Bart luistert niet



Dovnload 65.82 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte65.82 Kb.
Bart luistert niet.

Het is al laat.

Bart zit op de bank en kijkt tv.

Kom Bart, je moet naar bed, zegt mama.

Maar Bart heeft nog geen zin.

Hij zit stil op de bank en zegt niets.

Toe Bart, het is al laat.

Ja mama, roept Bart, maar hij doet niks.

En nu schiet je op Bart, schreeuwt mama.

Bart staat boos op en gaat naar de badkamer.

Daar poetst hij zijn tanden.

Dan hoort hij papa.

Hij kruipt vlug in bed en slaapt.

De bij prikt Bert.

Bert speelt in de tuin.

Hij gooit met zijn bal en vangt hem weer.

Dan valt de bal in het gras.

Hij rolt naar de bloemen.

Bert holt naar zijn bal.

Hij pakt hem beet.

Au, au, au, gilt Bert en

steekt zijn duim omhoog!

Wat is er?, roept moeder.

De duim van Bert is rood en dik.

De bij stak in zijn duim.

Mama doet er zalf op.

Het doet nu geen pijn meer.



Tom gaat op vakantie.

De school is uit.

Tom rent snel naar huis toe.

Weet jij ook waarom?

Tom gaat weg met papa en mama.

Ze gaan naar een huis toe.

Een huis in een groot bos.

Tom is een week vrij van school.

Ze gaan met de auto.

Zijn we er snel, vraagt Tom.

Over een uur zijn we er, zegt pa.

Na een uur ziet Tom het huis.

Het bos is groot en mooi.

Dat wordt een week met veel pret.



Els heeft niks te doen.

Els zit voor het raam.

Ze heeft niks te doen.

Ze speelt niet met haar pop.

Ze heeft geen zin in een spel.

Ga je niks doen? vraagt mama.

Nee, ik heb geen zin, zegt Els.

Els kijkt niet zo blij.

Kom Els, pak je pop en kleed haar aan.

Nee, mijn pop heeft ook geen zin, zegt Els.

Kijk eens, ik heb een nieuw boek.

Het gaat over een muis en een leeuw.

Nu heeft Els weer zin.

Ze leest wel een uur in het boek.



Juf viert feest.

De juf viert feest.

Ze is echt jarig.

Joep neemt een roos voor haar mee.

De juf vindt dat heel fijn.

Dat is pas een mooie roos, zegt juf.

Zet die maar gauw in een vaas.

Anders gaat hij nog dood.

De vaas staat in de kast.

Joep doet een heel leuk spel.

Hij krijgt ook nog snoep.

Die dag was het best leuk op school.

Bent u morgen weer jarig, vraagt Joep.

Nee, zegt juf, dat duurt nog een jaar.



Wim valt van zijn fiets.

Wim gaat met de fiets naar oom Henk.

Wim kan al goed fietsen hoor.

Kijk goed voor je Wim, zegt papa.

Niet te hard en blijf aan de kant.

Wim doet goed zijn best.

Hij rijdt naast zijn papa.

Tring, doet de bel van zijn fiets.

Daar ziet Wim zijn vriend Kees.

Wim zwaait en roept, dag Kees.

Maar dan slaat zijn stuur om.

Wim valt. Zijn knie bloedt.

Papa tilt Wim op en rijdt naar huis.

Kees brengt de fiets thuis.



Flip en Trip in het bos.

Flip de muis woont in de stad.

Zijn neef Trip woont in het bos.

Flip gaat naar Trip in het bos.

Trip is blij als Flip hem ziet.

Wat leuk dat je langs komt.

Flip kan een kunst doen op de muur.

Maar in het bos is geen muur.

Flip valt in een struik.

De struik prikt en steekt!

Au, Au, arme Flip.

Ik help je er wel uit.

Ze gaan naar het hol van Trip.

Flip krijgt melk en drinkt het op.

Dank je wel Trip, je bent mijn vriend.

Een hoed gemaakt van kranten.

Tijs zit op de bank.

Papa leest een stuk van de krant.

De rest van de krant ligt op de grond.

Tijs wil ook een krant.

Hij pakt het stuk van de grond.

Ik maak iets van de krant.

Tijs vouwt een punt.

En nog een punt en dan een strook.

Ha, nu heb ik een hoed.

Tijs zet hem op zijn hoofd en lacht.

Kijk papa, een hoed van de krant.

Maar papa lacht niet.

Jip speelt op het ijs.

Het is erg koud.

Op de sloot ligt al ijs.

Ga je mee op het ijs, vraagt Kees.

Dat mag ik niet, zegt Jip, het ijs is nog te dun.

Maar die nacht vriest het heel hard.

Nu mag Jip wel op het ijs met Kees.

De jongens hebben veel pret.

Ze staan op de schaats.

Ze gaan heen en weer op de sloot.

Als het donker wordt gaan ze naar huis.

Dat was pas een echt feest.

Jip zegt thuis wat hij op het ijs deed.

Jos en Ank spelen in de sneeuw.

Op straat ligt sneeuw.

Alles is wit.

Ga je mee Jos, vraagt Ank.

We gaan spelen in de sneeuw.

Jos doet zijn jas aan en zet zijn pet op.

Hij is al snel op straat.

Hij maakt een bal.

Die gooit hij naar Ank.

De bal komt in de nek van Ank.

Dat vindt Ank niet leuk.

Ze maken ook een sneeuwpop.

Zijn neus is een peen.

Lies en de hoed van oma.

Lies loopt op straat.

Ze gaat naar oma toe.

Ze heeft de hoed van oma op.

Het stormt flink.

De hoed van oma waait weg.

Lies rent naar de hoed.

De hoed ligt in een plas.

Lies pakt de hoed.

Bah, wat is de hoed nat!

Ze houdt hem in haar hand en loopt vlug naar oma.

Oma lacht. Ze vindt het niet erg.



Pim verdwaalt op de markt.

Geef mij maar een hand Pim, zegt mama.

Pim wil dat niet en zegt: ik blijf wel bij je.

En nu is mama weg.

Pim weet wel waar hij zelf is.

Hij staat bij de drop.

Mama, mama, zegt hij zacht.

Mama, zegt hij hard.

Mama, gilt Pim.

Pim loopt over de markt.

Pim ziet de vis.

Pim ziet de kaas.

Pim ziet het snoep.

Pim ziet zijn mama!

Jij was weg, zegt Pim.

Mama geeft hem een kus en een hand.



Over mooi willen zijn.

Ik wou dat ik heel mooi was.

Dat zou prettig zijn.

Ik wou dat ik niet dik was.

Dat lijkt me toch zo fijn.

Niet dik, niet lang.

Niet klein, niet bang.

Heel mooi, zou dat bestaan?

Ik lees het in een sprookje.

Dan voel ik me prinses.

Mijn droomprins komt me halen.

Ik wou dat hij bestond.

Het is fijn om van hem te dromen.

Op een dag zal hij wel komen.



Kees speelt in het park.

Kees gaat naar het park.

Hij wandelt met mama.

Dan ziet hij de glijbaan.

Kees rent er naar toe.

Hij klimt de trap op.

Pas op Kees, roept mama.

De grond is nat.

Kees hoort het niet.

Roets, daar gaat hij.

Klets, klets, daar zit Kees.

Zijn broek is nat, hij zit in een plas.

Kees huilt, maar mama is niet boos.

Jans ziet een peer hangen.

Jans loopt in de tuin.

Ze ziet een mooie peer aan de boom.

Daar heeft Jans wel zin in.

Maar de peer hangt veel te hoog.

Jans strekt haar arm, maar nee hoor.

Jans springt en springt, het lukt niet.

Ze kan er niet bij. Daar komt Tom.

Tom, pluk jij die peer voor mij, vraagt Jans.

Maar Tom kan er ook niet bij.

Hij is te klein. Jans denkt na.

Tom ik ga op jouw handen staan en klim omhoog.

Dat doen ze en dan deelt Jans haar peer met Tom.

Hoe voelt een pen zich.

Hier lig ik dan weer in de la.

Wie haalt mij er nu uit?

Ik houd van inkt en een wit vel.

Dan ga ik op en neer, naar punt en krul en nog veel meer.

Mijn inkt is blauw, dat vloeit zo fijn.

Ik wil mijn best doen, maar wie helpt mij?

Daar hoor ik Koos.

Hij pakt mij vast en schrijft een brief.

Ja, Koos, dat is lief.

Nu weet ik weer wat ik ben.

Een fijne pen.



Piet gaat naar school.

Het is half twee.

De schoolbel gaat.

De juf is in de gang.

Ga maar naar de klas, zegt ze.

Piet gaat met Jos de klas in.

Piet gaat snel zitten.

Hij pakt een mooi boek.

Hij begint te lezen.

Dan komt de juf in de klas.

Ze begint met de les.

Piet doet gauw het boek weer weg.

De les gaat over de zee.

Dat vindt Piet wel leuk.



De postbode komt langs.

Kijk, daar gaat een man door de straat.

Hij heeft een pet op.

Hij heeft ook een tas.

Dat is een volle tas.

Het is een man van de post.

Je ziet hem heel vaak in de straat.

Hij doet de post in de bus.

Komt de man van de post ook bij ons?

Ja, hij heeft een kaart voor ons.

Die stopt hij in de bus.

Het is een kaart van oom Wim.

Op de kaart staan een poes en een hond.

Wat lief van oom Wim.



Frits gaat met de trein mee.

Frits gaat op reis met de trein.

Mama koopt voor Frits een kaartje.

Frits houdt zelf zijn kaartje vast.

In de trein is het druk.

Frits en mama staan bij de deur.

De deur gaat dicht.

De trein rijdt weg.

De trein schudt heen en weer.

Frits schudt ook heen en weer.

Hij kijkt door het raam.

Ook de koe in de wei schudt heen en weer.

Wordt de melk van de koe nu zuur, vraagt Frits.

Mama lacht en schudt heen en weer.



Bas kan niet slapen.

Bas moet naar bed.

Het is al laat.

Papa zegt, kom Bas, je moet naar bed.

Waar is mama, vraagt Bas.

Mama werkt en komt laat thuis, zegt papa.

Bas gaat naar bed.

Papa leest voor en geeft hem een kus.

Hoe laat komt mama thuis, vraagt Bas.

Mama komt heel laat, dan slaap jij al.

Papa gaat weg.

Bas ligt stil, maar slaapt niet.

De klok tikt.

Dan hoort hij mama.

Mama komt, geeft een kus en Bas slaapt.

Rob en Trees spelen in de sneeuw.

Rob en Trees spelen in de sneeuw.

Trees trekt de slee de berg op.

Rob zit op de slee.

Trees laat het touw van de slee los.

De slee schiet weg, de berg af.

Stop, stop, roept Trees.

Rob moet heel hard lachen.

Dit is pas echt leuk.

O jee, een sneeuwpop.

En ja hoor, de slee botst tegen de pop.

Rob valt in de sneeuw.

Nu lacht Trees en huilt Rob.

Rob staat op.

Samen gaan ze naar het huis van Trees.

Binnen spelen is toch ook wel leuk.



Zus maakt de soep klaar.

Moe is in de keuken.

Op het gas staat een pan.

In de pan zit soep.

Zus mag in de pan roeren.

De soep is al haast warm.

Hij mag niet te heet worden.

Moe, de soep is warm, roept zus.

Schep hem dan maar op een bord, zegt ma.

Zus brengt de soep naar de kamer.

Een bord voor mama en een bord voor zus.

O, wat smaakt die soep goed.

Lust jij nog meer, vraagt moe.

Ja graag, zegt zus.



Hans in de storm.

Hans komt uit school, mama wacht op hem.

Dag Hans, kom vlug mee, we gaan naar huis.

De wind waait door hun haar.

Hans geeft mama een hand.

De wind blaast heel hard.

Het stormt! roept mama.

Kraak, kraak! daar waait een boom om.

Hans schrikt en mama ook.

Stap voor stap gaan ze naar huis.

De storm rukt aan de jas en broek van Hans.

Kijk mama, ik zweef in de lucht!

Mama houdt Hans goed vast.

Dan zijn ze thuis.



Wim heeft straf.

Het is heel stil in de klas.

De kinderen zijn naar huis.

De school is uit.

Wim zit in de klas.

Hij leest in een boek.

Hij wil erg goed zijn best doen.

Maar juf is heel boos op Wim.

Wim praat steeds in de klas.

Dat mag niet van juf.

Lees maar goed door, Wim.

Dan mag je vast snel naar huis.

Wim rent snel naar huis.

Als moe maar niet boos is, denkt hij.



De hond Bas lust graag worst.

Sien haalt worst voor mama.

Ze heeft een tas in haar hand.

In de tas zit de worst.

Sien gaat weer naar huis.

Daar komt haar hond Bas.

Hij ruikt de worst.

Bas springt naar de tas.

Sien schrikt en de tas valt

over de kop van Bas.

Bas schrikt en draait maar rond.

Sien lacht en pakt de tas.

Foei Bas, straks krijg je worst!

Bas blaft.



Vliegeren.

Koos en Pim staan in de wei.

Koos heeft een vlieger bij zich.

Waar blaast de wind naar toe?

Pim steekt zijn hand in de lucht.

Deze kant op! zegt hij.

Dan gaan we zo staan, zegt Koos.

Houd jij de vlieger vast, dan rol

ik het touw al vast uit.

Een twee los! Koos rent weg.

De vlieger gaat de lucht in.

Hij staat nu heel hoog in de lucht.

Het touw is op. Dan breekt het touw. Krak!

Oh, de vlieger vliegt weg.

Kom hier, zegt Koos en hij huilt.

Kom op, ik maak er wel een voor je, zegt Pim.




avi 3




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina