Beeldonderwijs en didactiek



Dovnload 428.05 Kb.
Pagina17/18
Datum22.07.2016
Grootte428.05 Kb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Vijf brillen, vijf stadia


Parsons vergelijkt het waarnemen van mensen met het kijken door een bril. Mensen in verschillende fasen van ontwikkeling kijken door verschillende brillen. Als docent moet je weten wat het kijken door al die verschillende brillen voor mensen kan betekenen. Pas dan kun je dat kijken optimaliseren. Dat is een mooie vergelijking maar elke vergelijking gaat ergens mank. In het normale leven mag je blij zijn als je kunt zien zonder bril, maar voor Parsons is het waarnemen brilgebonden.

De vergelijking met brillen nog even vasthoudend kunnen we er met Parsons van uitgaan dat er vijf verschillende brillen (verschillend van sterkte) zijn om naar kunst te kijken (om esthetische ervaringen op te doen). Wil je door bril vijf goed kunnen kijken dan moet je wel eerst door de andere vier hebben leren kijken.

Een bril die je goed past, zet je nooit meer af. Je kijkt als het ware door een steeds complexer lenzenstelsel naarmate je beter leert kijken. Die brillen zijn niet absoluut leeftijdgebonden, al is het wel zo dat bril een in elk geval goed past op een kleuterneus, bril twee op die van een leerling van de middenbouw enzovoort. Met andere woorden: je wilt weten hoe iemand in een bepaald stadium van ontwikkeling zijn waarneming structureert. Vooral van belang is te weten te komen of en hoe je kinderen kunt leren beter door al die brillen te kijken. Dat lees je goed. Je kunt kinderen van de basisschool door alle vijf brillen leren kijken.

Stadium 1: associatie


Wat iemand in dit stadium ziet is dat wat een associatie oproept. De uitnodiging: vertel wat je ziet, past hier heel goed, maar de antwoorden hebben te maken met het gegeven dat de waarnemer (meestal het jongere kind) er iets uit zijn dagelijkse omgeving in herkent of zich iets herinnert.

Dit stadium van kunstkijken wordt gekenmerkt door een sterke voorkeur voor kleur, hoe meer hoe beter. Wat anderen vinden is in dit stadium nog niet belangrijk. Daar wordt wel naar geluisterd en het wordt misschien genoteerd.


Stadium 2: voorstelling


Voor wie door de bril van het tweede stadium kijkt, is het uitermate belangrijk dat een beeld iets voorstelt, dat je er iets in ziet. Een kubistisch portret is onaanvaardbaar. Het beeld wordt gewaardeerd als de afzonderlijke figuren voor de beschouwer herkenbaar zijn. Maar wat het werkelijk voorstelt (de diepere inhoud) is dan nog vaak onduidelijk. Non-figuratieve werken stellen (letterlijk) niets voor. Die worden dan niet gewaardeerd. Ze zijn niet goed. Volwassen die in dit stadium zitten, reageren met: dat kan mijn kleine broertje ook.

Als gevoelens tot uiting worden gebracht in een beeld dan moeten dat het liefst prettige gevoelens zijn die direct uit het realisme zijn af te lezen. In stadium een is er nauwelijks aandacht voor de mening van een ander. Nu beseft men dat anderen wel een andere mening kunnen hebben.


Stadium 3: expressie


In dit stadium wordt het beeld vooral beschouwd als iets dat emoties kan opwekken. De beschouwer gaat ervan uit dat de maker in zijn beeld een betekenis heeft gelegd en dat de beschouwer die betekenis te weten kan komen. Het overbrengen en het opwekken van gevoelens en ideeën wordt beschouwd als de voornaamste taak van de kunstenaar. En de kunstenaar zal daar, zo vindt de beschouwer die door deze bril kijkt, beter in slagen naarmate hij origineler is. Fotografisch realisme is dus vaak een minpunt voor wie door deze bril kijkt omdat fotografisch realisme niet gemakkelijk gezien wordt als eigen, authentieke en oorspronkelijke vormgeving. Een beeld wordt meer gewaardeerd naarmate het intenser gevoelens teweegbrengt.

Een stap vooruit is het dat in dit stadium niet alleen geaccepteerd wordt dat anderen een afwijkende mening hebben maar dat het ook helemaal niet erg is als een ander je gevoelens niet deelt. Het wordt als vanzelfsprekend ervaren dat iedereen een eigen opvatting heeft. Het heeft dan ook geen zin om praten over de kwaliteit van het beeld. Alleen je eigen gevoelens tellen, menen deze brildragers.


Stadium 4: leerbaar


In dit stadium beseft de beschouwer dat een beeld een sociale functie heeft. Een beeld is niet zo voor-ieder-anders dat met de uitspraak over smaak valt niet te twisten elke discussie bij voorbaat onmogelijk gemaakt wordt. Mensen die beeld een maken leven in een bepaalde tijd, een bepaald land, in een bepaalde culturele omgeving. Traditie, technisch kunnen en functie hebben ook invloed op hoe een beeld eruitziet. Je kunt met andere beschouwers praten over wat je ziet, over de voorstelling, over de beeldaspecten en over het gebruik van materialen. Je kunt meningen en opvattingen funderen en tegen elkaar afwegen. Kunstkritiek kan zinvol zijn als die je leidt naar beter zien en vollediger begrijpen van een beeld.

Stadium 5: eigen mening


Wie de vijfde bril past en er door kan zien, beseft dat hij als individu een oordeel kan vellen, gebaseerd op eigen inzicht en smaak. Dat oordeel kan afwijken van huidige of vroegere algemeen gangbare meningen omdat algemeen gangbare meningen gebonden zijn aan een groep, een cultuur en een tijd. Hij weet ook dat zijn eigen oordeel bepaald is door groep, cultuur en tijd.

De kijker beseft dat hij in dit stadium voortdurend kritisch naar dat eigen oordeel moet luisteren. Hij zal zich afvragen hoe het komt dat hij er zo over denkt en niet anders. Het is niet voldoende een eigen mening te hebben. Die mening zal ook geregeld getoetst moeten worden aan die van anderen. Niet om hem aan te passen aan andermans mening, ook al zou dat soms geen kwaad kunnen, maar om hem vaak ter discussie te stellen. Daardoor kan de zekerheid over de oprechtheid van een eigen oordeel groeien. Daardoor krijg je inzicht in de beïnvloeding van beelden op mensen en krijg je meer kijk op het wezen van het beeldend werk.


En nu de praktijk


Wat kun je nu met die theorie van Parsons doen in de praktijk van kunstbeschouwing met jouw leerlingen? Kunnen we ervan uitgaan dat leerlingen in groep 8 de potentie hebben door alle vijf de brillen te kijken? Ze zijn er geestelijk wel toe instaat.

  1. Ze kunnen associëren.

  2. Ze kunnen uiterlijke kenmerken van de voorstelling begrijpen.

  3. Ze kunnen gevoelens ondergaan bij het kijken naar een beeld.

  4. Ze kunnen kennis verwerven over beeldaspecten.

  5. Ze kunnen een eigen mening formuleren over hun relatie tot een beeld.

Maar hoever kunnen ze die bekwaamheden ontwikkelen in de voorgaande jaren? Hoe help je kinderen daarmee?


Beeldbeschouwen begint met kijken


In toenemende mate zijn mensen die met kunst te maken hebben het met elkaar eens als het erom gaat te bepalen wat kunst is. Er zijn twee opvattingen, die beide bruikbaar zijn.

Kunst is datgene wat de kunstenaar die het gemaakt heeft, kunst noemt. Dan moet je nog een definitie kunstenaar hebben. Een kunstenaar is iemand die zijn vak professioneel uitvoert.

Je kunt ook zeggen: kunst is datgene wat binnen het kunstgebeuren is geplaatst. Het woord kunst gebeuren is een verzamelnaam voor tentoonstellingen, catalogus, kunstuitleen, museum, inzending voor een kunstprijs, enzovoort.

In beide uitspraken komt naar voren dat het al of niet kunst zijn van iets niet afhangt van het object zelf, maar van externe factoren; afspraken (opvattingen) in dit geval.

Zijn kinderen kunstenaars? In de bovengenoemde opvattingen niet, maar vind je het echt belangrijk te weten? Verandert je onderwijs aan kinderen daardoor? De discussie over wat kunst is en wie kunstenaars zijn, is niet belangrijk meer op het moment kunst beschouwen veranderen door beeldbeschouwen. En dat is eigenlijk wat in het onderwijs gebeurt: beeldbeschouwen. Als zo’n beeld kunst is wordt het kunstbeschouwing. Het hoeft ook niet altijd over algemeen geaccepteerde kunst, museumkunst, te gaan. Kinderen hebben een andere belangstelling dan volwassenen. De naam kunstbeschouwing komt uit de kunstgeschiedenis. Inmiddels zijn we nog verder gegaan en hebben we begrepen dat het eigenlijk gaat om het kijken naar alles wat visueel waarneembaar is. Sommigen spreken consequent van beeldbeschouwing en in de kerndoelen noemen ze het beschouwen.

Bij de kinderen gaat het erom te streven naar het opwekken van nieuwsgierigheid en verwondering.

Exposeren


De inrichting van het groepslokaal zegt vaak heel wat over de opvattingen van de groepsdocent en van zijn manier van omgaan met de kinderen en lesgeven. Een omgeving die prettig om te zien is, heeft een positieve invloed op hoe kinderen zich gedragen en het beïnvloedt ook het leergedrag. Grote zachtboard platen tegen de wanden en voldoende plank- en tafelruimte heb je meestal nodig.

Kijken, hoe doe je dat?


Beschouwen is iets waar de docent zijn didactische kennis en vaardigheden op kan botvieren, want beschouwen kun je leren. Leren in beide betekenissen. Je kunt kennis en vaardigheden overdragen en de leerlingen kunnen kennis en vaardigheden omtrent beeldbeschouwen verwerven. Leer kinderen kijken. Leer ze kijken naar wat de moeite waard is om gezien te worden. Leer ze kijken met al hun zintuigen. Door zo te leren kijken leer je ze waarnemen. Bij beelden waar je naar kijkt hoort ook kunst. Kunstgeschiedenis hoef je op de basisschool in het geheel niet te onderwijzen.

Kunstwerk en beschouwer moet als het ware steeds een levendig debat onderhouden. Voor en debat is het belangrijk dat de betrokkenen belangstelling voor het onderwerp hebben. Als je wilt dat de kinderen belangstelling voor kunstvoorwerpen hebben moet je ze op een of andere manier nieuwsgierig maken. Probeer niet volgens een vast stramien elk beeld te analyseren. Schema’s hebben vaak slechts de formele beeldaspecten op het oog. Ze bevredigen de nieuwsgierigheid slechts ten dele en vervelen gauw. Het is volstrekt zinloos een kunstwerk alleen verstandelijk te analyseren. Daarmee bereik je geen meebeleven, geen meedenken en zo blijft het oninteressant.

Als je de lessen kunstbeschouwing voorbereidt, zou je de gezichten van de kinderen voor wie je het doet, voor ogen moeten hebben. Dat helpt. Wat ook helpt is dat je je afvraagt of je iets kunt doen met de voorkeuren en interesses van kinderen in het algemeen.


  • Kinderen houden ervan op zolder dingen te ontdekken.

  • Kinderen vinden het bijhouden van een poëzie-album leuk.

  • Kinderen verzamelen graag dingen.

  • Kinderen scheppen er genoegen in een dof zilveren lepel glanzend te poetsen.

  • Kinderen zijn gek op verkleedpartijen.

  • Kinderen hebben voorkeur voor bepaalde kleren.

  • Kinderen houden van dieren.



Kunstenaar op school


Een kunstenaar kan ook iets zelf komen vertellen in de groep. De groep kan dit gesprek voorbereiden door vragen te formuleren aan de hand van werk van die kunstenaar dat in de groep aanwezig is of waarvan hij foto’s gegeven heeft. Bijvoorbeeld:

  • Hoe ontstond een bepaald idee? (Zomaar ineens, was er iets gebeurd, was het een logisch vervolg op dingen die hij daarvoor maakte.)

  • Hoe kwam het werk daarna tot stand?

  • Hoeveel tijd is er aan gewerkt?

  • Wat gebeurde er met het werk toen het klaar was? (Bijvoorbeeld opgeborgen in een map, ingelijst en naar een museum gebracht voor een tentoonstelling, in een park geplaatst, verkocht aan een verzamelaar, vernietigd.)

  • Wat heeft het gebruikte materiaal gekost?

  • Voor welke techniek, materiaal en gereedschap geeft hij de voorkeur bij het uitwerken van zijn ideeën en waarom?

  • Wat voor opleiding heeft hij?

  • Hoe ziet zijn werkruimte er uit?

  • Hoe vinden zijn eigen kinderen zijn werk?

De kinderen kunnen ook naar een tentoonstelling geweest zijn en dan vragen opstellen die ze hem toesturen. Er zijn kunstenaars die graag over zichzelf en hun werk vertellen, maar er zijn er ook die het niet willen of niet kunnen. Sommigen zeggen: mijn werk spreekt voor zichzelf, want als ik het uit moet leggen had ik beter een ander beroep moeten kiezen. Maak wel tevoren duidelijke afspraken met de kunstenaar.


Museumbezoek


Het museum is een onderwijsmiddel. Onderricht in biologie, geschiedenis, beeldbeschouwing enzovoort wordt levendiger wanneer het niet alleen uit een boekje gebeurt, maar tevens met echte voorwerpen wordt ondersteund. Bovendien begrijp en onthoud je iets beter wanneer je het ook gezien hebt.

Wanneer er plannen bestaan om een museum te bezoeken, probeer het dan goed voor te bereiden door een antwoord te vinden op de volgende vragen en raadpleeg daarna ook het museum.



  • Wat is de reden van het bezoek?

  • Wat is het doel van het bezoek?

  • Welk museum kan het best worden bezocht?

  • Wat moeten de leerlingen weten om het aangebodene te kunnen begrijpen en verwerken?

  • Op welke manier kan het bezoek het best in de groep worden voorbereid?

  • Heeft het museum een educatieve dienst die je bij inhoudelijke en organisatorische kanten kan adviseren?

  • Informeer bij het regionale centrum voor kunstzinnige vorming of ze programma’s hebben die gericht zijn op museumbezoek.

  • Heeft het museum een cd-rom van de eigen collectie en een website?

  • Indien je de leerlingen in het museum niet zelf begeleidt, wie verzorgt dan deze begeleiding? Misschien kunnen ouders meehelpen?

  • Is er een geschikt formulier met vragen en opdrachten.

  • Past het tijdstip van het museum bezoek in het schoolprogramma.

  • Hoe wordt het vervoer geregeld en wat zijn de kosten?

  • Op welke manier kan het bezoek in de klas worden uitgewerkt, geëvalueerd?



Boeken, cd-rom’s en het Internet


Er is voor kinderen in de basisschoolleeftijd een grote hoeveelheid literatuur over kunst en kunstenaars. Er zijn zelfs complete naslagwerken speciaal voor kinderen.

Cd-rom’s met kunst zijn over het algemeen niet voor het onderwijs gemaakt maar kunnen heel goed als onderwijsmiddel gebruikt worden, net als reproducties.





1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina