Beeldonderwijs en didactiek



Dovnload 428.05 Kb.
Pagina16/18
Datum22.07.2016
Grootte428.05 Kb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Welke activiteiten op basis van de leerlijnen?


In de beschrijving van de activiteiten komt ook tot uiting welke visie de school heeft op de onderwijsleersituatie.

Die betreft:



  • Het handelen van de docent (met nadruk op de pedagogische houding of op technische vaardigheden.

  • De didactische werkvormen (methode van lesgeven).

  • De groeperingsvormen binnen de groep.

  • De keuze van de bestaande methode voor de lessen.

  • Doe-het-zelfactiviteiten zonder hulp van de docent.

  • Ontwikkelingsmateriaal en spelmateriaal voor de onderbouw bij de kleuters.

  • Invulling van de leerlijn op basis van de beeldaspecten.



Welke vorm van evaluatie?


In een activiteitenplan staat ook het een en ander over evaluatie. Bij de evaluatie kunnen de volgende zaken besproken worden.

Het werk kan beoordeeld worden door de kinderen en de docent.

De kinderen kunnen de werkstukken op de grond leggen en in een kring er omheen zitten.

Er kunnen vragen gesteld worden over wat is uitgebeeld door iedereen.

De soorten werkstukjes kunnen in groepjes verdeeld besproken worden.

De kinderen leren positief over de werkstukjes te praten.

De docent beoordeelt afzonderlijk: de creativiteit, de vaardigheid, de werkhouding.

De tekeningen worden apart in een map bewaard gedurende een jaar.

De docent kijkt vooral naar de ontwikkeling van het beeldend vermogen.

De docent kijkt of de doelstellingen per leeftijdsgroep bereikt worden.

De docent beoordeelt het werk op concentratie, enthousiasme, verzorging en motivatie.

De docent neemt ook zijn eigen handelen onder de loep.



Materialen en inventaris


Tot het activiteitenplan hoort ook een lijst met materialen en gereedschappen.

Per groepslokaal


  • Prikborden voor tentoonstellen van werkstukken en het naast elkaar hangen van werkstukken tijdens de evaluatie.

  • Planken om ruimtelijk werk op ten toon te stellen en te bewaren.

  • Computers met tekenprogramma’s en toegang tot internet.

  • Materiaal en gereedschapsberging.

  • Schoolbord.

  • Fonteintje.

  • Twee schilderbordwanden op kinderhoogte. (groep 1 en 2)

  • Twee schoolbord wanden op kinderhoogte. (groep 1 en 2)

  • Zandtafel, watertafel.


Vaklokaal


  • Grote groepstafels met krukjes.

  • Opbergkasten voor materiaal en gereedschap.

  • Planken om ruimtelijk werk op tentoon te stellen.

  • Kranen en spoelbakken.



Gangen


  • Prikborden en planken voor het tentoonstellen van werkstukken.

  • Spoelbakken bij de toiletten.



Leermiddelenberging


  • Voorraad voor materialen.

  • Ladekast voor groot papier.



Documentatiecentrum


  • Naslagwerken voor leerlingen en docenten.

  • Methoden en vaktijdschriften.

  • Collectie beeldmateriaal.

  • Computers met tekenprogramma’s en toegang tot het Internet.

  • Beeldmateriaal op cd-rom’s.



Teamvergadering


Het maken van een schoolplan gebeurt bij voorkeur door gezamenlijke actie van alle teamleden.

Wil je het beeldonderwijs (net als bij andere vakken) structureel een plaats geven in het onderwijs dan moet het team bijvoorbeeld maandelijks overleg voeren.



Hoofdstuk 7

Beeldbeschouwing

Introductie


Leren kijken naar kunst gebeurde al lang op de pabo in de lessen cultuur- en maatschappelijk leven (CML, CMV, of CUMA). In de basisschool is het sinds de invoering van de kerndoelen in 1993 ook een onderdeel van de beeldende vakken. Het valt onder de noemer beschouwen. De docenten spreken liever van beeldbeschouwing omdat kunstbeschouwing in hun ogen een te beperkt terrein van beschouwen inhoudt: alleen kunst. Beeldbeschouwen gaat over het beschouwen van beelden in het algemeen: kunst en niet-kunst.

De theorie van Michael Parsons geeft je inzicht in hoe mensen en ook kinderen, een ontwikkeling doormaken in het kijken naar kunst.


Van object naar subject


Momenteel wordt kunstbeschouwing in het voortgezet onderwijs geëxamineerd bij de beeldende vakken en is het onderdeel van het vak culturele en kunstzinnige vorming (CKV).
Je kunt als je over beeldbeschouwen praten, uitgaande van het object: het beeld, of uitgaande van het subject: de beschouwer.

Meestal zijn de vragen:

uitgaande van het object, het beeld.

Kun je beschrijven wat je ziet?

Welke beeldaspecten zijn er gebruikt?

Hoe is het gemaakt?

Waarom zou de kunstenaar dat zo gedaan hebben?

Wat bedoelde hij er mee?

Hoe leefden en dachten de mensen in de tijd dat het werk gemaakt werd?

Uitgaande van het subject, de beschouwer.


Wat vind je er zelf van? Geef je eigen mening.

Docenten willen weten hoe kijkt een kind en wat denkt het daarbij. Wat doet dat wat een kind ziet met dat kind? Is dat voor ieder kind gelijk? Waarom wel? Waarom niet? Als je die vragen stelt ga je uit van het subject, van de beschouwer.



Theorie van Michael Parsons

Michael Parsons (filosoof en professor aan de State University van Ohio, USA) heeft in 1987 een boek ( How we understand art?) gepubliceerd, gebaseerd op onderzoek in de praktijk. Beeldonderwijs gaat ervan uit dat waarnemen een middel is werkelijkheid te doen ontstaan en zodoende kennis te verwerven. Het voorwerp, de situatie, het idee: ze kunnen niet op zichzelf bestaan. Ze bestaan slechts bij de gratie van de waarnemer, de schepper van mentale voorstellingsbeelden. Ze bestaan vaag en onhelder voor een slechte waarnemer en helder, intens en geordend voor een goede waarnemer. Je krijgt beter inzicht in vormgeving (in wat visueel waarneembaar is) naarmate je wat vormgeving is (alles wat visueel waarneembaar is) beter waarneemt. Zo ontstaat kennis. Er zijn methoden om beter te leren waarnemen. Als je tekent zie je meer. Hetzelfde geldt voor handvaardigheid voor het maken van ruimtelijke beelden. Het is bovendien zo dat je waarnemingen behalve visueel ook tactiel kunt doen, door te tasten met je handen bijvoorbeeld.


Parsons zegt dat de mens kunst waarneemt volgens een bepaald waarnemingspatroon. Hij verwacht iets te zien en ziet het dan ook. Parsons zegt ook dat dit waarnemen van kunst zich ontwikkelt (zich kan ontwikkelen). Wij zeggen ongeveer hetzelfde van alles wat de mens waarneemt, dus niet alleen van kunst. De mens structureert zijn waarnemen: op een bepaalde leeftijd of fase in zijn ontwikkeling is hij zover dat hij op een bepaalde manier kijkt (de structuur van zijn waarnemen) en door die manier van kijken ziet hij iets (maakt hij zich al kijkend een beeld). Daar zijn jouw lessen tekenen en handvaardigheid op gebaseerd, op het gegeven dat kijken zich ontwikkelt, dat de mens zijn manier van kijken kan beïnvloeden, dat hij kan leren zien.

Tekenen en handvaardigheid betreft vooral het productief beeldend bezig zijn, ook al zit daar heel wat reflectie bij. Parsons heeft een studie gemaakt van hoe kinderen op kunst reageren en hij heeft daar conclusies uit getrokken die het onderwijs over kunst kunnen beïnvloeden. Daarom hebben we aan Parsons een goede begeleider.

Uit de studie van de ontwikkeling van het beeldend vermogen weet je dat er fasen in die ontwikkeling zijn en dat kinderen in een bepaalde ontwikkelingsfase dezelfde of nagenoeg de zelfde kenmerken vertonen in hun beeldend uiten. Omdat je weet dat het maken van beelden leerbaar is, maak je van die kenmerken gebruik in je onderwijs. Je kent allerlei middelen om leerlingen beter te leren tekenen, beter te leren boetseren enzovoort. De een lukt het beter dan de ander. Dat hangt soms af van de leerlingen en vaak van de docent.



1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina