, gal

bittere wortel - chichorei, gentiaanwortel

bitteraarde - magnesia, magnesiumoxyde

bitterappel   kolowint

bittergarnituurtje - borrelhapje

bitterglas - borrelglaasje

bitterheftig maar beheerst - verbeten

bitterheid   alsem, gal, rancune, wrevel, wrok,

bitterhout   kwassiehout

bitterkalk   dolomiet

bitterkers - sterkes, sterrekers, tuinkers

bitterklaver - waterdrieblad

bitterkoekje   makaron

bitterkruid – alsem, amarel

bitterlijk - deerlijk, erg, hevig

bitterling - chlora

bitterlijk – deerlijk, hevig,

bitter medicijn – kina, kinine

bitterpee - chichoreiwortel

bitterplant – bitterling, cichorei, waterpeper

bitterspaat - dubbelzout

bitterstof - acorine

bitterstoffen - amara

bittertje - aperitief, borrel(tje), neutje pikketanesie

bittertje (Mal.) – pait

bittertong - waterpeper

bitter vocht   alsem, azijn, elixer, gal

bittervoorn – rui

bitterwortel - chichorei, gentiaanwortel, quassia,

bitterzoet – afdrank, alfrank, dolbessenkruid, elfrank, elgjeshout, hoelangerhoeliever, hondebeishout, kersthout, kwalster, oerhout, rekop, sluchter, weerhout, walshout,

bitterzout – Epsonzout, magnesiumsulfaat

bitumen   aardolie, aardpek, asfalt, bergteer

bitumenhoudend materiaal – asfalt

bitumineus   harsachtig

bitumineus hout   ligniet

bitumineuse strijklak - enamel

bivalent   tweewaardig

bit van een paardmondstuk

bivak – kampement, legerkamp, loegerplaats, nachtleger

bivalent - tweewaardig

bizar   barok, buitennissig, gek, grillig, grotesk, nukkig, vreemd, wonderlijk, zonderling

bizarre - tijbloem

bizarrerie - grilligheid, vreemdheid

bizon   buftel, bultos, oeros, wisent

b-kruit - boniet

blaadje - foliolum

blaadje hout   fineer

blaadje metaal   blik, folie, lamel(le)

blaadje papier   ceel, vel

blaadje van bloemkroon   petaal

blaag – kind, kwajongen, rakker, rekel, snotjongen, snotneus, vlegel, wijsneus

blaai - drukte, ophef

blaaimaker - druktemaker, oproerkraaier

blaak - pips, wit(jes), walm

blaam   afkeuring, brandmerk, berisping, laak, lak, opprobatie reproche, schande, smet, verwijt, vlek

blaam verdiend - berispelijk, laakbaar

blaamloos – onberispelijk, smetteloos, zuiver

blaar   blaasje, bel, blein, bles, bloedblaar, bobbel, bulla, huidblaas, huidzwelling, klein, knobbel, knol, kol, lichtekooi (Z.N.), malloot (Z.N.), opzwelling, papula, pok, puist, veeziekte

blaarkoorts - pemflgus

blaarkop - koe

blaar of buil – bobbel

blaarschors - garoebast

blaartje – peukel

blaartrekkend gas   lewisiet

blaartrekkend middel - garoe, garve, gifgas, mosterdgas,

muurpeper



blaartrekkend poeder   cantharide

blaartrekkende boterbloem – eppe

blaartrekkende kever – oliekever

blaaruitslag - rupia

blaarvormig compartiment tegen scheepswand - bilster, bulge

blaas – adem, bel, blaar, bladder, bobbel, cyste, galblaas, kolk, luchtbel, urineblaas, vesica, zak, zwemblaas

blaasachtige zwelling van huid   blaar

blaasboom – blazenstruik, colutea

blaascatarh – cystitis

blaaserwt - hartezaad

blaasgezwel   cyste

blaashoorn   kornet

blaas in gietwerk - holte

blaasinstrument  

3 sax


4 hobo, tuba

5 aulos, bugel, fagot, fluit, hoorn, orgel

6 bazuin, cornet, kornet, piston, sjofar, toeter

7 bariton, clarino, klaroen, ocarina, piccolo, trompet

8 aërofoon, althoorn, bashoorn, klarinet, saxhoorn,

saxofoon, schalmei, trombone

9 accordeon, blokfluit, bombardon, doedelzak, harmonica, harmonium

10 alpenhoorn

11 bassethoorn

blaasinstrument voor joodse godsdienstoefening   sjofar

blaasje   bel, blaar

blaasje met, bedekt - papuleus

blaasjeskruid - lentibulariacee, urtricularia

blaasjesuitslag - herpes

blaasjes van een vloeistof - schuim

blaaskaak   bluffer, branie, karabas, opschepper, opsnijder, pocher, praalhans, snoever

blaaskaken - opsnijden, snoeven

blaaskakerij - pocherij, snorkerij

blaaskaking - bluf

blaasontsteking –blaascatarre, cystitis

blaasproef - ademtest

blaasspiegel – cytoscoop

blaaspijp - blaasroer, poester, roer

blaaspotigen - dondervliegjes

blaasrob - klapmuts

blaasspiegel - cytoscoop

blaassteek - punctie

blaassteen   graveel

blaastoestel – balg, ventilator

blaasvis - kogelvis

blaasvocht - urine

blaasworm   fin, vin

blaasworm, aan.... lijdend   garstig, gortig, vinnig

blabla – geklets, gezwam

blac-out – stoornis, vergissing

blad  avondblad, blz., boomblad, ceel, courant, dagblad, dienblad, folio, folium, humus, kaart krant, kroniek, loof, lover, magazine, orgaan, pag(ina), papier, periodiek, planteblad, schro, schrooi, tabaksblad, teelaarde, theeblad, tong (Z.N.), tijdschrift, vel

bladaaltje - draadworm

bladaarde   humus, teelaarde

bladader – bladrib, nerf

bladaderen – nervatuur

bladafdruk in stenen - biblioliet

bladbegin – knop

bladcactus - phyllocactus

bladder – blaas, verfblaasje

bladerdeegpasteitje – bouchée

bladerdek - bladeren, gebladerte, lommer, loof,lover,

bladeren van bomen - groen, lover, loof

bladerdek   bladeren, gebladerte, lommer, loof, lover

bladerloos - kaal

bladergroen   chlorofyl, chloroplast

bladerloos - kaal

bladgroente   andijvie, boerenkool, kool, namenia, postelein, prei, sla, snijbiet, spinazie, spitskool, spruitkool, veldsla, witlof

bladgoud - boekje, foelie

bladgroente - andijvie, kool, moesgroente, postelijn, raapstelen,

salade, 3sla, spinazie, warmoes



bladhoender – jacanae

bladkever - aardvlo, meikever

bladhoning - honingdauw

bladkant - marge

bladkers - goudhaan

bladkoper – koperblik, latoen

bladlitteken - bladmerk

bladlood - loodfoelie

bladmaag   boekmaag, boekpens

bladeren met rondachtige tanden - gekarteld

blad met ronde rand – lob

blad of bloemversiering - hogel

bladmetaal   blik, foelie, folie, latoen

bladmoer - vleugelmoer

bladmoes - mesofiel, parenchyn

bladmos - barbula

bladnerf   ader

bladnervenbouw - nervatuur

blad papier   vel

bladplant – klaver, sla

bladpotigen - phyllopode

bladrozet – rosula

bladrijk - frondeus

bladschijf - bladvlakte, bloemzoom, lamina, limbus,

bladschimmel - oidium

bladskelet - nervatuur

bladsnijder - behangersbij

bladspringer - cicade

bladsteel - periolus

bladstil   loofstil, windstil

bladteken   custos, custode

bladtin - foelie (spiegels), staniol, staminool, zilverpapier

bladtin bij spiegels   foelie

blad van altaar - retabel

blad van anker – hand

bladereneter - fyllofaag

bladeren van bomen - lover

blad van de N.V.S.H.   Sextant

blad van de Telegraaf   Telekleur

blad van de paardenbloem   molsla

blad van een aalbes - aalbesseblad

blad van een atlas   kaart

blad van een boek – folio, pagina

blad van een hamer - kruin

blad van een koopmansboek - folio

blad van een paardenbloem - molsla

blad van roeiriem – peddel, peel (Eng.)

blad van een schaar - wang

blad van een schroef - vleugel

blad van een sleutel - baard

blad van een varenplant - veer

bladvet van varken   reuzel

bladvezel van agave   sisal

bladvezels van een bananeboom - abaca



bladvlinder – kallima

bladvlo - psylla

bladvogel - iora

bladvorm   drietallig, drielobbig, ei, eivormig, gaafrandig, gaaf, gegolfd, gekarteld, gelobd, geschulpt, getand, geveerd, gevind, gezaagd, hand, handdelig, handlobbig, handnervig, handspletig, handvormig, hartvormig, lancet, lancetvormig, lijnvormig, naald, niervormig, pijl, pijlvormig, randig, ruit, ruitvormig, schild, schildvormig, spatel, spatelvormig, speer, spiesvormig, uitgeknaagd, veerdelig, veerlobbig, veernervig, veerspletig, voetvormig


1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina