Basiskennis Romereis Het onstaan van Rome



Dovnload 55.44 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte55.44 Kb.

Basiskennis Romereis

1. Het onstaan van Rome


Wie door Rome loopt, ziet overal op bushokjes, putdeksels, afvalbakken en dergelijke een wolvin. Dit is het beeldmerk van de gemeente Rome. De stad Rome zou zonder de wolvin niet hebben bestaan. Volgens de legende werd de stad namelijk als volgt gesticht:
Toen de koning van het stadje Alba Longa voelde dat hij doodging, besloot hij zijn nalatenschap over zijn twee zoons te verdelen. De oudste, Numitor, kreeg het koningschap, de ander, Amulius, erfde de rijkdom van zijn vader. Maar toen de oude koning dood was, greep Amulius met geweld de macht: hij joeg zijn broer weg, doodde diens zoon en maakte diens dochter, Rhea Silvia, tot Vestaalse Maagd. Dit laatste deed hij om te voorkomen dat Rhea Silvia kinderen zou krijgen; de priesteressen van Vesta moesten namelijk maagd blijven – zo niet dan wachtte hen de straf om levend begraven te worden.

Amulius dacht alles in de hand te hebben, maar hij had buiten de goden gerekend. Mars, god van de oorlog, werd verliefd op Rhea Silvia. Toen de Vestaalse Maagd eens water ging halen, greep hij zijn kans en verkrachtte haar. Rhea Silvia was zwanger geworden en negen maanden later beviel zij van een tweeling, Romulus en Remus. Maar dit was voor Amulius niet verborgen gebleven. Hij arresteerde Rhea Silvia en nam de tweeling van haar af. De jongetjes werden in een mandje gedaan en in de rivier de Tiber gegooid, een wisse dood tegemoet.

Het mandje bleef echter steken in het riet. Een wolvin hoorde het gehuil van de tweeling. Zij haalde de jongetjes aan land en zoogde ze. Na verloop van tijd werden ze zo gevonden door een herder, die zelf een kinderloos huwelijk had. Zijn vrouw en hij voedden Romulus en Remus verder op. De jongens blonken uit onder de eenvoudige herders met wie ze omgingen. Al snel werd duidelijk dat zij geen gewone jongens waren, en na verloop van tijd kwam men erachter dat zij de zoons van Rhea Silvia moesten zijn. Toen hun ware identiteit was vastgesteld, verdreven Romulus en Remus Amulius uit Alba Longa, bevrijdden hun moeder en stelden hun grootvader Numitor weer aan als de rechtmatige koning.

Zelf wilde de tweeling een nieuwe stad stichten, bij de plek waar de wolvin hen had gevonden. Daar was, dicht bij de Tiber, een vlakte met zeven heuvels. Maar wie van de twee moest de koning worden? Bovendien wilde Remus de stad stichten op de Aventijnse heuvel, maar vond Romulus de Palatijnse heuvel geschikter. Ze besloten de keuze te laten afhangen van een voorteken. De broers gingen ieder naar de heuvel van hun keuze en wachtten een teken van de goden af. Toen Remus als eerste zes gieren van rechts zag komen aanvliegen, was het voor hem duidelijk dat de goden hem gunstig gezind waren, maar toen bleek dat Romulus op de Palatijnse heuvel twaalf gieren had waargenomen, was duidelijk dat de goden wilden dat de nieuwe stad op de Palatijnse heuvel werd gebouwd.

Romulus begon enthousiast met de bouw van de nieuwe stad. Ook met de aanleg van een stadsmuur was begonnen. Remus, die zijn nederlaag nog steeds niet kon verkroppen, kwam bij de bouwwerkzaamheden kijken. Toen hij het muurtje zag sprong hij er voor de ogen van Romulus over, terwijl hij spottend zei: ‘Moet dat muurtje jouw stad beschermen?’ Hierop werd Romulus zo boos, dat hij zijn broer doodsloeg met de woorden: ‘Zo zal het voortaan iedereen vergaan, die het waagt over mijn muur te springen!’ Aldus werd Romulus koning van de nieuwe stad. De stichting vond plaats in 753 v.Chr., en naar zijn eerste koning droeg de stad voortaan de naam ‘Rome’.

2. De koningstijd (753-509 v.C.)


Tot zover de mythe. De werkelijkheid sluit hier vrij dicht bij aan. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat zich inderdaad in de achtste eeuw v.Chr. bewoners hebben gevestigd op de heuvels aan de Tiber. De rivier was op die plek doorwaadbaar, en voor het oversteken konden de bewoners tol heffen. Boven op de heuvels woonde je veilig voor gevaarlijke ziektes als malaria die in de moerassen heersten, en bovendien kon je je er goed verdedigen. De eerste heuvels die bewoond werden waren de Palatijn en het Capitool. Het Capitool was een steile heuvel die al snel dienst ging doen als de burcht van Rome. Bovendien werd hier de tempel gesticht van de Romeinse oppergoden: Juppiter en zijn vrouw Juno. Geleidelijk werd de stad uitgebreid over meer heuvels, totdat er uiteindelijk zeven heuvels binnen de stadsgrenzen lagen.

In de koningstijd werd het dal tussen de Palatijn en het Capitool drooggelegd door middel van een riool, de Cloaca Maxima, dat in de Tiber uitmondde. In dat dal werd de eerste markt van de stad aangelegd: het Forum Romanum. Geleidelijk werd dit terrein volgebouwd met marktgebouwen, tempels en bestuursgebouwen – kortom dit werd het centrum van Rome. Tot de eerste gebouwen op het Forum Romanum behoorden een tempel voor Vesta (de godin van het haardvuur) en de Curia (het gebouw waarin de senaat vergaderde).

In de begintijd was de koning de baas in Rome. In totaal heeft de stad zeven koningen gekend, Romulus meegeteld. Maar niet al deze koningen waren van Romeinse afkomst. De heerschappij over de stad werd op een gegeven moment uitgeoefend door koningen die van Etruskische komaf waren. De Etrusken waren een machtig volk in het gebied ten noorden van Rome (het tegenwoordige Umbrië en Toscane), waar zij een aantal welvarende steden hadden. Dit volk annexeerde Rome. De Romeinse bevolking kreeg een steeds grotere hekel aan deze buitenlandse koningen en uiteindelijk lukte het ze in 509 om Tarquinius Superbus, een Etrusk die de zevende koning van Rome was, te verdrijven.

3. De Republiek (509-27 v.C.)


Het gehate koningschap werd afgeschaft en de Romeinen stelden een andere staatsvorm in: de Republiek. Voortaan kozen ze ieder jaar twee consuls als hoogste machthebbers in de staat. In tijden van nood werd één consul aangesteld, die ‘dictator’ werd genoemd, maar slechts voor een half jaar kon worden benoemd. Naast de consuls was vooral de senaat, de raad van wijze oude mannen belangrijk. Dit staatssysteem heeft bijna vijf eeuwen bestaan.

In de tijd van de Republiek waren de Romeinen vooral bezig met oorlog voeren. Rome groeide uit van een dorpje op zeven heuvels tot een wereldstad. Het gebied dat door Rome werd beheerst werd ook steeds groter: eerst de omgeving van de stad, toen steeds grotere delen van Italië en uiteindelijk het hele Middellandse-Zeegebied en een groot deel van Europa. Uit deze periode is onder andere een aantal tempels bewaard gebleven, maar verder zijn er in het huidige Rome maar weinig overblijfselen uit de periode van de Republiek.

Het einde van de Republiek kwam in de eerste eeuw v.Chr. Door de verovering van allerlei gebieden en de uitbuiting daarvan, waren een aantal Romeinse families extreem rijk geworden. Sommige machthebbers maakten ook handig gebruik van de steun van het volk of het leger. Uiteindelijk wist een aantal mannen zo veel macht naar zich toe te trekken, dat ze in feite het hele Romeinse rijk bestuurden, zonder zich iets aan te trekken van de oude bestuurlijke organen. Zij bestreden elkaar in de eerste eeuw v.C. in een aantal burgeroorlogen. Julius Caesar was in feite al de eerste alleenheerser, maar een aantal mannen die veel waarde hechtten aan het aloude republikeinse systeem en vonden dat Caesar te veel macht had, vermoordden hem in 44 v.Chr., voordat hij echt keizer kon worden. Maar na hem was het zijn adoptiefzoon Octavianus die er wél in slaagde keizer te worden. Toen hij in 27 v.Chr. tot keizer werd uitgeroepen en voortaan de erenaam Augustus (‘de verhevene’) mocht voeren, begon een nieuwe episode in de Romeinse geschiedenis.

4. De keizertijd (27 v.C.-486 n.C.)




4a. Augustus


In de periode van de Republiek waren de Romeinen altijd druk bezig geweest met oorlogvoeren: expansie-oorlogen waarmee ze het rijk steeds verder uitbreidden, en burgeroorlogen in de eerste eeuw v.C. Augustus maakte een eind aan de oorlogen. Hooguit liet hij nog oorlogvoeren om de grenzen van het rijk goed vast te leggen. Hij richtte zich vooral op rust en welvaart. Zijn regeringsperiode (die maarliefst 41 jaar duurde, tot 14 n.C.) staat daarom bekend als de ‘Pax Augusta’: de Vrede van Augustus.

Er was nu ook tijd om de stad Rome, waar inmiddels een miljoen (!) mensen woonden, het aanzien te geven van een wereldstad. Van Augustus wordt gezegd dat hij een stad van baksteen aantrof en er een van marmer achterliet. Veel bouwwerken uit die tijd zijn bewaard, bijvoorbeeld het Theater van Marcellus en het Pantheon, de best bewaarde tempel van Rome. Ook liet Augustus een eigen forum (marktplein) aanleggen. Caesar had al eerder een eigen forum aangelegd naast het Forum Romanum, omdat dat inmiddels volgebouwd was. Caesar had op zijn forum een tempel voor Venus laten bouwen, de godin die als de stammoeder van de Romeinen werd beschouwd, Augustus liet een grote tempel bouwen voor Mars, de goddelijke stamvader van de Romeinen. Verscheidene keizers legden later ook nog zo’n ‘keizerforum’ aan.



4b. Nero


De Palatijn was van oudsher de plek waar rijke Romeinen hun villa hadden. Augustus liet er zijn paleis aanleggen en voortaan was de Palatijn de paleisheuvel (ons woord paleis is zelfs afgeleid van de naam Palatijn). Eén keizer, de gehate Nero (54-68), liet een geheel nieuw paleiscomplex bouwen, dat zich uitstrekte tegen de flank van de Esquilijn. Dit terrein was vrijgekomen omdat er een enorme brand in Rome had gewoed die oude woonwijken in het centrum in de as had gelegd. Nero, die zich niet om de daklozen bekommerde, besloot dit terrein toen voor eigen gebruik te reserveren. De schuld van de brand gaf hij aan de christenen. Kwade tongen beweerden echter dat Nero zelf de brand had aangestoken. Het nieuwe paleis dat hij bouwde heette het ‘Gouden Huis’. Er is weinig van dit enorme paleis bewaard gebleven, omdat latere keizers hun best deden de herinnering aan Nero uit te wissen. Het volk had hem namelijk gehaat, en de nieuwe keizers moesten de gunst van het volk terug zien te krijgen. Vespasianus (69-79) bouwde voor het volk het Colosseum op de plek waar de vijver van het Gouden Huis was geweest, en keizer Trajanus bouwde een groot badhuis boven op het Gouden Huis. De keizers zelf woonden voortaan weer op de Palatijn.

4c. Trajanus


Na Augustus was Trajanus (98-117) een van de belangrijkste keizers. Onder zijn heerschappij bereikte het Romeinse rijk zijn grootste omvang ooit. Hij onderwierp namelijk de Daciërs in het huidige Roemenië en de Parthen in het Oosten. Hij was de laatste keizer die een eigen keizerforum liet aanleggen, het grootste van de keizerfora. Daar stond onder andere de perfect bewaard gebleven ‘zuil van Trajanus’, waarop zijn veldtochten tegen de Daciërs als een stripverhaal staan afgebeeld. Naast zijn forum, tegen de Quirinalis-heuvel, liet Trajanus ook een groot winkelcomplex aanleggen, de Markten van Trajanus, dat vijf niveau’s had en uit meer dan honderdvijftig winkeltjes bestond.

4d. De derde eeuw


Rome kende vele belangrijke en minder belangrijke keizers. Tot de belangrijkste monumenten die bewaard zijn uit de Keizertijd behoren twee enorme badcomplexen (‘thermen’), die de keizers Caracalla en Diocletianus respectievelijk aan het begin en het einde van de derde eeuw lieten bouwen. Ook noemenswaardig is de ‘Aureliaanse muur’ die keizer Aurelianus (270-275) als stadsmuur om Rome liet bouwen en die nog grotendeels intact is.

4e. Constantijn


De belangrijkste laat-Romeinse keizer is zonder twijfel Constantijn I, die ook wel Constantijn de Grote wordt genoemd en heel lang regeerde (306-337). Het was in die tijd al gewoonte een medekeizer te hebben, om het rijk, dat enigszins verzwakt was, goed in de hand te kunnen houden. Maar dit leidde tot gevechten om de macht. Constantijn kreeg ruzie met zijn medekeizer, Maxentius, en versloeg deze in 312 bij de Milvische brug over de Tiber bij Rome. Hoewel hij nu weer alleenheerser was stichtte hij toch in 330 een tweede hoofdstad in het Romeinse Rijk: Constantinopel (het tegenwoordige Istanbul). Het rijk viel daarmee feitelijk uiteen in twee delen: Rome was voortaan hoofdstad van het West-Romeinse Rijk en Constantinopel van het Oost-Romeinse Rijk.

Vóór zijn definitieve overwinning op Maxentius had Constantijn een droom, waarin een engel aan hem verscheen die hem een kruis liet zien en zei: ‘In dit teken zul je overwinnen.’ Toen Constantijn de dag daarna inderdaad Maxentius had verslagen, dacht hij dat hij door de christelijke God geholpen was en dat was voor hem aanleiding het christendom toe te staan. Zelf liet hij zich op zijn sterfbed tot het christendom bekeren.

Na Constantijn bleef het West-Romeinse Rijk bestaan tot 486.


5. Het vroeg-christelijke Rome


De stad Rome speelde al in de eerste eeuw een grote rol in het christendom. Jezus, die was geboren in de Romeinse provincie Judea tijdens het bewind van keizer Augustus, verzamelde een aantal leerlingen om zich heen. De belangrijkste van hen was Petrus. Naast hem werd na Jezus’ dood ook Paulus, die zich eerst nog tegen het christendom verzet had, een belangrijke ‘apostel’: iemand die uitgezonden wordt om het christelijke geloof te verspreiden. Zij trokken vanuit Judea door het Romeinse Rijk om het christelijk geloof te verspreiden en om kerkgemeentes te stichten. Beiden kwamen uiteindelijk in Rome, waar ze als martelaar (d.w.z. iemand die getuigt van zijn geloof) ter dood zijn gebracht en waar ze ook zijn begraven. Petrus werd achteraf als de eerste paus van Rome beschouwd.

Het christendom was echter lange tijd verboden in Rome – tot Constantijn het toestond. Toen de nieuwe godsdienst eenmaal was toegestaan, was deze ook niet meer te stuiten. Om de grote aantallen gelovigen onderdak te kunnen bieden bij religieuze bijeenkomsten werden meteen in de vierde eeuw enorme basilieken gebouwd. Twee ervan werden gebouwd op de plaatsen waren Petrus en Paulus begraven lagen, buiten de stadsmuren van Rome dus: de Sint-Pieter en de Sint-Paulus buiten de Muren. Twee andere grote vroeg-christelijke basilieken stonden wél in de stad: de Santa Maria Maggiore en de Sint-Jan van Lateranen. Deze laatste kerk, zo genoemd omdat hij ontstond op grond van de familie der Laterani, werd de kathedraal (de kerk waar de bisschopszetel staat) van Rome. De bisschoppen van Rome, de pausen, bouwden naast deze kerk hun paleis: het paleis van Lateranen.

Vele andere kerken en kerkjes ontstonden in Rome. Vaak werden er de resten van martelaren bewaard, of andere relikwieën (‘overblijfselen’) die uit Palestina waren gehaald. In de Middeleeuwen trok Rome dan ook talloze pelgrims aan, die de heilige plaatsen kwamen bezoeken. Deze pelgrims wilden graag iets hebben aan hun bezoek aan Rome en daarom werd het hun mogelijk gemaakt ‘aflaten’ te verkrijgen. Zo’n aflaat betekende dat een aantal zonden die men op aarde had begaan, kwijtgescholden werden. Men veronderstelde dat daarmee je positie in het leven na de dood aanzienlijk kon verbeteren. Om deze aflaten te krijgen moest je iets doen, bijvoorbeeld een aantal pelgrimskerken bezoeken.


Terzijde: Petrus aan het kruis

Petrus werd veroordeeld tot de dood aan het kruis, wat bij de Romeinen een normale manier was om bij niet-burgers de doodstraf ten uitvoer te brengen. Petrus protesteerde echter tegen deze manier om ter dood gebracht te worden, omdat hij zichzelf niet waard achtte om op dezelfde manier als Jezus te sterven. Daarop werd hij ondersteboven aan het kruis gehangen en stierf hij aldus.


6. Van heidendom naar Christendom


Tegenwoordig wordt iedere antieke steen in Italië beschermd. Maar dat is eeuwenlang heel anders geweest. De beelden en gebouwen uit de Romeinse tijd waren vogelvrij. De christenen voelden zich absoluut niet geroepen de monumenten van de heidenen, die de christenen hadden vervolgd en vaak als martelaren ter dood hadden gebracht, te bewaren. Liever wilde men de gedachtenis aan de heidense Romeinen uitwissen. Alleen gebouwen die te gebruiken waren of een bepaalde waarde hadden voor het christendom, bleven bewaard. Zo werden enkele Romeinse tempels, onder andere het Pantheon en de tempel van Antoninus Pius en Faustina, bewaard, omdat ze als christelijke kerk in gebruik werden genomen. In menige kerk kun je zuilen aantreffen die afkomstig zijn van antieke Romeinse gebouwen, en de zuilen van Trajanus en Marcus Aurelius werden hergebruikt als uitzichttorens en als sokkels om de beelden van Petrus en Paulus te dragen. De Mamertijnse gevangenis werd (ten dele) bewaard omdat Petrus er gevangen had gezeten en het dus een heilige plaats was.

Maar de meeste Romeinse oudheden werden gesloopt. Een goed voorbeeld daarvan is het Colosseum. Het gebouw, dat gehaat was omdat er christenen voor de leeuwen waren geworpen, werd eeuwenlang als een soort steengroeve gebruikt. Vooral van de vijftiende tot en met de achttiende eeuw, toen er voor de bouw van bijvoorbeeld de nieuwe Sint-Pieter vele bouwmaterialen nodig waren, werd het marmer, steen en ijzer uit het Colosseum op grote schaal hergebruikt. Uiteindelijk werd het voor volledige sloop gespaard, omdat een paus het halverwege de achttiende eeuw tot een heilige plek uitriep waar het bloed van martelaren had gevloeid.

Het antieke Rome had ook talloze bronzen beelden. Zo stonden er op de triomfbogen bronzen beelden van de zegevierende keizers in een wagen met vierspan. Maar deze beelden zijn vrijwel allemaal verdwenen, omdat het brons makkelijk was te smelten en hergebruikt kon worden. Van de vele bronzen ruiterstandbeelden is er slechts één bewaard gebleven – per ongeluk, omdat men dacht dat het een beeld was van keizer Constantijn de Grote, degene die het christendom toestond en zich zelf als eerste keizer tot het christendom bekeerde. In feite was het beeld van een andere keizer.

Toch is ook het christendom diepgaand door het Romeinse heidendom beïnvloed. Zo is de officiële taal van de Rooms-katholieke kerk nog altijd het Latijn van de oude Romeinen. Ook toen men halverwege de Middeleeuwen Italiaans begon te spreken, hield de kerk vast aan het Latijn. Zo komt het dat je in heel Rome overal opschriften uit alle tijden in het Latijn kunt tegenkomen. Er zijn heel veel inscripties waarop je kunt lezen dat iets gebouwd is door een P.M. of Pont. Max. Deze afkorting staat voor Pontifex Maximus, wat het Latijn is voor ‘paus’. De titel is overgenomen van de oude Romeinen: de Pontifex Maximus was de ‘opperpriester’. Ook hebben vele christelijke gebruiken Romeinse wortels. Zo werd door een paus verordonneerd dat de geboorte van Christus gevierd moest worden op 25 december, wat de oude Romeinse feestdag was van de god Sol, de zonnegod.



Het meest opmerkelijke voorbeeld van overname is misschien wel de bouwvorm van de basiliek. Toen Constantijn in de vierde eeuw het Christendom officieel toeliet, was er behoefte aan gebouwen om samenkomsten te houden. Daarvoor kopieerden de oude christenen de bouwvorm van de basilica. Dit was een grote hal die bij de Romeinen gebruikt werd als overdekte markthal en ook dienst deed voor de rechtspraak. De bouwvorm was simpel maar doelmatig: een rechthoekig gebouw met een halfronde uitbouw (absis) aan een van de korte kanten. In de lengterichting is het gebouw verdeeld in een middenschip met aan weerskanten een zijbeuk. Het middenschip is hoger, zodat er een ‘lichtbeuk’ ontstaat waardoor het daglicht door de ramen naar binnen kan vallen. Door de Romeinse bouwtechniek die gebruik maakte van boogbouw, beton en bakstenen konden volgens dit principe enorme hallen gebouwd worden. Dit was precies wat de christenen nodig hadden om de grote aantallen gelovigen onderdak te verschaffen bij hun samenkomsten. Vandaar dat de basilica uitgangspunt werd voor de christelijke basiliek. Deze kon naar believen worden uitgebreid met dwarsbalken (waardoor de plattegrond de vorm van een kruis krijgt!), koepels en torens (al komt men die op kerken in Rome vrijwel niet tegen).


7. De Middeleeuwen


De Middeleeuwen waren in het algemeen niet het beste hoofdstuk in de geschiedenis van Rome. Na het einde van de Romeinse keizertijd nam de bevolking van Rome ten gevolge van de plunderingen en verwoestingen door volken als de Vandalen en Longobarden snel af. De stad waar ooit een miljoen mensen woonden, had in de zesde eeuw nog maar 50.000 inwoners, al trok de stad wel vele pelgrims. De pausen waren voortaan de leiders van de stad. Na het ontstaan van het ‘Heilige Roomse Rijk’ ging het beter: Rome en de paus waren het geestelijk middelpunt van het rijk en de keizer was de wereldlijke heerser. De pausen kroonden de keizers van het rijk, te beginnen met Karel de Grote in 800. Maar er waren ook vele conflicten tussen de pausen en de keizers. Dieptepunt was de veertiende eeuw. Er kwamen toen Franse pausen die niet meer in Rome, maar in het Franse Avignon verbleven. In 1377 waren er nauwelijks meer dan 15.000 inwoners in Rome. In de vijftiende eeuw waren de pausen weer in Rome en krabbelde de stad op. De pausen waren al lange tijd feitelijk de heersers over grote gebieden in Italië. In de vijftiende eeuw werd dit officieel, en ontstond de zogenaamde ‘Kerkelijke Staat’ met Rome als hoofdstad, de pausen waren nu niet alleen meer geestelijk leider, maar ook wereldlijk heerser.


Terzijde: Pausin Johanna

De paus dient een man te zijn, maar volgens de overlevering was er in de negende eeuw ook een pausin Johanna. Zij was verliefd op een monnik en om bij hem te kunnen zijn had ze zich altijd als man verkleed. Maar het feit dat ze een vrouw was, kwam uit toen ze tijdens een processie plotseling beviel van een kind. Moeder en kind werden gedood. Om te voorkomen dat iets dergelijks nog eens zou gebeuren, werd in de Sint-Jan van Lateranen een speciale stoel in gebruik genomen. Wanneer een nieuwe paus aantrad, moest hij hierop plaats nemen. Vervolgens werd gecontroleerd of hij echt een man was, wat bevestigd werd met de uitspraak Testiculos habet, bene pendentes (Hij heeft ballen en ze hangen goed). Dit gebruik werd in 1513 weer afgeschaft.


8. Renaissance


Een nieuwe tijd voor Rome brak tegen het eind van de vijftiende eeuw aan. Er trad een generatie pausen aan die Rome en de Kerkelijke Staat met krachtige hand bestuurden. Zij hielden zich nauwelijks met geestelijke zaken bezig, maar vooral met het versterken van hun eigen macht en rijkdom. Het was een beruchte tijd waarin de pausen hun tegenstanders uit de weg ruimden met gif, zich overgaven aan seksuele uitspattingen en zich met steekpenningen lieten betalen. Bovendien kwam men nu op het idee om een aflatenhandel te beginnen: de pelgrims hoefden nu niet meer iets te dóen om aflaten te verdienen, maar ze konden ze gewoon kopen. Deze handel leverde de pausen zeer veel geld op.

De periode duurde maar kort, van het aantreden van paus Alexander VI in 1492 tot de ‘Sacco di Roma’ (Val van Rome) in 1527, toen troepen van de Duitse keizer de stad verwoestten en plunderden. Toch leidden deze vijfendertig jaar, en zeker de tien jaar dat paus Julius II aan de macht was (1503-1513), tot een enorme bloei. Julius II haalde de belangrijkste kunstenaars van zijn tijd, Michelangelo, Rafael en Bramante, naar Rome. Zij maakten Rome tot het absolute middelpunt van de Renaissance met hun bouwwerken, beelden en schilderingen.

De pausen hadden na de periode dat de pauselijke macht in Avignon was gevestigd, het oude Lateraanse paleis verlaten en zich op het Vaticaan gevestigd. Daar werd een begin gemaakt met het ontwerp van een geheel nieuwe Sint-Pieter en was een nieuw paleis voor de pausen aangelegd. Rafael beschilderde de privé-vertrekken van paus Julius II, de zgn. Stanze (=kamers) van Rafael, en Michelangelo beschilderde plafond en achterwand van de privé-kapel voor de pausen, de Sixtijnse kapel.

Michelangelo Buonarotti (1475-1564) geldt als een van de grootste kunstenaars aller tijden. Hij was zeer veelzijdig. Niet alleen beschilderde hij de Sixtijnse kapel, maar hij ontwierp ook de koepel van de Sint-Pieter, maakte een groot aantal beeldhouwwerken (waaronder de Mozes voor het grafmonument van Julius II), schreef gedichten en ontwierp zelfs de kleding van de Zwitserse Garde, de lijfwacht van de pausen. Op zevenentachtig-jarige leeftijd, in 1562, ontwierp hij nog een nieuw plein voor het Capitool.

De belangrijkste inspiratiebron voor de kunstenaars uit de Renaissance was de klassieke Oudheid: zij waren ‘classicistisch’. Het besef drong nu ook langzamerhand door dat de overblijfselen uit de Oudheid bewaard moesten blijven. De eerste collecties van antieke kunst werden aangelegd. Typerend is de vondst van de zgn. Laocoöngroep. Deze antieke beeldengroep werd in 1506 door een wijnbouwer teruggevonden in de ruïnes van het Gouden Huis van Nero. Meteen werd Michelangelo erbij gehaald, die het beeld als het mooiste beeldhouwwerk ter wereld bestempelde. De beeldengroep werd op een praalwagen naar het Capitool gebracht, waar hij tentoongesteld werd. Vervolgens ging het naar een speciale zaal die door Bramante in het Vaticaanse paleis was gebouwd, het begin van de enorme Vaticaanse musea. Toen het beeld de pauselijke residentie binnenreed werden vanaf de Engelenburcht saluutschoten afgevuurd.


Terzijde: vijgenblaadjes

De pausen waren bezitter van de meeste grond in Rome en de Kerkelijke staat. Daarom werden zij ook eigenaar van de antieke Romeinse beelden die daar werden teruggevonden. Deze beelden maken tegenwoordig deel uit van de collecties van de Vaticaanse musea. Een probleem was dat de antieke Romeinse beelden vaak naakten waren. Dit openlijke vertoon van naaktheid werd door de kerk als onwelvoeglijk beschouwd. Daarom werden de beelden die in de Vaticaanse musea staan, voorzien van een vijgenblaadje. Tegenwoordig vindt men deze vijgenblaadjes vanuit kunsthistorische overwegingen onwenselijk. Vandaar dat vele weer zijn verwijderd. De aanwezigheid van boorgaatjes verraadt echter waar ooit vijgenblaadjes hebben gezeten.

9. Contrareformatie en Barok


Door de Reformatie die in de 16de eeuw in Europa flink om zich heen greep met Luther (Duitsland), Calvijn (Frankrijk) en Zwingli (Zwitserland), verzwakte de positie van Rome als middelpunt van de christelijke kerk. De protestanten erkenden de paus en de heiligen niet en protesteerden fel tegen uitwassen als de handel in aflaten en het optreden van de Inquisitie (de kerkelijke rechtbank). De Rooms-katholieke kerk besloot een tegenoffensief in te zetten: de Contrareformatie. De gelovigen moesten worden overtuigd van de suprematie van de Rooms-katholieke kerk.

Een belangrijk middel vormden de jezuïeten. De leden van deze kloosterorde, die aan het begin van de 16de eeuw was gesticht door Ignatius van Loyola, werden er door de paus op uitgestuurd om het katholieke geloof te verspreiden. Ze deden dat onder meer door het stichten van colleges en universiteiten waar ze goed onderwijs gaven. In Rome was het hoofdkwartier van de jezuïeten gevestigd.

Een ander middel dat werd ingezet om de gelovigen naar de Rooms-katholieke kerk te trekken, was de kunst: de tijd van de barok brak aan. Met ‘barok’ wordt kunst (beelden, schilderkunst, architectuur) aangeduid die de mens zozeer moet imponeren dat zij niet door mensenhanden lijkt te zijn gemaakt. Barokkunst is groots en indrukwekkend (tegen het pompeuze aan), druk en overdadig. De kunstenaar streeft niet langer naar naturalisme, maar mag de natuur overtreffen, alsof de hand van God zelf erin zichtbaar is. Hij maakt veel gebruik van gezichtsbedrog: vaak zie je niet wat nep is en wat echt. De lijnen zijn niet recht: alles beweegt met krullen en spiralen. De invloed van de barok in Rome is enorm geweest: in vele kerken in Rome is barok de overheersende stijl. Beroemde voorbeelden zijn de plafonds van de jezuietenkerken, waar het lijkt of je recht de hemel in kijkt.

De belangrijkste barokkunstenaar in Rome was Bernini (1598-1680). Met name als beeldhouwer en architect was hij actief. Hij maakte het baldakijn boven het altaar van de Sint-Pieter, het monument rond de ‘cathedra Petri’ (zetel van Petrus) en de Vierstromenfontein op de Piazza Navona (een beroemd plein). De een-na-belangrijkste barokkunstenaar – na Bernini – was de architect Borromini. Hij ontwierp onder meer gevels van kerken die hij door gebruikmaking van holle en bolle muurstukken een golvend aangezicht gaf, bijvoorbeeld de gevel van de Sant’ Agnese-kerk aan de Piazza Navona.




10. Risorgimento en koninkrijk


Sinds de tijd van de oude Romeinen was Italië nooit meer een eenheidsstaat geweest. Het bestond uit kleine vorstendommen, die dikwijls met elkaar in oorlog waren. De Kerkelijke Staat van de paus met zijn hoofdstad Rome was er daar één van. In de 19de eeuw ontstond er een beweging, het Risorgimento (‘Opstanding’) genoemd, die er genoeg van had dat niet-Italische landen, Oostenrijk met name, macht hadden in Italische staten. Tegelijkertijd was het Risorgimento ook een nationale beweging die streefde naar een eenheidsstaat Italië.

Een belangrijke stuwende kracht achter het eenheidsstreven was Victor Emanuel II, de vorst van Piëmonte-Sardinië. Het lukte hem langzaam de verschillende vorstendommen aaneen te smeden, maar de paus wilde daar niet aan mee doen. Ook met geweld kon de paus niet gedwongen worden, omdat Franse troepen hem bijstonden. In 1861 werd Victor Emanuel II tot koning van Italië uitgeroepen zonder dat de Kerkelijke Staat met Rome daar toe behoorde. Turijn was eerst de hoofdstad, en in 1865 werd Florence dat. Maar toen in 1870 de Frans-Duitse oorlog uitbrak en de Franse troepen Rome niet langer bleven beschermen, werd Rome in 1870 ingenomen door Victor Emanuel II. Hij bezette de Quirinalis-heuvel, waar hij zijn paleis inrichtte, en hij riep Rome uit tot de hoofdstad van het nieuwe koninkrijk Italië. Dit betekende het einde van de Kerkelijke Staat; Rome werd vanaf nu door koningen geregeerd. De paus had geen wereldlijke macht meer en werd de ‘gevangene van het Vaticaan’. Om Victor Emanuel II en de eenheid van Italië te herdenken werd een enorm monument opgericht aan de voet van het Capitool: het Monumento Vittorio Emanuele II.



Terzijde: de pizza Margherita


De koning die na Victor Emanuel II kwam, was Umberto I. Zijn vrouw was koningin Margherita. Speciaal voor haar werd een pizza ontworpen die de kleuren van de Italiaanse vlag heeft: groen, wit, rood. Op deze pizza zit namelijk basilicum, mozzarella en tomaat.


11. Mussolini en het fascisme


In 1922 hield Benito Mussolini een mars op Rome, waarmee hij de koning dwong de macht af te staan. Mussolini wilde in Italië de Romeinse keizertijd laten herleven, hij wilde de keizer zijn van een hernieuwd keizerrijk. De benaming van zijn bewind paste daarbij: fascisme. Het woord fascisme is afgeleid van de fasces, de roedenbundels, die het machtssymbool van de Romeinse keizers vormden. Mussolini heerste als een alleenheerser en liet zich nog net geen keizer noemen, maar il Duce, ‘de leider’ (zoals Hitler in Duitsland ‘der Führer’ heette). De Middellandse Zee moest weer een binnenzee worden zoals in de tijd van de Romeinen. Daartoe veroverde Mussolini Abessinië (het huidige Ethiopië), moderne wapens tegen pijl-en-boog, wat de Italianen niet de bewondering, maar de afkeuring van de rest van de wereld opleverde.

Rome moest het middelpunt van het wereldrijk worden. Daartoe was onder meer een brede paradeweg nodig, die Mussolini midden in het centrum aanlegde over de resten van de keizerfora, de Via dell’ Impero (‘Rijksweg’), die later in Via dei Fori Imperiali (‘Weg van de keizerfora’) is omgedoopt. Ook liet hij een eigen forum aanleggen: het Foro Italico, een sportcomplex aan de noord-west rand van de stad. Mussolini stelde een groot belang in de Romeinse keizertijd: hij liet de oude havenstad Ostia opgraven en restaureren. Ook liet hij de Ara pacis (het ‘vredesaltaar’) van Augustus herbouwen. Het mausoleum van Augustus liet hij restaureren met het oogmerk daar zelf in begraven te worden. Hij liet een museum bouwen waarin de glorieuze opmars van het Romeinse rijk te zien was. Het bestaat nog altijd – onder meer de enorme maquette van het Rome uit de tijd van Constantijn is er te zien.

Iets anders wat door Mussolini werd aangepakt was het probleem van de paus. De pausen waren sinds 1870 de ‘gevangene van het Vaticaan’. Mussolini en de paus sloten in 1929 het zogenaamde Verdrag van Lateranen, dat bepaalde dat Vaticaanstad voortaan een soevereine staat was. Behalve Vaticaanstad zelf behoorden ook de drie grote basilieken buiten Vaticaanstad (Santa Maria Maggiore, Sint-Jan van Lateranen en Sint-Paulus buiten de muren) tot het grondgebied van Vaticaanstad.


Terzijde: Hitler en Mussolini

Mussolini sloot een pact met Hitler. De Duitse leider kwam ook op bezoek in Rome. Bij die gelegenheid wilde Mussolini uiteraard indruk maken op zijn bondgenoot. Hij liet een grote troepenparade houden. Omdat er echter minder soldaten beschikbaar waren dan hij wilde, besloot Mussolini tot een truc. Hij liet de soldaten vanaf het Colosseum paraderen over de nieuw aangelegde Via dell’ Impero naar het Palazzo Venezia, waar Hitler en hijzelf de parade afnamen. De gepasseerde soldaten hadden de instructie gekregen ijlings terug te keren naar het Colosseum om daar andere uniformen aan te trekken. Vervolgens moesten ze nog eens langsparaderen, maar nu als soldaten van een ander onderdeel van de krijgsmacht.


12. Het moderne Rome


Na de Tweede Wereldoorlog en de dood van Mussolini werd in 1946 de Republiek in Italië uitgeroepen. Het land heeft sindsdien talloze regeringen gehad die het meestal maar enkele jaren uithielden. Het paleis op de Quirinaal is tegenwoordig de residentie van de president. In Italië heeft de president echter vooral een ceremoniële functie, de minister-president is veel belangrijker. In 2006 werd Romano Prodi dat, maar lange tijd (1994-2006) was de ultra-rechtse Silvio Berlusconi minster-president. Deze is in Milaan rijk geworden, als mediamagnaat. Sowieso wordt in het noorden van Italië veel meer geld verdiend dan in het midden en het zuiden. Vele Italianen uit het noorden zouden het noordelijke deel van Italië daarom wel willen afsplitsen. Maar vooralsnog is Italië een eenheidsstaat met ‘het eeuwige Rome’ als hoofdstad.


Begrippenlijst

absis (of apsis) De halfronde uitbouw van een basilica.

apostelen Aanhangers van Jezus, die werden uitgezonden om het christelijk

geloof te verspreiden

Aureliaanse muur De stadsmuur die keizer Aurelianus in de derde eeuw rondom Rome

liet bouwen.

Barok Kunststroming in de zeventiende eeuw die indrukwekkend, druk en

overdadig is.

basilica 1. Romeinse tijd: hal voor markt en rechtspraak, 2.: Christelijke

periode: kerkgebouw.

Bernini De belangrijkste kunstenaar in Rome tijdens de Barok.

Borromini Belangrijke architect in de tijd van de Barok.

Capitool Centrale heuvel in Rome, die in de Oudheid de burcht van de stad

was en waar nu het stadhuis is.

classicisme Het navolgen van de klassieke Oudheid.

curia Senaatsgebouw, op het Forum Romanum.

fascisme Het totalitaire regime van Mussolini (1922-1945)

Forum Romanum Het centrale plein van Rome, tussen Capitool en Palatijn.

mausoleum Praalgraf.

Michelangelo Belangrijkste kunstenaar in de tijd van de Renaissance.

Mussolini Fascistische leider van Italië.

Palatijn Heuvel in Rome waarop de paleizen van de keizers lagen.

PM/ Pont. Max. =Pontifex Maximus: paus.

Quirinaal Heuvel in Rome met het paleis waarin tegenwoordig de president

zetelt.

relikwie Overblijfsel van Jezus of een heilige.



Romulus De stichter en eerste koning van Rome.

SPQR =Senatus Populusque Romanus: Senaat en volk van Rome.

thermen Badgebouw met koude, lauwe en warme baden.

Verdrag van Lateranen Het verdrag dat Mussolini in 1929 met de paus sloot en dat regelde

dat Vaticaanstad een soevereine staat werd.

Oefenvragen

(De antwoorden op onderstaande vragen zijn te vinden op www.bonhoeffer.nl/klassiek onder ‘Romereis’ > ‘antwoorden’)


1. In welk jaar werd Rome volgens de overlevering gesticht?

2. Wat betekent de afkorting SPQR?

3. Wat was de taak van de Vestaalse maagden?

4. Wie waren de hoogste machthebbers in de tijd van de Republiek?

5. Op welke heuvel van Rome stonden de paleizen van de keizers?

6. Met welke naam werd het centrale plein van het oude Rome aangeduid?

7. Wat was de aanleiding om het Colosseum te bouwen?

8. Onder welke Romeinse keizer bereikte het Romeinse rijk zijn grootste omvang?

9. Wat zijn de vier grote vroeg-christelijke basilieken?

10. Voor welke twee doeleinden werd een basilica in de Romeinse tijd gebruikt?

11. Wat is de ‘Kerkelijke Staat’?

12. Noem twee middelen die in de tijd van de Contrareformatie werden ingezet om de

gelovigen te overtuigen van de suprematie van de Rooms-katholieke kerk.

13. Noem twee kunstwerken die door Michelangelo zijn gemaakt.

14. Waarom wordt veel kunst uit de tijd van de Renaissance als ‘classicistisch’ aangeduid?

15. Geef twee kenmerken van de Barok.

16. Wie werd er als eerste koning van Italië na het Risorgimento?

17. Waar komt de naam fascisme vandaan?

18. Wat hield het Verdrag van Lateranen in?

19. Hoe heet de huidige premier van Italië?



20. Welke rivier stroomt door Rome?



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina