Baaierd wanboel, wanorde baai in Afrika



Dovnload 1.52 Mb.
Pagina23/24
Datum22.07.2016
Grootte1.52 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

bord van een waterrad - schoep

bordeauxwijn - medoc

bordeel – erocentrum, hoerenkast, hoerhuis, kot, lupanarium, ontuchthuis, sexhuis

bordeelhouder - hoerenwaard

bordenwasser – casseroller, teljoorlikker

bordenwisser - afwasborstel

border   bloembed, perk, perron, rabat, rand, zoom

borderel   ceel, lijst, staat

borderen - omzomen

bordes   estrade, laadvloer, opstap, palier, palter, perron, platvorm, pui, stoep, stoepportaal, stijger, vloertje

bordes in station - perron

bord eten - maal

bordnet   planknet, schrobnet

bordpapier   ganzenbord, karton, kartonpapier, pergument, scrabble, strobord(papier), strokarton, turfkarton

bordspel - bingo, damspel, ganzenbord, go, gobang, halma, lotto, monopoly,schaak, schaken, scrabble, stratego

borduren – handwerken, naaldwerken, opsmukken, overdrijven, stikken

borduurgaas   canvas, ètamine, stramien

borduurgerei - merklap

borduurketting - cantille

borduuroefening   merklap

borduurraam - tamboerijn, tamboereerraam

borduurrand - feston

borduursel   agrement, borduurwerk, broderie, tres, passement, pointlace, verdichtsel, (lintvlechtwerk), verdichtsel, versiersel

borduursteek – festonneersteek, festonsteek, kettingsteek, kruissteek, platsteek

borduurtechniek - festonneren

borduurwerk   broderie, merklap

boreaal   arctisch, noordelijk

boreling - baby, zuigeling

boren – drillen, pulsen, steken

boren door de hersenpan - trepaneren

borend vuur - plongeervuur

borg   cautie, cavant, garant, garantie, (onder)pand, sponsor, waarborg , zekerheid

borg blijven   caveren, goedspreken, instaan, responderen

borg voor emigranten - sponsor

borg zijn - instaan

borgen – beren, beveiligen, krediet geven, lenen, waarborgen

borgpen - contrapen

borgsom – cautie, onderpand

borgspreking – borgtocht, cautie

borgstaan – instaan

borgstellen – cautioneren, garanderen, waarborgen

borgsteller - borger

borgstelling - borgtocht, cautie, garantie, impegno, obligo, vadimonium, verpanding, zekerheid

borgtekening op wissel   aval

borgtocht   aval, cautie, delcredere, evictie, garantie, impegno, onderpand, vadimonium, waarborg(som)

boring – kaliber

borium - IB.

Borneo - Kalimantan, Sarawak

Borneo, deel van - Brunei, Kalimantan, Sabah, Sarawak

Borneo, rivier op - Barito, Busang, Kajan, Kapuas, Makahan, Murung

Borneo , stad op - zie stad op Borneo

Borneo, sultanaat op - Brunei

Borneo, volk op - Bajao, Dajaks

born   bron, bronwater

bornen   opborrelen, opwellen

borneren - afpalen, begrenzen, bespreken

bornput - welput

bornwater - bronwater

borocalciet - bechiliet

boronatrocalciet - ulexiet

bornput   welput

bornwater   bronwater

borrel – afzakkertje, aperatief, dikkop, drupje, drup(pel), gasbel, glaasje, hassebasje, jajem(barg.), jenever, jonge, klare, keiltje, kleintje, lel, neut(je), oorlam, opkikkertje, ouwe, part, propje, slaapmuts, slikje, slokje, snaps, spaan, spatje, taaie, tikkertje, waterbobbel

borrelen   babbelen, bitteren, bobbelen, drinken, nippen, opwellen

borrelpraat   dronkemanspraat, kletspraat, onzin

borreltje - bittertje

borreltje vóór het eten - aperitief

borreltje - (Mal.) - pait

borst - boezem, gezel, jongeman, maat, thorax

borstbeeld   buste, torso

borstbeen – rib, sternum

borstbeenklier - thymus(klier), zwezerik

borstbeklemming - astma

borstbes – jujube

borstbeschermer - kuras, plastron, steekblad

borstbescherming (schermen)   plastron

borstel   boender, haarborstel, kleerborstel, kwast, lola, ragebol, schuier, stoffer, vege,r werkborstel

borstel (Fr.) – brosse

borsteldier - egel, stekelvarken, zwijn

borstelen - bakkeleien, rossen, schoonmaken, schuieren, strubben, vechten

borstelgordeldier - peludo

borstelgras   nardus

borstelig   behaard, hang, ruig(harig), ruig, rul, ruw, stekelig

borstelig zoogdier   egel, ever, stekelvarken

borstelworm - aardworm, duizendpoot, regenworm, zeemuis, zeepier, zeepiet

borsten - boezem

borsthanger - pendentief

borstharnas   kuras, pantser

borsthoedje - zuigglas

borstkas – ribbenkast, thorax

borstkind - baby, boreling, zuigeling

borstklier van een kalf - zwezerik

borstklierader - melkgang

borstklierontsteking - mastitis

borstklier van een kalf   zwezerik

borstklontjes   kandij

borstmiddel - pectoraal

borstnaad - postuurnaad

borstpijn   sternalgie

borstplaat   kurasplaat

borstrok – hemdrok, kamizool, wolletje

borstspeldje   broche, doekspeld

borststem - falset

borststrook van een overhemd - jabot

borststuk – pectorale, plastron

borst, van de... nemen   spenen

borstversiering - pectorale

borstvlies   pleura

borstvliesontsteking   pleuritis, pleuresie

borstvliesoperatie – pleurotomie

borstwsaterzucht - hydrothorax

borstwering   balustrade, epaulement, kooromgang, kring, leuning, loopgraaf, parapet, rand, rempart, tinne, torenomgang trans, verschansing, vestingwal, weergang

borstzuur - boorzuur

bort - boor(t)s, cholerine

bos   bos, boeket, bundel, buidel, dot, foreest, geboomte, hout, jungle, kluwen, knot, kuif, loo, maquis, oerwoud, pak, panache, pluimbos, pluk, rimboe, ris, tas, toef, tros, tuil(tje), veerbos, woud

bos bij Breda - Liesbos

bos bijeen gebonden bloemen - ruiker

bos bloemen - ruiker

bos hakhout - schaarbos

bos met dicht struikgewas - jungle, maquis, oerwoud

bos riet of stro voor dakbedekking - glei



bos van rijshout - griend

bos aanwas   boomgroei

bosachtig - boomrijk

bosantilope - bongo

bosbeheerder - houtvester

bosbes - blauwbes, bleek, braam, klokkebei, kraakbes, nunbes, rijstbes, veenbes, vossebes, waldbeer, waterbes

bos bloemen – boeket, ruiker

bosbloem   anemoon, speenkruid

bosbouw - sylvicultuur

bosdruif - heggenrank

bosduif - houtduif, ringduif, tortel, valduif(Z.N.), woudduif

bosduivel - mandril

bosgang   tra

bosgewas   bosbes, varen

bosgod   faun(us), pan, sater, satyr, sylvanus

bosgod met herdersfluit - Pan

bosgodin - nimf

bos haar – dos

boshoen - auerhaan, korhoen, sneeuwhoen

bos in samenstelling - Lo(o)

bosje - bos, dot, kluwentje, knot, kuif, plok, pluk, toef

bosje haar – boeket, bundeltje, dot, krul, lok, plukje, staart, struik, tuil(tje), vlecht

bosje haar in de nek - staart

bosje planten - pol

bosje reigerveren – aigrette, eigrette,

bosje rijshout – gard, griend

bosjes - struweel

bosje samenhangende planten   pol

bosje stro - strowis

bosje wol - knot

boskat   serval

boskant   rand, zoom

boskar - blokwagen, mallejan, oets

boskat - serval

boskever – schallebijter

boskip - ajamalas, berkhoen, korhaan, korhen, korhoen, moerhoen

bos landschap (in Noord Z.) Amerika   savanne

bosmens - chimpansee, orang-oetang

bos met dicht struikgewas - jungle, maquis, oerwoud

bosneger in Suriname   dryade, marron

bosnimf   bosgodin, Betty , diade

bosolifant – rondoor

bosplant - angelica, engelwortel

bosplanten – nemorosen

bosproduct   hout, rotan, rottan, rubber

bos met dicht struikgewas   jungle, maquis, oerwoud

bosrank - clematis, meelbloem

bosrietzanger - wilgensijsje

bos rijshout - wiep

bosruiter - snip

bosseerder - collectant

bosseren - boucharderen, collecteren, kollekteren, spitsen

bosspin - vogelspin

bosspook - pontianak

bos van rijshout   griend

bostel - (bier)draf, spoeling

bostijloos - sleutelbloem

bosvink   kwaker

bos vlasstengels - boot

bosvogel   ekster, gaai, houtduif, houtsnip, specht

bosvrucht - nraam

boswachter – houtvester, koddebeier, ranger,schut, vorster

boswachterij - houtvesterij

bosweide – laar, savanne

boswinde - kamperfoelie

boszanger   fitis, fluiter, tjiftjaf

bot – afgestompt, been, geraamte, gebeente, grof, hardleers, knekel, knook, kortaf, onbehouwen, onbeleefd, onbeschaafd, ongemanierd, onscherp, onvriendelijk, ploertig, plomp, rib, stomp, tactloos, uitspruitsel, wervel, zuur

bot   been, bonk, dom, ellepijp, gebeente, geraamte, heup, knekel, knok, knop, knook, lomp, obtuus, onbehouwen, onbeleefd, onderarmbeen, onscherp, onverwachts, platvis, plomp(weg), plotseling, rib, schenkel, schonk, schouderbeen, scok (Z.N.), slee, sleeuw, sleutelbeen,stomp, stoot (Z.N.), stupide, touwtje, uitspruitsel, wervelbeen, ijlbot

bot aan beide zijde donker - kol

bot vangen - slip

botaf - beslist, kortaf, plompverloren, plompweg

botanica - botanie, plantkunde

botanicus   plantkundige

botanie – plantkunde

botanisch - plantkundig

botanische tuin - hortus

botanist - plantenkenner

botenbaas - besteker

botenbergplaats   boothuis

boterazijnzuur - Propionzuur

boterbloem   egelkolen (gr), hanevoeten, hanepoten, ranonkel, veldbloem

boterbloemachtige waterplant   dotterbloem

boterbrief - belastingbiljet, rekening

boterbriefje – trouwakte

boter bij de vis - cash, contant, kontant

boteren   besmeren, gedijen, gelukken, karnen, klikken, slagen, vlotten

boterham - broodmaaltijd, brugge, keg, sandwichsnee, stuit

boterhambeleg - (appel)stroop, chocopasta, ei, gelei, honing, jam, kaas, leverkaas, leverpastei, marmelade, omelet, pindakaas, suiker, vlees, worst

boterhammenzak - knik

boterham met roggebrood en kaas   housnip

boterkapel – knollenwitje, koolwitje

boterkuip   karn (ton), boterton

boterland - wolkenformatie

boterletter - banketletter

boter maken - karnen

botermaker   karner

botermelk - karnemelk

boterolie   bakolie

botersaus (Fr.) – blanche

boterspeet - boterspaan

boterstof – butyrine

boterstok - karnpols

boterton   karn, karnton

botervat – boterton, botervlinder, broodje (van bladerdeeg)

botheid   domheid, stommiteit, stupiditeit

bothol – watervenkel

botontkalking - osteoporose

botpikker - bloedvink, dikbek,



botridie - fyllidium

botrioliet - datoliet

bots   schok, slag, stoot, weerstuit

botsen   aanbonzen, aanrijden, aanvaren, collideren, klotsen, rammen, stoten, stuiten, totteren

botsing – aanrijding, aanvaring, collisie, conflict, crash, gevecht, ongeluk, oorlog, schok, stoot, strijd, treinbotsing, (verkeers)ongeluk

botsing der meningen   conflict

botsing met schepen - aanvaring

Botswana, bevolkingsgroep in - Bakgatla, Bakwena, Bamalete, Bamangwato, Bangwaketse, Barolong, Batawana, Batlokwa

Botswana, eerste president van - Khama

Botswana, hoofdstad van - Gaberones

botte - bierkan

botte gewoonte - sleur

bottel - fles

bottelarij - wijnmakerij

bottelier – hofmeester, keldermeester, wijnmaker

Botteloef – loefboom

bottelroos – egelantier, hondsroos

botten - uitspruiten

botte ontkenning - nee

botten – beenderen, knoppen, weerkaatsen

botterik   bink, boer, botmuil, domkop, domoor, hufter, kinkel, loeres, loer, lomperd, stommeling, stommerd, stompzinnige

bottig – schonkig

bottine – knooplaars, rijglaars

bottleneck   flessenhals, knelpunt

botvieren   inwilligen, toegeven, uitleven

bot voor de hond - kluif

botweg   kortweg, onverholen, onvoorziens, openhartig, plomp, plompweg, plotseling, resoluut, ronduit, ruw

boucharderen - bosseren, grotten, spitsen, stokken

boud   dapper, driest, ferm, flink, gedurfd, heldhaftig, koen, moedig, onverschrokken, onversaagd, onvervaard, sterk, stoer, (stout)moedig, term

bouderen   mokken, pruilen

boudweg - onbevreesd, ronduit, stout, zomaar

bouffon – grappenmakerij, hansworst, potsenmaker

bougie – kaars, vonker, vonkbrug

bouillabaisse - bouilloire (Fr.), bouilloire (Fr.), schenkketel, theeketel, vissoep

bouillon – aftreksel, aspic, beeftea, consommé, goud(zilver)draadrol, maggi, vleesextract, vleesnat

bouillon van schapenvlees - weernat

boulangeriet - jamesoniet, plumosiet

boulevardblad - roddelkrant, schandaalkrantje

boulevardier - flaneur

bouquet – ruiker, tuil

bourdon   basenaar, luidklok

bourgeois - (klein)burgerlijk

bourgeoisie - burgerij



bourgognewijn   beaujolais, brouilly, chablis, Chambertin, chassagne, Beaujolais, chenas, Chassagno, fleurie, fuissé, juliènas, Mâcon, Meursault, morgon, Montrachet, Pommard, pouilly, vergisson

bout – achterpoot, duivelstoejager eendvogel, ham, hartje, klink, klinknagel, kluif, liefste, nagel, pen, pin, plug, politieagent (barg.), schatje, schroef, sluitboom, soldeerijzer, staafnagel, staaf (ijzer), spie, stang, strijkijzer, poot, vogelgebraad, voorpoot,

bout waarop iets ronddraait - pin

boutade   gril, saillie, uitval

boutig - aanvallig, mollig

bouton –knoopje, (sier)knop

boutschutter – eendenjager

bouvier - koehond

bouw   bahoe, bouwland, bouwtrant, constructie, frame, geraamte, gestel, hol, maaksel, nest, net, oogst, opbouw, oppervlakte, organisme, structuur, textuur, welving

bouwaarde - humus

bouwakker - enk

bouwakker waarop men producten voor eigen gebruik teelt – kostgrond

bouwarbeider - bouwvakker, metselaar, stukadoor, tegelzetter,

timmerman



bouwbaas – uitvoerder

bouwbenodigdheden - bouwmaterialen

bouwbij - waszweetster

bouwdeel - element

bouwen   bewerken, construeren, kweken, maken, oprichten, samenstellen, stichten, vesten, vestigen, zetten

bouwer   aannemer, architect, constructeur, maker, oprichter, ploeger, stichter, uitvoerder

bouwer van een houten paard – Epeus

bouwer v/e bekende toren in Parijs - Eiffel

bouwer van labyrint   Daedalus

bouwerij - boerderij, bouw, bouwbedrijf, landbouw, pachthoeve

bouwfeest – oogstfeest

bouwheer - principaal

bouwheer van het heelal - Schepper

bouwkarton   bouwplaat

bouwkundig - architectonisch

bouwkundig Ingenieur   b.i.

bouwkundig model - holmal, maquette

bouwkundig ontwerper – architect

bouwkundig ornament - holm

bouwkundige   aannemer, architect

bouwkundige versiering – architraaf, eierlijst, 9eierstaaf, fries, , kapiteel, kornis, sokkel, zuil (dorisch, Ionisch),

bouwkunst - architectuur

bouwkunstenaar - architect

bouwkunstig   architectonisch

bouwland   akker, dries, eng, enk, es, farm, goed, griend, ink, korenland, kouter, 7kwekerij, land, landouw, plantage, roggeveld, veld, valg

bouwland bij een dorp – enk

bouwland in Indonesië - sawah(nat), tegalan (droog)

bouwland ontlasten van overtollig water - draineren

bouwlieden - metselaars, timmerlui

bouwman - boer, landbouwer, landman

bouwmanswoning – boerenwoning, boerderij, hoeve

bouwmateriaal   baksteen, beton, board, cement, hout, kalk, mortel, specie, steen, tegel, tras

bouwmeester   architect

bouwmeester onder de dieren - bever

bouwmeester van labyrint – Daedalus

bouwmeester van het rijksmuseum - Cuypers

bouwmeester van Troje - Laomedoon

bouwmeester (Gr.) – tekton

bouwopzichter - erfscheider, rooimeester

bouworde   bouwstijl, model, stijl, wijze

bouwplaats - boerderij

bouwplaats voor schepen   helling, werf

bouwplan   bestek

bouwschets - trace

bouwsel als eerbewijs - erepost

bouwsteen   tuf, tufsteen

bouwsteen van een molecuul - atoom

bouwsteiger   stellage, stelling

bouwstelling - steiger, stellage

bouwstijl   architectuur, barok, classicisme, dorisch, got(h)iek, ionisch, korinthisch, orne, renaissance , rococo, romaans, tudor

bouwstijl tijdens Lodewijk de 14e - rococo

bouwstof(fen)   materiaal

bouwterrein voor schepen - werf

bouwvakarbeider   betonwerker, heier, metselaar, opperman, schilder, stukadoor, tegelzetter, timmerman

bouwvakker - metselaar

bouwval – krot, puinhoop, ruïne

bouwvallig   caduc, kaduk, gammel, kaduuk, onvast, oud, ruïneus, vervallen, wankel, wrak

bouwvallig huis - krot

bouwvallig worden   vervallen

bouwwerk   burcht, blok, dom, flat, fort, gebouw, huis, kasteel, kerk, molen, opstal, paleis, tempel, toren, slot

bouwwerk (Boedd.)   Stoepa

bouwwerk in Athene - Akropolis, Parthenon

bouwwerk in Den Haag - Mauritshuis

bouwwerk in Egypte - piramide

bouwwerk in Florence - Dom, Scala

bouwwerk in Parijs   Eifeltoren, Elysée, Louvre

bouwwerk in Perganum   altaar

bouwwerk in Rome   Colosseum, Kapitool, Pantheon

bouwwerk op Java   Boroboedoer

bouwwerk te Haliarnassus in KleinAzië   Mausoleum

bouwwijze - baksteenconstructie, vakwerkconstructie

boven de wind - afwindig

boven het gewone - extra

boven het gewone uit - supernormaal

boven   hoger, over, super, supra

bovenaan – eerst, op, super, supra

bovenaards – goddelijk, hemels, zalig

bovenaardse wezens   engelen, geesten, goden, godheid, grotendeels, duivels, fee

bovenal – allereerst, allermeest, bepaaldelijk, bovenaan, inzonderheid, vooral, voornamelijk, voorop

boven alle klassen   groots

bovenarm – opperarm

bovenarmbeen – dij, schonk

bovenarmspier   biceps

bovendek - dekbed

bovenbeen – dijbeen

bovenbil van kalf - biefstuk

bovenblad – dekblad

bovenbouw op een schip - dekhuis

bovenbramzeil - bovengrietje

bovendeel – boveneinde, kroon, nok, top,

bovendeel van een anker - kruis

bovendeel van een muur - tinne

bovendek – overloop

bovendek van een brug - brugdek, rijvoering

bovendek van een schip - opperdek

boven de geluidssnelheid gelegen - supersonisch

boven de werkelijkheid verheffen - idealiseren

bovendien - alsmede, alsook, behalve, benevens, buitendien, daarbij, daarenboven, dat, eveneens, extra, nog, ook, overigens, tegelijk, tevens, verder, voorts, wijders, zomede, zowel

bovendorpel - bovenregel, kalf,

bovendraad van weefsel - rijdraad

bovengalerij - travee (kerk)

bovengei - nokgordijn

bovengemeld - vorenstaand

bovengewaad (Jap.)   kimono

bovengoed - blouse, bovenkleren, 5broek, jas, jurk, mantel,

overhemd, pantalon



bovengrens – plafond

bovengrietje - bovenbramzeil


1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina