Bananen uit de fabriek? Practicumvoorschriften en werkbladen Inhoudsopgave



Dovnload 78.92 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte78.92 Kb.






Bananen uit de fabriek?

Practicumvoorschriften en werkbladen



Inhoudsopgave

Werkblad bij les 1: Bananensmaak? 3

Practicum bij Les 2: Proeven met je ogen en neus 4

Vragen bij het proefje Proeven met je ogen en neus 5

Practicum bij Les 2: Onderzoek je tong: maak een smaakmap 6

Vragen bij het proefje Onderzoek je tong: maak een smaakmap 7

Werkblad bij les 2: Verrassende smaken 8

Vragen bij de beroepenfilmpjes (les 3) 9

Practicum bij les 4: Frisdrank maken 12

Vragen bij het proefje Frisdrank maken 13

Werkblad bij les 4: Smaak en reuk 14

Practicum bij Les 5: Winegums maken 14

Vragen bij het proefje Winegums maken 16


Werkblad bij les 1: Bananensmaak?



Geur- en smaakstoffen

Smaakstoffen (of aroma’s) worden gebruikt in allerlei producten: frisdranken, vruchtenyoghurt, margarine, soepen, sauzen, snacks, snoep, diervoeding en medicijnen. Geurstoffen vind je bijvoorbeeld in parfums, aftershave lotions, make-up en luchtverfrissers.


Geschiedenis

In het begin van de 19e eeuw, in de Industriële revolutie, ontstond de geur- en smaakstoffenindustrie. De chemie kwam op. Mensen hadden steeds meer behoefte aan geur- en smaakstoffen. Ze werden eerst uit natuurlijke bronnen gehaald, bijvoorbeeld uit bloemblaadjes. Doordat mensen naar steden trokken werden de afstanden groter en kregen meer behoefte aan efficiënte industriële processen. Rond 1850 werden de eerste geurstoffen in de fabriek gemaakt.


De demonstratieproef: Bananensmaak?

3-methyl-1-butanol + azijnzuur ‘bananensmaak’ (isoamylacetaat)+ water


Vragen en opdrachten

  1. Bij de demonstratieproef wordt ‘bananensmaak’ gemaakt, oftewel isoamylacetaat. Deze stof wordt in bananenschuimpjes gebruikt als bananensmaakstof. Hieronder staat een blokschema. Schrijf hierin de verschillende stappen die volgens jou voorkomen bij de productie van een bananenschuimpje vanaf de synthese van isomalyacetaat tot aan de verwerking hiervan in het bananenschuimpje.




Bananenschuimpje



+




  1. Hoe kwamen mensen vroeger vooraal aan geur- en smaakstoffen?




  1. Hoe komen mensen tegenwoordig aan geur- en smaakstoffen?



  1. Noem vier producten die je zelf vaak gebruikt waarin geur- en smaakstoffen zitten.

    1. __________________________

    2. __________________________

    3. __________________________

    4. __________________________


Practicum bij Les 2: Proeven met je ogen en neus

In dit proefje test je het effect van je ogen en neus op je smaak. Als je alleen naar de kleur van eten kijkt heb je vaak al een idee van de smaak. Je zult bijvoorbeeld niet zogauw een groene aardbei op eten omdat je dat associeert met onrijp. Bij dit proefje ontdek je ook dat je neus een rol speelt bij proeven.


Benodigdheden (per groepje van 5)

Schaaltje met gekleurde vla

2 eetlepels


Voorschrift

  1. Bekijk de inhoud van het schaaltje. Welke kleur heeft de vla? Welke smaak heeft de vla denk je? Schrijf dit op je werkblad.




  1. Neem terwijl je je neus dicht houdt een hap van de vla. Wat proef je? Schrijf je antwoord op je werkblad.




  1. Neem opnieuw een hap van de vla maar nu gewoon met je neus open. Welke smaak heeft de vla?




  1. Beantwoord de overige vragen op je werkblad.

Vragen bij het proefje Proeven met je ogen en neus





  1. Welke kleur heeft de vla?




  1. Als je kijkt naar de kleur van de vla, waar denk je dan dat de vla naar smaakt?




  1. Smaakt de vla zoet, zuur, zout of bitter? Omcirkel het juiste woord.

      • Zoet

      • Zuur

      • Zout

      • Bitter




  1. Welke smaak blijkt de vla te hebben als je je neus niet meer dicht houdt?




  1. Had je deze smaak verwacht?

Practicum bij Les 2: Onderzoek je tong: maak een smaakmap


In dit proefje onderzoek je je eigen tong! Op je tong zitten duizenden smaakcellen die gevoelig zijn voor bepaalde smaken. Deze cellen sturen signalen naar je hersenen en zorgen dat je iets proeft. Op bepaalde stukjes van je tong zitten heel veel van zulke cellen bij elkaar, namelijk achterop je tong, aan de voor- en achterkant van beide zijkanten van je tong en bij het puntje van je tong (zie de genummerde stukjes op het plaatje op je werkblad). Je gaat zelf onderzoeken op welke van deze plekjes je iets zuurs, zouts, zoets of juist iets bitters het beste proeft.
Benodigdheden (per groepje van 5)

20 wattenstaafjes

1 kopje met zure oplossing

1 kopje met zoute oplossing

1 kopje met zoete oplossing

1 kopje met bittere oplossing

2 zakspiegeltjes



Voorschrift

  1. Pak een schoon wattenstaafje.




  1. Kijk naar de vier omcirkelde gebieden op het plaatje van de tong op je werkblad.




  1. Doop het wattenstaafje in de zure oplossing




  1. Beweeg met het wattenstaafje over het midden achterop je tong (gebied A) op het plaatje). Kijk met het spiegeltje of je op de goede plek zit. Proef je het zuur duidelijk?




  1. Beweeg het wattenstaafje daarna over de zijkant achterop je tong (gebied B). Proef je het zuur duidelijk?




  1. Beweeg met het wattenstaafje over de zijkant voorop je tong (gebied C). Proef je het zuur duidelijk?




  1. Beweeg met het wattenstaafje over het puntje van je tong (gebied D).




  1. Op welke van de vier plekken proef je het zuur het duidelijkst? Schrijf ‘zuur’ bij de juiste letter bij vraag 1 op je werkblad.




  1. Herhaal stap 1 t/m 8 voor de zoute oplossing, de zoete oplossing en de bittere oplossing met een nieuw wattenstaafje voor elke oplossing.




  1. Beantwoord de overige vragen op je werkblad.



Vragen bij het proefje Onderzoek je tong: maak een smaakmap


    1. Hieronder zie je een plaatje van een tong. De genummerde plekken geven de verschillende punten aan op je tong die extra gevoelig zijn voor zuur, zout, zoet en bitter. Schrijf hieronder ‘zuur’, ‘zout’, ‘zoet’ en ‘bitter’ bij de juiste letter:

























  1. Misschien heb je wel eens gemerkt dat je iets zuurs vooral proeft aan de zijkant van je tong achter in je mond. Noem voorbeelden van dingen die je wel eens eet of drinkt die:

    1. zuur smaken:

    2. zout smaken:

    3. zoet smaken:

    4. bitter smaken:

Werkblad bij les 2: Verrassende smaken



Industrie

In de geur- en smaakstoffenindustrie worden verschillende soorten grondstoffen gemaakt: natuurlijke grondstoffen (bv. geconcentreerde vruchtensappen, kruidenextracten), natuur-identieke geur- en smaakstoffen en niet in de natuur voorkomende stoffen. Tegenwoordig worden de meeste geur- en smaakstoffen in de fabriek gemaakt, maar vaak wel met natuurlijke bronnen als basis. Zo kunnen medewerkers uit de geur- en smaakstoffenindustrie de smaak van een aarbei precies na maken. Doordat deze smaakstof zo zuiver en geconcentreerd wordt gemaakt zorgt 1 kilo hiervan voor net zoveel smaak als in 50.000 kilo verse aardbeien zit! Fabrieken halen smaakstoffen uit natuurlijke producten en maakt ook kunstmatige smaakstoffen. Denk maar eens aan kant-en-klare sausjes met een Italiaanse smaak. Zou daar echte tomaat in zitten of alleen de smaak van tomaat?


Proeven of ruiken?

Proeven is eigenlijk ruiken. Met je tong kun je alleen het verschil proeven tussen zout, zoet, zuur en bitter. De rest van het proeven doe je eigenlijk met je neus!

Door naar de kleur van voedingsmiddelen te kijken krijg je vaak ook al een idee van de smaak ervan. Rode yoghurt associeer je bijvoorbeeld snel met aardbeienyoghurt of bosvruchtenyoghurt.
Vragen en opdrachten


  1. Noem twee voordelen van het synthetiseren van geur- en smaakstoffen in de fabriek in vergelijking met het extraheren van deze stoffen uit natuurlijke bronnen

    1. __________________

    2. __________________



  1. Welke 3 soorten grondstoffen worden onderscheiden in de geur- en smaakstoffenindustrie?

    1. __________________

    2. __________________

    3. __________________




  1. Kijk naar de resultaten van het experiment ‘vla proeven’. Welke van de volgende lichaamsdelen spelen een rol bij proeven (het zijn er meer!)?

    1. Je neus

    2. Je mond (tong)

    3. Je handen

    4. Je ogen




  1. Welke vier verschillende smaken kun je proeven met je tong?

    1. __________________

    2. __________________

    3. __________________

    4. __________________

Vragen bij de beroepenfilmpjes (les 3)



A

Kijk op www.feelthechemistry naar de drie videofilmpjes van afgestudeerde mbo’ers.



Beantwoord per filmpje onderstaande vragen over de verschillende bedrijven en beroepen.
Vragen

Vragen bij filmpje 1: Kenneth Amzand


        1. Welke functie heeft Kenneth?




        1. Bij welk bedrijf werkt hij?




  1. Noem drie producten die bij dit bedrijf worden gemaakt

  1. ____________________

  2. ____________________

  3. ____________________

  1. Noem twee taken van Kenneth:

  1. ____________________

  2. ____________________




        1. Noem twee dingen die Kenneth leuk vindt aan zijn werk

          1. _____________________

          2. _____________________



Vragen bij filmpje 2: Kim van Houten


  1. Welke functie heeft Kim?




  1. Waar werkt Kim?




  1. Op welke afdeling?




  1. Wat vindt Kim leuk aan haar werk?




  1. Waar doet Kim onderzoek naar?




  1. Noem twee werkzaamheden van Kim

  1. _____________________

  2. _____________________


Vragen bij filmpje 3: Boy Gijzenij


  1. Welke functie heeft Boy?




  1. Bij welk bedrijf werkt hij?




  1. Welk soort producten maakt dit bedrijf?




  1. Noem twee verschillende taken van Boy:

  1. ____________________

  2. ____________________




  1. Welk aspect vindt Boy leuk aan zijn werk?


Vragen bij filmpje 4: Marjolein Bogaart


            1. Welke functie heeft Marjolein?




            1. Bij welk bedrijf werkt zij?




            1. Bij dit bedrijf worden stoffen gemaakt die in andere fabrieken worden gebruikt om spullen mee te maken, zoals schuim voor in matrassen. Noem nog een ander product dat uit deze stoffen wordt gemaakt.




            1. Noem twee werkzaamheden van Marjolein:

  1. ____________________

  2. ____________________




            1. Noem twee dingen die Marjolein leuk vindt aan haar werk:

  1. ____________________

  2. ____________________




            1. Vindt Marjolein haar baan zwaar? Waarom wel/niet?


B

Kies bij ‘Maak kennis met…’ een mbo-functie uit die je leuk lijkt en schrijf op wat je leuk lijkt aan dit beroep.


Beroep:__________________________________________________________________

Leuke kanten:_____________________________________________________________

________________________________________________________________________


Kies ook een mbo-functie uit die je niet leuk lijkt en schrijf op wat je er niet leuk aan lijkt
Beroep:___________________________________________________________________

Minder leuke kanten:_________________________________________________________

__________________________________________________________________________



Werkblad bij Les 3: Werken in de chemie, iets voor jou?
Quest

Quest in Naarden is een bedrijf dat geur- en smaakstoffen produceert. Er wordt ook onderzoek uitgevoerd naar de beste smaken voor voedingsmiddelen of parfums. Quest haalt smaakstoffen uit natuurlijke producten en maakt ook kunstmatige smaakstoffen. Smaakstoffen worden uiteindelijk verwerkt in o.a. frisdrank, zuivelproducten en bakproducten. Bovendien maakt Quest geurstoffen die uiteindelijk verwerkt kunnen worden in o.a. cosmetische producten.

De stof vanilline (dat bijvoorbeeld in vanillevla zit) wordt in voedingsmiddelen gebruikt, maar ook in parfum! Vanilline kan uit de zaden van de vanilleplant worden gehaald, maar daar is erg veel van de plant en veel tijd voor nodig. Er zijn alleen niet genoeg vanilleplanten op de wereld om alle vanille te maken die mensen nodig hebben. Daarom is het maar goed dat deze stof in de fabriek na gemaakt kan worden.
Opleidingen en beroepen in de chemie

Na het vmbo kun je een opleiding Procestechniek of Laboratoriumtechniek gaan volgen. Als procesoperator houd je de voortgang van het productieproces in de gaten. Het werk is erg afwisselend en doordat je in ploegendiensten werkt ben je overdag vaak vrij. Je kunt ook doorleren en later leiding geven aan meerdere operators. Na een opleiding laboratoriumtechniek kun je als vakfunctionaris of middenkaderfunctionaris aan de slag gaan in o.a. de chemische of de medische richting. In deze functie help je bij het ontwikkelen van nieuwe producten en zorg je dat deze producten de goede kwaliteit hebben.


Vragen en opdrachten

  1. Stel dat je verder wilt gaan in de chemie. Noem twee opleidingen die je dan kunt gaan volgen aan het ROC.

    1. ___________________

    2. ___________________




  1. Na deze opleidingen kun je gaan werken als laboratoriummedewerker of procesoperator.

    1. Noem twee taken van een laboratoriummedewerker.

      1. ____________________

      2. ____________________

    2. Noem twee taken van een procesoperator.

      1. ____________________

      2. ____________________




  1. Noem vier soorten producten waarin geur- en smaakstoffen worden verwerkt.

    1. ________________

    2. ________________

    3. ________________

    4. ________________

Practicum bij les 4: Frisdrank maken


In dit proefje ga je zelf frisdrank maken. Je kiest ook zelf een smaak en kleur uit, waardoor je je eigen fantasiedrank kunt maken! Door een chemische reactie maak je ook prik in het drankje.
Benodigdheden (per groepje van 5)

5 frisdrankflesjes met water

5 eetlepels

10 theelepels

2 trechters

10 stickers

Gekleurde stiften

Poedersuiker

Potje zuiveringszout

Potje citroenzuur

Flesje rode kleurstof

Flesje blauwe kleurstof

Flesje gele kleurstof

Flesje Frambozensmaak

Flesje Cassissmaak

Flesje Sinaasappelsmaak


Voorschrift

  1. Zet de trechter op je flesje




  1. Schep een afgestreken eetlepel poedersuiker in de trechter




  1. Schep een theelepel zuiveringszout in de trechter.




  1. Doe de dop op het flesje en schud totdat de poedersuiker en het zuiveringszout zijn opgelost.




  1. Kies een smaakstof en voeg daarvan in je flesje:

    • Bij frambozensmaak: 1 ml

    • Bij cassissmaak: 1 ml

    • Bij sinaasappelsmaak: 1,5 ml




  1. Kies een kleurstof en voeg daar 6 druppels van in het flesje.




  1. Zet de trechter op je flesje en schep er 2 theelepels citroenzuur in.




  1. Doe de dop op je flesje en schud alles door elkaar, zodat de stoffen goed met elkaar mengen.




  1. Verzin een naam voor je frisdrank en schrijf die op je werkblad.




  1. Schrijf op je werkblad welke stoffen (ingrediënten) er allemaal in je frisdrank zitten.




  1. Schrijf de naam van je frisdrank op een etiket.




  1. Schrijf de ingrediënten van je frisdrank op een etiket




  1. Plak de etiketten op het flesje.

Vragen bij het proefje Frisdrank maken


  1. Wat zag je gebeuren toen je citroensap in de oplossing in je flesje deed?




  1. Hoe heb je je frisdrank genoemd?




  1. Welke ingrediënten zitten er in jouw frisdrank?




  1. Hoe smaakt je frisdrank?




  1. Zou je de smaak nog kunnen verbeteren? Hoe zou je dat kunnen doen?

Werkblad bij les 4: Smaak en reuk


Smaak

Je hebt al geleerd dat je met je tong alleen het verschil kunt proeven tussen zoet, zuur, zout en bitter. Daarnaast voel je met je tong ook hoe je eten ‘aanvoelt’, bijvoorbeeld hard of zacht of kruimelig. Door dat ‘mondgevoel’ herken je het eten wat je in je mond hebt al. Om te proeven moeten voedingsmiddelen bij de smaakpapillen op je tong komen. Dat lukt alleen als er genoeg vocht bij het eten zit (bijvoorbeeld speeksel of een glaasje water dat je bij het eten drinkt). Verder proef je vooral met je neus.


Industrie

In het filmpje zag je medewerkers in een geur- en smaakstoffenfabriek. Deze mensen zijn gespecialiseerd in ruiken! Zij beoordelen of een mengsel van stoffen de juiste geur heeft voor het product waar het in verwerkt wordt (bijvoorbeeld parfum of WC verfrisser). Er werken ook mensen die gespecialiseerd zijn in smaak. Zij maken de juiste mengsels om bijvoorbeeld in voedingsmiddelen te verwerken. Om bijvoorbeeld aardbeiengeur na te maken wordt eerst onderzocht welke stoffen er in aardbeien voorkomen en welke van deze stoffen zorgen voor de karakteristieke aardbeiengeur. Deze stoffen worden dan nagemaakt en zo krijg je een kunstmatige aardbeiengeur. Voor een echte lekkere aardbeiengeur heb je wel 30 verschillende stoffen nodig!


Frisdrank

Je hebt al ontdekt dat geur- en smaakstoffen in allerlei alledaagse producten voorkomen. Geur- en smaakstoffen worden bij een geur- en smaakstoffenbedrijf uit natuurlijke producten gehaald of nagemaakt en vervolgens in een andere fabriek verwerkt in producten die naar de consument (jij!) gaan. In deze les heb je frisdrank gemaakt met een zelf gekozen kleur en smaak. Door een chemische reactie tussen zuiveringszout en citroensap heb je zelfs ook prik gemaakt. Hierbij onstaat namelijk koolzuurgas, dat zorgt voor bubbeltjes in je frisdrank.


Vragen en opdrachten

  1. Welke twee rollen speelt je tong bij het proeven?

  1. ____________________

  2. ____________________




  1. Proef je met je neus dicht of je iets vies vindt? Waarom wel of niet?




  1. Hoe wordt een aarbeiengeur in de fabriek nagemaakt?



  1. Schrijf in woorden de reactievergelijking op van de reactie die bij het proefje ‘Frisdrank maken’ zorgt voor de ‘prik’.

Practicum bij Les 5: Winegums maken

Bij dit proefje maak je zelf winegums. Omdat je zelf een smaak-kleur combinatie kiest, maak je je eigen unieke snoepjes! Je gebruikt gelatine om de winegums goed te laten opstijven.



Benodigdheden (per groepje van 5)

Water

Gelatine

Potje poedersuiker



Theelepel

5 bekerglaasjes

5 roerstaafjes

IJsblokjesvorm

Maatcilinder

Flesje rode kleurstof

Flesje blauwe kleurstof

Flesje gele kleurstof

Flesje frambozensmaak

Flesje cassissmaak

Flesje sinaasappelsmaak

5 stickers


Voorschrift


  1. Meet 60 ml gelatine af in de maatcilinder en giet dat in je bekerglaasje




  1. Schep daar 2 eetlepels poedersuiker bij




  1. Kies een kleur uit die je jouw winegums wilt geven.




  1. Voeg 2 druppels van de door jou gekozen kleurstof in het bekerglaasje.




  1. Kies een smaak uit die je jouw winegums wilt geven.




  1. Kies een smaakstof en voeg daarvan in het bekerglaasje:

    • Bij frambozensmaak: 2 ml

    • Bij cassissmaak: 2 ml

    • Bij sinaasappelsmaak: schud de oplossing goed en voeg 1,5 ml toe




  1. Roer alles door elkaar




  1. Verdeel de oplossing over drie vakjes in de ijsblokjesvorm. Plak een sticker met jouw naam op de ijsblokjesvorm bij jouw winegums.




  1. Laat de winegums een paar uur staan. De volgende dag zijn ze genoeg uitgehard en kun je ze eten!



Vragen bij het proefje Winegums maken





  1. Wat gebeurde er met de gelatinebladen toen je de ze in het begin in het koude water in de soepkom legde?




  1. Wat gebeurde er met de gelatinebladen toen je ze in het glas verwarmde?




  1. Is de kleur van de winegums mooi geworden? Hoe zou je de kleur bij een volgende keer kunnen veranderen?




  1. Smaken de winegums lekker? Zou je ze nog kunnen verbeteren? Zo ja, hoe?






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina