Baaierd wanboel, wanorde baai in Afrika



Dovnload 1.52 Mb.
Pagina22/24
Datum22.07.2016
Grootte1.52 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

bolvormig dak   koepel

bolvormig lichaam - knop

bolvormig omhulsel   ballon

bolvormig voorwerp   bal, knikker, stuiter

bolvormige bacterie - kok, coccus

bolvormige driehoek - boldriehoek

bolvormige koek - oliebol

bolvormige opwelving   dome

bolvormige uitwas - knobbel

bolvormige verharding of verhevenheid   knobbel

bolvormige versiering - ponpon

bolwerk   bastion, boulevard, burcht, fort, lunet, paalwerk (zeedijk), ravalijn, redoute, reduit, rondeel, schans, vesting, versterking

bnolwerken - klaarspelen

bolwerksgordijn - courtine

bol wol – kluwen, knot

bolwolk - globule

bom - projectiel, raket

bom die niet ontploft is - blindganger

bom die op bepaalde diepte explodeert - dieptebom

bom van een vat - bommel, spon

bomaanval - bombardement, luchtaanval

bombarde   bromwerk in orgels, steengeschut

bombarderen – aanvallen, beschieten

bombardeerschip - bombarda, bombarder

bombardon - bastuba

bombarie   beweging, bombast, drukte, getier, gezwets, grootspraak, heibel, herrie, klatergoud, klink, klank, lawaai, misbaar, ophef, opschudding, poeha, sensatie, spektakel, tamtam, vertoon

bombast – bombarie, gezwollen, hol, kletskoek, larie, nonsens, retoriek, woordenpraal

bombastisch - gezwollen, hoogdravend, retorisch

bombaxachtige - adansonia, cerbo, durio, pachira

bombazijn – moleskin, pilou

bomberen - bollen, buigen, rondzetten, welven

bom die niet ontploft - blindganger

bomen – keuvelen, kletsen, redekavelen

bomen inkorten – toppen

bomen kappen – vellen

bomen merken voor de verkoop – aanbikken

bomen of vaten met brandijzer merken - ritsen

bomen omhakken – kappen, vellen

bomentuin   park

bomen veredelen – enten

bomentuin - arboretum, park, stadstuin, wildpark

bomentuin ten dienste van de wetenschap - arboretum

bomgat   galmgat, spongat

bommel – spon

bommen gooien - bombarderen

bommenwerper - bombardier

bommerd - kanjer, kokker(d)

bomvol - eivol, gortvol, overvol, propvol, stampvol

bomvrij gewelf   bunker, cazamat, kazemat, onderkomen (mik), poterne, schuilkelder

bomvrije gang – poterne

bon – afgiftebewijs, bekeuring, bewijs, cedel, ceel, kwitantie, nota, prent, reçu, teken

bonaf - goed af

bonafide – betrouwbaar, eerlijk

Bonaire, hoofdplaats van - Kralendijk

bonbon - lekkernij, praline, rumboon

bonbon waar van men het uitpakt een knal geeft – knalbonbon

bonbondoosje - bonbonnière

bonbonschaaltje - bonbonnière

bond   alliantie, club, federatie, genootschap, Hansa, Hanze, liga, genootschap, organisatie, unie, verbond, verdrag, vereniging

bond van handelssteden   Hanze, Hansa

bond van Ned. Architekten - BNA

bond van rovers op Sicilië - Maffia

bond van samenwerkende verenigingen – federatie

bond van schilders - bent



bond van verenigingen - federatie

bondboek - Pentateuch, O.T.

bondel – bundel, spon

bondgenoot   alliance, alliantie, geallieerde, helper, medestander, statenbond

bondgenoot bij ede - eedgenoot

bondgenoot (Lat.) - socius

bondgenootschap   alliantie, combinatie, federatie ,statenbond, Zwitserse kantons

bondgenootschappelijk – federaal, federatief

bondgenoten – geallieerden

bondgenoten (Lat.) - socii

bondig   afdoende, beknopt, concies, degelijk, deugdelijk, duurzaam, essentieel, essentioneel, geserreerd, gewichtig, ingrijpend, kernachtig, klemmend, kort, kortaf, krachtig, lapide, leerrijk, pittig, samenhangend, sententieus, solide, stringent, summair, summier, vast, zaakrijk, zakelijk

bondigheid - afdoendheid, beknoptheid, concisie, degelijkheid, gespierdheid, kracht, zakelijk, zaaklijkheid,

bondsbesluurlijk stelsel - federalisme

bondskist – ark

bondsrepubliek - Duitsland

bondsvolk - Israël

bonen afhalen – repen

bonenbrood - driekoningenbrood

bonenhotel (barg.) - gevangenis

bonenkruid   keule, keune kruin, kuun

bonenland - boonakker

bonensoort - duivelbonen, paardebonen, pronkbonen, pronkers, pronksnijbonen, slabonen, spekbonen, (spek)snijbonen, sperziebonen, stam(sla)bonen, stok(sla)bonen, tuinbonen, veldbonen

bonenstaak – slungel, klimstok

bonenveld - boonakker

bonenziekte - roest

bonetvis - boniet

bong - fuik

bongel – knuppel, latierboom, pummel

bonhomie   jovialiteit

bonificatie   schadeloosstelling, vergoeding

bongerd - boomgaard

bonheur - salonkastje

bonhomie - jovialiteit

bonhomme - goedaardigheid, goedigheid, goedzak, gulhartigheid, hartelijkheid, jovialiteit, vriendelijkheid

boni – batig, slot

boniet - albikoor

bonificatie – schadeloosstelling, vergoeding

bonificeren – schadeloosstellen, vergoeden

bonis   gegoed, toeslag, welgesteld

bonje - herrie, hot, ruzie, twist,

bonjour – gegroet, goedendag

bonjouren - wuiven

bonk   been, blok, bonk, bot, brok, kerel, klomp, klont, kluif, knok, knol, knook, knort, lomperd, schink, schonk, stuk

bonkaarde - bonksel

bonken – beuken, bonzen, kloppen, rammeien, slaan, stompen,

stoten


bonker – jekker, overjas, zeemansjas, veenarbeider

bonket - banket, bolket, bonker, stuiter

bonkig - benig, schonkig

bonmarché – goedkoop

bon-mot - kwinkslag

bonne – dienstmeisje, kinderjuffrouw, kindermeisje, nurse

bonnet - muts

bon of factuur - nota

bons   dreun, klop, partijleider, plof, schok, slag, smak, val

bont – afwisselend, allerlei, boa, dierenvel, erg, fleurig, gemengd, gespikkeld, gestreept, gevlekt, gortig, halskraag, kleurig, kleurrijk, luchtig, multicolor, opzichtig, pelterij, pels, pelswerk, polychroom, seal, veelkleurig, versicolor

bont en blauw slaan – aftuigen

bont gedrukt katoen - sits

bont gekleurd kerngesteente – graniet

bont gekleurde dagvlinder – schoenlapper, schoenmaker

bont gekleurde edelsteen - toermalijn

bont van Amerikaanse bunzing   skunk

bont van mongoolse lammeren - mongoline

bont wollen weefsel - kelim

bontbek pluvier - goudkieviet, goudpluvier

bontjas – pels(jas)

bonte kraai - schierroek

bonte maki – vari

bonte mengeling - mozaïek, staalkaart

bonte piet – scholekster

bonte vogel - ara (papegaai)

bonte wilster - pluvier, zilverpluvier

bonten muts   kapoets, karpoets

bontgekleurde nachtvlinder - oleander, pijlstaart

bontjas   pels

bontjas der Finse soldaten - peski

bontkleurig maken - bigarreren

bontkoperwerk - borniet

bontmanteltje - palatine

bondmuts – sjapka

bontpaard - agaattijger



bontsjaal – boa, stola

bontsoort   boa, lam, mol, vos

4 kalf, mink, seal, vair

5 bever, bisam, iltis, konijn, nerts, otter, sabel, skunk,

yemen


6 marter, mouton, murmel, nutria, ocelot, veulen

7 bunzing, caracul, genotte, hamster, karakul,krimmer, opossum,

poolvos, roodvos, wasbeer, zeehond

8 antiloop, astrakan, beverlam, beverrat, blauwvos, eekhoorn, exotique, hermelijn, karakool, kolinsky, robbevel, sealskin, sobelfee, zeeotter

9 biberette, chevrette, fiberette, mongoline, persianer,

petit-gris, sabelbont, whitecoat, zilvervos

10 chinchilla

11 breitschwanz, seal-electric



bon-vivant - losbol, pretmaker

bonttor - spektor

bontwerk   boa, pelterij, skunk, vos

bontwinkel - pelleterie

bonus   gratificatie, extraatje, korting, premie, toegift, winstuitkering

bonzen – beuken, bommen, bonken, dreunen, galmen, jagen, kloppen

boodschap   ambassade, bericht, brief, commissie, evangelie, inkoop, kennisgeving, konde, kondschap, last, mare, mededeling, melding, message, opdracht, tijding, taak, telegram, verklaring

boodschappen - berichten, melden, overbrengen

boodschappen doen - winkelen

boodschappentas   karbies

boodschapper   bode, expresse, Hermes,koerier, kruier, ordenans, profeet, Messias, verkondiger

boodschapper der goden - Hermes, Mercurius

boodschapper in het leger - ordonnans

boodschapper van God - Gabriël

boodschapster - koerierster

boog   absis, arc, arcus, armborst, bocht, curve, erepoort, gewelf, graadboog, kromming, ogief, overspanning, paander, poort, regenboog, schiettuig, schietwapen, strek (bouwkunde), uitspansel, verwelf, wapen

boogbal - lob

boog of welving - ronding

boog van een gewelf – draagbalk, ogief, toog

boog van ijf- of taxushout - ijfel

boog voorzien van hor. welflijn – boogbord, strek, tangentbord

boogbrug - viaduct

boogfries - boogtafel,

booggang   berceau, pergola

booggang met loof overdekt in tuinen - pergola

booggewelf   arcade

booggewijze opgaande randen boven dakschilden – aandak

booghout - ahorn, esdoren

boog houtboom - haagbeuk

boogkrab - steeloog

booglamp - koolspits

booglamp met ultraviolette, stralen - hoogtezon

boogschutter   Sagittarius

boogsprong - courbette

boogtrommel   timpaan

boogveld - timpaan

boogvenster   boograam

boogvormen - ezelsrug, hoefijzerboog, klokboog, korfboog, 10 lancetboog, rondboog, spitsboog, steekboog, tudorboog

boogvormig - 5ovaal, rond

boogvormig bot - rib, ribbe

boogvormig overhangend van

bloemen

8knikkend



boogvormige doorgang   pergola, poort

boogvormige insnijding – holte

boogwelving - archivolt

boogzaag – amputatiezaag, spanzaag

boogzaag   amputatie zaag, spanzaag

bookmaker – totalisator

boom   balk, mast, paal, zie bomen

boom - gezwel, hause, koersstijging, poliep, uitwas

boom des doods - taxus(boom)

boom des levens – sumakboom

boom in het oude volksleven - linde

boom op Java   rasamala

boom met luchtwortels   waringin

boom steunend op luchtwortels - waringin

boom uit Amerika en Z. Azië – tamarinde

boom uit de familie der peulgewassen - dadap

boom uit Syrië   ceder

boom uit de Libanon   ceder

boom van een ladder - traam

boom van het volksleven - linde

boom voor pijlengif – upasboom

boom waaruit welriekende, hars of skyrase vloeit - amberboom

boomachtige struik - heester

boomarm gebied - savanne



boombast   schors, schinde

boombast als verpakking - seroen

boombeschrijver - dendrograaf

boombeschrijving   dendrografie

boombewoner – arboricool

boomduif - houtduif, ringduif

boomezel – mallejan, oets

boomgaard   bogerd, bogaard, bongerd

boomhagedis – basilisk, fabeldier, leguaan

boomhagedisje (Z.A.) - basilisk

boomkangoeroe - dendrolagus



boomkant   boskant

boomkever - houtbokje, meikever, molenaar

boomkikvors - haagpuit

boomklever - blauwspecht, brabander, klimvogel, spechtmees

boomkrekel - cicade

boomkruiper - klampvogel

boomkunde   dendrologie

boomknoest   boomkwast, knoop

boomkweekkunst - arboricultuur

boomkwekerij - arboretum, nterij, enthof, pépinière

boomloos landschap - steppe

boomloot   ent

boomloze hoogvlakte (Skand.)   Fjeld

boomloze vlakte   bamba, llano, pampa, poesta, prairie, savanne, steppe

boomloze hoogvlakte in de Andes - poena

boomloze vlakte in Z. Amerika   liano, pampa, poesta, steppe

boomloze mosvlakte – toendra

boomloze vlakte Z.Amerika - llano, pampa

boommarter - edelmarter

boommees - boomklever

boommes - haalmes

boommeter   dendrometer

boom met sterk riekende bloemen - linde

boommiereneter   tamandoea

boommus - ringmus

boomnimf   (hama)dryade

boomolie – klapperolie, olijfolie, slaolie

boompalm - buksboom

boom parasiet - maretak, mistletoe, vogellijm

boompollen   A. P.

boomring - jaarring

boomschacht - blok

boomscheut – ent, loot, lot, poot, spruit, tak

boomscheutje – telg

boomschimmel - els, es, esdoorn, esp, garoe, gebang, hazelaar, iep, laris, linde, lork, olm, olijf, palm, plataan, popel, populier, stuifmos, tamarinde, waringin,wilg



boomschors   bast, eek

boomslag – paardenpoot

boomsoort - loofboom

boomspecht - boomhakker

boomstam   balk, mast, paal, schacht

boomstam (zonder wortels top en takken) - dolk(bink)

boomstek – telg

boomsteppe - savanne

boomstomp – hach, stob(be), stomp, stronk

boomstronk   knar, stobbe, tronk

boomtak   branke, ent, rijs

boomtop – kruin

boomtuin - boomgaard

boomtijger – nevelpanter

boomuitwas - hardigheid (in hout), knoest, 5kwast

boomvalk – bailler

boomvarens - cycadofilices

boomveil - eiloof, iefte, klimop

boomveller - houthakker

boomvrucht  appel, banaan, beukennoot, citroen, cocosnoot, dadel, denappel, doeren, eikel, kastanje, kers, klappernoot, manga, mispel, morel, noot, okkernoot, peer, pisang, pruim, sawoe, sinaasappel, sparappel, vijg,

boom waarvan pijlengif wordt gemaakt – upasboom

boomwagen – mallejan, oets

boomweefsel   bast, floëem, hout, kurk, schors, xyleem

boomwol   kapok, katoen, zaadpluis

boomwortel - stronk

boomzij - bombazijn

boon – peul

boonboom - acacia, goudenregen

boonerwt – dopboon

boonkoek - driekoningenbrood

boonvormige klier   nier

boor   aardboor, avegaar, bomboor, borium, centerboor, dril, drukboor, eensnitboor, effer, egger, effer, fret, grondboor, holboor, klepboor, lepelboor, moerboor, nagelboor, navegaar, slagboor, veenboor

boor met dwarsstang - avegaar, effer, egger, navegaar

boor met holle cilinder - puls

boor voor grote gaten - centerboor

booras   boorspil

boorbeitel - bit

boorbok - boortoren

boorbuis – casing

boorcilinder - puls

boord - belegsel (hals) kraag, col, kant, kraag, oever, omtrek, omzetsel, rand, richel, scheepswand, wal, waterkant, zoom

boord aan de leizijde - leiboord

boord van een rivier - oever

boord van een stroom - oever

boord van een toga - bef

boorden - (om)zomen

boordevol – eivol, propvol, stampvol, tjokvol

boordjournaal - logboek

boordsel - agrement, belegsel, bies, fabbala, franje, galon, garneersel, koord, lint, paspel, passement, passepoil, shenille, tres

boordsel aan de rand van zeil   lijk

boordtelegraaf – navigator

boordtelegrafist - marconist, radiotelegrafist

boord van een overhemd - manchet

boord van kleding – rand

boordwerktuigkundige – boordwever, mechanicien

boordwever - passementwever

booreiland - platvorm

boorgruis   boorsel

boorijzer   dril, boor, drilboor

boorinstallatie, deel van een - boortafel, kelly, kroontafel, slikpomp, slikseperator, sliktank, spoelkop, takelblok , toren



boorkever - tikker

boor met dwarsstang   avegaar

boor met holle cilinder   puls

boorschaaf - sponningsschaaf

boorschelpdier - paalworm, steenboorder

boorspil - booras

boorstaal   boorijzer

boort - diamantafval

boortoren - pyloon

boor voor grote gaten   centerboor

boorworm   paalworm

boorwortel - zuigwortel

boorzure soda - borak, borax

boorzuur – boraxzuur, sassoline

boorzuur, zoet van - boraat

boos – aangebrand, aangeslagen, arg, bits, boosaardig, dol, drammoedig, duivels, erg, fel, gebelgd, gebeten, geergerd, geïndigneerd gepikeerd, geprikkeld, geraakt, gevaarlijk, giftig, gramstorig, grimmig, hellig, hels, krachtig, kregel, krieuwelig, kwaad(aardig), lelijk, misnoegd, nors, nijdig, onstuimig, ontstemd, ontsticht, razend, sacherijnig, serpentig, slecht, snauwachtig, snood, snoodaard, toornig, venijnig, verbolgen, verderfelijk, verdorven, vergramd, verstoord, vertoornd, verwoed, vilein, vinnig, vreeswekkend, woedend, woest, wrevelig, zondig,

zorgelijk



boosaardig – arglistig - boos, duivels, gemeen, geniepig, hatelijk, infernaal, kwaad, kwaadaardig, kwaadwillig, kwelziek, malicieus,

misdadig, nijdig, sadistisch, sarrig, schrander, serpentig, slecht, snood, stug, tergziek, venijnig, verderflijk, virulent, vijandig, verderfelijk, verdorven



boosaardig en pinnig - venijnig

boosaardigheid – venijn

boosaardig instinct – kwaadwillig, misdadig, slechtheid, vals, wraaklust

boosaardig plezier   leedvermaak

boosaardige aanval   aanranding

boosaardige vrouw   carogne, feeks, furie, heks, helleveeg, karonje, megera prij, tang, xantippe

boosaardige watergeest – nikker, nix, nixe

boosaardigheid - arglistigheid, malice, venijn

boos, hard man   Nabal

boosdoener   aanrander, boef, booswicht, deugniet, dief, galgenbrok, inbreker, misdadiger, onverlaat, schavuit, schelm, schurk, snoodaard, zondaar

boosheid   gramschap, grimmigheid, kwaadheid, nijd, ontstemming, onverlaat, schurk, slechtheid, snoodaard, toom, verdorvenheid, woede

boos kind - dierage

boos maken – indisponeren, irriteren, pesten, plagen, tergen, treiteren

boos van opzet – arglistig, baldadigheid, moedwillig

booswicht – aterling, boosdoener, bram, deugniet, ètre, guit, hellebrok, hellekind, helleking, Ixion (mythe), misdadiger, naarling, onverlaat, prikkelen, schurk, snoodaard

boos wijf - feeks, prij, tang, xantippe

boot   aak, ark, bark, boeier, botter, coaster, fregat, galjoen, giek, gondel, jacht, jol, jonk, kaan, kano, kogge, korvet, kotter, kruiser, logger, monitor, m.s., praam, prauw, punter, roeiboot, schip, schuit, sleper, sloep, s.s.,stomer, tanker, trawler, tjalk, tjotter, trawler, vlet, zie vaartuigen

bootafhouder - luiaard, lijntrekker, uitsteller

boot der Argonauten   argo

boot die 's nachts vertrekt - nachtboot

boot in Lapland - eka

boot met plat dek - schietschouw, schietschuit

boot van bosnegers - korjaal

boot van een uitgeholde boomstam - korjaal

boot voor beugvisserij - nap

boot voor olievervoer - tanker

bootafhouder – lijntrekker

bootje   kano, pont, prauw, sloep

bootschaar - haarblok, haarsplt

bootsen – modelleren, naäpen, nabootsen, nadoen

bootsgezel - matroos, varensgezel

bootsman – boots, reepgast, schepeling, varensgezel

bootsmannetje - waterwants

bootsmansmaat - onderbootsman

boottocht per luxeboot - cruise

boot van bosnegers – korjaal

bootvolk - bemanning,matrozen

bootwerker – dokwerker, havenarbeider

bora - valwind

bora, kleine - borino

Bora Bora, hoofdstad van - Vaitape

boraginacee - borago, echium, heliotroop, hondstong, lappula, ossentong, parelzaad, scherpkruid, wasbloem

borat   brat, sajet(garen), stopsajet

borax - natriumzout

boraxzuur   boorzuur

bord – aanplakbord, berd, bred, dambord, eetschotel, etensbord, ganzenbord, plaat, plank, schaakbord, schoolbord, soepbord, teiloor, teljoor (Z.N.), uithangbord, verkeersbord


1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina