Beeldonderwijs en didactiek



Dovnload 428.05 Kb.
Pagina10/18
Datum22.07.2016
Grootte428.05 Kb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   18

Producten van de leerlingen bespreken


Tijdens de lessen praten de leerlingen over hun werk met de medeleerlingen. Ook als ze daar zo nu en dan eens van hun plaats af willen, moeten leerlingen daarvoor de gelegenheid krijgen. Praten over onderwerpen die niets met de activiteiten te maken hebben keur je natuurlijk af.

Probeer er achter te komen waarom het product van het kind er zo uitziet zoals het eruitziet. Oordeel dan niet want je bent in gesprek met een origineel denkend mens die recht heeft gehoord te worden. Bedenk dat zowel jij als het kind het medium woordtaal moet gebruiken om duidelijk te maken wat er in jullie beiden omgaat en dat je dit maar ten dele lukt.

Als je niets zegt, geen tevreden gezicht toont, geen aai over de bol geeft, geen stimulerende opmerkingen maakt, denkt het kind automatisch dat je zijn werk niet goed of in elk geval niet de moeite waard vindt. Laat merken dat je reflecteert.

Activiteiten van de docent beoordelen


Docenten moeten hun handelen kritisch en systematisch kunnen analyseren en op basis daarvan hun eigen professionele ontwikkeling kunnen sturen.

De docent beoordeelt zijn eigen methodische en didactische vaardigheid. Als er iets mis gaat, ligt het meestal aan de docent. Vraag je af wat de oorzaak kan zijn.



  • Doelstelling te hoog gegrepen?

  • Doelstelling onduidelijk?

  • Teveel voor één les?

  • Liggen de materialen en de gereedschappen wel op een vaste plaats (zodat de leerlingen kunnen pakken wat ze nodig hebben)?

  • Ondeugdelijk gereedschap?

  • Te weinig illustratiemateriaal?

  • Teveel door de vingers gezien?

  • Teveel bezig geweest met enkele leerlingen en de anderen veronachtzaamd?

  • Opruimen slecht georganiseerd?

Uiteindelijk gaat het om het oordeel dat de docent zelf velt over zijn activiteiten naar aanleiding van wat in de klas gebeurd is, maar dat oordeel kan zinvol beïnvloed worden door een gesprek erover met leerlingen.



Activiteiten van leerlingen beoordelen


Het beoordelen van de activiteiten van de leerlingen is de specifieke taak van de docent.

Maar het is even goed voor te stellen dat leerlingen reflecteren op hun eigen handelen, op het proces van beeldend vormgeven.


Niet meetbaar


Er is een verschil tussen oordelen en meten. Wat niet te meten is, hoeft nog niet onbeoordeelbaar te zijn. Vooral affectieve doelen (gedrag en houding) onttrekken zich aan meten

  • Het kind kan over wat het ziet zakelijke uitspraken doen.

  • Het kind kan opgave ‘naar de waarneming’ kritisch doordenken en zelfstandig technisch zuivere oplossingen aanbieden.

  • Het kind verdedigt zijn inzichten met emotionele betrokkenheid zeer standvastig.

  • Het kind geeft blijk van een grote voorliefde voor technische problemen.


Meer meetbaar zijn de volgende:

  • Het kind experimenteert veel, gebruikt het documentatiecentrum, stelt goede vragen, heeft veel ideeën, weet meteen wat ze wil.



Lijstjes: tijd, positief en negatief


Om een wat beter zicht te krijgen op het totaal gedrag kun je een lijst maken waarop je telkens aangeeft hoe leerlingen zich gedragen tijdens een activiteit. Daarop kunnen categorieën voorkomen als:

  • Tijdens de uitleg.

  • Bij het starten van de eigen activiteit.

  • Bij het samenwerken.

  • Bij het alleen werken.

  • Bij het opruimen.

  • Bij het nabespreken.

Je kunt ook een lijst maken met positieve en negatieve gedragingen. Daarop kun je aankruisen hoe het met een bepaalde leerling gesteld is.

Een goede leerling heeft de volgende positieve gedragingen.


  • Hij komt gemakkelijk op ideeën.

  • Hij respecteert het feit dat anderen anders werken.

  • Hij is belangstellend maar blijft vol vertrouwen over eigen werk.

  • Hij handelt doelbewust.

  • Hij kan zijn ideeën aanpassen aan zijn materiaal.

  • Als er iets misgaat zit hij niet in de put, hij probeert gebruik te maken van zijn fout of vergissing of van het feit dat het materiaal anders reageert dan hij verwachtte.

  • Als er iets mislukt is, neemt hij het positief op. Hij heeft er iets van geleerd.

  • Hij gaat helemaal op in het werk. In houding, gebaar en gelaatsuitdrukking reageert hij op wat hij aan het maken is.

  • Hij luistert naar wat anderen zeggen van zijn werk en beslist dan of hij gebruik zal maken van hun opmerkingen of niet.

  • Hij weet wanner hij klaar is.

  • Hij is niet snel afgeleid maar kan zich langere tijd concentreren op zijn werk.

  • Hij weet wat hij achtereenvolgens moet doen en als hij het niet weet, zoek hij het zelf wel uit.

  • Hij heeft plezier in iets nieuws te proberen.

  • Hij durft te experimenteren en geen product te maken dat anderen moet behagen.

Een ander kind vertoont misschien meer negatieve gedragingen.




  • Hij is erg gespannen tijdens het werk.

  • Hij vraagt voortdurend hulp en is erg gebrand op bijval.

  • Hij begint telkens opnieuw.

  • Hij vertoont ongecontroleerd gedrag, ongecontroleerde bewegingen, lachen, boosheid.

  • Hij schept genoegen in destructieve handelingen: papier scheuren, draad stuktrekken, penselen breken, met potlood door het papier boren, enzovoort.

  • Hij eist voortdurend aandacht door luid praten, plagen, buitengewoon lawaaierig doen of zich zot gedragen.

  • Hij loopt almaar rond.

  • Hij overdrijft als hij het werk van anderen prijst of hij probeert het belachelijk te maken.

  • Hij vernietigt zijn werk opzettelijk of gooit het weg.

  • Hij heeft weinig verbeeldingskracht.

  • Hij wil geen risico nemen en is bang te mislukken.



Meetbaar gedrag



Zintuiglijke ontwikkeling visueel


  • Kent het kind de kleuren?

  • Kan het kind kleuren, vormen en grootten onderscheiden in verschillende situaties?

  • Kan het kind posities van voorwerpen in het platte vlak waarnemen?

  • Kan het kind een bepaald voorwerp of figuur (beeld) aanwijzen tussen meerdere figuren?

  • Kan het kind iets dat het gezien heeft een tijdje onthouden?

Voor oudere kinderen kun je er nog heel wat aan toevoegen. We geven een paar voorbeelden:



  • Kan het kind twintig nuances van een kleur op volgorde leggen?

  • Kan het kind goed kleuren onthouden?

  • Kan het kind goed vormen onthouden?

  • Kan een kind de ruimtelijkheid van tweedimensionaal beeld lezen?

  • Kan een kind goed constructies onthouden?


Denkontwikkeling


  • Kan het kind kleur, vorm, en grootte ordenen?

  • Kan het kind dingen bij elkaar zoeken op grond van uiterlijke eigenschappen?

  • Kan het kind een logische volgorde van een gebeurtenis, aanwijzen, vertellen, verbeelden?

  • Kan het kind ruimtelijke begrippen hanteren?

  • Kan het kind relaties bedenken?

Ook nog een paar voorbeelden voor wat betreft oudere kinderen.



  • Kan het kind aan de hand van de schaduwen op een afbeelding de plaats van de lichtbron aangeven?

  • Kan het kind naar aanleiding van een figuratieve voorstelling een beeld maken van wat er direct daarna gebeurt?

  • Kan een kind relaties leggen tussen beelden en andere culturele uitingen?

  • Kan een kind als er iets kapot gaat een mogelijke oorzaak vaststellen?



1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina