Bedoeld voor ondernemers uit de B&U-, gww- en A&O-sector



Dovnload 96.54 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte96.54 Kb.


Deel I

Het inspecteren van arbeidsmiddelen;


regels en verantwoordelijkheden

Bedoeld voor ondernemers uit de

B&U-, GWW- en A&O-sector


Arbouw

La Guardiaweg 4

1043 DG Amsterdam

Postbus 8114

1005 AC Amsterdam

telefoon (020) 580 55 80

telefax (020) 580 55 55

Internet www.arbouw.nl

e-mail arbouw@arbouw.nl

Voor vragen over arbeidsomstandigheden:

Arbouw Infolijn (020) 580 55 99

Arbouw voor gezond en veilig werken

Arbouw is door werkgevers- en werknemersorganisaties opgericht om de arbeidsomstandigheden in de bouwnijverheid te verbeteren. Binnen Arbouw participeren Bouwend Nederland, Federatie van Ondernemersorganisaties in de Afbouw (FOA), FNV Bouw en Hout- en Bouwbond CNV.

Amsterdam, augustus 2005
Het is geoorloofd gegevens uit deze brochure te gebruiken mits daarbij de bron wordt vermeld. Hoewel bij de samenstelling van deze uitgave de uiterste zorg is nagestreefd, kunnen fouten en onvolledigheden niet worden uitgesloten. Arbouw aanvaardt geen aansprakelijkheid, ook niet voor directe of indirecte schade ontstaan door of verband houdende met toepassing van door Arbouw gepubliceerde uitgaven.

INHOUD

Voorwoord


  1. Wetgeving

1.1 Arbobesluit

1.2 Keuringseisen en doelvoorschriften

1.3 Verschil tussen inspecties en keuringen

1.4 Risico-inventarisatie


1.5 Europese productrichtlijnen, de Machinerichtlijn en CE-markering


  1. Keuringsklassen

2.1 De zes keuringsklassen

3. Regels en verantwoordelijkheden

3.1 Verantwoordelijkheid van de werkgever

3.2 Deskundigheid en positie van de inspecteur

3.3 Elektrische arbeidsmiddelen

3.4 Verantwoordelijkheid voor het systeem

3.5 Voorlichting aan werknemers

3.6 Gebruik van de lijsten behorend bij het Handboek Arbeidsmiddelen

3.7 Toepassing verschillende lijsten uit het Handboek Arbeidsmiddelen

3.8 Tijdstip van inspecteren

3.9 Registreren en opbergen

3.10 Directe aanpassingen noodzakelijk

3.11 Sticker met datum



  1. Literatuur en adressen

4.1 Literatuur

4.2 Adressen



Voorwoord
Arbeidsmiddelen zijn 'alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, apparaten, gereedschappen en installaties'. Arbeidsmiddelen maken het werk in de bouwnijverheid lichter en gemakkelijker. Goed onderhoud van de arbeidsmiddelen is niet alleen van belang voor hun levensduur, maar ook noodzakelijk voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers die ermee werken.
De werkgever is volgens het Arbobesluit verplicht om de nodige maatregelen te treffen. Arbeidsmiddelen moeten zodanig zijn uitgerust en worden toegepast dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemer tijdens het gebruik geen gevaar lopen. Dit valt onder de zorgplicht van de werkgever onder wiens gezag de activiteit wordt uitgevoerd. Dit hoeft niet de eigenaar van het arbeidsmiddel te zijn. Daarnaast moet de werkgever de werknemers wijzen op de risico’s van het gebruik van het arbeidsmiddel en op het gevaar dat omstanders lopen in de directe nabijheid daarvan. Kernpunt van de aanpak voor het voldoen aan het Arbobesluit is een systematische risicobeoordeling. Hieruit komt naar voren welke risico's bestaan bij het gebruik en welke maatregelen (nog) getroffen moeten worden om het arbeidsmiddel op een gezonde en veilige manier te gebruiken.
Het Digitale Handboek Arbeidsmiddelen beschrijft de regels omtrent het in eigen beheer onderhouden en inspecteren van arbeidsmiddelen en hoe u met de lijsten uit het handboek moet werken. Het handboek is bedoeld voor ondernemers uit zowel de B&U-, GWW- als Afbouw- en Onderhoudssector. Er zijn nu ook twee aparte delen beschikbaar. Voor degenen die niet zozeer geïnteresseerd zijn in de praktische kant van het onderhoud, maar wel in de regelgeving hierover, is dit deel dat voor u ligt bedoeld. Voor degenen die vooral willen weten waar zij de juiste lijst kunnen vinden en hoe ze met die lijst moeten omgaan, is er deel II ‘Handleiding voor het werken met de checklijsten van het Handboek Arbeidsmiddelen’.
Het Handboek Arbeidsmiddelen is door Arbouw samengesteld in samenwerking met Aboma+Keboma, BouwNed/KOMAT, VIANED, de FOA en de BMWT. BouwNed en Vianed zijn in 2005 opgegaan in Bouwend Nederland.

1 Wetgeving


Bij het gebruik van arbeidsmiddelen kunnen gevaren ontstaan voor de gebruikers én voor de omgeving. Door het gebruik van de arbeidsmiddelen gaat de kwaliteit ervan achteruit, als gevolg van slijtage, beschadiging en veroudering. Een ongeval kan het gevolg zijn. Om die reden is er wetgeving gericht op het waarborgen van de veilige staat van arbeidsmiddelen gedurende de hele gebruiksduur.

1.1 Arbobesluit


De Europese Richtlijn Arbeidsmiddelen, die eisen stelt aan het gebruik en onderhoud van arbeidsmiddelen op de werkplek, is in Nederland vervat in het Arbobesluit hoofdstuk 7. De hierin opgenomen eisen gelden zowel voor nieuwe als reeds in gebruik zijnde arbeidsmiddelen.
Een onderdeel van de wettelijke eisen is het regelmatig inspecteren of keuren (beoordelen) van arbeidsmiddelen. Het Arbobesluit, artikel 7.a, eist dat arbeidsmiddelen periodiek worden beoordeeld. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling.

1.2 Keuringseisen en doelvoorschriften


Voor risicovol materieel, zoals bepaalde typen hijskranen, liften en bepaalde apparatuur onder druk, zijn de keuringseisen gedetailleerd in wetten en normen vastgelegd. Ook voor elektrische arbeidsmiddelen en hijsgereedschappen gelden aanvullende voorschriften. Voor deze arbeidsmiddelen worden eisen gesteld aan de keurmeester en de organisatie die de keuringen uitvoert. Voor het overgrote deel van het bouwmaterieel bestaan er algemene regels die als doelvoorschriften zijn geformuleerd. De overheid stimuleert dat branches zelf het initiatief nemen tot concrete invulling van die doelvoorschriften. Het Handboek Arbeidsmiddelen van Arbouw is een dergelijk initiatief. Het handboek stelt bedrijven in de bouwnijverheid in staat met behulp van verschillende controlelijsten een praktische invulling te geven aan de voorschriften.

1.3 Verschil tussen inspecties en keuringen


Hoewel het Arbobesluit spreekt over keuring van arbeidsmiddelen, is in dit handboek gekozen voor een onderscheid tussen inspecties en keuringen.

  • Inspecties mogen door het uitvoerend bedrijf zelf worden georganiseerd.

  • Keuringen moeten door gecertificeerde instanties worden uitgevoerd. Dit is het geval bij bovengenoemd risicovol materieel.



1.4 Risico-inventarisatie


In beginsel zijn alle eisen die aan arbeidsmiddelen worden gesteld, gebaseerd op artikel 7.3 van het Arbobesluit, 'Geschiktheid arbeidsmiddelen'. Dit artikel verplicht de werkgever arbeidsmiddelen pas te laten gebruiken na een risico-inventarisatie en -evaluatie inzake het veilige gebruik van het middel, met inachtneming van de gevaren die de werkplek zelf met zich meebrengt. Bovendien wordt verwezen naar de NEN-EN 1050 norm (Veiligheid van machines: principes voor de risicobeoordeling) die bij die risico-inventarisatie en -evaluatie kan worden gehanteerd.

1.5 Europese productrichtlijnen, de Machinerichtlijn en CE-markering


De Europese productrichtlijnen geven productveiligheidseisen waarbij alle EU-landen op één niveau zijn gebracht. In Nederland zijn deze productrichtlijnen opgenomen in de Warenwet. Eén van de productrichtlijnen is de Machinerichtlijn. Machines die hieraan voldoen, zijn door de fabrikant voorzien van een CE-markering en gaan vergezeld van een EG-verklaring van overeenstemming. Ook voor CE-gemarkeerde machines is een controle aan te bevelen. Voor de veiligheid bij aanschaf van een onder een productrichtlijn vallend product is de fabrikant of leverancier verantwoordelijk. Voor de veiligheid tijdens het gebruik van een arbeidsmiddel is de werkgever van de gebruiker verantwoordelijk.
Indien de gebruiker modificaties aanbrengt aan de machine, dan dient zijn werkgever te beoordelen of nog aan de Machinerichtlijn wordt voldaan dan wel hieraan moet gaan voldoen.

De volgende stappen moeten worden genomen om aan de richtlijn te voldoen:



  1. Bepalen van bedoeld gebruik en van toepassing zijnde richtlijnen

  2. Opstellen van risico-analyse van de gewijzigde machine

  3. Nagaan of aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen wordt voldaan (bijlage I van de Machinerichtlijn)

  4. Risicoreducerende maatregelen vastleggen

  5. Technisch constructiedossier opstellen

  6. Gebruikershandleiding opstellen

  7. Verklaring van overeenstemming opstellen

  8. Eventueel externe deskundige inschakelen

  9. Opnieuw CE-markering aanbrengen


2. Keuringsklassen

2.1 De zes keuringsklassen


De overheid heeft een systeem van keuringsklassen ontwikkeld waarbij een groter risico leidt tot indeling van het arbeidsmiddel in een hogere klasse. Afhankelijk van de keuringsklasse stelt de overheid eisen aan de beoordeling, de persoon en de organisatie (het bedrijf) waar de persoon werkzaam is.
Klasse 0. De beoordelingen worden verricht door personen die daartoe voorlichting en onderricht hebben gehad. Dit is een inspectie. Arbeidsmiddelen met geringe risico's zijn ingedeeld in klasse 0, bijvoorbeeld een schaftwagen.
Klasse 1. De beoordelingen worden verricht door deskundige personen die door de eigenaar/werkgever zijn aangewezen en daartoe speciaal zijn opgeleid. Dit is een inspectie. Het overgrote deel van de in de bouw gebruikte arbeidsmiddelen valt in klasse 1. Voorbeelden hiervan zijn de cirkelzaagmachine, voegvulmachine, steigerelement en breekhamer. In het algemeen valt materieel dat elektrisch, pneumatisch of via een brandstofmotor wordt aangedreven minstens in klasse 1.
Klasse 2. De beoordelingen worden verricht door speciaal daartoe opgeleid personeel, dat een onafhankelijke positie bekleedt ten opzichte van degenen die bij de keuringsuitkomsten belang hebben. De inspecteur heeft dus geen belang bij de uitkomst van de inspectie. Een afkeuring mag geen gevolgen hebben voor het dagelijks werk van de inspecteur. Deze beoordeling heet inspectie. Voorbeelden van arbeidsmiddelen in klasse 2 zijn een bouwlift, heftruck en divers hijs- en hefgereedschap.
Klasse 3. Hierbij is het vermelde onder klasse 2 uitgangspunt, maar er worden eisen gesteld aan de onafhankelijkheid en deskundigheid van de beoordelingsorganisatie binnen een bedrijf. Het bedrijf moet beschikken over een specifiek kwaliteitssysteemcertificaat (EN 45012 / ISO 9000) of een specifieke accreditatie als inspectie-instelling (EN 45004). Het is mogelijk dat een onafhankelijke materieeldienst aan deze voorwaarden voldoet. Dit is een keuring. Voorbeelden van arbeidsmiddelen in klasse 3 zijn torenkranen en mobiele bouwkranen kleiner dan 10 tonmeter.
Klasse 4. De beoordelingen worden verricht door onafhankelijke en deskundige keuringsinstanties, die door de Raad van Accreditatie zijn geaccrediteerd. De overheid schrijft de specifieke keuringen voor en wijst de keuringsinstanties aan (EN 45011). Het technische gedeelte van de keuringen mag door de keuringsinstantie per contract worden uitbesteed aan instellingen waarvan de deskundigheid en de onafhankelijkheid middels accreditatie of anderszins zijn gewaarborgd. De eindverantwoordelijkheid voor keuringsresultaten blijft echter bij de aangewezen keuringsinstantie. Dit is een keuring. Voorbeeld van een arbeidsmiddel in deze klasse is de personen-/goederenlift.
Klasse 5. Als 4, de keuringen mogen door de onafhankelijke keuringsinstantie echter niet aan anderen worden uitbesteed. Dit is een keuring. Deze klasse is voor de bouw niet relevant.
Klasse 6. Als 5, met extra overheidstoezicht of uitvoering door de overheid zelf. Dit is een keuring. Deze klasse wordt niet gebruikt.
Alleen arbeidsmiddelen uit de klassen 0 – 2 mogen door het uitvoerend bedrijf zelf worden beoordeeld. De beoordeling heet dan een inspectie. Arbeidsmiddelen in de klasse 3 en hoger mogen (in het algemeen) niet door het bouwbedrijf worden beoordeeld. De beoordeling heet dan een keuring.

3. Regels en verantwoordelijkheden




3.1 Verantwoordelijkheid van de werkgever


De verantwoordelijkheid voor de technische staat van het arbeidsmiddel berust bij de werkgever die opdracht geeft tot het uitvoeren van een taak waarbij het middel wordt gebruikt. Dit hoeft dus niet de eigenaar van het arbeidsmiddel te zijn. Bij gehuurde of geleende arbeidsmiddelen is de huurder of de inlener verantwoordelijk voor de technische staat. Op basis van de Arbowet is de beoordelende instantie of keurmeester niet verantwoordelijk voor de veiligheid van arbeidsmiddelen. Het uitbesteden van beoordelingen legt dus geen verantwoordelijkheid bij de keurmeester. Dit geldt voor het eigen materieel, maar ook voor ingehuurd of ingeleend materieel.

3.2 Deskundigheid en positie van de inspecteur


Het Arbobesluit schrijft in artikel 7.4.a lid 5 voor dat keuringen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling. De werkgever kan ervoor zorgen dat zijn werknemers opgeleid worden om de beoordelingen uit te mogen voeren. Aan het opleidingsniveau van de persoon worden hogere eisen gesteld naarmate de arbeidsmiddelen in een hogere klasse vallen. De medewerkers die een functie hebben bij het uitvoeren van de inspecties moeten hun vakkennis op niveau houden door bijvoorbeeld voorlichtings- en instructiebijeenkomsten van leveranciers en producenten te bezoeken en gerichte cursussen te volgen.

Een inspecteur moet in staat zijn om zelfstandig af te wegen wat de ernst is van een geconstateerd manco, welke gevaren tijdens gebruik kunnen ontstaan en wat de bijbehorende risico's zijn. Hij moet goede kennis bezitten van:



  • de gebruikershandleiding;

  • de specificaties en voorschriften die de fabrikant verstrekt;

  • de werking van het arbeidsmiddel;

  • de feitelijke gebruikscondities en de gebruikseisen die aan het arbeidsmiddel worden gesteld.

Deze eisen gelden in nog sterkere mate voor de keurmeesters.
Er is sprake van een onafhankelijke positie als de inspecteur geen belang heeft bij het resultaat van de inspectie. Een afkeuring mag dus geen gevolgen hebben voor het dagelijks werk van de inspecteur. Degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden (productieverantwoordelijke) mag de uitslag van de beoordeling niet kunnen beïnvloeden. De wetgever gaat er vanuit dat conflicterende belangen zullen resulteren in een keus voor productie in plaats van een veilig arbeidsmiddel. Naarmate het arbeidsmiddel grotere gevaren kent (in een hogere klasse valt) is het van groter belang dat de veiligheid goed is geborgd. In klasse 3 moet deze onafhankelijke positie zijn gewaarborgd doordat er bijvoorbeeld sprake is van een aparte en zelfstandige werkmaatschappij.

Tot en met klasse 3 kan er, mits er sprake is van juridisch gescheiden bedrijven, binnen één organisatiestructuur gekeurd/geïnspecteerd worden. Een onafhankelijke "materieel BV" mag dus arbeidsmiddelen tot en met klasse 3 keuren/inspecteren van het dochter-bouwbedrijf, mits kennis en vaardigheden aanwezig zijn.

Met betrekking tot de elektrische veiligheid van arbeidsmiddelen moet de NEN 3140 worden gehanteerd. In deze norm worden aanvullende eisen gesteld aan de keurmeester.

3.3 Elektrische arbeidsmiddelen


Bij elektrische arbeidsmiddelen wordt de elektrische veiligheid beoordeeld tijdens het uitvoeren van de inspectie of keuring, als onderdeel van een totale beoordeling en onderhoudsbeurt. De elektrische beoordeling van arbeidsmiddelen mag worden uitgevoerd door een voldoende onderricht persoon, die gebruikmaakt van geschikte meettoestellen. De geschiktheid is afhankelijk van het type meting en gereedschap. Kennis hierover wordt verkregen door opleiding en het bestuderen van handleidingen. Deze persoon wordt in staat geacht gevaren te voorkomen die door elektriciteit kunnen worden veroorzaakt. Hiervoor is goede kennis van de NEN 3140 een vereiste. De betrokken personen moeten hun kennis op niveau houden. Hiertoe ontvangen ze regelmatig instructie en voorlichting. Hierbij kan worden gedacht aan bijeenkomsten van leveranciers en producenten en specifieke opleidingen. Omdat brede kennis van elektrische gevaren vaak ontbreekt, is het noodzakelijk de omstandigheden waaronder de beoordelingen mogen worden uitgevoerd te omschrijven.

In de praktijk betekent een en ander dat het beoordelen en repareren van arbeidsmiddelen alleen plaatsvindt als de arbeidsmiddelen buiten gebruik zijn gesteld en deze niet ongewild in werking kunnen treden. Het is overigens in verband met productaansprakelijkheid aan te bevelen de noodzakelijke reparaties te laten uitvoeren door de leverancier of een daarin gespecialiseerd bedrijf.


Samenvattend overzicht

Klasse

Actie

Wanneer #1

Wie

Kwaliteit en competentie

Alle

Controle op de werkplek

Voor elk gebruik – 1 x per werk

First party

De productiemedewerker inspecteert zelf.

0 & 1

Beoordeling = inspectie

Manual,

1x per jaar



First party

Een door de gebruikende werkgever aangewezen deskundige inspecteert (inhuren van capaciteit is mogelijk)

2

Beoordeling = inspectie

Manual,

1x per jaar



Second party

Een onafhankelijke interne - of externe inspectiedienst c.q. persoon (inspecteur) of van een gebruikersorganisatie verricht de inspectie (inhuren van capaciteit is mogelijk)

3

Beoordeling = keuring

Manual,

1x per jaar



Second party


Een zelfstandige keuringsdienst c.q. persoon (keurmeester) bij of van een fabrikanten- of keuringsorganisatie verricht de keuring (inhuren van expertise)

4

Beoordeling = keuring

Manual,

1x per jaar



Third party

Een onafhankelijke externe keuringsinstantie of certificatie-instelling voert de keuring uit (inhuren van expertise en onafhankelijkheid)


#1: kortste periode prevaleert:

  • incidenteel gebruikte middelen beoordelen voor het gebruik;

  • combineer beoordeling met een onderhoudsbeurt.

#2: standaard procedure:

  • in bedrijfsproces is vastleggen van afwijkingen standaard;

  • moment van beoordelen vastleggen in onderhoudsboek;

  • als er een manco wordt geconstateerd, moet de lijst worden bewaard in het onderhoudsboek;

  • als er op de lijst een * staat bij manco, dan moet dit manco direct worden hersteld.

3.4 Verantwoordelijkheid voor het systeem

De verantwoordelijkheid voor het systeem en de coördinatie worden door de eindverantwoordelijke (de directie) toebedeeld aan één persoon (de systeemverantwoordelijke), bijvoorbeeld het hoofd materieeldienst, de arbocoördinator of de preventiemedewerker. De functie wordt binnen het bedrijf bekendgemaakt en vastgelegd.

De eindverantwoordelijke bepaalt op advies van de systeemverantwoordelijke wie er op welk moment welke actie moet nemen en welke hulpmiddelen daarbij moeten worden ingezet. Hiertoe wordt een medewerker aangewezen die de feitelijke inspecties uitvoert. Dit kan bijvoorbeeld een werkplaats-medewerker/onderhoudsmonteur zijn. Het systeem loopt mee met in het bedrijf gangbare procedures en wordt hierin geïntegreerd. Hierdoor wordt het mogelijk om de meest voorkomende arbeidsmiddelen (tot en met klasse 2) binnen het bouwbedrijf te inspecteren.



In deze brochure is er vanuit gegaan dat inspecties door medewerkers van de eigen materieeldiensten worden uitgevoerd. Bij de kleinere bedrijven zal dit 'de man van de werf' (of van de werkplaats) zijn. Uiteraard moeten deze personen wel de gelegenheid hebben gehad de gebruikershandleidingen te bestuderen, weten onder welke condities het arbeidsmiddel wordt gebruikt en in staat zijn om in te schatten welke consequenties mankementen kunnen hebben. Indien het elektrisch handgereedschap betreft, moeten deze personen ook op de hoogte zijn van de NEN 3140 en de gevaren die elektriciteit kan veroorzaken.

3.5 Voorlichting aan werknemers


De werkgever dient ervoor te zorgen dat de werknemers voldoende informatie hebben om op een veilige en gezonde manier met het arbeidsmiddel te werken. Ook degenen die zich in de directe nabijheid van het arbeidsmiddel bevinden, dienen te worden gewezen op de risico's van het arbeidsmiddel. Informatie hierover is veelal te vinden in de gebruikershandleiding. De in het Handboek Arbeidsmiddelen opgenomen controlelijsten zijn een goede leidraad bij het geven van voorlichting en instructie.

3.6 Gebruik van de checklijsten behorend bij het Handboek Arbeidsmiddelen


Bij het Handboek Arbeidsmiddelen horen een groot aantal checklijsten aan de hand waarvan arbeidsmiddelen geïnspecteerd kunnen worden. Hieronder staat per lijst vermeld in welke fase en op welke wijze er gebruik van kan worden gemaakt.

  • De lijst met aandachtspunten bij aanschaf. De aanschaf is een belangrijk moment omdat in deze fase bepaald wordt welk arbo-niveau het arbeidsmiddel zal hebben. Hieraan is vaak in een latere fase niets meer te veranderen. Indien in deze fase onvoldoende prioriteit wordt gegeven aan de intrinsieke veiligheid zal het bedrijf gedurende het verdere gebruik voortdurend geconfronteerd worden met een niet optimaal veilig arbeidsmiddel. Het vaststellen van veiligheidscriteria bij aankoop of huur van middelen en de controle hierop bij afname behoort meestal tot het terrein van de inkopers en materieelmensen. Zonodig adviseert de arbocoördinator van het bedrijf hierbij.

  • Op de aankooplijst worden de criteria op basis van de wet- en regelgeving vermeld. De criteria voor de specifieke arbeidsmiddelen vindt u in de overzichtstabel. De blanco aankooplijst kan gekopieerd worden of overgenomen worden op eigen briefpapier en daarna als basis dienen bij de aankopen.

  • De afnamelijst wordt gebruikt door de ontvanger om bij aflevering van de arbeidsmiddelen te beoordelen of de arbeidsmiddelen voldoen aan de wettelijke eisen en aan de criteria die gesteld zijn bij de koopovereenkomst. Deze aflevering kan plaatsvinden door de leverancier aan de materieeldienst, maar ook tijdens de levering door de materieeldienst aan het werk kan op deze wijze het arbeidsmiddel worden beoordeeld.

  • De inspectielijsten worden gebruikt door de inspecteur met als doel te beoordelen of een arbeidsmiddel verantwoord in gebruik kan worden gegeven of gehouden. Periodiek moet dit worden beoordeeld, maar ook na of tijdens een onderhoudsbeurt wordt de inspectielijst gebruikt. Hoe vaak een arbeidsmiddel moet worden beoordeeld, hangt van hoe intensief (bezettingsgraad) en onder welke omstandigheden het wordt gebruikt. Een hoge bezettingsgraad zal een kleine interval tussen het beoordelen geven. Ook zware omstandigheden die de slijtage bevorderen, zullen leiden tot een kleine interval. Is de bezettingsgraad laag dan zal een inspectie voor ingebruikneming voor de hand liggen. Als normaal interval tussen de inspecties wordt vaak een jaar aangehouden. Wat hier gesteld wordt voor de inspecties geldt uiteraard ook voor de keuringen.

  • Op de werkplek moet regelmatig met de controlelijsten worden gewerkt. De bouwplaatsmedewerker krijgt tijdens het gebruik van het arbeidsmiddel de opdracht om een controle uit te voeren aan de hand van de lijst. De controle geeft inzicht in de veiligheid tijdens het gebruik. De controle is nodig omdat:

  • de omgeving waarin het arbeidsmiddel wordt gebruikt de werking van het arbeidsmiddel beïnvloedt;

  • op de werkplek de ongevallen plaatsvinden;

  • een inspectie een momentopname is;

  • het gebruik van controlelijsten leidt tot grotere aandacht voor veiligheid in het algemeen.

Een positief beoordeelde machine kan na korte tijd al een risicovol manco vertonen. De gebruiksintensiteit is dan ook belangrijk bij het bepalen van de regelmaat van de controles op de werkplek. Manco's aan het arbeidsmiddel, die niet de primaire productie maar wel de veiligheid beïnvloeden, worden zo tijdens het doorlopen van de controlelijst sneller opgemerkt. Gevolg hiervan is dat het arbeidsmiddel sneller voor preventief onderhoud wordt aangeboden, hetgeen de levensduur verlengt en de kans op ongevallen verkleint.

Er is geen verschil in de strafrechtelijke aansprakelijkheid tussen het gebruik van eigen en ingehuurde of geleende arbeidsmiddelen. De lijsten kunnen derhalve ook voor ingehuurde arbeidsmiddelen een prima functie vervullen.


3.7 Toepassing verschillende lijsten uit het Handboek Arbeidsmiddelen

Soort lijst

Bestemd voor

Aandachtspunten bij aanschaf

Beheerder / inkoper / verantwoordelijke voor het gebruik / arbocoördinator

Aankoop- en afnamelijst

Materieelfunctionaris / arbocoördinator / inkoper

Controlelijst

Gebruiker

Inspectielijst

(Onderhouds-)monteur / inspecteur

3.8 Tijdstip van inspecteren


Voor de meeste arbeidsmiddelen geeft de toelichting op het Arbobesluit een interval van een jaar aan als veilige ondergrens. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om de juiste termijn vast te stellen. Minstens eenmaal per jaar is ook het meest praktisch. De wet schrijft voor dat een arbeidsmiddel veilig moet zijn tijdens gebruik. Dat betekent dat voor arbeidsmiddelen die slechts incidenteel worden gebruikt, kan worden gekozen voor een inspectie voorafgaand aan het gebruik. Daarentegen zijn er ook middelen die op grond van hun veelvuldig en intensief gebruik vaker dan eenmaal per jaar moeten worden geïnspecteerd.

Ook met het oog op de elektrische veiligheid (NEN 3140) zijn bovenstaande termijnen aan te bevelen.

Een dergelijke redenatie geldt ook voor de controlelijsten waarmee het feitelijke gebruik wordt beoordeeld.

3.9 Registreren en opbergen


Het Arbobesluit schrijft in artikel 7.4a lid 6 voor dat er van alle uitgevoerde keuringen en inspecties van arbeidsmiddelen schriftelijke bewijsstukken op de arbeidsplaats aanwezig moeten zijn en getoond moeten kunnen worden aan de arbeidsinspectie. Artikel 7.5 lid 4 eist dat een bij het arbeidsmiddel behorend onderhoudsboek goed wordt bijgehouden. Een onderscheid kan gemaakt worden tussen het 'bulkgoed' (zoals steigerpijpen, koppelingen, verlengsnoeren) en de unieke arbeidsmiddelen. Van het bulkgoed kan per type een onderhoudsboek worden aangelegd. De inhoud van het bulkonderhoudsboek is gelijk aan de inhoud van de onderhoudsboeken voor unieke arbeidsmiddelen (per product). Doel van het onderhoudsboek is dat het bedrijf kan aantonen dat de in omloop zijnde arbeidsmiddelen optimaal veilig zijn en dat aan de wettelijke verplichtingen is voldaan.

Teneinde de hoeveelheid documenten te beperken, kan in het zorgsysteem worden opgenomen dat alleen 'afwijkingen van normaal' worden bewaard in het onderhoudsboek. De lijsten waarop geen opmerkingen staan, hoeven dan niet te worden bewaard en er wordt alleen in een onderhoudsschema bijgehouden op welk moment welke controle, inspectie of keuring is uitgevoerd. Vanzelfsprekend kunnen bedrijven ervoor kiezen om de administratie waar mogelijk te automatiseren. Het digitale handboek arbeidsmiddelen is hiervoor een goed startpunt.

Het onderhoudsboek kan bestaan uit:


  • de CE-verklaring of verklaring van overeenkomst (conformiteitsverklaring);

  • de gebruiksaanwijzing;

  • de onderhoudsschema's en overige beschrijvingen;

  • de documenten van de leverancier;

  • de afgevinkte aankooplijst(en);

  • afnamelijst(en);

  • de inspectielijsten en/of keuringslijsten.

De controlelijsten en een kopie van de laatste keuringslijst en/of inspectielijst kunnen op het werk worden bewaard. Het onderhoudsboek blijft in dit geval bij de eigenaar van het arbeidsmiddel in beheer.

Soort lijst


Waar bewaren?

Aandachtspunten bij aanschaf

Bij de opdrachtbevestiging in het onderhoudsboek.

Aankooplijst

Bij de opdrachtbevestiging in het onderhoudsboek.

Afnamelijst

In het onderhoudsboek in geval van manco's.

Inspectielijst

In het onderhoudsboek in geval van manco's.

Keuringslijst (van derden)

in het onderhoudsboek.

Controlelijst

Op het werk en met het arbeidsmiddel naar de volgende gebruiker of de materieeldienst of onderhoudsdienst.


3.10 Directe aanpassingen noodzakelijk (*)

Bij het beoordelen van arbeidsmiddelen aan de hand van de controlelijsten van het Handboek Arbeidsmiddelen doet zich de vraag voor: mag er met het middel worden doorgewerkt als niet alle beoordelingspunten positief scoren? Deze vraag is niet met een eenvoudig 'ja’ of ‘nee' te beantwoorden. Niet altijd zal een manco aan het arbeidsmiddel strijdig zijn met het veilig kunnen werken met het arbeidsmiddel. Het hangt ervan af of het om tekorten gaat die acuut gevaar opleveren voor de gebruiker of zijn omgeving. Bij het maken van bedrijfsinterne afspraken moet aan deze afwegingen veel aandacht worden besteed. Ook aan de kennis van de inspecteur en keurmeester op dit punt moeten eisen worden gesteld.

Punten die acuut gevaar kunnen opleveren, zijn op de inspectielijsten met een ster (*) gemarkeerd. Het arbeidsmiddel mag pas weer in gebruik worden genomen als de met * gemarkeerde items in orde zijn.

Voorbeeld


Op het gereedschap dient een machineplaatje aanwezig te zijn. Het is helder dat de afwezigheid van het plaatje de veiligheid niet direct beïnvloedt. In geval van nood kan er, tegen de regels in, voor gekozen worden het arbeidsmiddel toch tijdelijk in gebruik te nemen. Ook andere inspectiepunten zijn niet met een ster gemarkeerd. Deze items moeten wel aanwezig zijn en goed functioneren. Is dit niet het geval dan is tijdelijk gebruik in noodsituaties denkbaar. De met een * gemarkeerde items beïnvloeden wél direct de veilige werking, bijvoorbeeld een beschermkap op een haakse slijpmachine. Zijn deze items niet in orde, dan dreigt acuut gevaar voor zowel de gebruiker als zijn omgeving. Ernstig letsel kan het gevolg zijn, dus in dat geval zijn directe aanpassingen noodzakelijk.


3.11 Sticker met datum


Positief beoordeelde arbeidsmiddelen kunnen van een sticker worden voorzien waarop is aangegeven wanneer het arbeidsmiddel minimaal opnieuw moet worden beoordeeld. Hierop moet ook zijn aangegeven welk keuringsbureau of afdeling de laatste inspectie heeft uitgevoerd (bij voorkeur met een code voor de betreffende inspecteur of keurmeester). Deze werkwijze is conform de eisen die de Veiligheids Checklijst Aannemers (VCA) stelt. Het stickeren/labelen van arbeidsmiddelen is niet wettelijk verplicht. Met het stickeren wordt wel voldaan aan de eis dat bij het arbeidsmiddel bewijsstukken van inspectie en onderhoud aanwezig moeten zijn. Zogenaamd bulkmaterieel, zoals steigerpijpen, koppelingen, verlengsnoeren, behoeft niet uniek te worden voorzien van een dergelijke sticker. Wel zal in het zorgsysteem moeten worden aangegeven op welke wijze de arboprestaties van dit materieel worden bewaakt.
Bent u van plan te gaan werken met het Handboek Arbeidsmiddelen? Leest u dan tevens de Handleiding voor het werken met de lijsten uit het Handboek Arbeidsmiddelen’. U kunt ook het complete handboek downloaden met daarin algemene informatie over het keuren van arbeidsmiddelen, informatie over het werken met de lijsten uit het Handboek Arbeidsmiddelen en alle checklijsten.

4. Literatuur en adressen


4.1 Literatuur

Wetgeving



  • Richtlijn betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (89/655/EG)

  • Richtlijn inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving van de lidstaten betreffende machines (98/37/EG)

  • Arbeidsomstandighedenwet

  • Arbeidsomstandighedenbesluit

  • Arbeidsomstandighedenregeling

  • Beleidsregels1)

  • Besluit Machines

Normen (met een algemeen karakter)4)



  • NEN-EN-ISO 11200-12) Veiligheid van machines. Basisbegrippen, algemene ontwerpbeginselen.

Deel 1: Basisterminologie, methodologie.

  • NEN-EN-ISO 11200-22) Veiligheid van machines. Basisbegrippen, algemene ontwerpbeginselen.

Deel 2: Technische beginselen en beschrijvingen.

  • NEN-EN 2942) Veiligheid van machines. Veiligheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de bovenste ledematen.

  • NEN-EN 3492) Veiligheid van machines. Minimum afstanden ter voorkoming van het bekneld raken

van menselijke lichaamsdelen.

  • NEN-EN 10503) Veiligheid van machines. Principes voor de risicobeoordeling.

  • NEN-EN-IEC 60204-1 Veiligheid van machines. Veiligheid van elektrische installaties.




  1. Beleidsregels zijn geen algemeen verbindende voorschriften. Er kan ook voor een andere oplossing gekozen worden, mits die hetzelfde beschermingsniveau biedt.

  2. Normen gericht op productieveiligheidseisen (fabrikant).

  3. Norm gericht op arbeidsveiligheid (gebruiker).

  4. Specifieke normen per arbeidsmiddel zijn in de overzichtstabel opgenomen.



Overige informatie

AI-bladen, Uitgever: SDU:

• 1 Arbo- en verzuimbeleid

• 11 Afschermingen en beveiligingen van machines

• 17 Hijs- en hefgereedschap en veilig hijsen

• 21 Rolsteigers


4.2 Adressen




Arbouw


Postbus 8114

1005 AC AMSTERDAM

Telefoon (020) 580 55 80

Fax (020) 580 55 55

Internet www.arbouw.nl

E-mail arbouw@arbouw.nl



Aboma+Keboma


Postbus 141

6710 BC EDE

Telefoon (0318) 69 19 20

Fax (0318) 69 19 21

Internet www.aboma.nl

E-mail info@aboma.nl



BMWT


Vlietweg 17

2266 KA LEIDSCHENDAM

Telefoon (070) 301 01 03

Fax (070) 317 60 58

Internet www.bmwt.nl

E-mail secr@bmwt.nl



Bouwend Nederland


Postbus 286

2800 AG Gouda

Telefoon (0182) 56 75 67

Fax (0182) 56 75 55

Internet www.bouwendnederland.nl

E-mail info@bouwendnederland.nl


Federatie van Ondernemersorganisaties in de Afbouw (FOA)

Postbus 651

2800 AR Gouda

Telefoon (0182) 57 21 66

Fax (0182) 57 22 50

Internet www.afbouwnederland.nl

E-mail federatie@arbouwnederland.org
NEN (Nederlands Normalisatie Instituut)

Postbus 5059

2600 GB Delft

Telefoon (015) 269 03 90

Fax (015) 269 01 90

Internet www.nen.nl

E-mail info@nen.nl

Sdu Uitgevers


Postbus 20014

2500 EA Den Haag

Telefoon (070) 378 98 80

Fax (070) 378 97 83

Internet www.sdu.nl

E-mail sdu@sdu.nl



- - Handboek Arbeidsmiddelen, 2005




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina