Bedrijfsmentor: Drs. F. Sipkema Datum: 1 juni 2007 Voorwoord



Dovnload 270.83 Kb.
Pagina6/15
Datum20.08.2016
Grootte270.83 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

1.10Overige macro-economische factoren

Naast de technologische ontwikkelingen hebben ook andere macro-economische factoren invloed op de uitkomst van ons verslag. In bijlage 2 zijn al deze macro-economische factoren uitgewerkt. In dit gedeelte van het verslag behandelen we de gegevens die een toegevoegde waarde hebben op de uitkomsten. Zowel positief als negatief. Deze gegevens worden meegenomen in het strategisch plan en het actieplan.



1.10.1Demografische gegevens


Bij het bedenken en ontwerpen van een tv-programma is het belangrijk om eerst te kijken naar de samenstelling van de bevolking. De inkomsten van televisieomroepen worden grotendeels bepaald door reclame. De grootte van deze inkomsten zijn afhankelijk van het aantal kijkers. Voor een televisieomroep is het daarom lucratief programma’s uit te zenden voor de grotere doelgroepen (leeftijdscategorieën) uit onze samenleving.


Tabel 1: De totale bevolking per categorie (CBS)
Uit tabel 1 kan geconcludeerd worden dat een programma gericht op trends en bezigheden uit de leeftijdscategorie van 40 tot 65 jaar het meest veilig is als we kijken naar de absolute aantallen. Dit is echter niet de doelgroep die zich intensief bezig houdt met de toepassingen van multimedia24. Een concept met multimediale toepassingen kan beter gericht worden op de tweede grote leeftijdscategorie, 20 tot 40 jaar. Naast de grootte van de leeftijdscategorieën kan ook de samenstelling van het aantal huishoudens invloed hebben op een nieuw te ontwikkelen concept.


Tabel 2: Samenstelling huishoudens 2006 (CBS)
Uit tabel 2 kan bepaald worden of er programma’s ontwikkeld moeten worden voor de familie, of dat er juist meer programma’s moeten worden gemaakt voor éénpersoonshuishoudens. Het aantal meerpersoonshuishoudens heeft het hoogste absolute aantal. Het is opvallend dat het aantal éénpersoons huishoudens in 2006 ten opzichte van 2000 met 10% is gestegen. Dit biedt kan kansen voor concepten gericht op éénpersoonshuishoudens.

1.10.2Economische gegevens


De aankoop en gebruik van multimediale toepassingen is afhankelijk van de economische gesteldheid. Het besteedbaar inkomen en de houding van de consument is hierbij doorslaggevend. Als het consumentenvertrouwen groot is neemt de koopbereidheid toe. Figuur 3 geeft aan hoe hoog het consumentenvertrouwen is in Nederland op dit moment. In januari 2007 lag het consumentenvertrouwen op het hoogste punt van de afgelopen zes jaar (CBS). In vergelijking met voorgaande jaren is de koopbereidheid nog steeds groot. Het oordeel over de eigen financiële situatie in de afgelopen twaalf maanden en de komende twaalf maanden is verbeterd (CBS). Dit is een belangrijke gegeven voor de aankoop van dure multimedia-apparaten.


Figuur 3: Stijging consumentenvertrouwen periode 2003 – 2007 (CBS)
Door de groeiende bestedingen van de consument is de toekomst voor het bedrijfsleven ook positief gesteld. Volgens het CBS hebben bedrijven voor de toekomst meer vertrouwen en hogere omzetverwachtingen dan voorgaande jaren. De tendens dat het met bedrijven steeds beter gaat zorgt er voor dat zij meer te besteden hebben aan reclame. Dit betekent weer meer omzet voor de bestaande omroepen. De verwachtingen voor tv-bestedingen in 2007 is dat deze zal stijgen naar 825 miljoen euro. Dit is een stijging van 3,5% ten opzichte van 200625.

1.10.3Regulerende gegevens


Programmamakers en tv-zenders moeten bij het produceren en uitzenden van tv-programma’s rekening houden met de Mediawet en de Europese Televisierichtlijn. Programma’s mogen niet afwijken van deze regels. Tegenwoordig maken bijna alle tv-zenders gebruik van multimediale toepassingen. Deze toepassingen, zoals het internet, worden aangeboden naast de reguliere televisie. Door de snelle ontwikkelingen en sterke opkomst van nieuwe multimedia is het niet meer duidelijk welk van deze toepassingen onder de richtlijn vallen. Het voorstel van de Europese Televisierichtlijn is om in de vernieuwde richtlijn op te nemen dat audiovisuele mediadiensten aan een aantal basale kwalitatieve bepalingen moeten voldoen. Het gaat hierbij om de bescherming van minderjarigen, een verbod op het aanzetten tot haat, de verplichting tot identificatie van adverteerders, beperkingen voor alcohol- en tabakreclames en een verbod op sluikreclame26.

1.10.4Sociaal-cultureel


Mediagebruik is al jaren met 19 uur per week de belangrijkste vrijetijdsbesteding. Daarbinnen is echter veel veranderd. Televisie kijken (inclusief video en dvd) was in 2000 met 12,4 uur per week de meest voorkomende vorm van mediagebruik. Televisie kijken is nog altijd de grootste post binnen de mediatijd, maar heeft sinds 2000 terrein verloren. In 2005 bedroeg de kijktijd 10,8 uur per week, anderhalf uur minder dan in 2000. Ruim een uur van die bezuiniging op televisie kijken ging ten koste van publieke omroep. Die neergang betreft alle leeftijden en in alle leeftijdsgroepen werd in 2005 meer naar commerciële dan naar publieke zenders gekeken27.
Nederlanders zitten in hun vrije tijd wekelijks bijna vier uur achter de computer, dat is twee uur meer dan in 2000. Die twee uur extra computertijd is twee uur extra internettijd en is grotendeels ten koste gegaan van de tv-kijktijd. Tieners besteden wekelijks achtenhalf uur vrije tijd (waarvan zes uur voor internet) achter de computer, dat is net zo lang als voor de tv28. De sterke stijging van pc gebruik en de daling van tv gebruik heeft in enige mate wel met elkaar te maken. Er is namelijk een sterke stijging van het kijken naar televisie via de pc. Dit is vanaf 2002 van 4% naar ruim 12% in 2006 gestegen29. Deze gegevens benadrukken het belang van het internet voor tv-zenders en programmamakers.
Bij bovenstaande gegevens moet worden opgemerkt dat er een wezenlijk verschil is tussen de uitkomsten van het ‘tijdsbestedingonderzoek’ en het ‘kijkonderzoek’. In tabel 3 zijn de uitkomsten van beide onderzoeken tegen elkaar afgezet voor de periode 1990 tot en met 2005. De meetmethoden geven duidelijk verschillende trends aan. De verklaring van het verschil zit waarschijnlijk in het toenemende gebruik van de televisie als 'begeleidingsmedium': de tv staat wel aan, maar men kijkt maar half en is ook met andere dingen bezig. Dit zogenaamde 'multitasking' lijkt vooral bij tieners en jongvolwassenen in opkomst, al zijn daarover geen goede cijfers beschikbaar. Dit verschijnsel blijkt namelijk zeer lastig te meten. In het kijkonderzoek wordt aan mensen gevraagd ook dit ‘halve’ kijken als kijken te registreren. Dit is bij het tijdsbestedingonderzoek niet het geval. Daarnaast is er ook een verschil bij de leeftijd. Dit is bij het tijdsbestedingonderzoek 12+ en bij het kijkonderzoek 6+.
Tabel 3: Verschil tussen kijkonderzoeken (Stichting Kijkonderzoek, Tijdsbestedingonderzoek)
Verder is het aandeel kijktijd dat met anderen huishoudleden samen wordt gekeken sinds 1997 gegroeid. Bedroeg het percentage samen kijken in meerpersoonshuishoudens toen nog 43%, in 2004 is dit aandeel gestegen naar 56%. De stijging geldt in meer of mindere mate voor alle zenders, voor zowel de gehele dag (2-26 uur) als het avondtijdvak (18-24 uur) en voor verschillende doelgroepen30.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina