Beeldonderwijs en didactiek



Dovnload 428.05 Kb.
Pagina11/18
Datum22.07.2016
Grootte428.05 Kb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   18

Producten van leerlingen beoordelen


Er zijn altijd drie elementen: het kind, de doelstelling en het product

Kind


Wat kun je van deze leerling verwachten?

Hoe staat het met de ontwikkeling van zijn beeldend vermogen?

Wat is je algemene indruk van dit kind?

Wat weet je allemaal over dit kind?

Kinderen zijn er bij gebaat les te krijgen van hun groepsdocent. Hij is in feite de enige die het oordelen goed kan leiden. Hij kent de leerlingen, hij kan beter dan een incidentele vakdocent de relatie leggen tussen kind en werkstuk. Als je dit voor ogen houdt, kun je begrijpen dat het vreemd is dat zulke moeilijk lessen (vaak onder de term creatieve middag) worden overgelaten aan goedwillende maar didactisch niet geschoolde ouders.

Doelstelling


Wat was de aanleiding tot dit product?

Hoe luidde de doelstelling?

Was het doel ook voor de leerlingen duidelijk? (Als je deze vraag met nee moet beantwoorden, ligt het meestal aan je zelf!)

Waar ging het bij deze activiteit vooral om: techniek, compositie, creativiteit of samenwerking?



Product


Beantwoordt het product aan de doelstelling?

Had je dit van deze kinderen ongeveer verwacht?

Als het product volgens de doelstelling niet goed is maar wel goed is als er een andere doelstelling aan ten grondslag had gelegen, wat doe je dan? Dan probeer je erachter te komen volgens welke doelstelling het kind heeft gewerkt.

Productbeoordeling organiseren


Betrek de leerlingen vooral bij het beoordelen. Het zijn tenslotte hun werkstukken.

Bij het beoordelen kun je de zogenaamde horizontale methode toepassen. Het horizontale slaat op het gegeven dat alle werkstukken die gemaakt zijn vergelijkenderwijs (naast elkaar op dezelfde hoogte) worden bekeken.



  • Alle werkstukken op de grond leggen en de leerlingen er in een kring omheen.

  • Opdacht herhalen (mondeling, hier ben je weer aan het bespreken).

  • Met behulp van de leerlingen de werkstukken in bijvoorbeeld vijf lagen groeperen, de beste bovenaan.

  • Die groepen bespreek je dan als één geheel.

Een nadeel is wel dat het accent wel erg op het product komt te liggen. Het gaat hier vooral over het resultaat en niet over dat wat al werkende is geleerd.

Het per werkstuk bespreken en beoordelen (de zogenaamde verticale methode) vraagt meer tijd dan de horizontale. Leerlingen ( temeer naarmate ze jonger zijn) hebben niet het geduld om lang te luisteren naar beschouwingen over hun werk.

Tips voor productbeoordeling


Bij het bespreken van het beeldend werk is vaak het probleem dat je als docent niet weet wat je over het werk moet zeggen. Denk aan het doel en BTB= beeldaspecten, techniek en betekenis.
Bij beeldaspecten gaat het om de verschijningsvorm van het werk (kleurharmonie of

kleurcontrast of begrippen als herhaling en ritme of de huid en textuur, het formaat ondersteunen het resultaat).

Bij de technische aspecten praat je bijvoorbeeld over: is de verf goed gemengd, is het krijt juist gehanteerd, zijn de onderdelen goed met elkaar verbonden, zijn de gebogen kartonnen vlakken mooi strak gebleven.

Betekenis in de zin van verwijzing naar iets anders kan eventueel maar hoeft niet altijd aanwezig te zijn. (zie ook beeldbeschouwing)

Zo’n reflectie, evaluatie, werkbespreking mag nooit lang duren

Cijfers geven


Cijfers geven veronderstelt dat alle leerlingen in de groep vergelijkbaar te beoordelen zijn. Maar toch is het geven van een cijfer een armetierig systeem om vast te leggen wat er bij beeldonderwijs allemaal gebeurt. Maar wat is het alternatief? Een woordrapport? Dat is wel beter, maar als er op staat dat het goed is of dat het kind beter zijn best moet doen dan zijn de ouders niet veel beter geïnformeerd dan door een cijfer.

Wie werk maakt van het observeren en beoordelen van leerlingen heeft misschien gekozen voor een leerlingvolg-systeem en kan zodoende voor elke leerling een profiel vaststellen waarin zijn zwakke en sterke punten naar voren komen.

Twee linkerhanden

En dan nu de laatste opmerking van jouw kant: Maar ik kan zelf helemaal niet tekenen en ik heb ook nog eens twee linkerhanden…!

dat is geen excuus want:


  • Je bent wel op de hoogte van het beeldend vermogen van kinderen.

  • Je weet alles van verschillende technieken.

  • Je kunt boeiend vertellen over de beeldaspecten.

  • Je kunt kinderen kritisch bewust maken van wat ze zien.

  • Je weet in je groep creativiteit te bevorderen door je eigen creatieve gedrag.

  • Je herinnert je nog het een en ander over functieontwikkeling

  • Je kunt groeps- en individuele processen begeleiden.

In de kunstwereld is iets dergelijks het geval. Niet alle kunstcritici hebben een academie doorlopen. Sommigen kunnen nog geen potlood vast houden. Je hoeft geen beeldhouwer te zijn om over beeldhouwkunst en sculpturen te kunnen oordelen. Maar je kunt wel het een en ander leren als je dat wilt.



Hoofdstuk 6

Inhoud van tekenen en handvaardigheid

Introductie


Dit hoofdstuk gaat over de praktijk en het maken van een plan voor tekenen en handvaardigheid. Het maken van een plan in teamverband verhoogt de effectiviteit en de systematiek.

Beleid

Schoolplan


Een schoolplan is een document waarin staat hoe de school werkt aan kwaliteit van het onderwijs. Het bestaat uit personeelsbeleid en onderwijsbeleid. In het schoolplan staan doelen, leerstofkeuze, leerstofplanning, didactische werkvormen, evaluatie, registratie, rapportage, differentiatie en eventueel ook samenhang met andere vakken beschreven. Het schoolplan is tamelijk nieuw. Pas in1998 komt het begrip voor in de Wet op het primaire onderwijs.

Schoolgids


Elke school moet een schoolgids maken. Daarin staat informatie voor ouders en leerlingen.

De doelen van het onderwijs worden hierin opgenomen en ook hoe aan de zorg voor jonge kinderen wordt gewerkt. Hoe de onderwijstijd wordt benut en de beschrijving van de onderwijsactiviteiten.


Onderwijsactiviteit


Alles wat je doet om leerlingen iets te leren is een onderwijsactiviteit. Je spreekt dan van een les: lezen, handvaardigheid enzovoort. Een school kan voor elke groep kerndoelen beschrijven hoe eraan gewerkt wordt, welke activiteiten er plaatsvinden om die doelen te bereiken. Zoiets noemen we een activiteitenplan. Het activiteiten plan is bestemd voor de docenten, voor het team zelf. Er staan argumenten in voor de keuze van de leerstof, hoe de leerstof verdeeld is over de leerjaren en hoe in elk leerjaar de leerstof wordt uitgewerkt. Er staat in hoe de leerstof wordt aangeboden en hoe de doelen worden gerealiseerd. Teamleden zijn eraan gebonden en het is een uitgangspunt voor verdere ontwikkeling. Een activiteitenplan biedt houvast bij de planning en verhoogt het rendement van het vak.

Werken aan het activiteitenplan tekenen en handvaardigheid


Uit een activiteitenplan spreekt de visie van een school op het onderwijs. Daarom zijn alle teamleden erbij betrokken en heeft consequenties voor de docenten.

Een activiteitenplan voor tekenen en handvaardigheid houdt in:



  • Vaststellen wat er nu gebeurt bij tekenen en handvaardigheid.

  • Vaststellen hoe de toekomst van beide vakken eruit moet zien.

  • Vaststellen wat eventueel nodig is om die toekomst mogelijk te maken.

Dat betekent dat alle collega’s het eens moeten zijn over wat erin staat. Het gaat vooral om een veranderingsproces dat zich (bij de een meer en de ander minder misschien) gaat voltrekken.




Vaststellen wat er nu gedaan wordt


Je begint te kijken hoe het vak er momenteel uitziet. Je kijkt wat ze doen bij tekenen en handvaardigheid, welke boeken, methodes en andere bronnen ze gebruiken, hoe kunstbeschouwing in hun groep verloopt en hoe ze met de groep didactisch bezig zijn. Het hele team moet een volledig en gedetailleerd overzicht hebben in de huidige situatie van tekenen en handvaardigheid in alle groepen.

  • Het hele team, omdat het ontwikkelen van een activiteitenplan teamwork is.

  • Volledig en gedetailleerd omdat overzicht en inzicht in details eerder mogelijkheden tot ontwikkeling scheppen dan globaal inzicht. Als het bij het veranderen alleen zou gaan om de aanschaf van een nieuwe methode zou je gauw klaar zijn, maar daar gaat het meestal niet om. Het maken van een activiteitenplan is een soort nascholing voor de teamleden.

Er zijn verschillende manieren om inzicht in de huidige situatie te krijgen:



  1. Je kunt het bestaande schoolplan pakken en kijken wat erin staat over tekenen en handvaardigheid.

  2. De teamleden vertellen aan elkaar in eigen woorden mondeling of schriftelijk over hoe ze op dit moment werken.

  3. De teamleden stellen aan elkaar vragen.

  4. De antwoorden op de vragen zijn een bron voor discussie. Beschouw de antwoorden als een vaststelling van feiten.

  5. Stel samen vast als team in welke opvattingen, doelen en werkwijzen jullie niet helemaal gelukkig zijn in de huidige situatie.

In een goed voorbereide teamvergadering ga je in een later stadium het volgende doen:



  • De antwoorden met elkaar vergelijken.

  • Motiveren waarom je het zus wilt en niet anders.

  • Elkaar overtuigen dat het misschien op een andere manier beter kan.

  • Samen tot de conclusie komen dat bepaalde zaken heel snel moeten worden veranderd.

  • Proberen een didactiek te ontwikkelen die meer op elkaar is afgestemd.



Didactisch handelen


  • Welke groep?

  • Welke uren tekenen en handvaardigheid?

  • Is het ontwikkelingsgericht of leerstofgericht?

  • Hoe bereid je de activiteiten voor?

  • Leg je de voorbereidingen schriftelijk vast?

  • Waarop baseer je de voorbereidingen?

  • Wat vind je de twee belangrijkste doelen van tekenen en handvaardigheid?

  • Heb je de activiteiten volgens plan ingedeeld?

  • Heb je een lijst met technieken, beeldaspecten of onderwerpen die in de loop van het jaar aan de orde moeten komen?

  • Op welke manier geef je les in tekenen en handvaardigheid?

  • Zijn er voor de kinderen keuzemogelijkheden?

  • Gebruik je tekenen en handvaardigheid ook samen met andere vakken?

  • Werk je ook met langer durende opdrachten?

  • Voer je de opdrachten die je aan de kinderen geeft ook zelf uit?

  • Gebruik je het bord als instructiemiddel?

  • Waar werken de kinderen? (Aan tafels, in groepjes, aan tafeltjes apart, op de grond enz.)

  • Hoe zitten de kinderen bij de voorbespreking? (kring, apart, in groepjes)

  • Hoe wordt materiaal verdeeld?

  • Wie bepaalt het materiaal?

  • Wie bepaalt het onderwerp? (Docent, kinderen, samen)

  • Hoe leid je de activiteit in? (Groepsgesprek, leergesprek, instructie met vragen)

  • Mogen de kinderen tijdens het werk praten?

  • Wat doe ik tijdens het werken van de kinderen? (Orde, rondlopen, praten, helpen, observeren)

  • Bespreek ik halverwege de les wel eens het werk?

  • Laat ik bij de inleiding beelden zien? (Werk van kinderen, werk van kunstenaars, foto’s, enz.)

  • Wat doen de kinderen als ze klaar zijn met het werk?

  • Bespreek ik de tekeningen en de werkstukken?

  • Welke vorm van bespreken hanteer je?

  • Wat gebeurt er met de tekeningen en de werkstukken als ze nog niet klaar zijn?

  • Hoe leg ik de resultaten van het werk vast? (Leerlingvolgsysteem)

  • Wanneer leg je je beoordelingen vast? (Tijdens de activiteit, kort of lang er na.)

  • Noteer je iets over het verloop van de les? (Praktijkverslag, logboek.)

  • Wat gebeurt er met de tekeningen en de werkstukjes als ze af zijn?

  • Waar blijven de tekeningen en de werkstukjes uiteindelijk?

  • Hoe gaat het opruimen? (Docent, kinderen.)

  • Gebruiken de kinderen computers voor beeldend werk?

  • Gebruik je zelf de computer voor reflectie op het werk van kunstenaars?



Voorzieningen


  • Gebruiken de kinderen eigen materiaal en gereedschap?

  • Welke materialen en gereedschap heb je in de klas?

  • Is je lokaal geschikt om te tekenen, met klei of met hout te werken, te schilderen enzovoort?

  • Welke boeken/ methoden/ kunstboeken/ cd-rom’s heb je in je eigen lokaal?

  • Over welk illustratiemateriaal beschik je?

  • Beschrijf de ruimte in het vaklokaal.

  • Welke hulpmiddelen zijn in je lokaal? (Televisie, computer, diaprojector, scherm, fototoestel)

  • Welk ontwikkelingsmateriaal voor visuele ontwikkeling is aanwezig?

  • Is er voldoende bergruimte om materiaal en gereedschap overzichtelijk en gemakkelijk op te bergen?



Bij elkaar gaan kijken


De teamleden kunnen ook bij elkaar gaan kijken om inzicht te krijgen in de huidige situatie.

Wat willen we in de toekomst?


Je gaat op informatie uit. Er zullen wensen naar voren komen.

Er zijn verschillende mogelijkheden:



  • Het team overlegt. Je gebruikt daarbij de antwoorden uit de vragenlijsten.

  • Contacten met de schoolbegeleidingsdienst en instelling voor kunstzinnige vorming.

  • Nascholingsactiviteiten.

  • Uitwisseling van contacten met andere teams via de schoolbegeleidingsdienst.

  • Informatie via vakgroepen, vakverenigingen, studiecommissies. De Nederlandse Vereniging voor Beeldend Onderwijs (NVTO), Vereniging voor Leraren Beeldende Vakken (VLBV), het tijdschrift Beeldaspecten.

  • Het uitnodigen van een deskundige inleider.

  • Studie: schoolbibliotheek van pabo, OBD enz., tijdschriften, Internet, handleidingen, boeken, methoden, de leermiddelenoverzichten van Nationaal informatiecentrum leermiddelen (NICL)

Het kan zijn dat er behoefte is aan nascholing of dat er materiele voorzieningen getroffen moeten worden. Het kan zijn dat er boeken moeten worden aangeschaft en twee computers erbij gezet moeten worden. Het kan ook zijn dat er een schets van een activiteiten plan moet worden gemaakt.





1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina