Bedrijfsmanagement Inleiding: Economisch principe



Dovnload 62.82 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte62.82 Kb.
Bedrijfsmanagement
Inleiding:
Economisch principe : met de gegeven middelen zoveel mogelijk behoeften trachten te bevredigen.
Bedrijf : is een technisch-organisatorische eenheid die de productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal combineert met als doel goederen te produceren of diensten te presteren. Bvb staalfabriek, taxibedrijf
Onderneming : is een economisch-juridische eenheid die zich van het bedrijf bedient om haar kapitaal zo renderend mogelijk te maken bvb N.V.Sidmar, B.V.B.A. Janssens
 Ondernemingsvormen: - V.O.F. (vennootschap onder firma)

  • Comm.V. (commanditaire vennootschap)

  • Comm.VA (idem …op aandelen)

  • N.V. (naamloze vennootschap)

  • B.V.B.A. (besloten venn met beperkte aanspr)

  • C.V.B.A. (coöperatieve venn met ….)

  • C.V.O.A. (coöper venn met onbeperkte aanspr)

  • ESV (economisch samenwerkingsverbond)


Hoofdstuk 1: Kostenbegrippen
Kosten : De in geldenswaarde uitgedrukte productiemiddelen die een bedrijf opoffert in het productieproces.
Kosten ≠ Uitgaven
Uitgaven : betaling van productiemiddelen

Kosten : aanwending ervan bij productieproces
Bvb. Lening  maandelijkse afbetaling: uitgave / rente : kost
Onkosten : kosten die konden vermeden worden. (bvb verspilling grondstoffen door slecht afgestelde machines)
Planning op lange termijn (3-5j) : - bij oprichting / uitbreiding, samenwerking

- kosten-batenanalyse (is het verantwoord)


Planning op korte termijn (1 j) : - budgettering : opstellen meest voordelige verkoop- en productieplan over komende korte perio.

- voor kostenbeheersing: kosten normatief karakter


Standaardkostprijs : - som van de noodzakelijke of toegestane kosten per eenheid product

- hoeveelheid grondstoffen X standaardprijzen



Standaardkostprijs (voordelen) : - kostenbeheersing (is vóórcalculatie)

- bepalen van budgetten (raming v. kosten)

- prijsbepaling producten

 om de uiterste prijs te kennen waartegen men desnoods mag verkopen zonder verlies (=grensprijs)


Kostenindeling: - naar kostensoort

-kosten grond- en hulpstoffen

-kosten arbeid

-kosten duurzame productiemiddelen

-kosten grond

-kosten diensten aan derden

-kosten belastingen

-rentekosten


- naar gevoeligheid voor verandering in de bedrijfsdrukte

-constante kosten

-variabele kosten

-semi-variabele kosten


- naar toerekenbaarheid tot een bepaald product

-directe kosten

-indirecte kosten

Hoofdstuk 2 : De Kostensoorten
Kostensoort : groepen van kosten met een aantal gelijkaardige economische kenmerken

Kosten grond- en hulpstoffen
Grondstoffen : worden verwerkt, men vindt ze terug in het eindproduct

Hulpstoffen : grondstoffen waarvan bij de productie slechts geringe hoeveelheden

Vereist zijn.


Afval : de hoeveelheid grondstof die verloren gaat bij productieproces

Uitval : de hoeveelheid grondstof die begrepen is in de halffabrikaten en de eindproducten die niet aan kwaliteitsnormen voldoen
Kosten arbeid
Lonen en wedden + sociale lasten / ook voorzieningen : kantinekosten, opleidingskosten
Loonstelsels : - tijdloonstelsel : vergoeding op basis van de werktijd/arbeidsduur

-kantoorwerk

-brandweer (beschikbaarheid primair)

-precisie-arbeid

-lopende-band systeem

-kostbare grondstoffen (bvb. Ruwe diamant)

- stukloonstelsel : vergoeding op basis van de hoeveelheid gepresteerd werk

-massa en serieproductie

-(schept prestatiepsychose)

-verhoging productie/verlaging kwaliteit

van het werk

- premieloonstelsel : iedere werknemer een minimumloon + een premie

Als de prestaties een grens overschrijden.

-bvb premieloonstelsel van Halsey

(minimumloon (8uwerk) + premie 50%)



Kosten duurzame productiemiddelen
Technische slijtage : waardevermindering ten gevolge van gebruik

Economische veroudering: door verandering ten gevolge technische evolutie

(ouder machines : hogere complementaire kosten)


Afschrijving : de boekhoudkundige optekening als een kost van de jaarlijkse waardeverminderingen van duurzame productiemiddelen

Bepalen afschrijvingsbedrag : 3 factoren ! :

- Aanschaffingswaarde (AW)

= aankoopprijs + bijkomende aankoopkosten

- Gebruiksduur ( t )

= veelal in procenten

- Residu of Restwaarde (RW)

=
Afschrijvingssystemen



  1. Fiscaal aanvaarde methoden



Lineaire afschrijving

D = (AW – RW) / t (D= afschrijvingsbedrag)


Degressieve afschrijving ( wagen )

- Eerste jaren meer , volgende jaren minder afschrijven

- D = % op boekwaarde

- Maar zodra D < D bij lineair = overschakelen op lineair

-Het degressieve afschrijvings% mag niet meer zen dan het dubbele van het lineaire afschrijvingspercentage


  1. Fiscaal niet aanvaarde methoden



Vast percentage van de boekwaarde
x = 100 – 100 * SQRT(t)(RWt / AW)

x is percentage toe te passen op de BOEKWAARDE



Meerdere afnemende % op basis van kleinst rekenk gemiddelde
Lineair afschrijvings % / t = (100/t)/t

Bvb 4%  na eerste jaar 4% minder afschrijven enz….

(totaal % van elk jaar = 100 )

Jaar 1 = x

Jaar 2 = x-4

Jaar 3 = x-8

Jaar 4 = x-12

Jaar 5 = x-16 5x-40 = 100  140 / 5 = 28% (jaar 1)


Meerdere afnemende % op basis van grootste rekenk gemiddelde

Dubbel lineair afschr% /t = 2*(100/t)/t

Bvb 8%  zelfde principe



  1. Progressieve afschrijvingsmethode

Laagste afschrijvingsbedrag eerst , daarna toenemen



Meerdere toenemende % op basis van kleinst rekenk gemiddelde

Bvb 4%


Jaar 1 = x

Jaar 2 = x+4 ( plus ipv min nu )

Jaar 3 = x+8

Enz… 5x+40 = 100  x = 60/5 = 12%(jaar 1)

Daarna telkens +4%

Meerdere toenemende % op basis van grootste rekenk gemiddelde

Progressieve methode bij bvb TGV lijnen , aardgaslijnen, hoogovens


Kosten grond
- delfplaats grondstoffen  uitgeput na tijd, wel afschrijven in de loop van

- vestigingsplaats bedrijf  geen afschrijvingen


Kosten diensten aan derden
Kosten belastingen
- kostprijsverhogende belastingen : - op goederen en diensten

- geïncorporeerd in de kostprijs

- accijnzen, invoerrechten , mileubelasting
- kostprijsneutrale belastingen : - op winst van de onderneming

- inkomstenbelasting / vennootschapsbelasting


rentekosten
- op vreemd vermogen : lening
- op eigen vermogen : opportuniteitskosten
 rente in kostprijs over hele vermogen

Hoofdstuk 3 : Constante en variabele kosten
Totale constante kosten : -TCK (ook capaciteitskosten)

- daling productiecapaciteit  zakken van TCK

- stijging bvb prijs  stijgen TCK
Totale variabele kosten : - TVK

- afhankelijk van de bedrijfsdrukte

- bvb grondstofkosten/

Degressief variabele kosten : - toename bedr.drukte 10%  toename kost < 10%

Proportioneel variabele kosten: - toename bedr drukte 10% = toename kost 10%

Progressief variabele kosten: - toename 10%  toename kost van > 10%

Totale kosten: - TCK + TVK
Gemiddelde en Marginale kosten :

Gemiddelde : - per eenheid product



Gemiddelde constante kosten: - GCK = TCK / Q

Gemiddelde variabele kosten: - GVK = TVK / Q

Gemiddelde totale kosten : - GTK = TK / Q of GCK + GVK
Marginale : - productie met één eenheid uitbreiden….de kosten die hierbij horen

▲TK/▲Q of ▲TVK/ ▲Q

- De productie omvang waarbij GVK het laagst zijn noemen we optimale bezetting
- GTK het laagst. Deze productieomvang met GTK laagst = technisch optimaal punt
Semi variabele kosten : - (= gemengde kosten)

- deels vast en deels variabel (bvb telefoonkosten,

Loon-premiestelsel )
Constante en variabele kosten en Standaardkostprijs
 voor berekening standaardkostprijs : bedrijfsdrukte op standaard baseren nl de normale bezetting ( de mate waarin de rationele capaciteit

in de loop van de jaren zal worden benut)



rationale capaciteit (de werkelijk aanwezige capaciteit)
= = > Standaardkostprijs = TCsK + TVsK per periode bij normale bezetting

Normale bezetting


Normale productie < rationele capaciteit = Rationele overcapaciteit

Werkelijke productie < normale productie = onderbezetting

Werkelijke productie > normale productie = overbezetting



Hoofdstuk 4: Directe en indirecte kosten



Directe kosten: Kosten die onmiddellijk kunnen toegewezen worden tot een bepaald product. Men kan met zekerheid de producten aanwijzen op wiens kostprijs deze kosten betrekking hebben. (direct materiaalverbruik zoals grondstoffenverbruik of directe arbeidskosten zoals sociale lasten) = directe fabricagekosten
Indirecte kosten: Kosten die niet onmiddellijk tot een bepaald product toegerekend worden. 2 groepen:

  • Kosten die niet rechtstreeks naar een product toegerekend worden maar wel een duidelijk oorzakelijk verband hebben met het product (indirecte materialen zoals lijm in meubelfabriek of indirecte arbeid zoals toezichthoudend personeel) = indirecte fabricagekosten

  • Kosten die verband houden met de verkoop en andere activiteiten maar niet in verband staan met de fabricage van goederen. (transportkosten van verkochte goederen, salaris van financieel directeur) = indirecte niet - fabricagekosten

Directe en indirecte kosten kunnen variabel en vast karakter hebben. (vb’en p.60)


Verbijzonderingmethoden
Integrale kostprijs van een product wordt berekend door toerekening van indirecte kosten. Het toerekenen of verbijzonderen gebeurd via verschillende verrekeningsmethoden.
A. De Delingscalculatie
Meest eenvoudige berekeningswijze. De kosten per eenheid product delen door het totale aantal producten van een bepaalde periode.

KP/E = totale kosten



totale productieomvang

Delingscalculatie geeft een eenvoudige voorstelling van de kostprijs, want een deel van de kosten reageert niet op verandering in de productieomvang (constante kosten).

De gewone delingscalculatie is dan:


totale constante standaardkosten + totale variabele standaardkosten per periode bij normale bezetting

normale bezetting

Levert een standaardkostprijs op,bruikbaar als basis voor besluitvorming.

Delingscalculatie enkel bruikbaar in geval van homogene massaproductie. (hoogovens)
B. De equivalentiecijfermethode

Veel bedrijven produceren producten met varianten op basis van formaat (lengte, dikte). Als men de verhoudingen tussen de kostprijs van verschillende varianten kan vaststellen kan men op basis van die equivalentie (verhouding) de verschillende producten tot 1 noemer herleiden.

Deze methode is slechts toepasbaar bij bedrijven die producten ontwikkelen met grote onderlinge verwantschap.

Voorbeeld p. 62
C. Opslagmethoden

De kosten moeten zo verdeeld worden dat elk product belast wordt met de kosten die het werkelijk veroorzaakt.

De indirecte kosten worden toegewezen aan een bepaald product aan de hand van één of meerdere verdeelsleutels of opslagbasissen (directe grondstoffen, directe arbeidskosten, directe kosten, enz.  p. 64).
Primitieve opslagmethode

Indirecte kosten worden verrekend door gebruik te maken van slechts 1 verdeelsleutel.

Wanneer men volgens verschillende verdeelsleutels heeft uitgerekend merkt men dat er telkens een ander resultaat bekomen wordt, doordat er geen oorzakelijk verband is tussen de indirecte kosten en het kostenelement waarmee ze verbonden zijn. Er zullen ook steeds kosten overblijven die men arbitrair moet verdelen. Belangrijk is deze kosten zo gering mogelijk te houden.

Voorbeeld p.64-68
Verfijnde opslagmethode

Betere methode, aangezien men de indirecte kosten verder uitsplitst naar de oorzaak die tot de kosten geleid hebben.



Voorbeeld p. 69-70

D. De kostenplaatsen – of productiecentra-methode

Toedeling van de indirecte kosten aan de producten via kostenplaatsen of productiecentra.



Kostenplaats of productiecentra: verzameling van alle indirecte kosten die met de uitoefening van een bepaalde functie in de onderneming samenhangen. Kostensplitsing vindt functioneel plaats.

  • Hulpkostenplaats: geen concreet aanwijsbare afdeling in het bedrijf maar kostengroeperingen die ten behoeve van de kostenverbijzondering worden gemaakt (huisvesting, vervoer, computercentrum)

  • Zelfstandige kostenplaatsen: reëel bestaande afdelingen of onderafdelingen die niet rechtstreeks deelnemen aan de productie maar er diensten aan verlenen. (onderhoud, magazijn, algemene directie)

  • Laatste of hoofdkostenplaatsen: afdelingen of onderafdelingen waarin het productieproces plaatsvindt. (fabricage – en verkoopafdeling)

Kostendragers: producten die door de onderneming geproduceerd worden.

Directe kosten worden zo veel mogelijk direct naar kostendragers toegerekend.

De toerekening van indirecte kosten gebeurd stapsgewijs.

  • Stap 1: indirecte kosten worden verdeeld over de verschillende kostenplaatsen. Kosten van toezichthoudende arbeid zijn voor de afdeling waarover toezicht gehouden wordt. Kosten van machines zijn voor de plaatsen waar de machines staan. Kosten voor het gebouw zijn voor de hulpkostenplaats Huisvesting. Na de toerekening naar kostenplaatsen worden de verschillende kostenplaatsen getotaliseerd.

  • Stap 2: kosten van de hulpkostenplaatsen worden doorbelast aan andere kostenplaatsen, op basis van prestaties die in andere kostenplaatsen geleverd worden. Daarna worden op dezelfde manier kosten van zelfstandige kostenplaatsen ten laste van hoofdkostenplaatsen gebracht. Als alle indirecte kosten zijn doorbelast naar de hoofdkostenplaatsen, waar het productieproces plaatsvindt, dan is stap 2 beëindigd.

  • Stap 3: doorbelasting van de kosten van de hoofdkostenplaatsen naar de kostendragers, volgens de mate waarin de producten van de prestaties van deze afdelingen gebruik maken. Toerekening van de totaalbedragen van de hoofdkostenplaatsen gebeurt meestal via tarieven (tarief per man – uur, machinetarief,…)

Voorbeeld p. 74 – 80

Omslagsleutels:

  • Directe grondstoffen: de waarde van de grondstof is het allesoverheersende element en is niet te erg aan prijsschommelingen onderhevig

  • Directe arbeidskosten: vooral in arbeidsintensieve bedrijven

  • Directe kosten: op grond van verwachting dat fouten in min en plus elkaar zullen opheffen. Kunnen de fout ook vergroten

  • Directe machinekosten: lonen van bijkomstig belang, machines spelen een overwegende rol. Machineloon = afschrijving, drijfkracht, kosten van bediening,reparatie en onderhoud

  • Hoeveelheid directe grondstoffen: enkel in bedrijven waar grondstoffen verwerkt worden waaruit steeds zelfde fabrikaten worden verkregen.

  • Hoeveelheid geproduceerde artikelen: ongelijk aantal fabrikaten wordt verkregen naar gelang van de hoedanigheid van de gebruikte grondstof (suikerbieten, meer of minder nodig naar gelang van suikergehalte)

  • Uren directe arbeid: wanneer men met tijdloon werkt en de prestaties zijn niet in verhouding met het uitbetaalde loon, is deze sleutel meer aangewezen dan de omslag volgens directe lonen

  • Aantal machine - uren per product: kostprijs van een afdeling waar machines gebruikt worden en de tijd die de machine in gebruik is zijn gekend


E. De activity – based costing (ABC)

Constante en indirecte kosten gaan een groter deel uitmaken van de totale kosten, samenhangend met de toenemende automatisering en toename van toezichthoudende activiteiten.



ABC is een verfijnde methode waarbij de indirecte kosten verdeeld worden over de producten in verhouding tot het gebruik van de verschillende activiteiten die verricht moeten worden om het product en/of order te produceren en te verkopen.

Het begint met het vaststellen van verschillende activiteiten waarvoor indirecte kosten gemaakt worden (planning, kwaliteitscontrole en transport). Elke activiteit valt samen met een bewerking, functie of dienst in de onderneming en worden als oorzaak gezien voor het ontstaat van indirecte kosten.

Alle indirecte kosten(die met een bepaalde activiteit samenhangen) worden verzameld in een cost pool, waarna er wordt nagegaan door welke variabele het volume van de activiteit wordt beïnvloed. We gaan dus op zoek naar een verdeelsleutel per soort activiteit, de cost driver. Deze kunnen divers van karakter zijn.

De kosten van iedere cost pool worden gedeeld door de bijbehorende cost driver en zo bekomen we de kost per eenheid cost driver. Daarna worden de cost pools door middel van de cost drivers toegerekend aan het product.



Voorbeeld p. 84-85


Voordelen:


  • Nauwkeuriger berekening van integrale kostprijs van producten

  • Oorzaken van kostenverschillen tussen producten afleiden uit kostprijsstructuur

Nadelen:

  • Systeem is complex

  • Zeer gedetailleerde kosteninformatie is nodig (definitie van activiteiten, berekening van kostprijs, …)

  • Leidt tot een ingewikkelde kostenregistratie

  • Boeken in zowel kostenplaatsen als in activiteitencentra

  • Hogere administratiekosten, die moeten vergeleken worden met de voordelen van een nauwkeuriger kostprijs.


Hoofdstuk 5: Standaardkostprijs en kostenbeheersing
Functies bedrijfsbudget : - bedrijfsplan opstellen

- taakopdracht afdelingschefs

- machtiging tot uitvoeren taakopdracht

- controlemiddel


Diverse stappen bij budgetteren : Figuur 9 p. 92
Stap 1

Tijdens het lopende jaar de verkopen voor volgend jaar ramen op basis van interne en externe informatie  Verkoopbudget


Stap 2

De geraamde omzet en productie beïnvloeden de behoefte aan vaste activa. Vervangingsinvesteringen worden uitgevoerd, investeringsproject wordt voortgezet of aangevat. Financieringsbudget aanstippen waar het benodigde vermogen zal gehaald worden.  Investeringsbudget
Stap 3

De nodige aankopen en nodige productie gaan bepalen op basis van de geraamde omzet,rekening houdende met de aanwezige beginvoorraden afgewerkt product en de gewenste eindvoorraden. Afleiden van personeelskosten, afschrijvingskosten, voorzieningskosten ivm groot onderhoud en herstellingen, energiekosten, verkoopkosten, administratiekosten enz.  kostenbudget


Stap 4

Raming van inkomstenstroom en spreiding ervan over het hele jaar op basis van verkoopbudget. Inzicht in de vermoedelijke uitgaven en hun spreiding ervan op basis van kosten – en investeringsbudget. Eventueel een raming van eventuele tekorten aan financiële middelen en hoe dit op te vangen.  liquiditeitsbudget


Stap 5

Vorige deelbudgetten worden samengebundeld in het masterbudget. Dit is een overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten voor het komende jaar en geeft inzicht in het mogelijke resultaat. Het masterbudget ligt aan de basis van wat de directie zal uitvoeren, herzien of uitschakelen en legt de verantwoordelijkheid vast van de diverse afdelingshoofden.


Stap 6

Alle vorige budgetten liggen aan de basis van een gebudgetteerde balans en resultatenrekening.



Systemen van kostenbudgettering: (grafieken)


  • Vaste budgettering: een afdeling krijgt voor een bepaalde periode een vast totaalbedrag als kostenbudget toegewezen. Vooral op afdelingen met vaste kosten of waar prestaties niet meetbaar zijn (administratie, directie, ed.)

  • Variabele budgettering: afdeling krijgt voor een bepaalde periode een vast budget per prestatie – eenheid toegekend. Prestatie moet meetbaar zijn. Bij toenemende of afnemende bezetting moet het bedrag evenredig stijgen of dalen. (kosten van grondstofverbruik en energieverbruik)

  • Gemengde budgettering: bestaat uit een vast bedrag per periode voor de constante kosten en een vast bedrag per prestatie – eenheid voor de variabele kosten. Veel variabele kosten zijn niet proportioneel, eerder degressief of progressief.

  • Flexibele budgettering: voor elke kostensoort wordt het verloop bij de verschillende bezettingsgraden nagegaan en op basis daarvan worden vooraf de budgetbedragen voor de verschillende bezettingsgraden berekend.

Hoofdstuk 6: Break – even analyse
- toont de relatie die bestaat tussen bedrijfsdrukte, kosten , opbrengsten en nettowinsten.
Break even punt: minimum omzet die gerealiseerd moet worden opdat alle kosten zouden gedekt zijn
Q = TCK / (P-VK/E) of Q = TCK / contributie per eenheid
Grafisch : snijpunt TO-curve en TK-curve
Homogene fabricage: TCK / brutowinstmarge = TCK / (% * P)

 bij een totale omzet van ….. zen de totale kosten terugverdiend



Hoofdstuk 7: Investeringsvraagstukken
Vervangingsinvesteringen : duurzame productiemiddelen  veroudering (techn/econ)

 vaste activa afschrijven == > middelen komen vrij en zijn een bron van vermogen om dingen te verv.


Uitbreidingsinvesteringen: 2 manieren

 creëren nieuwe productiecapaciteit (bvb nieuwe fabriek voor ander prod)

 vervangingsinvestering geeft aanleiding tot uitbreidingsinvest

(bvb machine met grotere productiecapaciteit)



Hoofdstuk 8: Analyse van de financiële structuur van een onderneming
Jaarrekening van een onderneming ( financiële en sociale balans, ResultRek en toelichting)
Wie moet jaarrekening publiceren?

- kleine ondernemingen ( V.O.F., Comm.venn.)

- middelgrote ondern. (overschrijden NIET : gem personeelsbestand: 50

Jaaromzet : 6,25 mln EUR

Balanstotaal: 3,125 mln EUR )

- grote ondernemingen : gemm 100 werkenemers

( overschrijden bovengenoemde criteria)
 middelgrote en grote: wettelijk verplicht !
Rest zie boek (kaderkes)
Ratio – analyse : een ratio is een verhoudingsgetal waardoor 2 of meer financiële gegevens

Aan elkaar gerelateerd worden.


Ratio’s moeten in onderling verband bestudeerd worden.
Ratio’s kunne betrekking hebben op : - liquiditeit

- solvabiliteit
- rentabiliteit

Liquiditeit
 Current ratio: vlottend activa >= 1

Vreemd vermogen op korte termijn


 verfijnen tot Quick ratio / Acid Test :

Vlottend actief – voorraden >= 1

Vreemd vermogen op lange termijn


Omloopsnelheden : voorraad

 voorraadrotatie (RV) geeft aan hoeveel keer voorraad gedurende gemiddelde periode verkocht is

RV = Omzet  (aan inkoopprijs : beginv+inkopen-eindv)

Gemiddelde voorraad  (begin + eindvoorraad) / 2


 aantal dagen voorraad (DV) = 365 dagen

RV


Vorderingen op <1 jaar wegens leveren goederen en diensten
klantenrotatie (RK) geeft aan hoeveel keer de klantenvordering gedurende de periode gemiddeld veranderd zijn

RK = omzet

Gemiddelde handelsvorderingen
 aantal dagen klantenkrediet (DKK) of gemiddelde inningsperiode
DKK = 365 dagen

RK
Vorderingen op <1 jaar wegens aankoop goederen en diensten


leveranciersrotatie (RL) = aankopen

Gemiddelde handelsschulden


 aantal dagen leverancierskrediet (DLK) = 365 dagen

RL
Tekening boek pg 178


 liquiditeitsratio is statisch , op één bepaald moment

Bedrijfskapitaal : bruto : som vlottend activa

Netto : min de schulden op minder dan één jaar


Dus ofwel : vlottend actief – vreemd vermogen op korte termijn !!!!!!!

Ofwel : eigen vermogen + vreemd lange termijn – vaste activa



Solvabiliteit

Een onderneming is solvabel als ze in staat is om haar schulden op korte en lange termijn terug te betalen

= eigen vermogen = 0,5 (gezond bedrijf)

Totaal vermogen


Schuldgraad van een onderneming (debt ratio)
Drukt uit hoeveel € vreemd is tov 100€ eigen vermogen
= vreemd vermogen * 100

Eigen vermogen


Hoe kleiner de schuldgraad hoe gemakkelijker de financiële verpl na te komen.
Rentabiliteit: geeft aan in welke mate de aangewende middelen een (bevredigend) resultaat hebben opgeleverd


Rentabiliteit van de omzet : netto en bruto
Netto = Netto bedrijfsresultaat * 100

omzet
Bruto = Netto bedrijfswinst + niet-kaskosten * 100

Omzet
Rentabiliteit van het eigen vermogen (REV)
NREV = nettowinst (- verlies) * 100

Eigen vermogen


BrREV= nettowinst + niet-kaskosten * 100

Eigen vermogen



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina