Beeldonderwijs en didactiek



Dovnload 428.05 Kb.
Pagina13/18
Datum22.07.2016
Grootte428.05 Kb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Licht

Onderbouw (4-6 jaar)


  • Leerlingen kennen de begrippen licht, donker, schaduw en kunnen die illustreren.

  • Leerlingen weten dat er verschillende lichtbronnen zijn en kunnen er enkele noemen.

  • Leerlingen weten dat er verschillen zijn in lichtsterkte en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen weten dat er een relatie is tussen licht en warmte en kunnen dat illustreren.



Middenbouw (7-9 jaar)


  • Leerlingen kennen de begrippen lichtrichting, kunstlicht, zonlicht, maanlicht, en variatie en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen weten dat licht van kleur verandert als het door een gekleurd materiaal valt en kunnen voorbeelden geven van toepassingen.

  • Leerlingen weten hoe lichter en donker zowel met zwart-wit en kleurmaterialen ontstaan en het kunnen toepassen in hun tekening.

  • Leerlingen kennen de relatie tussen lichtrichting en slagschaduw en kunnen dit in afbeeldingen aanduiden.



Bovenbouw (9-12 jaar)


  • Leerlingen kennen de begrippen toon, zijlicht, tegenlicht, silhouet, striklicht, weerkaatsing en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen kennen de begrippen eigenschaduw, slagschaduw en spiegelbeeld en kunnen dat toepassen.



Ruimte

Onderbouw (4-6 jaar)


  • Leerlingen kennen de begrippen op, onder, achter, voor, midden, boven-, onder-, zij-, rechter-linkerkant en kunnen dat illustreren op het platte vlak en in de (driedimensionale ) ruimte.

  • Leerlingen kennen de begrippen dichtbij, verder weg, veraf en kunnen dat illustreren in de ruimte.

  • Leerlingen kunnen dingen op een rij leggen en in de ruimte ordenen op voor en achter, naast elkaar.

  • Leerlingen kunnen de ruimte van het tekenpapier in het geheel benutten.

  • Leerlingen kunnen ruimtelijke relaties aangeven door in hun tekening bij elkaar horende zaken bij (naast, onder of boven of in ) elkaar te tekenen.

  • Leerlingen kunnen driedimensionale objecten tekenen in combinaties van aanzichten.

Middenbouw (7-9 jaar)


  • Leerlingen kunnen in het platte vlak ruimtelijke relaties aangeven door overlapping en afsnijding.

  • Leerlingen kunnen een horizon als zodanig in hun tekening hanteren.

  • Leerlingen kennen het begrip plattegrond en kunnen het toepassen.

  • Leerlingen kunnen een eenvoudige uitslag maken.



Bovenbouw (9-12 jaar)


  • Leerlingen kennen het begrip perspectief, standpunt, vogelvluchtperspectief, kikvorsperspectief, voorgrond, achtergrond en kunnen dit illustreren.

  • Leerlingen kunnen in het platte vlak ruimtelijke relaties aangeven door grootteverhouding (wat verder weg is kleiner tekenen).

  • Leerlingen kennen het onderscheid tussen werkelijke en gesuggereerde ruimte.

  • Leerlingen kunnen luchtperspectief toepassen in hun werk om daardoor ruimte te suggereren (dichtbij zijn de kleuren feller en de vormen duidelijker).

  • Leerlingen kunnen ruimte in hun tekening suggereren door wat dichterbij is gedetailleerder te tekenen (bijvoorbeeld grassprietjes).

  • Leerlingen kennen de begrippen interieur (binnenruimte) en exterieur (buitenruimte).

  • Leerlingen kennen de begrippen tussenruimte en restruimte (restvorm).

  • Leerlingen kennen het begrip reliëf en kunnen dat illustreren.



Lijn

Onderbouw (4-6 jaar)


  • Leerlingen kennen verschillende begrippen die met lijn te maken hebben en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen maken, kennen en benoemen verschillende lijnsoorten, met name: doorlopende lijnen, golvende lijnen, kromme en rechte lijnen, dikke en dunne lijnen, zigzaglijnen, stippellijnen.

  • Leerlingen kennen en maken horizontale, verticale en schuinen lijnen.

  • Leerlingen kunnen lijnverbindingen maken tussen stippen.

  • Leerlingen moeten weten dat een lijn ook al kan bestaan uit een verzameling opeenvolgende elementen (blokjes, streepjes, enz. ) en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen weten dat lijnen vormen bepalen (omtreklijnen) en kunnen dit illustreren.



Middenbouw (6-9 jaar)


  • Leerlingen zien en begrijpen lijnen in hun omgeving (spinnenweb, trottoirbanden enz. )

  • Leerlingen weten dat lijnen door herhaling vaak een patroon vormen (dakpannen, stenen in de muur, tegels op het schoolplein, gras, schubben van een vis) en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen kunnen lineaire constructies maken van metaal draad, garen, satéstokjes, pitriet en dergelijke.


Bovenbouw (9-12 jaar)


  • Leerlingen kennen de begrippen spiraalvorming, diagonaal, arcering en kunnen die toepassen.

  • Leerlingen kunnen verschillende vormen van lijnen toepassen in hun werk (gegolfd, hoekig, zigzag, vloeiend, dik dun, rafelig, enz.)

  • Leerlingen kennen de begrippen contour, contourlijn, motief, patroon (lijn in relatie tot andere beeldaspecten) en kunnen die illustreren.

  • Leerlingen weten dat je door het herhalen van lijnen ritme kunt doen ontstaan en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen weten dat constructieve elementen vaak lijnpatronen en structuren vormen (hangbrug, spinnenweb, fietswiel, takken van bomen, nerven van blad, steiger, elektriciteitsmast) en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen kennen van een aantal lijnpatronen het verband tussen vorm en functie (dakpannen, schubben, tegels, metselwerk, spinnenweb, hangbrug, gewelfribben) en kunnen dat illustreren.

  • Leerlingen kunnen een aantal verschillende toepassingen van lijn (lijnkarakteristieken) aangeven in het werk van kunstenaars (Jugendstil, Mondriaan, Van Gogh). Ze maken ook onderscheid tussen langs de liniaal getrokken (geconstrueerde) lijn en uit de vrije hand getrokken lijn; dunne aarzelende lijn en dikke, forse, zekere lijn; doorlopende en gebroken lijn.

  • Leerlingen herkennen bewegingssuggestie door middel van lijn en kunnen dat toepassen.





1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina