Baaierd wanboel, wanorde baai in Afrika



Dovnload 1.52 Mb.
Pagina24/24
Datum22.07.2016
Grootte1.52 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

bovengrondse ontginning - dagbouw

bovenhalswervel - atlas

bovenhand – overhand

bovenhand krijgen - winnen, zegevieren

boven het normale   extra

bovenhoek van een zeil - nok

bovenkaak   maxille

bovenkamer - bovenvertrek

bovenkant – hoofd

bovenkeurs - rok

bovenkastletter – kapitaal

bovenkleren – overgoed

bovenkorst van het veen - bonksel

bovenkruiszeil - grietje

bovenlaag -elite, puikje, top

bovenlaag van een weg   wegdek, slijtlaag

bovenlander - Oostfries, Westfaling

bovenlangs - over

bovenleiding - catena

bovenlicht - abat-jour, lampekap, vallicht, waaier, zonneblind

bovenlicht (half cirkelvormig) – linet

bovenlijf   tors(o)

bovenlipversiering   snor

bovenlucht - aether, dampkring, ether

bovenlijf - tors(o)

bovenlijst – kroonlijst

bovenmaans - translunarisch

bovenmate – bar, buitengewoon, bijzonder, enorm, erg, extravagant, extreem, heel, intens, mateloos, reuze, super, supra, uiterst, zeer

bovenmatig   buitengewoon, bijzonder, enorm, extravagant, extreem, mateloos, overtollig, uitbundig, uitermate, zeer

bovenmatig groot - reusachtig

bovenmatig vleien - bewieroken

bovenmatige verering - vergoding

bovenmatigheid - bijzonderheid, enormiteit, excessiviteit, extremiteit, mateloosheid, overdrijving, overtolligheid, uitbundigheid



bovenmenselijk - titanisch

bovenmenselijk wezen – god

bovennatuurkunde - metaphysica

bovennatuurlijk – metafysisch, paranormaal, transcedent

bovennatuurlijk feit – mirakel,wonder

bovennatuurlijk wezen - demon, engel, geest, God, godheid, satan

bovennatuurlijke gave – charisma, genade

bovennatuurlijke macht - magie

bovenomloop van een toren - trans

bovenplaats in de scheepsmast - kraaienest

bovenraam – lunet

bovenrand - trans

bovenrand van een gebouw – kanteel, tinne, trans

bovenschrift - kop, rubriek

bovenst - opperst

bovenstaand - bovenvermeld, eerder, hoger

bovenste balk - hanebsik

bovenste balk in de nok - nok

bovenste balk in een bouwwerk - hanebalk

bovenste balk van een kap – nok

bovenste dakrand – nok

bovenste deel – bovendeel, dak, kap, kop, kroon, kruin, nok, spits, top(punt)

bovenste deel van de bil van een rund - biefstuk

bovenste deel van een breuk - teller

bovenste deel van een huis - kap

bovenste deel van een kasteelmuur - kanteel, tinne

bovenste deel van een kerk - spits

bovenste deel van een klomp – roof

bovenste deel van een kroonblad – vlag

bovenste deel van een laag met veen bedekte zee - spier

bovenste deel van een rots – punt

bovenste deel van een toneeldecoratie - fries

bovenste deel van een zuil   kapiteel

bovenste deel van de bil van een rund – biefstuk

bovenste deel van kasteelmuren   tinnen, transen, kantelen

bovenste eind - toppunt

bovenste galerij   scheilinkje

bovenste halswervel   atlas

bovenstem - discant, falset, kopstem

bovenste maagopening   cardia

bovenste molensteen - loper

bovenste sliblaag in de wadden - blets

bovenste verdiping – zolder

bovenste windvanger - topzeil

bovenstuk van versierde gevel – fries

bovenstuk van een voorgevel - frontispice, frontispies

boventallig aangesteld ambtenaar - surnumerair

boventijdruimtelijk - metafysisch

bovenverdieping - etage

bovenvlak van borstwering - plongé

bovenstuk van kleding - lijf

bovenvlak van raamkozijn - afzaat

Bovenwindse eilanden, een der - Anttigua, Barmuda, Bominica, Guadeloupe, Martinique, Nevis, Saba

bovenwindse zijde   loef, loever (t)

bovenzicht van een juweel - applique

bovenzijde van een penning - obvers

bovenzijde van een briljant - bezeel

bovenzijde van een penning   obvers

bovenzinnelijk - metafysisch, transcedent,

boven zitplaats op voertuig – imperiaal

bovist - bovista, lycoperdon, scleroderma



box – autostallinggarage, loophek, postbus

boy – joch, jongen, huisbediende, knaap, knul

boycot – embargo, sanctie, uitsluiting

boycotten – buitensluiten, verhinderen, weren

boze   duivel, kwade, kwaaie, satan, slechte

boze bedoeling – arglist

boze daden - melaficia

boze geest   a(h)riman, alf, alve, azazel, cacodemon, demo(o)n, djinn, duivel, eunjer, geest, genius, genus, Heintje, kakodemon, larve, nixe, pik, Samiëllsatan, satan, spook, pontianak, troli

boze kabouter   kobold

boze man   boeman, Nabal

boze oog   malocchio

boze opzet   arglist

boze stemming - gal, gril, kuur, nuk

boze vrouw   harpij, helleveeg, ka, ogresse, Xantippe

boze watergeest - nixe

boze woudgeest – pontianak

bra - b.h., bustehouder

braad – braadschol, schar

braadaal - speetaal

braadharing - panharing

braad je - extraatje

braadoven - grill

braadpan   casserole, kastrol, stoofpot

braadrooster – grill

braadschol - braad

braadslee – braadschotel

braadstuk - braai, gebraad

braadworst - metworst, saucijs,

braadijzer   braadstaaf, grill, rooster, spit

braaf – betrouwbaar, danig, dapper, degelijk, deugdelijk, deugdzaam, edelaardig, eerbaar, eerbiedwaardig eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, flink, gehoorzaam, goed, goedhartig, integer, kloek, lief, loyaal, mooi, net, nuttig, oppassend, rechtschapen, solide, suf, welgeaard, zedelijk, zoet

braafheid   flinkheid, deugd, goedheid

braaf man - virbonus

braaf zijn - deugen

braafheid - deugd, eerlijkheid, goedheid, integriteit, loyaliteit,

oprechtheid



braai   braadstuk, kuit

braak   afbraak, breekwerktuig, doorbraak, dijkbreuk, inbraak, kolk, ledig, nutteloos, onbebouwd, ongebruikt, onnut, onontgonnen, wiel, woest

braakhennep - gelling

braakjaar - sabbatsjaar

braakliggende akker – braakland, dries

braakmiddel – emetica, emeticum, vomitief

braakneiging - nausea

braaknoot – kraanoog

braaksel – overgeefsel, vomitas,

braakstok   zwingel

braa kwekkend - walgelijk

braakwortel - ipecacuaha

braam   baard, braambes, braamstruik, braamvis, doornstruik, zeebrasem, zelfkant

braambes   braam, brummel

braam op snede van een mes – graat

braamsluiper - garendiefje, grasmus, molenaar, tuinfluiter

braamvis - koningsvis, zeebrasem

Brabant, hoofdstad van - Brussel, Bruxelles

Brabantse heideland   Kempen

Brabantse minnezanger - Ademet

Brabantse mirt   gagel, luiskruid, pos, possem, post, vlooienkruid

Brabants riviertje - Beerse, Diese, Dommel,

Brabants veenland   Peel

brabbeling - beuzelpraat, brabbeltaal

brabbeltaal – bastaardtaal, galimatias, jargon, koeterwaals, larie, nonsens, onzin, patois, wartaal, zotteklap

brabbeltaal spreken - koeterwalen

bracelet   armband, handboei

brachycefaal - kortschedelig

bractee - schutblad

braden – bakken, grillen, roosteren

braden door middel van straalwarmte – grilleren

braden en gaar maken – sauteren

braden (het) - roostering

braderij - braderie, gaarkeuken

braderie – winkelweek

Braga’s vrouw - Iduna

brageren - geuren, pronken

Brahma (Jap). – Bonten

Brahmaan - Hindoe

Brahmaanse ascese - Yoga

Brahmaanse commentaren - bhasjya

Brahmaanse filosofie - darsjawa

Brahmaanse godheid - Brahma, deva, Sjiva, Visjnod

Brahmaanse heilige formules - mantra

Brahmaanse mystieke beschouwing - bhakti

Brahmaans inzicht - djnawa

Brahmaanse rite - poedja

Brahmaans rijdier - vahana

Brahmaanse verering - poedja

Brahmaanse verlossing - moksja

Brahmaanse voorschriften - soetra

brahmaanse ziel - atman

brahmapriester   brahmaan

braille - blindenschrift



brainwave – idee, inval

braiseren - smoren

brak – bengel, deugniet, guit, jachthond, rakker, zilt, zout(ig)

brak water   brijn

brakel - bengel, deugniet

braken – keveren, kitsen, kotsen, meevoeren, opvoeden, opbrengen, opgeven, opvoeden, overgeven, spugen, spuwen, uitwerpen, vomeren, vomitus

braken van hennep – blouwelen

brakkeman - kermisgast, kermisreiziger

Brakna, hoofdstad van – Aleg

brakwater - brijn

brallen   bluffen, lallen, pochen, pronken, snoeven

braller - pocher, snoever

bram - druktemaker

bramarbas - grootspreker, snoever

bramzeil van de bezaammast - grietje

brancard   (draag)baar, draagbed, burrie

brancard op wielen - raderbaar

branche - afdeling, handelstak, tak, vak

brand   fik, gloed, huidontsteking, inflammatie, laai, uitslag, vlak, vlam, vlammenzee, vuur(gloed), vuur(zee)

brand veroorzakend - brandbaar, ontvlambaar

brandal - muiter, oproerling

Brandaris   vuurtoren

brandbaar - combustibel, flogistisch, ontvlambaar

brandbaar aardolieproduct - napalm

brandbaar gas - ethaan

brandbaar gas uit de grond   aardgas, acetyleen, brongas, moerasgas

brandbaar koord   lont

brandbaar lint   lont

brandbaar mengsel (licht) - sas, slagsas

brandbaar metaal - vanadium

brandbaar zeer licht gas - waterstof

brandbare aardolie – nafta

brandbare zelfstandigheid - pek, pik

brandbare zwarte stof   pek

brandbalie   brandemmer, slagputs

brandblaas   karbonkel

brandblusapparaat – annihilator, extincteur, minmax, poederblusser, ramoneur, schuimblusser, schuimkanon, waterkanon

brandblusinstallatie - sprinkler

brandbom – brandgranaat, napalmbom, thermit

brandbrazem - zwartstaart

brandbuil – antrax, miltvuur

brandekkel – brandnetel

brandrmoris - brandewijn

branden – aanflitsen, aanfloepen, blake(re)n, fikken, gloeien, (in)bijten, laaien, schroeien, snerpen, stralen, vlammen, vonken, (ver)zengen

branden van tekeningen in hout - pyrografie

branden zonder vlam - smeulen

brandend – gloeiend, heet, vurig

brandend gevoel in de maag   pyrosis

brander – bek, distilateur, pit, stoker, vlambek, vuurschip

branderig – belust, gezwollen, koortsig, ontstoken, vurig

branderig gevoel in de maag - pyrosis

branderij - stokerij

brandewijn   aquavit, cognac, eaudevie, kirsch, sake, saki, vuurwater

brandewijn, bier, eieren - twist

brandewijndraf – droesem

brandewijn met citroen en suiker - fladderak

brandewijn met stukjes goudblad   guldenwater

brandewijn met suiker – flip

brandewijn op alsem en anijs - absint

brandewijn, Turks - raki

brandgang – laar, tra

brandgans - dondergans

brandgierig - aartsgierig

brandglas   loep, vergrootglas

brandhaard - vuur

branding – golfbeweging, golfslag

brandingsgolf - breker

brandje – fik, vuurtje

brandkast   kluis, safe

brandkastenmerk   Lips



brandklok – noodklok

brandkluis – safe

brandladder - magarijs

brandmeester – bevelvoerder, spuitmeester

brandmerk   blaam, smet, stigma, vlek

brandmerken - stigmatiseren

brandnetel – tingel

brandoffer - holocaustum

brandpunt   centrum, focus, middelpunt

brandschilderen - emaileren

brandschoon   helder, kraakhelder, onbevlekt, rein

brandspuit – poederblusser, schuimblusser, waterkanon

brandspuitwagen – bluseenheid, autospuit

brandstapel   helsel, houtmijt, mutsaard

brandstichter   empressomaan, pyromaan

brandstichting - pyromanie

brandstof   aardgas, antraciet, benzine, briket, bruinkool, cokes, gas, hout, kerosine, kolen, olie, papier, petroleum, steenkool, stookolie, turf

brandstof innemen   tanken

brandstofopslagplaats   olietank, reservoir, tank, vat

brandstof uit veen - turf

brandverf   email, smalt

brandvrij vertrek - kluis

brandvrije kluis   safe

brandweergebouw - kazerne

brandweerman – bevelvoerder, blusser, pompbediende, spuitgast

brandy - brandewijn, cognac

branie   banjer, blaaskaak, bluf, bluffer, drukte(schopper), durfal, geurmaker, lef, opschepper, opsnijder, pocher, poen, praler, snoever, waaghals

branieachtig - tof

branieschopper   banjer, druktemaker, lefgozer, opschepper, uitslover

bras – hijstouw, rommel, steuntouw, tuig, trijs

brasem   blei, bliek

braspartij   bacchanaal, drinkgelag, gelag, orgie, overdadig, schuimen, slampampen, slemppartij, uitspatten

brassard - armdoek

brassen   boemelen, dweilen, fuiven, gulzig, slempen, smullen, zwelgen, zwieren

brasser – doordraaier, drinkebroer,drinker, slemper, smuller, zwelger

brassière -bustehouder

brat   borat, sajet(garen)

bravade - grootspraak

brave borst - sul

braveren - trotseren

bravo - goed, mooi, uitstekend

bravo (Jap.) - banzai

bravoure   bravoer, dapperheid, durf, lef, moed, schwung

bravourestukje – stunt, truc

Braziliaans eiland - Marajo

Braziliaanse auteur - Assis

Braziliaanse berg - Itatiara, Orgaos

Braziliaanse dans   samba

Braziliaanse dichter - Abreu, Alves, Dias, Oliveira

Braziliaanse gouden munt - peça

Braziliaanse halfbloed - Caboclo

Braziliaanse haven - Bahia, Belem, Manaos, Natal, Permambuco, Recife, Rio, Santos, Vitoria

Braziliaanse hoofdstad - Brasilia

Braziliaanse hoogvlakte - chapada, taboleira

Braziliaanse Indianenstam - Arara, Pariri

Braziliaanse rivier - Amazone, Apa, Igquaçu

Braziliaanse schrijver - Assis

Braziliaanse staat - Ba(h)ia

Braziliaanse stad - Bagé, Bauru, Belem, Marajo, Monaus, Recife, Salvador

Braziliaanse vis – arapaima

Braziliaanse vrucht - calavo

break – brik, interval, pauze

brede afhangende band van Arabische hoofddoek - igaal

brede band   sjerp

brede band (Ind) - bale-bale

brede broekklep – lats

brede ceintuur bij Japans – obi, vrouwenkleed

brede diepe greppel - sloot

brede gang   hal

brede gleuf - groeve

brede grove latten   raster

brede hakbeitel - snik

brede hoge vaas   pul

brede korte sabel - kortelas

brede laan   allee, avenue, boulevard

brede landweg   dreef

brede moerassige riviermonding   liman

brede opening   poort

brede riem om het middel - koppelriem

brede roeispaan - pagaai

brede sjaal   stola

brede sloot   lee, tocht, wetering

brede straat   allee, avenue, boulevard

brede waterloop – graaf, rivier, sloot

brede weg – allee, dreef, laan

brede weg met bomen - laan

breed   ampel, groot, largetto, (muz)largo, omvangrijk , onbekrompen, ruim(denkend), uitvoerig, wijd, wild

breed (muz) - largo

breed beeld   cinemascoop

breed en hoog   ruim

breed en uitvoerig - ruim

breed geschouderd - stoer

breedhouder - tempel

breed kort zwaard   klewang, kortelas

breed ontwikkeld - erudiet

breed plat stuk hout - plank

breedsprakig – breedvoerig

breed strand - strandvlakte

breed uitgroeien - stoelen

breed uitlopend glas - kelk

breed zoet water   (Ind.) kali, kanaal, rivier

breedgerande hoed - kwakershoed

breedneuzige aap   brulaap, leeuw aap, slingeraap

breedscheermachine - warpmolen

breedsprakig   breedvoerig, diffuus, langdradig, praatziek, prolix, wijdlopig

breedsprakigheid - diffusie, makrologie

breedte – baan, latitude, latitudo

breedtecirkel   keerkring, parallel, poolcirkel

breeduit - uitvoerig

breedvoerig   ampel, circumstantieel, extenso, gedetailleerd, omstandig, uitgebreid, uitvoerig, verbeus

breedvoerigheid - omstandigheid

breedvoerig praten   bomen, uitweiden

breed water - meer

breekbaar   brokkelig, broos, bros, fragiel, frêle, refrangibel, te(d)er, zwak

breekbaar en broos - zwak

breekbaarheid – fragiliteit, refrangibiliteit

breekhamer – moker, vuist

breekijzer – koevoet, sloopbeitel

breel – boei, joon

breeuwen – herstellen, kalefateren

breeuwhamer - klauwer

breeuwijzer - kalfaatijzer

breiartikel   borat, brat, (brei)naald, katoen, pen, sajet, wol

breidel   beperking, bit, censuur, gareel, halsgordel, juk, leidsel, teugel, toom

breidelen   beteugelen, intomen

breidelloos - tomeloos

breien – handwerken, knopen, vlechten

breigaren – sajet

breilap - morslap

brein   computer, denkvermogen, geest, hersens, koker, verstand

breinaald - bout, knijper, pen, penwortel, pin, priem, spie,

breinloos - dom, krankzinnig, onverstandig, prang, stom

breipen - breinaal

breiterm   toer

brekebeen   beunhaas, knoeier, pijpkruid, stumper, sukkelaar

breken   barsten, begeven, bezwijken, brokkelen, knakken, knikken, kraken, nekken, stukslaan, zwikken

breken van golven tegen het strand - branding

breker – golf, roller

breking (licht)   deviatie, refractie

brem   bezemkruid, genst, ginst, heester, pekel, zout

Bremergroen - bergklauw

bremaapachtigen - orobranchaceën

brempaap – paapje

breng hier - apport

brengen   (aan)dragen, aanrukken, aanzetten, afleveren, bezorgen, deponeren, drijven, dringen, indoen, legeren, voeren

brengen tot – nopen

brengen tot doen – leren

brengen van aarde op dalgrond - aandammen

brenger   bode, drager

bres   barst, breuk, doorbraak, gaping, gat, lek, opening, scheur, stormgat

bretel – broekophouder, draagband, galg

Bretagne, rivier in - Blavet, Scorff

Bretonse doedelzak - biniou

Bretonse haven - Brest

Bretonse vissershaven - Lorient, St.Malo

Bretonse zang - lai

Bretons godsdienstig feest - pardon

Bretons grafmonument   dolmen

breuk   barst, bres, brook, fractie, fractuur, heir, hernia, knak, knik, krak, kwetsuur, opening, rhexis, ruptuur, scheur, tweedracht, verbreking

breukig - bros

breukband   bandage

breuk in de aardkorst   druklaas

breuk in weefsels   ladder, scheur, winkelhaak

breukkruid – sanikel

breukoperatie - herniotomie '

brevet   akte, diploma, getuigenis, getuigschrift, oorkonde, referentie, testimonium, vergunning

breviarium   brevier

brevier   breviarium, getijdenboek

breviter   kortweg

bridgeterm   bieden, bod, down, drive, harten, klaver, manche, robber, ruiten, schoppen, slem, sans, troef

bridgewedstrijd - drive

brief   akte, couvert, epistel, letteren, missive, oorkonde, schrijven

brief (Mal.) – soerat

brief of exploot waarin aangemaand wordt -

briefaanhef   H.H., l.s., m.h.

briefgeld - port

briefhouder - ordner

briefje – kesafie, memo

briefje met uitdaging tot duel – kartel

brief in zakelijke trant   missive

briefje van armbestuur – borgbriefje

brief voor aanbevelingen – aanbevelingsbrief

briefje voor geneesmiddel – recept

brief waarin permissie wordt gegeven - verlofbrief

briefkoord - lias

briefkosten   port, porto, verzendkosten

briefomslag   couvert, envelop(pe)

briefopener   vouwbeen

briefopschrift - aanhef

briefordner   map, legger, dossier

briefpost - mail

briefvracht   porto, port, verzendkosten

briefwisseling   correspondentie, post

briefwisseling tussen zaken - handelscorrespondentie

briek   angstig, dreigend, gevaarlijk, krom, raar, scheef

bries   wind(je), zeilwind

briesen –brullen, pruisen, razen, schreeuwen, tekeergaan

briesen tegen - aanbriesen

brieven - post

brievenbesteller   facteur, koerier, (post)bode, postillon,

brievenbus - postbus

brievenordner - biblioraft

brievenpost   mail

brievensnoer   lias

brieventas – aktetas, map, portefeuille

brigadier - brigges

brij   pap, kwak ,pudding, puree, vla

brijachtige massa - trot

brijig - troeterig

brij van aardappelen   puree

brij van bieten – pulp

brij van vruchten - moes

brijn – pekel, zout

brijzel - kruimel

brik - baksten

briket van kolengruis - fom

bril   fok, lorgnet, lorgnon, montuur, neusklem

brilduiker - knob

brileend - bolder

briljant - diamant, geniaal glansrijk, glanzend, prachtig, schitterend, uitnemend

briljante leerling - bolleboos

brillantine – haarcreme, haarvet

brillenglas - lens

brillenmaker - opticien

brilleren - schitteren

bril met handvat   lorgnon

brilleren   schitteren, uitmuntend

brilslang   cobra, lepelslang, naga, naja

brilslang als god in Hindoestan vereerd - naja

brink – boerenerf, dorpcentrum, dorpsplein, plein, markt

brio - levendigheid

brionie - heggenrank

Brit   Engelsman

Brits   Engels, Iers, Schots, Welsh

brits   bed, legerstede, nachtleger, rustbank, slaapplaats

Brits eiland - Arran, Sark

Brits eiland in de Straat van Bab-el-Mandeb - Perim

Brits eiland in West-Indië - Dominica

Britse eilandengroep - Orkaden

Britse Gemenebest, lidstaat van het -

2 U,K,


5 Ghana, India, Kenia, Malta

6 Canada, Ceylon, Cypres, Gambia, Malawi, Tobago, Zambia

7 Jamaica, Lesotho, Nigeria, Oeganda

8 Barbados, Botswana, Maleisië, Tanzania, Trinidad

9 Australië, Mauritius, Singapore

11 Sierra Leone

12 Nieuw-Zeeland

Britse havenstad in Azië   Aden

Brits-Indisch lengtemaat - cubit

Brits kolenstation - Perim

Britse kolonie -

6 Brunei, Cayman

7 Aldabra, Antiqua, Bahama´s, Bermuda, Granada

8 Dominica, Farquhan, Pitcaim

9 Ascension, Gibraltar

10 Montserrat, Seychellen



Britse koning, legendarisch – Lear

Britse luchtvaart maatschappij - BEA

Britse marine   navy, R. N.

Britse typograaf - Morison

Britse vesting   Gibraltar

Britse zeemansdans - horlepijp

brocceli - bloemkool

broche – sieraad, (sier)speld

brocheren - innaaien

brochette - roosterpen

brochure   boekje, folder, vlugschrift

broddelaar – knoeier, prutser

broddelen – kliederen, knoeien, klungelen, morsen, prutsen

broddelaar   knoeier, prutser

brodeloos   arm, behoeftig, failliet, haveloos, pover, werkeloos

brodig - bloemig, kruimig

broed   broedsel

broed waar darren uitkomen - darrenbroed

broedbak   kas

broeden   beramen, broedtijd, broeien, kweken, peinzen, telen, uitdenken

broeder   fra, frater, br., fr., diakoon, kloosterling, verpleger

broedergemeente – Hernhutters

broederliefde getuigend - agape

broeder van Abel   Kain, Seth

broeder van Abraham   Nahor

broeder van Agamemnon   Menelaos

broeder van Atreus   Thyestes

broeder van Castor   Pollux

broeder van Elektra   Orestes

broeder van Eris - Ares, Mars

broeder van Europa - Kadmos

broeder van Hebe   Ares

broeder van Hector   Paris, Troilus, Polydorus

broeder van Helle   Phrixus

broeder van Kain   Abel

broeder van Mozes   Aäron

broeder van Romulus   Remus

broeder van Selene   Helius

broeder van Willem van Oranje   Adolf, Hendrik, Jan, Lodewijk



broederschap – genootschap, gilde, sodaliteit

broederskind - neef, nicht

broedkip - klokhen

broedmachine - broeder, couveuse

broedpest - vuilbroed

broedplaats   horst, nest

broedse hen - kloek

broedsel – broed, kweek, nest, toom

broedziek - broeds

broeibak – eenruiter, kas, kweekruimte, oranjerie

broeibak met een ruit - eenruiter

broeien   branden, brieden, muiken

broeiend   zwoel

broeierig – broeis, drukkend, zwoel

broeihuis   kas, serre, trekkas, warenhuis

broeikas - eenruit, oranjerie, plantenhuis, serre, stookhuis, warenhuis

broeinest – haard, kweekplaats

broeiraam - eenruit

broeisel - broed

broek - boks, pantalon,

broek - drasland, moeras, waterland

broek met een gulp – gulpbroek

broek met korte pijpen - kniebroek

broekachtig - moerassig

broekbalk - achterhar, penbalk

broekdraagband   bretel, galg

broekekster   gaai, meerkol

broekenman – dreumesm, jochie

broekenstof - pilo

broekgalg   draagband, bretel

broekig - moerassig

broekje - jongentje, ventje

broekklep   lats

broekland   veen, moeras

broekopening - gulp

broekophouder – bretel, galg

broer van vader of moeder – oom

broer van Eöos - Helicu, Helius

broer van Numitor - Amulius

broes   trechter, schuim, sprinkler, sproeikop, spruit

brok – bonk, deel, fragment, gedeelte, homp, klomp, klont, klonter, kluit, kriezel, mok, mop, moot, morzel, pompel, stuk

brok aarde – kluit

brok vis - moot

brokje – klontje, stukje

brokje geperst kolengruis – briket

brokjes - gneis, gruis

brokkelen   breken, kruimelen, vallen

brokkelig – bro(o)s, kruimelig

brokkelig stukje - kruimel

brokkel - brooddronken, hovaardig

brokkelvloer - mozaïekvloer

brokken steen - puin

broksgewijs   fragmentarisch

brok steen - basaltblok

brokstuk   brok, deel, fragment, gedeelte

brokstukken – afval, puin, schroot

brok vis - moot

brol - bocht, rommel

bromargyriet - bromiet

brombeer   brompot, druiloor, iezegrim, knorrepot, mopperaar, neetoor, nurks, nijdas

bromfiets   brommer, plof, snorfiets

bromijzer   crembalum

bromkever   mestkever

bromium   broom, Br.

brommel - braam

brommen – babbelen, gemor, gonzen, grommen, kniezen, knorren, kneuteren, kreuken, kwinkeleren, mompelen, mopperen, morren, schrollen, snorken, snorren, straf uitzitten, zingen, zitten

brommer   brombas, bromfiets, brompijp, bromvlieg, moped, motorfiets, solex, standje, uitbrander

brommerig   knorrig, korzelig, ontevreden, pruttelig, wrevelig

brommerig en kortaf - korzelig

brommig – knorrig

brompijjp - brommer

brompot – brombeer, grompot, iezegrim, knorrepot, mopperaar, nors, neetoor, nurk, nurks, nijdas, pruiloor,

bromvlieg – aasvlieg, brommer, dol, vleesvlieg

bron – afkomst, beginselfontein, herkomst, oorsprong, oorzaak, origine, source, spreng, wel, zegsman

bronforel - beekridder

brongas – aardgas, moerasgas

brongebied van Tigris en Eufraat - Armenië

bronmaagd   Salmacis

bronnenleer   pegiatrie

bronnimf   najade

bron op de Helicon - Hengstebron

bronsachtige zeevis - meun

bronsperiode   bronstijd

bronst - paardrift, paartijd, paringsdrift

bronstig – broeds, hengstig, krols, loops, ruizig, tochtig

bronstijd – bronsperiode, paartijd

bron van licht – lamp, zon

bron voor water - geiser, geizer

bronwater – welwater

bronzen – maffen, slapen

brood – artos, casino, kost, kuch, mik, stol

broodbeleg   gelei, ham, honing, jam, kaas, koek, lever, leverkaas, leverworst, pasta, pindakaas, smeerkaas, spek, stroop, suiker, vlees, worst

broodbreking - avondmaal

broodbrief - belastingbiljet

brooddief - beunhaas, knoeier

brooddronken   baldadig, dartel, uitgelaten

broodheer – baas, werkgever

broodje – kadet(je), punt, slofje, stoet, stuit, timp

broodje met krenten - deuvekater

broodkast – spinde, provisiekast

broodje knakworst – hotdog

broodkar – bakkerskar

provisiekast - spinde

broodkast –

broodkorf   broodmand, paander, panier

broodmaaltijd - lunch

broodmand   ben, broodkorf, paander, panier

broodmeel - bloem

brood met vlees en ei   uitsmijter

broodnijd - afgunst, jaloezie

broodnodig   dringend, noodzakelijk, perse

broodpap – panade, pent

broodslijter   bakker

broodsmeersel – boter, jam, pasta, pindakaas,

broodsuiker   melis

broodtrog   moel

brood van fijn roggemeel - mik

brood van waterdeeg - waterbrood

brood, voor het gebakken is - deeg

brood voor kerstmis - kerststol

broodwinner – bonnet, kostwinner

broodwortel   cassave, maniok, yam

broodzak – eetzak, knapzak

broodziekte - leng

broom - bromium

broomverfdruk - pigmogravure

broomvergiftiging - bromisme

broomzuurresten - bromaat

broomzuurzout - bromaat

broos   breekbaar, bros,cothurn, delicaat, fragiel, frêle, iel, mager, onvast, perissabel, ras, sprakerig, teer, tenger, zwak

broos en breekbaar - zwak

broosheid   breekbaarheid, zwakheid

bros   breekbaar, brokkelig, croquant, droog, knappend, knapperig, schraal, spreu, teer

bros gebakken deegstang bij soep - stereolet

bros licht baksel - beschuit

bros metaal – mangaan

brossen - verzuimen

bros tarwe gebak - beschuit

brouille   onenigheid, onmin

brouillon   klad, ontwerp, schema

brousse – wildernis

brouwen – bereiden, stichten

brouwersterm   beslaan, bottelen, brouwen, eesten, filtreren, gerstwassen, hoofdvergisting, hoppen, kiemen, koelen, koken, legeren, malen, mouten, navergisting, ontkiemen, roosteren, rijpen, tappen,wegen, weken

brouwerij product - bier, mout, wort

brouwfris - bottelvers

brouwsel - bier, gerstenat

brug – verbinding, vonder, watermerk

brug, hoge stenen - heul, hoele

brug over een weg   viaduct

brug, soort - aquaduct, baileybrug, balkbrug, basculebrug, boogbrug, cantileverbrug, draaibrug, gierbrug, hangbrug, hefbrug, kraanbrug, ophaalbrug, rolbrug, schipbrug, spoorbrug, staafboogbrug, vakwerkbrug, viaduct, wipbrug

brugbalans   bascule

brugdek, gemakkelijk verplaatsbaar - bart



brugdrager - ponton

bruggenhoofd   walhoofd

bruggenlegger - pontonnier

bruggeman   brugwachter

bruggetje – loopplank, til, vlonder, vondel, vlonder

bruggetje van een paar planken - zijl

brughagedis - hatteria, tuatera

brugkanaal - aquaduct

brug over een weg - viaduct

brugschuit – pont, ponton

brugspier - buiger

brugsteun - pijler

brugwachter - bruggeman

brui   slag, stoot

bruid - vrouw

bruid (Hebr.)   Kalle

bruidegom - man

bruidegomscostuum - trouwpak

bruidsjonker – page, paranimf

bruidspenning - spelde(n)geld

bruidsschat – bruidsgift, dos, uitzet

bruikbaar   bekwaam, degelijk, dienstig, gepast, geschikt, goed, nuttig, practicabel, praktisch

bruikbaar gereedschap - utensiliën

bruikbaarheid - nut, utiliteit

bruiklening - commodaat

bruiloft – huwelijk, trouwerij, trouwfeest, trouwpartij

bruiloftsdicht   epi(h)alamium

bruiloftsdrank   hipocras, hippocras

bruiloftslied   epistalaan, epi(h)alamium

bruin   tanig

bruinachtige stof verkregen uit run - taan

bruinachtige vernislak - schellak

bruinachtige verfstof – sepia, taan

bruinbank - zonnebank

bruin braden onder voortdurend keren - sauteren

bruinrood - mordore

bruin plekje   sproet

bruinsteen – pyrolusiet

bruinvis – dolfijn, meerzwijn

bruine asbest - amosiet

bruine beuk - bloedbeuk

bruine bodemhorizont   (ijzer)oerlaag, koffiebank

bruine frisdrank - cola

bruine ijzersteen   limoniet

bruine kleurstof   omber, umber

bruine koek - taaitaai

bruine stof uit eikenschors   taan

bruine verfstof   sepia, taan bruine

bruine zeevis - meun

bruine zwaluw - oeverzwaluw

waterverf   sepia

bruingebraden spijzen - frituur

bruingeel - tanig

bruingeel worden - tanen

bruingele verfstof - taan

bruinhardhout - wacapou



bruinkleurig - tanig

bruinkool - lignet

bruinkoolcokes, poedervormig - grude

bruinkool producerend land - Australië, Bulgarije, Duitsland, Hongarije, Joegoslavië, Polen, Rusland, Slowakije, Tsjechië

bruinkoolwas - montaanwas

bruinlooderts - saturniet

bruinoogje - gaasvlieg

bruinrood   terracotta

bruinrood beeldje   tanagra, terracotta

bruinspaat - ankerriet

bruinsteen - glasblazerszeep, mangaan

bruinverbrand   tanig, gebronsd

bruinvis   tuimelaar

bruinijzererts - goethiet

bruis – schuim

bruisen - borrelen, schuimen

bruisend – erfervescens, petulant, spitant, swingend, wervelend

bruistig - opvliegend, ruw, wild

bruit - geluid, geruis

brulboei - zeeboei

brullen – briesen, bulken, bulderen, loeien gieren, schateren, schreeuwen, tekeergaan, trompen

brullen van olifanten - trompen

brulzieke koe - jachter

brummel   braambes

brunchen - eten

bruneren - bruinen

bruskeren   beledigen, kwetsen, stoten

Brusselaar - kiekenfretter

Brussels bier   faro, lambiek

Brussel, deel van - Anderlecht, Auderghem, Elsene, Evere, Etterbeek, Forest, Ganshoren, lxelles, Jotte. Koekelberg, Oudergem, Schaarbeek, Schaerbeek, Uccle, Ukkel, Vorst

Brussels lof   witlof

Brussels mengbier - faro

brut - droog

brutaal – aanmatigend, astrant, astranterig, bijdehand, driest, grof, hevig, honds, impertinent, insolent, krachtig, lastig, losbandig, luchtig, onbehoorlijk, onbeleefd, onbeschaamd, onbescheiden, onbeschoft, onbeschroomd, ondeugend, onhebbelijk, overmoedig, ruw, schitterend, stout, stoutmoedig, strabant, straf, vermetel, verwaand, (vrij)moedig, vrijpostig

brutaalweg - astrant

brutale jongen - batraaf, lomperd, rakker, rekel, vlegel

brutaliseren   schofferen



brutaliteit   gotspe, impertinentie, lompheid, onbeschoftheid, onhebbelijkheid

bruto   br., bt., bto. , onzuiver, vuil

bruto min tarra - netto

brutowinst - bijdrage, contributie, opbrengst

bruusk   eensklaps, grof, kortaf, nors, onverhoeds, (plots)eling

bruut   beest(achtig), gewelddadig, hard,onverlaat, ruw, woesteling, wreedaard

bruutheid – geweld, ruwheid

brij – boeboer, magma, pap, prol, puree

brijachtige spijs - pent

brijn - pekel

brijzel - kiezel, kruimel

brylcream - pommade

bubbelbad – whirlpool

bubbelen – borrelen

buddy – helper

buddyseat - zitting

bubinga - kevazingo

budget   bedrag, begroting

budgetteren –begroten, gerekenen, vaststellen

buffel   anoa, anoeang, arni, bison, butalis, jak, karbouw, kauprey, lomperd, syncerus, pamaroe, stomme(ling), os, vlegel, wisent

buffelen – bunkeren, schransen, schrokken, zwelgen

buffel in Noord-Amerika - bizon

buffel in Tibet – yak

buffen - steunen

buffer – bumper, schokbreker, (stoot)kussen

buffertank - expansievat

buffet – bar, dressoir, schenkbank, tapkast, toog, toonbank

buffethouder – barkeeper

buffet in cafe – bar tapkast

buffet voor sterke dranken   bar, tapkast

buffetje - abacus, pronktafeltje, speeltafeltje, telraam

bugel – signaalhoorn

buggy – zelfbouwauto

bühne – podium, toneel

bui   bevlieging, caprice, frats, gril, humeur, kuur, luim, neerslag, nuk, opwelling, regenvlaag, stemming, vlaag

buidel – baal, beurs, doedel, geldzak, tas, zak

buidelbeer - koala

buideldier   (boom)kangoeroe, buidelbeer, buideldas, buidelduivel, buideleekhoorn, buidelmarter,

buidelmiereneter, buidelmol, buidelmuis, buidelrat,



buidelspitsmuis, buidelspringmuis, buidelwolf, dwergbuidelrat, honingmuis, kangoeroe, kangoeroerat, koeskoes, opossum, reuzekangoeroe, spitsbuidelrat, suikereekhoorn, voskoeskoes, waterbuidelrat, wombat, yapok

buidelmuis - tafa

buidelrat   opossum

buidel voor geld - geldzak

buigbaar   buigzaam, flexibel, plooibaar, soepel

buigen – bukken, knikken, krommen, nik, nijgen, ployeren,

buigen door de knieën – hurken

buiger - rugspier

buiging   dienaar, diffractie, flexie, ham, knik, inflexie, kromming, kromte, nik, nijging, reverence, verdraaiing, wijziging

buigtangetje   ravebek

buigzaam – flexibel, gedwee, handelbaar, inschikkelijk, lenig, lenigen, plooibaar, rank, smedig, smeu, soepel, slap, taai

buigzaam dun hout – spaan, twijg

buigzaam gewas   riet

buigzaamheid – lenigheid, souplesse

buigzaam maar pezig - taai

buigzaam wandelstokje - badine

buigzame hoed - panama

buigzame paal   sliet

buigzame tak   rijs, twijg

buiig   ongestadig, onbestendigd, onstuimig, onvast, regenachtig, veranderlijk

buik   abdomen, hara, lapare, melis, onderlijf, pens, wam

buik, maag van dieren (plat) - balg

buik zonder ingewand van een vis - leb

buikband - centuur, gordel, riem, singel

buikbetreffend - abdominalis

buikdienaar - gulzigaard, lekkerbek

buikig   corpulent, dik, gezet, zwaarlijvig

buikig flesj - ampul

buikje   embonpoint

buikklier - alvleesklier

buikkramp - koliek

buikloop   diarree, dysenterie, loslijvigheid

buikopening - harakiri, laxering, punctie

buikriem – gordel, singel

buikriem van een paard   singel

buikschild - plastron

buiksnede – laparotomie

buikspreekkunst – ventriloquentie

buikspeekselklier - alvleesklier, pancreas

buikspreker   gastriloog, ventriloquist

buikvlies - peritoneum

buikvliesontsteking   peritonitis

buikwaterzucht - ascetes

buikwind - veest

buikzuiverend - purgorent

buikzuivering - purgatie

buil – bobbel, bult, bundel, buts, gezwel, puist, tumor, zakje, zwelling

bui of frats – gril, kuur

buis   ader, cilinder, kanaal,kiel, koker, lamp, leiding, pijp, riool, tunnelkoker

buis aan de dakgoot   afvoerpijp, regenpijp

buis met schaalverdeling   buret

buis om urine af te tappen   cat(h)eter

buis van een tabakspijp   roer

buisje   ampul, dispenserpijpje, pipet, tube

buisje met injectievloeistof   ampul

buis of pijp - leiding

buisje om wonden open te houden   canule

buisje van buigzaam metaal   tube

buiskool   kropkool

buiskwal   zeeblaas

buister - beddenzak, strozak, tijk

buis van een pomp - daal

buis van Eustachius - oortrompet

buisverbinding - nippel

buis voorafwatering - afvoer

buisvormig ingewand   darm

buiszwam - boleet, eekhoorntjesbrood

buit – poet, prooi, prijs, roofgoed, vangst

buit (Eng.) - spoil

buitelen – culbuteren, duikelen, kraaien, rollen, rollebollen, totteren, tuimelen

buiteling   bankroet, duikeling, koprol, salto, smak, tuimel, tuimeling, val

buiten   behalve, extern, uitgezonderd, zonder

buiten   landgoed, landhuis villa

buiten adem   amechtig

buitenbeentje - bastaard

buitencafé - uitspanning

bui8ten de lijn – out, uit

buiten de perken   buitensporig, extravagant, overdreven

buiten de wet gestelde (Eng.)   outlaw

buitendien   bovendien, daarenboven, nog, ook, tevens, verder, voorts

buiten dienst   b.d., inactief, non-actief , passief

buitendokter - dorpsarts

buiten proporties   abnormaal, buitensporig

buiten verband - los

buiten zomerzonnescherm   markies,store

buitendijks aangeslibd land   gors, hem, kaag, koog, nes, kwelder, schor, wad

buitendijks grasland - borzing

buitendijkse grond – nes, koog, kwelder, uiterland, uiterwaard, wad, waardland

buitengerechtelijk - extrajudicieel

buitengemeen – bijzonder, danig, ongemeen, uitermate, zeldzaam, zeer

buiten gevaar - veilig

buitengewone begaafdheid - genialiteit

buitengewone blijheid   uitgelatenheid

buitengewone toelage – bonus, gratificatie, premie

buitengewone verwarring - verbijstering

buitengewoon   bovenmatig, buitenmate, bovenmenselijk, bijzonder, donders, eigenhandig, enorm, extra, extrsvagant, kras, luizig, mateloos, merkwaardig, mirakel, onalledaags, ongebruikelijk, ongemeen, onregelmatig, ontzaglijk, ontzettend, overmatig, reuze, speciaal, uitbundend, uitermate, uitbundig, verbazend, wonderlijk, zeldzaam

buitengewoon begaafd   geniaal

buitengewoon dividend   bonus

buitengewoon groot – enorm, matelijk

buitengewoon lid van iets – erelid

buitengewoon loon - premie

buitengewoon spannend   adembenemend

buitengewoon streng   draconisch

buitengewoon zware arbeid - ledebraak

buitengewone lof – apotheose, apoteose

buitengras - gors

buitenhaven   rede, ree

buitenhuis – bungalow, landhuis, villa, zomerverblijf

buiten iemands weten – achterbaks, stiekem

buitenissig   afwijkend, bizar, excentriek, raar, vreemd, zonderling

buitenissigheid - apartheid

buitenkansje   bof, fortuin, geluk, mazzel, meevaller, toeval, tref(fer), voordeel

buitenkant – buitenzijde, exterieur, omtrek, periferie, rand, uiterlijk

buitenkant van fruit – schil, pel

buiten kennis - bewusteloos, onbekwaam, onmachtig

buitenkeuken   kombof

buitenlaag   bast, bolster, korst, kurklaag, schil, schors,

buitenlaag van brood - korst

buitenlander   vreemdeling

buitenlands   vreemde, vreemd, uitheems

buitenlandse munt   zie vreemde munt

buitenlandse titel   don, lord, sir

buitenleven   landleven

buitenlijn   omtrek

buitenman   boer, dorpeling, landman

buitenmate – akelig, bar, deerlijk, enorm, erg, heel, hoogst, intern, onwijs, sterk, uiterst, vreselijk, zeer

buitenmatig – enord, gigantisch, immens, kolossaal, ontzaglijk

buitenmens – plattelander

buitenmodel - afwijkend

buitenmuur   façade, gevel, pui

buitenomtrek – periferie

buitenpartij   picknick

buitenplaneet   Jupiter, Mars, Neptunus, Pluto, Saturnus, Uranus

buitenpost - uitwacht

buitenrand – grens, grenskant, kant, oever, periferie, rand, randje, velg,

buitenrand van een wiel   velg

buitenschil   bast, bolster

buitenshuis wonend   extern

buitenspel   offside

buitenspelers - vleugels

buitenspiegeltje   spion

buitensporig – bar, bovenmatig, enorm, erg, extravagant, extreem, losbandig, onmatig, onredelijk, onzinnig, overdadig, overdreven, overmatig, tomeloos, uiterst, verbazend, verregaand, zeer

buitensporigheid   enormiteit, exes, losbandigheid, overdrijving, uiterste

buitensporige voorstelling van iets   overdrijving

buitensporigheden   excessen, strapatsen

buitenstaander – buitengewoon, derde, leek, outlaw, outsider, vreemde

buitenste atmosfeer van de zon - corona

buitenste bast – bolster, schors

buitenste borstwering   glacis

buitenste deel   rand

buitenste deel der grote hersenen   schors, hersenschors

buitenste harde rand - korst

buitenste laag van de atmosfeer   exosfeer

buitenste laag van bomen – bast, schil, schos

buitenste omtrek - rand

buitenste rand – korst, omtrek

buitenste van een sigaret - dekblad

buitenverblijf   buitenhuis, landgoed, villa, zomerhuis

buitenwaarts uitzwellen – puilen

buitenwal - voorwal

buitenwal om een stad   singel

buitenwereldlijk - extramundaan

buitenwesten - bewusteloos

buiten wonend   extern

buitenwonende - forens

buitenzedelijke overwegingen - amoreel

buitenwoning – landhuis

buitenzijde   buitenkant, exterieur, uiterlijk, uitwendig

buitenzitje op dak - terras

buiten-zonnescherm - store

buitmaken – kapen, prederen

buitzoeker - avonturier

buizennet - riolering

buizerd – hanenschop, muizerd

buizig - angstig, bevreesd, brommerig, ruw, verstoord

bukken – buigen, stuipen

buks   (jacht)geweer, bosboom, palmboompje

bul   acte, dikkerd, dikzak, diploma, document, lomperd, lor, oorkonde, os, stier, vod

bulachtig - lomp, stuurs

bulderaar   bulderbast

bulderbast   bulderaar

bulderen – balderen, brullen, bulderend, daveren, lieien, razen, schreeuwen, tempestief, tieren

bulderend naderen - aanbulderen

buldog - bulhond

buldozer - graafmachine

Bulgaarse badplaats   Albena, Boergas Verna

Bulgaarse berg - Jel-Tepe, Moes-als, Perelik, Sjoetka, Vitosja, Witosa

Bulgaarse drank - yoghurt

Bulgaarse hoofdstad   Sofia

Bulgaarse ketterse sekte - Bogomielen

Bulgaarse maat   kune, lekha, oka

Bulgaarse munt   lev, leva, stotinka

Bulgaarse nationale vergadering -sobranje

Bulgaarse pruimengenever   riha, rika

Bulgaarse rivier - Arda, Isker, Kamptsjija, Lom, Mantsa, Ogost, Osma, Stroema, Toendsja

Bulgaarse schrijver – Beron

Bulgaarse staatsman - stamboelof

Bulgaarse stad - Boergas, Pernik, Plewen, Plovdiv, Roese, Varna

Bulgaarse tsaar - Boril

bulge - blister

bulhond – mastiff, rekel

bulk – massa, stortgoed

bulken – blaren, blaten, brullen, huilen, loeien, roepen, schreeuwen

bulken van runderen - loeien

bullebak - bietebauw, boeman, dwarskop, popans, tiran

bullebijter - nijdas

bullen – spulletjes

bullepees - pezerik

bulletin - dagbericht

bullig - tochtig

bulpezerik - lisdodde

bulsum - korteling

bult   bobbel, bochel, buil, gezwel, huidzwelling, knobbel, nol, oneffenheid, pokkel, puist, stuit, tumor, verdikking, verhevenheid, zwelling

bultachtig - gebocheld, oneffen

bulten - knobbels

bult in een weiland - nol, nolle

bultenaar   bochel, gebochelde, krates

bultig – gebocheld, hobbelig

bultje – bobbel, tubereus

bultigheid - gibbositeit, tuberositeit

bultos   bizon, buffel, zebu

bultrund   zeboe, zebu

bulwer - lytton

bultzak   strozak, strobed

bumper   buffer, stootbalk, schokbreker, stootkussen

bun   bak, ben, beun, korf, kaar, mand, rugkorf

bundel – boek, bondel, bos, buil, bussel, dot,knot, nis, pak(ket), ris, schoof, tas, toef, tros

bundel bloemen – bos, boeket, tuil

bundel brandhout – poorter

bundel dierenfabels - esopet

bundel garen   knot, streng

bundel garven - hok

bundel geconcentreerd licht - lazerstraal

bundel graanhalmen   garf, gave

bundel grashalmen   garf, garve, schoof

bundel haar - streng

bundel korenhalmen – garf, garve

bundel aaneengeregen papier   lias

bundel rijshout   fascine

bundel stro – schoof

bundel stukken - dossier

bundel twijgen   gard,roe(de)

bundel vlasstengels - boot

bundel vruchten – tros

bundels moleculen - molecuulstralen

bundel vuurpijlen   girande

bundelen – trossen, uniëren,verenigen

bundeltje – donk, dot, vlok, wis

bundeltje haar – dot, lok

bundeltje vlas – wiek

bundel wol – knot, streng

bunder   ha., hectare

bungalow – buitenhuis, landhuis, zomerhuis

bungelen – schommelen, slingeren

bunker – fort, kazemat, kolenruim, schuilkelder, schuilplaats

bunkeren – schranzen

bun of korf - mand

bunzing   fret, kabouter, mud, schelp,skunk, stinkmarter, ulk, wulk

buran   boeran, blizzard, sneeuwstorm

burcht   bolwerk, borg, citadel, kasteel, slot, sterkte, veste

toevluchtsoord, veste, vesting



burchtheer – baron, kasteekheer, slotheer

burcht (Ind.) - poeri

burcht in Troje - pergama

Burchten, kastelen en ruïnes in de Achterhoek – Kiefskamp

bij - mits, nevens, para, per, sub

bij Apeldoorn   Het Loo, Cannenburgh

bij Baarn   Groeneveld

bij Bakkeveen   Slotplaats

bij Barneveld   Schaffelaar

bij Bergen op Zoom   Mattemburgh

in de Betuwe (0)   Doornenburg

bij Breda   Anneville, Bouvigne

bij Breukelen   Nijenrode

bij Delden   Twikkel

bij Diepenheim   Warmelo

bij Doesburg   Bingerden

bij Domburg   Westhove

bij Driebergen   Sterkenburg

bij Dwingeloo   Oldengaarde

bij Ede   Hoekelum

ten zuiden van Eindhoven - Heeze

in Gaasterland   Kippenburg

bij Geertruidenberg   Dussen

in het Gooi   Groeneveld, Muiderslot

bij Gorkum   Loevestein

bij Gulpen   Neubourg

bij Haerst   Arnichem

bij Hedel   Ammersooien

bij Heemskerk   Assumburg, Marquette

bij Heemstede   Groenendaal

te 's Heerenberg   Bergh

bij Heerlen   Rivieren

bij Heino   Alerdinck

bij Helmond   Croy

ten zuiden van 's Hertogenbosch   Heeswijk

bij Hoensbroek   Amstenrade

bij Hoonhorst   Aalshorst

bij Houten   Heemstede

bij Jelsum   Dekemastate

bij Lage Vuursche   Drakensteyn, Pijnenburg

in het Land van Maas en Waal   Batenburg, Hernen

bij Leek   Nienoord

bij Leersum   Broekhuizen

bij Leidschendam   Duivenvoorde

bij Lisse   d'Ever, Keukenhof

bij Lochem   Ampsen .

bij Maastricht   Borgharen, Eisden, Kanne, Mheer

bij Marssum   Poptaslot

te Medemblik   Radboud

bij Meppel   Havixshorst

bij Middelstum   Ewsum

bij Midwolda   Ennemaborg

in Noord Limburg   Weil

bij Nuis   Coendersborg

bij Nijkerk   Olden Aller, Salentein

bij Nijmegen   Wiechen

bij Oegstgeest   Oud Poelgeest

bij Oenkerk   Heemstrastate

bij Oisterwijk   Nemelaer

bij Olst   Hoenlo

bij Ommen   Rechteren

bij Oosterhesselen   De Klencke

bij Oud kerk   Staniastate

bij Renkum   Doorwerth

bij Roermond   Hillenraad, Hom

bij Santpoort   Brederode

bij Sassenheim   Teylingen

op Schouwen Duiveland - Moermont

bij Sittard   Stein

bij Slochteren   Fraeylemaborg

bij Tiel   Soelen

bij Tietjerk   Vijversburg

bij Tubbergen   Eeshof

bij Uithuizen   Menkemaborg

bij Utrecht   De Haar, Zuilen, Rhijnauwen

bij Velp   Biljoen, Rozendaal

bij Vollenhove   Vleuten   Haarzuilens

Toutenburg



bij Voorschoten   Duivenvoorde

bij Vught   Zwijnsbergen

aan de Waal   Doddendael

aan Waal en Maas   Loevestein

op Walcheren   Ter Hooge

bij Wedde   Wedderburcht

in het Westland - Staelduyn

aan de IJssel   Middachten

bij Zuid laren   Laarwoud

bij Zutphen   Voorstonden, Vorden

bij Zwagerveen - Fogelsanghstate

burcht in Friesland   stins

burchtheer   baron, kasteelheer, kastelein, slotheer

burcht of slot - kasteel

burcht op Bali - poeri

burchttype - motte-et-bayle, ronding, slotsteen, stienhûs, stins

burchtvoogd - slotheer

bureau – bureel, buro, kantoor, office, secretarie, secretaire, schrijftafel, werkkamer, werktafel

bureau tot het uitrusten van schepen – rederij

bureau van de secretaris - secretariaat

bureau van een commissaris - commissariaat

bureau van een gezantschap   kanselarij

bureau voor administratie   secretarie

bureau voor muziekauteursrecht – Buma

bureau voor uitrusten van schepen - podesta, podestaat, rederij

bereel – bureau, kantoor, schrijftafel

buren – naaste, omwoners

burg   citadel, burcht, kasteel, slot, veste

burgemeester   maire, burg., starost

burgemeester (Eng.)   mayor

burgemeester (Sp.)   alcalde

burgemeester in de middeleeuwen en onder het fascisme (It.)   podesta

burger   bourgeois, filister, ingezetene, onderdaan, plebejer, poorter, postieker, square

burger van het oude Rome - Romein, quiriet

burgerboterham - politiekje

burgerdeugd – civisme

burgerkleding - politiekje, postiek

burgerleger - militie

burgerlijk – bekrompen, bourgeois, civiel, eerbaar, fatsoenlijk, gewoon, netjes, square

burgerlijk armbestuur - aalmoezenierskamer, ba

burgerlijk recht - privaatrecht

burgerlijk Wetboek   B.W.

burgerlijke dag - etmaal

burgeroorlog - guerrilla

burgerrecht - indigenaat

burgerstand - bourgeoisie

burgerij – bourgeoisie, gemeente

burgerzin - civisme

burggraaf   vicomte, visc(ount)

burijn   graveernaald, stift, ponsoen

burlesk   grappig, kluchtig, koddig

burin - buurvtouw

Burmese munt   kyat, pjas

Burma, hoofdstad van - Rangoon

Burma, rivier in - Awa, Irrawaddy, Sanlwin, Sittong

Burma, stad in - Akyab, Ava, Bassein, Mandalai, Mulmay

Burmese volksgroep - Karen, Mon, Pjoe, Thai

burrie   berrie, brancard, draagbaar, lamoen

burijn –etsnaald, graveernaald, stift

bus – autocar, blik, doos, fonds, koker, syrinx, trommel

bus met chauffeur zonder conducteur - eenmanswagen

bus met schroot en kogeltjes   kartets

busboom - buksboom, taxisboom

bush-bush – jungle, oerwoud, rimboe, woldernis

bushel   bs.

bussel - bos, bundel

business –handel, zaak, zaken

buskruit – pulver, trotyl, dynamiet , springstof

buste   boezem, borst(beeld), paspop

bustehouder   b.h., bra(ssière), beha, suspensorium

bus voor kolen - kolenkit

butaan - butagas

butler   bediende, dienaar, huisbediende, huisknecht, lakei, valet

butoor   lomperd, roerdomp

buts   bluts, bult, deuk

butsen – deuken, uitdeuken

butskop - stormvis

button – badge, tekstplaatje

butylalcohol - butanol

buur   buurman, naast wonende

buurland van Israël   Moab

buurman   buur, naber, nabuur

buurschap - buurt, gehucht, kwartier, nabijheid

buurt   gehucht, kwartier, ongeving, omstreken, stadsdeel, werf, wijk

buurt aan de Regge   Eerde

buurt bij Gelders Laren   Eksel

buurt bij Gramsbergen   Ane

buurt in Amsterdam   Jordaan, Kattenburg, Pijp

buurt in Rotterdam   Charlois, Katendrecht

buurt onder Borger   Ees

buurt onder Diemen   Sniep

buurten – bezoeken, opsteken

buurtschap – dorpje, gehucht, maalschap, vlek, werf, wijk

buurtschap (Fries) - hammerke, hamrik, hemrik

buurtschap in n.w. Overijssel - onna

buurtspoorweg – lokaalspoor, lokaaltrein

buurvrouw – burin, naastwonende

buut   doel, mikpunt, oogmerk, wit

Buzzer – zoemer

bij de Romeinen de 15e in div. maanden - idus

bij een openbare verkoping bij afslag koper worden - mijnen

bij een rekening - summatie

bij gelegenheid - okkasioneel

bij het afromen van melk gebruikt vat - aad, ade

bij het volk geliefd – populair

bij name - nominatim

bij- of verziendheid - ametropie

bij overeenkomst - adjectum

bij overeenkomst bepalen - bedingen

bij vergissing - abusief, abusievelijk

bij voorbaat - provisoir, provisioneel

bij voorbaat wapenen - premuneren

bij voortduring - nog

bij wijze van voorzorg – precautioneel
Byzanthisme - haarkloverij, ogendienaar

Byzantijns   kruiperij, Oost-Romeins, slaafs

Byzantijns apostel - Cyrillus, Methodius

Byzantijns keizer(in) -


3 Leo, Zoë

5 Fokas, Irene, Izaak

6 Manuel, Zenoon

7 Alexios, Ariadne, Eudoxia, Michaël, Romanus

8 Arkadios, Basilios, Johannes, Justinus, Konstans,

Leontios, Prokopia, Theodora, Tiberius

9 Alexander, Bascleios, Marcianus, Mauritius,

Nikeforos, Theodorus, Theofilos

10 Anastasios, Andronikos, Filippikos, Herakleios,

Konstantijn, Nikephoras, Staurakios, Theodosios,

Theodosius, Theophilos

11 Justinianus



Byzantijns keizerin – Irene

Byzantijns kerk - Hagia, Katholikon, 12 Kloosterkerk, San Marco, Sphia, St. Vitale

Byzantijns liturgische boek - euchologion

Byzantijns motief - etimasia

Byzantijns veldheer - Narses

Byzantijns roei-oorlogsschip - dromone

1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina