Baken I rijn- en binnenvaartmuseum (1)



Dovnload 70.32 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte70.32 Kb.
BAKEN I – RIJN- EN BINNENVAARTMUSEUM (1)
Je wandeling start aan het Bonapartedok (2), en wel op de Nieuwpoortkaai. Met hun boeg tegen de kaai – in zeemanstaal: kops afgemeerd – liggen hier drie binnenschepen. Samen vormen ze het Rijn- en Binnenvaartmuseum (1). Ga gerust aan boord en maak kennis met schipper Lionel en zijn vrouw Maria. Zij zullen met plezier op al je vragen antwoorden en uitleg geven.
HET HARDE LEVEN VAN BINNENSCHIPPERS

- Varen met een ‘binnenman’ was en is nog altijd een gevaarlijk beroep. Ontelbare schippers én hun familie stierven de verdrinkingsdood na een aanvaring, een stranding of door het kapseizen (plotseling omdraaien) van hun vaartuig.

Om uiteenlopende gevaarsituaties aan te duiden – motorpech, het in- en uitvaren van de sluizen, elkaar verkeerd passeren enz. – en hun collega’s te waarschuwen gebruikten schippers verschillende soorten dagmerken. Het museum toont enkele exemplaren in het ruim van het schip-met-de-mooie-naam ‘Mon désir’

- Met je pas verworven zeemansbenen ga je vervolgens aan boord van de ‘Liomar’ (jawel, van Lionel en Maria), waar onder meer Belgische scheepsmotoren worden tentoongesteld. Die geven je een goede indruk hoe binnenvaartschepen werden voortgestuwd.

- Aan boord van schip nummer drie, de ‘Angèle’, bevindt zich een cafetaria. Hier maak je aan de hand van een fotocollectie kennis met het (harde) leven van een schippersfamilie. Een filmpje laat binnenschippers aan het woord over hun bestaan.
Boeiend om te weten

Het Rijn- en Binnenvaartmuseum is een privé-initiatief en wordt door vrijwilligers in stand gehouden. Om in het onderhoud van de collectie en de drie vaartuigen te voorzien vinden er jaarlijks ‘Open Scheepvaartdagen’ plaats. Dit volstaat niet om alle kosten te dekken en de collectie eventueel uit te breiden. Meer nog: dit museum is een voorbeeld van erfgoed dat in gevaar dreigt te verkeren.
Terug aan wal is het tijd voor je eerste wedstrijdvraag.

VRAAG 1

Je bent net aan boord van een stalen spits (een binnenvaartuig) uit 1913 geweest, waar je kennismaakte met een deel van de collectie van het Rijn- en Binnenvaartmuseum (1). Neem de 7de letter van de scheepsnaam en noteer die op je antwoordblad achteraan in dit boekje.

Het antwoord gevonden? Prima!


BAKEN II – HET BONAPARTEDOK (2)
Dit lijkt misschien een wat vreemd baken, omdat we je hier onder meer wijzen op iets dat… er momenteel (nog) niet is! Je kan hier aan boord stappen van het lichtschip West-Hinder III (3), en over enkele jaren verwachten we je hier terug voor een bezoek aan het Museum aan de Stroom (4).

Kijk bij het Bonapartedok (2) – dat is op zichzelf de moeite waard! – even om je heen. Richting Schelde zie je het Loodswezengebouw (6) en even rechts daarvan de fraai gerestaureerde sluismeesterswoning (nu een restaurant). Aan je rechterzijde ligt de hotelboot ‘Diamond Princess’ (5) (permanent) aan de kade afgemeerd. Daarnaast is de vaste ligplaats van het lichtschip West-Hinder III (3).
EEN KEIZERLIJK DOK

Het Bonapartedok is een fraai stuk erfgoed. In 1803 gaf Napoléon Bonaparte het bevel in deze omgeving 1300 woningen af te breken en de vlieten – dat zijn inhammen van de Schelde – droog te leggen. Vier jaar later ging de eerste spade in de grond en in 1811 kon het eerste schip in het Bonapartedok afmeren. De bouw ervan was een huzarenstukje, waar de keizer terecht trots op was: de dokken werden met de hand uitgegraven, kregen bakstenen kaaimuren en werden afgedekt met een arduinen boordsteen. We mogen ze als de wieg van de Antwerpse getijdenvrije haven beschouwen. Het Bonapartedok heeft vandaag een lengte van 217 meter en een breedte van bijna 175 meter. Het water is er meer dan 6 meter diep.


Boeiend om te weten

Een deel van het Bonapartedok is in de jaren 1970 ‘geamputeerd’ omdat er voor het steeds drukkere verkeer een rijweg (de Rijnkaai) moest worden aangelegd. Van het zogeheten ‘benedenhoofd’ (dat is de kant van de rivier) bijvoorbeeld resten alleen nog de twee kaaimuren uit de jaren 1860. Die werden in 1996 opgenomen op de lijst van beschermde monumenten.

Laat je overigens niet misleiden door de namen: wat nu een plezierhaven is – het huidige Willemdok, het grotere van de twee dokken – is óók door Napoleon gegraven. Zijn Bonapartedok wordt ook wel ‘museumdok’ genoemd!
EEN DRIJVENDE VUURTOREN

Een lichtschip als de West-Hinder was een soort drijvende vuurtoren. Het was bemand en lag op een vaste ankerpositie. Het schip waarschuwde naderende schepen voor gevaren. In het geval van de West-Hinder was dat voor de gelijknamige zandbank die voor de Belgische kust lag.

Wegens de hoge onderhoudskosten werd het schip in 1994 uit de vaart genomen en vervangen door een volautomatisch en onbemand lichtplatform. In 1995 werd het aan de stad Antwerpen overgedragen en momenteel maakt het deel uit van de collectie van het Museum aan de Stroom/Nationaal Scheepvaartmuseum. Het interieur bleef gaaf bewaard. Je kan er de machinekamer, het vooronder met de ankerkettingen, de kajuiten en de commandobrug bezoeken.
EEN BAKEN IN DE DUISTERNIS

Van 4 juni tot 30 oktober 2005 loopt in het Nationaal Scheepvaartmuseum de tentoonstelling ‘Een baken in de duisternis. De geschiedenis van lichtschepen en vuurtorens in België’. Dat is een internationaal project van een achttal musea aan de Noordzeekust. Het verhaal begint in de Middeleeuwen met de eerste vuurtoren (Nieuwpoort, 1284) en gaat tot de opruststelling van het laatste Belgische lichtschip. Dat was de… West-Hinder III (1994).

Je kan er ook een film bekijken over het leven aan boord van een lichtschip. Het bijzondere is dat hij is gemaakt door de opvarenden zelf. Duur: 20 min.
Boeiend om te weten

Een lichtschip is eigenlijk een baken. Zoals veel woorden uit de schipperstaal is ook ‘baken’ binnengedrongen in uitdrukkingen waarvan de betekenis niet noodzakelijk nog veel met water te maken heeft. Ken je deze: ‘als het tij verloopt, moet men de bakens verzetten’? Het spreekwoord betekent dat je je moet aanpassen aan veranderende omstandigheden.

VRAAG 2

Op welke ‘plaats’ zal het Museum aan de Stroom (4) gebouwd worden? Je neemt de naam en daarvan heb je de 1ste letter nodig. Vergeet hem niet in te vullen op je antwoordblad.
BAKEN III – HET LOODSWEZENGEBOUW (6)
Onze volgende halte is het Loodswezengebouw (6), sinds 1895 een baken voor de langsvarende scheepvaart. Stap langs de Sint-Aldegondiskaai en loop tot aan de oversteekplaats voor voetgangers. Aan de overzijde van de Tavernierkaai ga je naar rechts en achter het plantsoen weer naar links.

Je loopt tot aan de Scheldeboord, waar de boeienleggers (8) afgemeerd liggen. Op het plein voor het gebouw zelf – of beter van op het bordes – heb je een uniek uitzicht over de rivier en Linkeroever. Je bevindt je hier op het werkterrein van DAB-Vloot van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, een Dienst die Afzonderlijk Beheerd wordt (vandaar DAB) en die verantwoordelijk is voor de bebakening van de binnen- en kustwateren.

Rechts van het Loodswezen staat het Boeienmagazijn (7) dat in 1899 gebouwd werd. Dit mooie gebouw is zeker de moeite waard om eens van dichtbij te bekijken.
Hieronder vind je nog enkele sleutelbegrippen in verband met het maritieme erfgoed dat je hier tegenkomt.
BAKENS…

Een schip moet veilig kunnen navigeren. Alle vaste en drijvende voorwerpen die daarvoor zorgen, noemen we samen de ‘vaarwegmarkering’. Wat valt daaronder? Een lichtplatform, een vuurtoren, een baken met of zonder licht, maar ook een lichtschip, een boei, een ton…

Tot in de jaren 1960 had zo ongeveer elk land met een kust zijn eigen signalisatie. Dat probleem is nu opgelost: eerst met twee systemen en sinds kort zijn die tot één systeem gecombineerd. Dat is vanzelfsprekend veiliger, omdat er dan minder of geen kans meer is op verwarring.
…EN BOEIEN

Om veilig te navigeren worden er vaarwegen gemarkeerd. Dat gebeurt door boeien en tonnen ‘uit te leggen’ (zo noemt men dat). Samen vormen ze ‘de betonning’. Ze helpen de kapitein van een schip om gevaren te ontwijken: ondiepten, zandbanken, een rif, een wrak van een gezonken vaartuig enz. Het kan het verschil betekenen tussen leven en dood.

Boeien kunnen nog andere ‘taken’ uitvoeren. Tot ver in de oceanen liggen meteorologische reuzenboeien die allerhande waarnemingen verrichten. Denk maar aan de boeien die in de Stille Oceaan verankerd liggen om zowel de Japanse als de Amerikaanse kusten voor dreigende vloedgolven (tsunami’s) na oceaanbevingen te waarschuwen.
Van een primitieve rieten of houten uitvoering evolueerde de boei tot een soms meer dan 12 meter hoge mastodont. Ze worden zo gebouwd dat ze over voldoende drijfvermogen beschikken, hebben verschillende vormen, worden geschilderd in allerlei kleuren en uitgerust met allerhande lichten. Welke, dat hangt af van het soort markering: gaat om laterale markeringen, kardinale markeringen, losliggend gevaar-markeringen, veilig vaarwater-markeringen of bijzondere markeringen? De boeienstoet is eindeloos, zoals blijkt uit de vele benamingen: lichtboei, brulboei, radarboei, wrakboei, sparboei, meerboei, reddingsboei, ankerboei enz.

[KADER]


ANTWERPSE BOEIENLEGGERS

Het schip dat instaat voor het leggen en het onderhouden van de boeien op de Schelde heeft zijn vaste aanlegplaats voor het Loodswezen. De dienst DAB-Vloot beschikt over twee boeienleggers, waarvan één permanent bemand is.


[KADER]

WEGEN OP HET WATER


Kunnen schepen botsen? Ja, dat kan. Boeien moeten juist botsingen voorkomen.

- Kom je vanuit zee en vaar je de Schelde op, dan wordt de vaargeul aan de rechterzijde (dat is stuurboord) gemarkeerd door spitsvormige, groene boeien met een groen licht (met lichtkarakter naar keuze) en een oneven nummer. De linkerzijde (bakboord) wordt gemarkeerd door cilindrische, rode boeien met een rood licht (met lichtkarakter naar keuze) en voorzien van een even nummer.


- Ligt er op de vaarroute bijvoorbeeld een gevaarlijk wrak, dan kan men dat aan de schepen kenbaar maken met zogeheten ‘kardinale boeien’. Die geven een bepaald (gevaarlijk) punt aan. Ze zijn zwart/geel met een wit licht en liggen in de richting van de vier hoofdwindstreken. Schepen weten dan perfect aan welke zijde ze veilig het gevaarlijke obstakel kunnen voorbijvaren.
- De vaargeul wordt aan de zijkanten aangegeven met ‘laterale markeringen’. Die worden genummerd, te beginnen het dichtst bij de zee en zo stilaan richting haven.

[EINDE KADER]

Boeiend om te weten

Moderne rivierboeien zijn 5 à 6 meter hoog. Ze worden in de rivier verankerd met een lange ketting (ca. 30 meter) en een enkele of dubbele betonnen steen (1,5 à 2 ton). In het water bedraagt hun diepgang ongeveer twee meter. Het licht straalt dus minstens drie meter boven het wateroppervlak. Theoretisch moet dat dan van 3,5 tot 4 zeemijl ver te zien zijn (ca. 7400 meter). De meeste boeien hebben een radarreflector. Het licht wordt gevoed door zonnepanelen. Boeien kunnen ook uitgerust zijn met een misthoorn, klok en fluit.

VRAAG 3

De kunstenaar die het Monument voor de Gesneuvelde Zeelieden (12) maakte – vlak bij het Loodswezengebouw (6) –, vermeldde maar liefst driemaal zijn naam op het monument. Neem de 2de letter van zijn voornaam en vul die in op je antwoordblad.

BAKEN IV – DE ‘OUDENAARDE’ EN DE ‘AMICAL’ (11) / HET MARITIEM PARK (13)


Ga terug naar de straat en vervolg je weg langs het Margueriedokje (10), richting Noorderterras (ook wel ‘Wandelterras Noord’ genoemd). Je loopt even langs de waterkeringsmuur en komt voorbij de ‘laatste rustplaats’ van metalen ex-boeien (9). Dat is op zichzelf een brok maritiem erfgoed die het behouden meer dan waard is. Wandel stroomopwaarts tot aan de stoomsleepboot ‘Amical’ en de mijnenveger ‘Oudenaarde’ (11). Ze liggen aan wat eens de kademuren van de Koolvliet waren. Die zijn gemarkeerd met stroken blauw asfalt.

Voor het Maritiem Park (13), een deel van de collectie van het Museum aan de Stroom/Scheepvaartmuseum (14), ga je straks verder langs het wandelpad.

MIJNEN VEGEN EN BOTEN SLEPEN



- De ‘M 477 Oudenaarde’ is een mijnenveger die zijn werk deed in ondiep water, zoals rivieren en kustgebieden. Het schip werd tussen 1957 en 1959 gebouwd, samen met 15 identieke schepen, op een werf in Kruibeke. De romp is volledig in hout, bedekt met kunststof, en de schroeven en het roer zijn van brons. Hierdoor kon de ‘Oudenaarde’ ongehinderd in een magnetisch mijnenveld opereren. België heeft een stevige reputatie als het op mijnenvegen aankomt.

Even raden hoe lang en hoe breed dit schip is? 34,5 meter lang en 6,7 meter breed.
- De ‘Amical’ (Dordrecht, 1914) was de laatste Belgische stoomsleepboot. Voor W.O.II bestond de vloot binnenvaartuigen vooral uit vaartuigen zonder motor. Om ze op hun bestemming te krijgen werden tegen betaling sleepboten ingezet, zoals de ‘Amical’ er een is. In 1986 schonken de eigenaars hun boot aan het Scheepvaartmuseum.

Deze twee vaartuigen worden door vrijwilligers onderhouden. Dit is opnieuw waardevol maritiem erfgoed, dat echter door een gebrek aan middelen bedreigd is.
Boeiend om te weten

De Belgische Zeemacht – nu officieel ‘Marinecomponent’ – werd na de Tweede Wereldoorlog (1946) opgericht. Haar voornaamste taak bestond erin de kusten en rivieren van mijnen te vrijwaren en konvooien te begeleiden.



Tijdens de Koreaanse Oorlog in de jaren 1950 stuurde de Zeemacht haar troepentransportschip ‘Kamina’ uit. Een gedenkplaat op de kaai (ter hoogte van achterschip van de ‘Oudenaarde’) herinnert daaraan.

SCHEPEN ‘OP DEN DROGE’: HET MARITIEM PARK

In 1974 kreeg het Scheepvaartmuseum van het stadsbestuur het grootste deel van Hangar 22 toegewezen als ruimte voor een openluchtmuseum. Er liggen vandaag allerlei types vaartuigen.

Enkele aanraders (te beginnen het dichtst bij het Steen). Voor de mysterieuze namen van de types verwijzen we je naar de bezoekersgids van het Scheepvaartmuseum:



  • de prachtige sleepspits ‘Lauranda’ uit 1926, 38,5 meter lang;

  • de klipperaak ‘Sint Antonius’, die vorig jaar zijn 90ste verjaardag vierde (in gebruik genomen in 1914);

  • het houten walenschip ‘Cephée’, een jaag- of sleepschip, zoals de ‘Amical’. Schepen zonder motor, zoals dit er een is, werden dikwijls door een paard ‘gejaagd’ (lees: voortgetrokken) langs een jaagpad, als de schipper dit kon betalen. Anders was slepen vrouwen- en kinderwerk. De ‘Cephée’ heeft daarom halfweg of midscheeps een… paardenstal. De schippersfamilie sliep in het vooronder (de boeg) of buiten aan dek;

  • de riviersnelboot ‘P 905 Schelde’ maakte deel uit van de Rijnflottielje. Die werd in 1953 door de Belgische Zeemacht opgericht om op de Rijn te patrouilleren. De ‘Schelde’ moest echter onmiddellijk worden ingezet bij de grote overstroming van 1953 in Zeeland (Nederland) en was ook actief in Belgisch Congo. Het interieur is vrijwel intact. Dat zie je als je aan boord gaat;

  • de collectie vissersvaartuigen bevat een palingschuit, een jol en de hoogaars BRU 24, die vooral voor de mosseloogst en garnalenvangst werd ingezet;

  • ten slotte is er het ruime assortiment kleine vaartuigen: van roeiboten, bijboten en reddingsboten tot pleziervaartuigen. Het kajuitjacht ‘Het Gilde’ verdient je speciale aandacht. Het is een omgebouwde reddingssloep van de legendarische ‘Belgenland II’, waarover je meer verneemt in het Scheepvaartmuseum.


Boeiend om te weten I

Kijk ook eens naar het afdak dat al dit moois beschermt. Het is op zichzelf een stuk erfgoed en dateert van het eind van de 19de eeuw. Er verrezen toen op de kade 27 van deze afdaken. Daarvan zijn er al een aantal afgebroken. Afdak 22 is een van de gaafst bewaarde. Aan de kant van de stad zijn de ‘frontons’ kunstig uitgewerkt: je ziet plantenmotieven, een anker en een wapenschild met daarop de attributen van de Romeinse god van de handel Mercurius (de helm met de vleugels). In elke knik van het dak prijkt het schild van Antwerpen.
Boeiend om te weten II

Dit afdakken-verhaal heeft ook een minder mooie kant: afdak 22 staat pal boven de fundamenten van het middeleeuwse Antwerpen. Voor de aanleg van de huidige Scheldekaaien werden vanaf 1877 maar liefst zeshonderd huizen afgebroken en bijvoorbeeld ook wat er nog restte van de oude Sint-Walburgiskerk. Wie dit weet, gaat het Steen misschien met andere ogen bekijken. Het staat er vandaag wat verweesd bij, als enige getuige van een verdwenen stad. Deze drastische en dramatische ingreep – het woord ‘aanslag’ is op zijn plaats – maakte dat Antwerpen en zijn bewoners eigenlijk van de rivier werden afgesneden, tot op vandaag. Van erfgoed in gevaar gesproken… Erfgoed en andere belangen, het blijft vaak een moeilijk huwelijk, zoals handelsgod Mercurius lijkt te willen zeggen.


VRAAG 4 (bij afdak 22, Maritiem Park)


In het Maritiem Park (13) ligt er één zogeheten ‘waal’ (dat is de naam van een scheepstype). Neem de 1ste letter van de naam van dat schip en vul die in op je antwoordblad.
BAKEN V – STEEN (14) / WATERKERINGSMUUR
Verlaat het Maritiem Park (13) en ga rechts tot aan de helling van het Steen, die je opgaat. Ga binnen in het Scheepvaartmuseum, dat sinds kort officieel heet: ‘Museum aan de Stroom/collectie Nationaal Scheepvaartmuseum’ (14).

EEN MULTIFUNCTIONEEL GEBOUW…

Delen van het Steen behoren tot de oudste bouwwerken van Antwerpen, maar het geheel is eigenlijk een ‘neogotisch kasteel’ van het eind van de 19de eeuw, meer middeleeuws ogend dan het ooit is geweest. Eeuwenlang functioneerde het gebouw als gevangenis (en folterruimte). Dat bleef het tot 1827. Voor hier in 1952 het Scheepvaartmuseum kwam, deed het ook dienst als houtzagerij, appartementsgebouw en sinds 1862 als Museum voor Oudheden.

Het Steen wacht binnenkort weer een nieuwe levensfase, als het museum verhuisd is naar het Museum aan de Stroom. En voor we het vergeten: de naam ‘Steen’ houdt verband met het feit dat het een van Antwerpens eerste gebouwen… in steen was.


Boeiend om te weten

De Schelde is een getijrivier, een van de langste van Europa. Tweemaal per dag is er hoog- en laagwater. Dat is voel- en meetbaar tot in Gent. Het getij wordt grotendeels veroorzaakt door de aantrekkingskracht van de maan.

Vandaag 17 april is het laagwater om 04.47 uur, hoogwater om 10.40 uur en weer laagwater om 17.27 uur. Het niveauverschil tussen hoog- en laagwater – men noemt dat ‘het amplitudo’ – bedraagt vandaag 3.85 meter, maar dat verschilt dagelijks. Bij volle en nieuwe maan is er een hoge getijgolf, bij het eerste en laatste kwartier is die golf merkelijk lager. Op zondag 27 maart, twee dagen na volle maan, bedroeg het amplitudo 6,09 meter.
Boeiend om te weten

De nacht van 31 januari op 1 februari 1952 is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Lage Landen. Aanhoudende noordwesterstormen, in combinatie met springtij, stuwen het water in het Scheldebekken dan tot alarmhoogte op. De luchtdruk is extreem laag en het Scheldewater vindt door de aanhoudende stormwind geen uitweg. Het ochtendtij van 1 februari is zo hoog dat de dijken in Zeeland en Vlaanderen het begeven. Het water stroomt de polders in, met vreselijke gevolgen. In Antwerpen bereikt het een recordhoogte. Grote delen van de stad lopen onder.

EEN MUUR TEGEN HET WATER

Op het einde van het wandelterras heb je een mooi uitzicht op de afdaken en op de waterkeringsmuur. De plannen voor de bouw daarvan kwamen (letterlijk) in een stroomversnelling na de hoge waterstand van 3 januari 1976 en de overstromingsramp in Ruisbroek. Er werd toen in het college beslist een waterkerende muur te bouwen van bijna 7000 meter lang, waarvan 5000 in gewapend beton en 2000 meter aarden dijk. De werken werden eind 1977 aangevat en in juni 1979 voltooid. Kostprijs: 159 miljoen oude franken of bijna 4 miljoen euro.


De muur – in de vorm van een L met aan weerszijden een uitgebreid voetstuk – is 2,8 meter hoog, waarvan 1,3 meter boven de grond. Per lopende meter betekent dat een gewicht van ca. 2800 kilogram. Op 27 plaatsen werden waterkerende rolpoorten ingebouwd (met 9 meter doorrijdbreedte). Die worden gesloten als er gevaar dreigt.
De muur beschermt Antwerpen en zijn bewoners nu tegen een waterhoogte van 8,35 meter TAW (Tweede Algemene Waterpassing, een nieuwe manier om waterhoogten ten opzichte van een soort zeeniveauvlak uit te drukken). Ter vergelijking, en zonder dat we hier verder ingaan op deze technische materie: op 1 februari 1952 noteerde men in Antwerpen een peil van 7,77 meter boven TAW.
Boeiend om te weten

Tijdens de werken aan de waterkeringsmuur kwamen allerlei interessante archeologische vondsten aan de oppervlakte. Zo stootte men op het Steenplein onder meer op massief metselwerk en grote kelders met gewelfzolderingen. (Niet meer te zien.)

Boeiend om te weten

Getijden worden veroorzaakt door de aantrekkingskracht van zon en maan. Omdat de maan dichter bij de aarde staat, is haar invloed tweemaal groter dan die van de zon. Als zon en maan voor een waarnemer op aarde in elkaars verlengde staan, is de aantrekkingskracht groter dan als ze tegenover elkaar staan.

Nu draait de maan in een cyclus van ca. 27,5 dagen rond de aarde. Daardoor komt ze tweemaal (zowat elke 13,75 dagen) in lijn met de zon te staan. We spreken dan van ‘volle’ en ‘nieuwe’ maan. Die standen veroorzaken een hogere getijgolf dan normaal: we noemen dat ‘springtij’. Als zon en maan elkaar tegenwerken (‘eerste’ en ‘laatste’ kwartier), wordt een lagere getijgolf opgewekt: in vakjargon ‘doodtij’.

Per 27,5 kalenderdagen is het dus tweemaal springtij en tweemaal doodtij. Maandagvoormiddag 11 april en maandag 25 april 2005 is het springtij. Het water zal dan in Antwerpen een voorspelde hoogte van respectievelijk 5,79 meter en 5,92 meter boven TAW bereiken.

Mar de hoogte van een getijgolf hangt niet alleen af van zon en maan. Ook de windkracht en -richting spelen een rol. Aanhoudende krachtige winden kunnen het water opstuwen, met extreem hoge waterstanden als gevolg.




VRAAG 5

Aan de voet van de helling naar het Steen (14), tegenover de waterkeringsmuur, vind je, verscholen in de struiken, een gedenksteen. Noteer de 1ste letter van de eerste voornaam van de man voor wie hij is opgericht op je antwoordblad.

BAKEN VI – MUSEUM AAN DE STROOM/COLLECTIE NATIONAAL SCHEEPVAARTMUSEUM I (14)


Het museum heeft een vast en ‘dwingend’ parcours, van zaal I tot en met zaal XI. Het vertelt het verhaal van de zee, van de schepen die haar bevoeren en van havenstad Antwerpen. De collectie, die van in de 19de eeuw stelselmatig wordt uitgebreid, telt zo’n 100.000 objecten, waarvan het grootste deel zich in de depots bevindt. Dan nog kunnen we op deze rally onmogelijk ‘alles zien’. We zetten de museumkramp van ons af en concentreren ons op enkele facetten van ons thema: ‘Gevaar’.
ZAAL III – GELOOF EN BIJGELOOF IN DE KAPEL

Schipbreuk en scheurbuik

Dit is de voormalige huiskapel van het Steen uit 1520, een passende omgeving om het over geloof en bijgeloof te hebben. De meeste zeelui waren diep- én bijgelovig. Ze werden dan ook door allerlei onheil belaagd: storm, mist, schipbreuk, scheurbuik, voedselvergiftiging, dood en verderf… het viel hen allemaal te beurt. De dood reisde mee. Uit onderzoek blijkt dat aan het begin van de eeuw gemiddeld 14% van de opvarenden tijdens de reis stierf, later zakte dit cijfer tot ongeveer 8%.
Zeemansgraf

Als laatste rustplaats kreeg de overleden scheepsgezel of passagier een zeemansgraf. Het lijk werd in zeildoek genaaid; meestal was dat de eigen hangmat. Om absolute zekerheid te hebben werd de laatste steek door de neus van het lijk gestoken. Het lichaam werd verzwaard met stenen, op een plank gelegd en na een kort gebed in aanwezigheid van alle opvarenden aan de zee toevertrouwd.


Sint-Niklaas

Een voorspoedige reis kon je bijvoorbeeld afsmeken door een model van het schip aan de Allerhoogste of een beschermheilige te schenken, als een soort offergave. Dat heet een ex-voto. Aan de zoldering hangt een prachtexemplaar uit de 18de eeuw. Te pas en te onpas werd de heilige Nicolaas van Myra te hulp en ter bescherming aangeroepen.


Zeemeerminnen en -mannen

Zeelui waren (en zijn) goed in het opdissen van wonderlijke verhalen. Denk maar aan Sindbad de zeeman of de Reis van Sint-Brandaan. Het wemelt er van de mythologische wezens en gevarenzones. Zeemeerminnen en zeemannen, Neptunus, de Nereïden… Je vermeed ze beter.

Een talisman kon bescherming bieden. Een getuige daarvan zijn de indrukwekkende hoorns van de walvisachtige narwals in deze zaal. Daarvan werd beweerd dat ze eigenlijk van de mythologische ‘eenhoorn’ afkomstig waren en dat ze bescherming boden. Men wikkelde ze in mooie foedralen.

ZAAL IV – WAAR DE KLOK BLEEF STILSTAAN

11 april 1906. Het opleidingsvaartuig ‘Comte de Smet de Naeyer’ vertrekt uit de haven van Antwerpen naar Zuid-Afrika, met 59 man aan boord, onder wie 30 leerlingen (‘kadetten’). Een goede week (19 april) later slaat het schip in de Golf van Gascogne lek, maakt slagzij en zinkt. Drieëndertig opvarenden, van wie 18 kadetten, verdrinken.

Matroos Gérard De Necker graait nog snel zijn zakhorloge mee en springt van het zinkende schip. Hij overleeft de ramp. Zijn horloge – het ligt in de vitrinekast rechts van de deur – is op tien over zeven blijven stilstaan. Een momentopname.

ZAAL VIII – KNOPEN EN STEKEN, EEN KWESTIE VAN LEVEN EN DOOD

Het touwwerk aan boord van een schip – en zeker van een zeilschip – was en is een zaak van leven en dood. Je moet het onderhouden, op tijd vervangen, onlosmaakbaar knopen, je moet tot honderden steken kennen… Al dat naaien, splitsen, knopen en steken, kortom het onderhoud van al het zeil- en touwwerk, noemen we het schiemanswerk. Wist je bijvoorbeeld dat een tros, dat is een dik touw, tot 50 cm omtrek kan hebben?

In deze zaal zie je een aantal toepassingen van touwwerk, met de werktuigen die daarbij horen. Die dragen mooie namen: marlpriemen, wantschroeven, kleedkuilen…

VRAAG 6


In zaal VIII gaat het ook over scheepsbouw en tewaterlatingen. Je vindt er een groot diorama waarop je de bouw van een schip kunt volgen. Daartegenover hangt een mooi werk van de marineschilder Egide Linnig (1821-1861).

Op Antwerpse werven gebruikte men een speciale term om een schip te water te laten. De laatste letter (de 7de) van dit werkwoord in de zin ‘Het schip werd …..’ heb je nodig.

BAKEN VII – MUSEUM AAN DE STROOM/COLLECTIE NATIONAAL SCHEEPVAARTMUSEUM II (14)


In zaal IX en X vertelt het museum het verhaal van de westerse (en ook een beetje van de Chinese) scheepvaart. We kunnen ons nauwelijks nog voorstellen hoe gevaarlijk varen wel kon zijn. Of misschien toch, dankzij een vergelijking: varen op zee zonder instrumenten – zoals dat lange tijd gebeurde – is net als in een onmetelijke, pikdonkere ruimte je weg naar de enige uitgang zoeken. En dan zwijgen we nog over stormweer, verkeerde windrichtingen, kapers (al dan niet op de kust) enz.

Zaal X laat ook zien hoe de Antwerpse haven groeide en wat dat bijvoorbeeld in de 19de eeuw aan erfgoed heeft gekost. Met die problematiek maakten we al kennis in Baken IV.

Een bezoek aan het Scheepvaartmuseum eindigt in de Raadzaal. Daar kun je een paar blikken op Antwerpen werpen. Op doek, weliswaar.
ZAAL IX – VAN VAREN ‘IN HET WILDE WEG’ TOT VAREN OP DE CENTIMETER

De eerste zeevaarders richtten zich op de zon, de maan en de sterren. Ze voeren vooral langs de kusten, dat was veiliger. Met een peilstok of lood maten ze de waterdiepte.

Het is aan de Chinezen te danken dat de magneetstenen (het kompas) in de zeevaart werden geïntroduceerd. Hierdoor konden zeevaarders beter hun richting (of koers) bepalen. Een aantal vernieuwingen danken we ook aan de Arabieren en de Polynesiërs. De geschiedenis van de scheepvaart is verre van alleen een westers verhaal…
Ook het meten van de tijd was eeuwenlang een probleem. De zandloper bracht hier slechts weinig soelaas en zeelui moesten wachten tot ver in de 17de eeuw voor ze een betrouwbare chronometer konden gebruiken.

Sindsdien is het hek voorgoed van de dam. Want een betere plaatsbepaling leidde tot betrouwbare zeekaarten en in het zog daarvan tot een veiliger navigatie. Vandaag zijn zeelui in staat om altijd en overal hun positie uiterst nauwkeurig te bepalen, tot op enkele centimeters na. Zo wordt het gevaar op een aanvaring of op ‘stranden’ veel kleiner.


ZAAL X – WEG VAN BELGIË MET DE BELGENLAND

In zaal X springt het opengewerkte model van de ‘Belgenland II’ in het oog. Het schip werd in 1923 in dienst genomen en was toen de grootste stoomboot die de Antwerpse haven aandeed. Zijn maten: 204 meter lang en een tonnenmaat van 27.132 ton.

De ‘Belgenland II’ was een schip van de Red Star Line, de rederij die van 1872 tot 1935 ongeveer drie miljoen mensen uit Europa naar Amerika voerde. Zij waren op zoek naar een beter bestaan. Antwerpen was een van de belangrijkste Europese emigratiehavens en de Red Star Line was ‘marktleider’ in de migratie.

De luxueuze schepen van de rederij herkende je aan hun naam (die eindigde altijd op ‘-land’), aan hun schouwen (zwart met een witte rand) en aan de vlag (wit met een rode ster).

Maar we mogen geen verkeerde indruk wekken: de ‘Belgenland II’ deed niet lang dienst als ‘migratieschip’. Aan de migratie kwam in de jaren 1920 stilaan een eind door de verstrengde immigratiewetten in de V.S. De ‘Belgenland II’ werd toen een luxecruiseschip.


VRAAG 7 (in de Raadzaal)

In de Raadzaal hangt een groot (1,75 op 3,3 meter) olieverfschilderij: ‘Gezicht op de rede van Antwerpen, 1658’. Herken je gebouwen die er nu nog staan? De schilder leefde van 1618 tot 1676 en kan dus bijvoorbeeld Rubens nog hebben gekend. Neem de 6de letter van zijn familienaam.


Boeiend om te weten



Ken je Lange Wapper? Deze Antwerpse sagenfiguur was een waterduivel die huisde in de vele grachten en vlieten die Antwerpen rijk was. Hij kon zijn lengte aanpassen (en dus ook ‘Korte Wapper’ worden.) Als kwelgeest had hij het vooral op stoute kinderen gemunt, maar ook van zatlappen had hij geen hoge pet op.

Hendrik Conscience gebruikte als eerste de mondeling overgeleverde verhalen over Lange Wapper om hem in zijn werk op te voeren (1836). In juni 1963 werd een beeldengroep onthuld van beeldhouwer Albert Poels aan de voet van de helling van het Steen: we zien Lange Wapper die dreigend boven twee dronkelappen uit torent. En in het Suske en Wiske-album De Zwarte Madam van Willy Vandersteen treedt Lange Wapper ook op.
BAKEN VIII – ZUIDERTERRAS
Steek het Steenplein (15) over waar aan het nieuwe ponton de schepen aanmeren, en ga de helling van het Zuiderterras op (totale lengte: ca. 400 meter) op. Je bevindt je nu ter hoogte van de kathedraal, nog altijd het trotse symbool van Antwerpen. Geniet op het terras van het weidse uitzicht over de stroom en Linkeroever. Als je ogen verzadigd zijn, ga je op het terras richting café Zuiderterras en dan de trappen af. Steek de straat over en begeef je naar de ingang van de Voetgangerstunnel (16).
WAT ZIET MIJN OOG?

Op het Wandelterras Zuid, zoals het officieel heet, kijken we naar Linkeroever, waar we ons zo meteen naartoe begeven. Dat ‘kijken’ betekent concreet, van links naar rechts:

- de lokalen van de FOS-Zeescouts

- het gebouw waar je straks de Sint-Annatunnel uit komt

- de Boeienweide

- de lokalen van de VVKS-Zeescouts

- de jachthaven

- en in de Scheldebocht begint het strand van Sint-Anneke

Boeiend om te weten

De ingang van de voetgangerstunnel bevindt zich aan de Sint-Jansvliet. Van de oorspronkelijke vliet blijft bijna niets meer over. Tot in de 19de eeuw was dit een bevaarbare inham. Daarvan resten nog slechts nostalgische foto’s.
VRAAG 8 (Zuiderterras, bij de plaats waar men fietsen verhuurt)

De helling op het Steenplein (15) die leidt naar het Zuiderterras wordt geflankeerd door twee imposante leeuwen. Die werden door de kunstenaar gehandtekend. Neem de 4de letter van de voornaam van de beeldhouwer en vul die in op je antwoordblad.

BAKEN IX – SINT-ANNATUNNEL (16) / BOEIENWEIDE (17)
We gaan ondergronds door de tunnel voor voetgangers (16) die onder de Schelde loopt, een belevenis op zich (totale lengte van de tunnel: ca. 500 meter!). Dit betekent dat we nu van Rechteroever naar Linkeroever trekken. We komen terug boven bij wat vroeger de parochie van Sint-Anneke was, een bijna legendarische plek voor Antwerpenaren. Je gaat naar rechts, waar de rally eindigt op de Boeienweide (17).
STAPPEN ONDER WATER

De voetgangerstunnel – sinds 1971 officieel de ‘Sint-Annatunnel – werd gebouwd in de jaren 1931-1933, mét lift en roltrappen. De lift was toen de grootste op het Europese continent (capaciteit: 80 personen). Op 10 september werd de tunnel samen met de Waaslandtunnel (‘de konijnenpijp’) ingehuldigd door koning Albert I.

Enkele cijfers: je bevindt je ongeveer 35 meter onder het water in een verticale schacht. Het gaanpad is 3,8 meter breed. Aan de tunnel werkten 3500 mensen. Kostprijs: 107 miljoen frank of ca. 2.650.000 euro.

BAKEN X – DE BOEIENWEIDE (17)
DE BOEIENWEIDE VROEGER…

Het verhaal van de Boeienweide begint in 1960, als de roemruchte Mercator uit de vaart wordt genomen. Dat schip was een symbool: van onze koopvaardij, van het maritiem onderwijs in België, van wetenschap (de Mercator ondernam onder meer een wetenschappelijke expeditie naar de Paaseilanden) en van nog veel meer. Zo repatrieerde het schip in 1936 het stoffelijk overschot van Belg der Belgen pater Damiaan.

Zo’n schip mocht niet worden gesloopt of verkocht! Op 25 mei 1961 huldigde de toenmalige prins Albert het op Linkeroever in als museum. De vzw Mercator wilde ook de omgeving van de ‘laatste rustplaats’ van de Mercator in de aandacht brengen. Al in 1961 werd hier een maritiem openluchtmuseum ingehuldigd, met stukken over ‘het leven langs en op de Schelde’: boeien, tonnen, ankers, schroeven, een lichttoren, een kanon enz.
… EN NU

De Mercator rust sinds 1964 in Oostende, een aantal voorwerpen is alweer verhuisd en het museum – in de volksmond ‘de Boeienweide’ – ligt er wat verweesd bij. In de toekomst zal het ‘maritiem openluchtmuseum Boeienweide’ deel uitmaken van het MAS. De ‘weide’ wordt volledig herdacht en heringericht.


VRAAG 9 Op de Boeienweide staat een infozuil. Lees deze aandachtig. Wat is de naam van het maritiem betonningssysteem dat wereldwijd erkend wordt? Neem hiervan de derde letter.
WAT ZIET MIJN OOG (BIS)?

Zo-even keken we op het Zuiderterras op Rechteroever naar waar we nu staan. Ook omgekeerd, van hieruit, is het panorama erg de moeite waard. Nu kijken we naar de Scheldekaaien en de oude stad. Je ziet het hele rallyparcours dat je hebt afgelegd:

helemaal in het Noorden ligt het Bonapartedok, waarachter het Museum aan de Stroom zal komen. Dan volgen het Loodsgebouw, het Maritiem Park en het Nationaal Scheepvaartmuseum (Museum aan de Stroom). De skyline bevat verder vijf monumentale kerken en de Boerentoren, de vele hangars, het wandelterras en ten slotte, in het zuiden, de fonkelende daken van het nieuwe gerechtsgebouw.
VRAAG 10 Als onderdeel van deze rally kwam je voorbij het openluchtgedeelte van het Nationaal Scheepvaartmuseum waar de boten op het droge liggen. Neem de eerste letter van het tweede woord van dit deel van het museum.
HET EINDE

Proficiat! Je bent aan het einde van de rally gekomen. Wij hopen dat je het leuk vond.

Door het oplossen van de vragen, heb je 10 letters gevonden. Daarmee kun je een woord vormen.

Een tip: wat we zoeken bevindt zich op het water.


EN HIER SCHRIJF JE HET WOORD DAT WE ZOEKEN


_ _ _ _ _ _ _ _ _ _

Colofon
Deze maritieme rally werd georganiseerd naar aanleiding van de Erfgoeddag over het thema ‘Gevaar’ op zondag 17 april 2005.


*Organisatie maritiem parcours

Toerisme Antwerpen (Vera Verschooren)/Koninklijke Gidsenvereniging van Antwerpen (Raymond Bogaert), Zeescouts FOS (Sarah Dubois) en Zeescouts VVKSM (Erik Bogaert), Museum aan de Stroom en Publieksbeleid musea, bewaarbibliotheken en erfgoed stad Antwerpen (Nele Vervoort en Ann Op de Beeck), Erfgoedcel (Vera De Boeck)

In samenwerking met het Ministerie van de Vlaamse gemeenschap – DAB Vloot
*Basisteksten rallybrochure

Raymond Bogaert (Koninklijke Gidsenvereniging van Antwerpen) en commandant Roger Smet (Koninklijke Belgische Zeevaartbond)


*Redactie rallybrochure

Patrick De Rynck


*Coördinatie

Erfgoedcel (Vera De Boeck)



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina