Beeldonderwijs en didactiek



Dovnload 428.05 Kb.
Pagina9/18
Datum22.07.2016
Grootte428.05 Kb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   18

Hoofdstuk 5

Evaluatie

Introductie


Op een gegeven moment wil je weten wat de kinderen geleerd hebben en of ze wel iets geleerd hebben. Als je probeert dat te weten te komen zoek je naar het effect van je onderwijs, waarbij je de vraag: Hoe komt dat…? niet uit de weg kunt gaan

  1. Het beoordelen van beeldend werk van leerlingen.

  2. Het beoordelen van hoe die werkstukken tot stand kwamen.

  3. Het beoordelen van kijkgedrag van kinderen.

  4. Het beoordelen van de docent.



Evalueren: hoe en wat


Objectief te constateren leereffecten zijn er ook bij beeldonderwijs, maar het aanwijzen daarvan vraagt veel inzicht en vooral veel ervaring van de beoordelaar. Bij het evalueren van een werkstuk kun je drie niveau’s onderscheiden.

  • De docent geeft een cijfer voor het werkstuk. Dat is moeilijk, maar niemand (ook hijzelf vaak) weet dan nog wat dat cijfer precies betekent.

  • Een cijfer vaststellen op grond van een (gefundeerd, maar subjectief) oordeel over een werkstuk is wel moeilijk. Als je goed op de hoogte ben van hoe het beeldend vermogen van kinderen zich ontwikkelt en je kunt ook doelen erbij betrekken die je bij het maken van dat werkstuk formuleerde, kom je een heel eind en kun je het zeker met jezelf eens worden.

  • Zo’n oordeel motiveren, aan anderen duidelijk maken, is het moeilijkste. Als je daar toe instaat bent, heb je het evalueren onder de knie.

Het gaat er bij beeldonderwijs niet om fraaie beelden te laten maken maar dat ze hun



  1. beeldend vermogen ontwikkelen,

  2. bewust leren vormgeven en

  3. vaardig worden in het beoordelen van beelden van anderen.

Zo kunnen we ook nog andere doelen noemen:



  1. Het gaat erom dat kinderen de beeldtaal leren gebruiken.

  2. Dat ze hun waarneming verscherpen.

  3. Dat ze hun esthetisch oordelen versterken.

De taak van de docent is:



  1. Probleemoplossend handelen bij kinderen ontwikkelen.

  2. Culturele verworvenheden overdragen.

Bij het beeldonderwijs gaat het daarom vooral om het evalueren van de processen. Je zult aandacht moeten besteden aan hoe leerlingen met beelden omgaan, aan de wijze waarop leerlingen beeldende problemen aan pakken en oplossen. In de kerndoelen van het basisonderwijs wordt aan beschouwing een grote plaats toegekend.

Bij het evalueren gaan we uit van doelen. We proberen die doelen zo zorgvuldig mogelijk te om schrijven. Veel doelen zijn in het geheel niet meetbaar. Er zijn vaak geen instrumenten (toetsen) ontwikkeld waarmee je kunt aantonen dat een beoogd doel bereikt is. Doelen die niet meetbaar zijn kun je wel bespreken. Bespreken en becijferen horen bij elkaar. Bij het bespreken van een kunstwerk en het beoordelen ervan kun je niet alleen afgaan op het product maar zul je ook kennis moeten vergaren over wat een kunstenaar bedoelde, in welke cultuur hij leefde, hoe hij het gemaakt heeft. Het komt er dus op neer kritisch te kijken, te bespreken en te beoordelen. Reflecteren is een vorm van evalueren, en omgekeerd.





vaardigheden en gedrag

Product





van de

docent


van de

leerling


van de

leerling

Bespreken










Beoordelen










Becijferen










Ofschoon in dit schema alle onderdelen netjes naast elkaar staan en in de tekst apart worden uitgewerkt, wil dat nog niet zeggen dat alles vooral gescheiden moet gebeuren. In de praktijk zal het één en het ander samen gaan. Het schema is te gebruiken bij het beeldend werken van leerlingen en ook voor beeldbeschouwen.



Activiteit van de docent bespreken

Reflecteren op eigen handelen is onontbeerlijk om inzicht te krijgen in je gedrag en het daardoor te kunnen verbeteren. Het is leerzaam als je dat handelen door leerlingen laat bespreken.




Activiteiten van leerlingen bespreken


De activiteiten van de leerling vormen samen zijn leergedrag. De gestelde doelen vormen doorgaans een goed uitgangspunt voor het nabespreken van het leergedrag, mits ze ook voor de leerlingen duidelijk zijn. Nabespreken kan afzonderlijk, klassikaal, in kleine groepjes of in groepjes onderling.

Door de docent met leerlingen afzonderlijk


Het bespreken van het gedrag van de leerling gebeurt meestal tijdens de les, als ordemaatregel, om een verkeerde aanpak te corrigeren of om die leerling iets te verduidelijken. Als de kinderen vlug klaar zijn moet je een aantal kleine aanvullende opdrachten bij de hand hebben. Die opdrachten maak je gelijk met je lesvoorbereiding. Wie leerlingen wil helpen bij het ontwikkelen van het beeldend vermogen zal zelf toch moeten weten met welke hulp het kind het meeste gebaat is. Meestal is dat: het kind bewust maken, het kind zelf laten ontdekken hoe het beeldend bezig is, en wat het gemaakt heeft, wat het ziet.

Door de docent klassikaal


De hele groep toespreken tijdens de les is soms nodig als ordemaatregel of om iets te verduidelijken dat een groot deel van de groep niet begrepen heeft.

Door de leerling


Reflecteren op eigen werk doet de leerling niet alleen aan het einde van de les, maar ook als hij beeldend bezig is.

Door de docent en de leerlingen samen


Dit gebeurt meestal na afloop van de les. Je kunt een activiteit ook onderbreken om een tussentijdse gezamenlijke evaluatie in te lassen in de vorm van een leergesprek.

Door groepjes leerlingen


Dit gebeurt meestal aan het einde van de les of bij het begin van een vervolgles. De leerlingen bevragen elkaar over hun activiteiten met als startvragen: Hoe heb je het gemaakt? Waarom heb je het zo gemaakt?


1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina