Beestig natuurpad



Dovnload 92.67 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte92.67 Kb.


Beestig natuurpad

LEIDRAAD

Lees dit bundeltje aandachtig vóór de wandeling (blz. 4 tot 15)

Materiaaldozen


Kijk even na of alle materialen aanwezig zijn vóór de wandeling (blz. 2 en 3)



Doelgroep


Kleuters (vanaf 3 tot 6 jaar)



Periode

Half april tot half oktober

Duur van de activiteit


2 uur


Materiaal voor

de begeleider

Leidraad


Per dier een materiaaldoos met handpop, draaiboek met foto’s, een kaart met opdrachten en spelletjes.

Kledij

Aangepaste kledij

Route en stopplaatsen


Zelf te bepalen, liefst in een tuin. Indien mogelijk, hou dan rekening met de natuurlijke habitat van het diertje (handpop).

Voorbeelden van habitat:

Vijvertje = Kikker

Molshoop = mol

Houtstapel = egel

Composthoop = regenworm

Weide = konijn

Struik = slak, lieveheersbeestje

Spinnenweb = spin



Verloop

Voor je met de kinderen op stap gaat, zet je de handpoppen uit op verschillende plaatsen in de tuin (zie habitat hierboven).

De materiaaldozen zet je in de buurt van de handpoppen.

De plastiek tunnel in de buurt van de regenworm.

Eén handpop (de groene, gele, roze en blauwe vogel) hou je apart. Deze handpop kan gebruikt worden bij de inleiding en tijdens de wandeling als “rode draad diertje” om van het ene diertje naar het andere te gaan en ook bij het afscheid. Dit is echter niet noodzakelijk.

Een voorbeeld hoe je de “vogel” kan gebruiken:

Felix speelt verstoppertje met zijn vrienden. De vriendjes van Felix zijn dieren die in de tuin wonen: konijn, kikker, spin, mol, slak, egel, regenworm en lieveheersbeestje. Enkele dieren kan je aantreffen (slak, kikker, spin, regenworm, lieveheersbeestje), van de andere dieren vind je zeker sporen (mol, egel, konijn). De kleuters ontdekken op een speelse manier de leefwijze en typische kenmerken van deze dieren.





Materiaaldoos Prik, de Egel:


  • Handpop

  • Draaiboek met foto’s

  • Spelletjeskaart

  • Bord

  • Potjes met geuren (4)

  • Kaartjes met afbeeldingen van de verschillende geuren (4)

  • Wimpel


Materiaaldoos Kwaak, de Kikker:


  • Handpop

  • Draaiboek met foto’s

  • Spelletjeskaart

  • 10 Roltongen

  • 5 spiegeltjes

  • Kikkerogen

  • Snavel van een reiger

  • 6 Tekeningen

  • Touw


Materiaaldoos Stip, het Lieveheersbeestje:


  • Handpop

  • Draaiboek met foto’s

  • Spelletjeskaart

  • Memoryspel (12 x 2)

  • Boekje ‘natuur in de kijker’


Materiaaldoos Wroet, de Mol:


  • Handpop

  • Draaiboek met foto’s

  • Spelletjeskaart

  • 10 Blinddoeken

  • Touw

  • Voelzak: dennenappel, steen, veer, takje

  • Tuinschopje

  • Dobbelsteen

  • Geplastificeerde prenten: verhaal van Werner Holzwarth/Wolf Erobruch

“Over een kleine mol die wil weten wie er op zij kop gepoept heeft”

Uitgeverij C. De Vries-Brouwers b.v.b.a./Antwerpen/Rotterdam
Materiaaldoos Nijntje, het Konijn:


  • Handpop

  • Draaiboek met foto’s

  • Spelletjeskaart

  • Magneetbord met afbeelding van konijn zonder staart

  • Staartje met magneet

  • Blinddoek

  • 25 geluidsdoosjes


Materiaaldoos Pier, de Regenworm:


  • Handpop

  • Draaiboek met foto’s

  • Spelletjeskaart

  • Keien

  • 3 Schopjes

  • 5 loepenpotjes

  • Schuurpapier

  • Zaklamp

  • Kruiptunnel


Materiaaldoos Sloompje, de Slak:


  • Handpop

  • Draaiboek met foto’s

  • Spelletjeskaart

  • Plexiglas

  • Pingpongballetjes

  • Ritmestokjes

  • Bal belletjes


Materiaaldoos Kriebel, de spin:


  • Handpop

  • Draaiboek met foto’s

  • Spelletjeskaart

  • Plantenspuit

  • 5 loepenpotjes

  • Kaarten met afbeeldingen van spin, mug, vlieg, bij

  • Bol touw

  • Boek: Carle E., “De spin die het te druk had”, Gottmer.




Prik, de egel


FOTO1

Versje:

Pak me dan, als je kan

Niemand pakt mijn stekels (a)an

Kijk ik rol tot een bol

Stekels hier stekels daar

Ik sta vol!
FOTO 2: De egel heeft op zijn rug veel stekels. Op zijn buik staan de haartjes dicht bij elkaar. Hij heeft een piepklein staartje dat verstopt zit onder zijn stekels. Prik is heel blij met zijn stekels. Zo gauw hij onraad ruikt of bang wordt, rolt hij zich op tot een bal. Hij zet zijn stekels recht. Een vos of een hond kan hem zo moeilijk pakken. Die stekels prikken…
FOTO 3: De egel is een echte acrobaat. Hij klimt over een muurtje of hij maakt zich plat om onder een poort te kruipen. Hij kan goed zwemmen, goed horen en scherp ruiken. Maar met zijn zwarte bolle oogjes ziet hij slecht. Door geuren op te snuiven vindt hij zijn voedsel. Als je ‘s avonds in de tuin wandelt, kan je hem horen snuffelen en snuiven.
FOTO 4: Prik komt pas ‘s avonds uit zijn schuilplaats. Als het donker wordt, gaat hij op zoek naar eten. Hij eet de hele nacht door. Hij lust slakken, pissebedden, rupsen, kevers, regenwormen, spinnen, bijen, wespen, paddenstoelen, bessen en fruit, soms wel een dood diertje. Hij snuift, piept en knort als hij tussen de bladeren rondscharrelt met zijn snuit in de grond. Prik smakt heel luid tijdens het eten.
FOTO 5: In de winter vindt hij niet veel eten. Hij slaapt de hele winter op een veilig en warm plekje onder een haag of een stapel bladeren of hout.
FOTO 6: In de lente wordt de egel wakker. Dan wordt het tijd om voor de kleintjes te zorgen.
(ZONDER FOTO): Vaak zie je een egel op straat platgereden door een auto.

Dat komt omdat de egel bij gevaar niet wegloopt, maar zich oprolt tot een bolletje.



Spelletjes:

  • Een Ontbijt voor Prik:

De kleuters zoeken voedsel voor Prik de egel (slakken, regenwormen, pissebedden, fruit, spinnen, kevers, rupsen) en leggen die op de plastic borden.

Materiaal: 2 plastic bordjes


  • Oprollende Egel:

Één kleuter is de vos en krijgt een rode wimpel omgegord. De andere kleuters zijn egels. De egels lopen van de houtstapel naar de eerstvolgende boom. De vos probeert de egels te tikken, maar die verdedigen zich door zich tot een bolletje op te rollen. Wie gehurkt zit met zijn hoofd op de knieën, kan niet worden getikt. De egels die door de vos zijn getikt, zitten aan de kant. Wie bereikt veilig de overkant?

Materiaal: 1 rode wimpel



  • Wie heeft een egelneus:

De egel kan goed geurtjes opsporen. De begeleider geeft een geurpotje aan een kleuter en deze probeert de bijpassende foto te zoeken. Ze vertellen wat ze ruiken.

Materiaal: geurpotjes en kaartjes


Kwaak, de kikker


FOTO 1

Versje:

Kwaak, kwaak, mijn naam is Kwaak

Met mijn grote kikkerpoten

Spring ik rond in alle sloten

Kwaak, kwaak, ik kwaak maar raak

Daarom hoor je vaak: ‘Kwaak’
FOTO 2: Kwaak voelt zich heerlijk in het water. Hij verstopt zich graag tussen het kroos. Je moet heel goed kijken om hem te zien. Alleen zijn ogen zitten boven het water.
FOTO 3: Kwaak heeft grote gouden ogen bovenop zijn kop. Hij kan zien wat er achter hem gebeurt. Kan jij dat ook? Probeer eens met een spiegeltje…

Weet je waar zijn oren zitten? Het zijn de cirkeltjes achter zijn ogen.


FOTO 4: Met zijn lange, sterke achterpoten kan hij heel ver en hoog springen. Zijn voorpoten zijn kort. Ze dienen om te steunen. Kwaak loopt niet, hij springt. Hij kan wel een meter ver springen. Dat is héél ver voor zo’n klein diertje.

Hoe ver kunnen jullie springen? (in de doos zit er een touw van 1 m om de afstand te vergelijken. Vergelijk ook de grootte van de kinderen met de grootte van de kikker)
FOTO 5: Hij kan niet alleen goed springen. Hij is ook een zwemkampioen. Kijk maar eens naar zijn zwemvliezen. Tijdens het zwemmen trapt hij hard met zijn achterpoten.
FOTO 6: Allerlei kleine diertjes zoals vliegen, kevertjes, vlinders en wormen vindt Kwaak lekker. Hij heeft een tong die hij kan uitrollen. Wanneer er een beestje voorbij vliegt, steekt hij snel zijn roltong uit. De diertjes blijven kleven en hap, het beestje belandt in de bek van de kikker. (Gebruik een rolfluitje om te tonen hoe de kikker zijn voedsel vangt.)
FOTO 7: De huid van Kwaak is glad en slijmerig. Onder water ademt hij door zijn huid. Boven water gebruikt hij zijn neus.
FOTO 8: Kwaak houdt niet van koud weer. In de winter, wanneer het kouder wordt, zoekt hij een veilig plekje onder de modder om te slapen. Hij slaapt de hele winter door.
FOTO 9: In de lente wordt hij wakker. Dan gaat hij op zoek naar een vriendinnetje. Kwaak kan veel lawaai maken, hij is een echte blaaskaak. Als hij kwaakt, lijken zijn wangen op twee ballonnetjes.

Spelletjes:

  • Achter je Kijken:

Een kikker heeft ogen op zijn kop waarmee hij zelfs kan zien wat er achter hem gebeurt. Kunnen jullie dat ook? Probeer eens met een spiegeltje.

Materiaal: 5 spiegels


  • Springen als een Kikker:

Een kikker kan wel een meter ver springen. Hoe ver kunnen jullie springen? Probeer maar eens. In de doos vind je een touw van één meter om de afstand te vergelijken. Zo zie je meteen of je verder kan springen dan Kwaak.

Materiaal: 1 touw van één meter


  • Rol je Tong uit:

Vang een beestje zoals een kikker dat doet met zijn roltong. Gebruik daarvoor de rolfluitjes.

Materiaal: 10 rolfluitjes

  • Ooievaar en Kikker:

Een kleuter is kikker, een andere ooievaar. De ooievaar staat op een afgesproken plaats. De overige kleuters zitten in een kring en vormen de vijver. Een aangeduide kikker gaat tot bij de ooievaar en daagt hem uit: “Pak me dan als je kan” (in kikkertaal is dat “kwaak, kwaak, kwaak”). Dit is het signaal voor de ooievaar om de kikker te tikken. De kikker loopt zo snel mogelijk naar de veilige vijver (kring met kinderen). Als de kikker door de ooievaar is getikt, gaat hij opzij zitten buiten de kring. Daarna komen een nieuwe kikker en ooievaar aan de beurt.

Materiaal: kikkerogen (diadeem) – snavel ooievaar


  • Van Zwemmer tot Springer:

Leg samen met de kleuters de foto’s in de juiste volgorde.

Materiaal: set van 6 tekeningen:

  1. In de lente worden kikkers wakker. Het mannetje lokt een vrouwtje met veel gekwaak en klimt op haar rug.

  2. Het vrouwtje legt eitjes in het water in een dik pak bijeen, dit noemen we kikkerdril.

  3. Na enkele dagen verschijnen er kleine “visjes” met een dikke kop: kikkervisjes of dikkopjes.

  4. De kikkervisjes krijgen pootjes.

  5. De staart wordt kleiner.

  6. Op het einde van de zomer is het kikkervisje een kikker geworden.




Stip, het lieveheersbeestje


FOTO 1

Versje:

Kevertje, kevertje, kriebelpoot

Mutsje zwart, jasje rood

Hier en daar een nopje

Sprietjes op je kopje

Op mijn hand, op mijn vel

Kriebelpoot dat kriebelt wel !

Hoe zo’n kevertje toch heet

k Ben benieuwd of jij dat weet !


FOTO 2: Het lieveheersbeestje ziet er lief uit. Een mooi rood lijfje met zwarte stippen.

Hij rent over takjes en blaadjes. Maar … het is een rover. Een rover in een gestipte jas.

Het lieveheersbeestje eet bladluizen. Dat zijn kleine beestjes die op planten wonen.

Vaak zijn ze groen of zwart en zitten ze gezellig bij elkaar, tot het lieveheersbeestje langskomt. Dan wordt het spannend. Hij eet wel honderd luizen per dag.


FOTO 3: Stip heeft zeven stippen op zijn rug. Zou hij zeven jaar oud zijn?

Nee hoor, het aantal stippen heeft niets te maken met zijn leeftijd, wel met de soort.



Op de hele wereld zijn er meer dan 5000 verschillende soorten.
FOTO 4: Op zijn rug zitten twee stevige schilden net als bij andere kevers. Zijn vleugeltjes dienen om te vliegen en zitten netjes opgevouwen onder zijn gestippelde jas.
FOTO 5: Het lieveheersbeestje klimt graag. Hij klimt steeds hoger en hoger. Als hij helemaal boven komt, vliegt hij weg.
FOTO 6: Stip kan niet goed tegen de kou. In de herfst kruipt hij met zijn vriendjes dicht tegen elkaar onder droge bladeren of in een hoekje van een muur.
FOTO 7: Stip heeft verschillende trucjes om niet opgegeten te worden door andere dieren. Bij gevaar gaat hij meteen op zijn rug liggen en doet hij alsof hij dood is. Sommige vogels willen hem dan niet meer opeten.
FOTO 8: Als je een lieveheersbeestje op je hand zet, plast hij een geel druppeltje. Het ruikt heel vies. Zo wil hij je wegjagen. Lukt het? Bij de merel wel, want dat druppeltje smaakt bitter. Zo’n viespeuk lusten de merels niet. Zijn felle kleuren waarschuwen andere dieren dat hij niet lekker smaakt.

Spelletjes:

  • Een Leuke Familie:

Er bestaan heel veel soorten lieveheersbeestjes, allemaal met een andere tekening. Vind je de tweelingen terug? Memory: leg de kaartjes omgekeerd op de grond en zoek telkens de twee gelijke kevertjes. Wie vindt de meeste tweelingen?

Materiaal: set memorykaartjes


Wroet, de mol


FOTO 1

Versje:

Ik heb een zwarte fluwelen jas

En maak hoopjes in het gras

Ik kruip vlug in mijn holletje

Ik ben Wroet het … (molletje)

FOTO 2: Wroet heeft een zachte, zwarte pels. Zijn piepkleine oogjes liggen diep in zijn vacht verborgen, zo komt er geen zand in. Hij ziet heel slecht, maar dat hoeft ook niet, want onder de grond is het donker. Wroet heeft geen oorschelpen, zijn oren zitten onder zijn pels. Hij heeft een lange snuit, net een kleine slurf, waarmee hij goed kan voelen. Hij graaft gangen onder de grond, daarom heeft hij poten als schopjes.
FOTO 3: Deze hoopjes aarde op het gras zijn het werk van Wroet de mol. We krijgen hem niet vaak te zien. Wroet blijft liefst onder de grond.
FOTO 4: Met zijn graafpoten kan hij zich snel verplaatsen onder de grond. Hij graaft een heleboel gangen. Hij loopt nooit verloren in zijn ondergrondse doolhof. Hij kan zowel vooruit als achteruit in zijn gangen lopen. Wroet heeft ook een slaap- en eetkamer onder de grond.
FOTO 5: Als hij vlak onder de oppervlakte graaft, duwt hij de grond omhoog. Zo maakt hij de molshopen.
FOTO 6: Regenwormen zijn het lievelingsgerecht van de mol. Slakken en larven van insecten lust hij ook wel. Hij vindt de wormen omdat hij heel goed kan ruiken en voelen. Dat doet hij met de snorharen op zijn snuit.
FOTO 7: Wroet de mol voelt zich veiliger onder de grond. Boven de grond leven dieren die wel een zacht molletje lusten. Reigers eten niet alleen vissen en kikkers, maar ook mollen. Er zijn ook mensen die het niet leuk vinden als een mol op bezoek komt in hun tuin.

Spelletjes:

  • Graaf als een Mol:

Schuif voorzichtig met een tuinschopje de aarde weg van een molshoop. Zie je een holletje? Doe eens een gravend molletje na en beweeg je handen als kleine schopjes links en rechts. Kan jij ook achteruit lopen zoals een mol dat kan?

Materiaal: tuinschopje


  • Verhaal: Over een Kleine Mol die Wil Weten Wie er op Zijn Kop Gepoept Heeft:

Laat de kinderen in een kring zitten rond de molshopen en vertel het verhaal aan de hand van het gelijknamige prentenboek.

Materiaal: prentenboek “Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft”


  • Voelspel:

De mol kan niet goed zien, maar wel goed voelen. Gooi met een dobbelsteen, kijk naar het bovenvlak van de dobbelsteen (veer, takje, steen, dennenappel, eikel, blaadje) en haal uit de voelzak het voorwerp (zonder te kijken!) dat op de dobbelsteen staat. Materiaal: 1 dobbelsteen – voelzak met voorwerpen


  • Blinddoekspel:

Wroet de mol kan niet goed zien. Toch vindt hij steeds zijn weg. De kleuters volgen geblinddoekt een parcours via een touw. Dat touw bind je vast tussen enkele bomen, liefst op “kleuterhoogte”. Als de kleuters het einde van het touw hebben bereikt, nemen ze hun blinddoek af. Even opletten voor onstuimige kleuters die “blindelings” tegen een boom kunnen botsen.

Materiaal: 10 blinddoeken – 1 touw


Nijn, het konijn


FOTO 1

Versje:

Ik ben Nijntje het konijntje

Ik heb twee oren om te horen

En die oren op mijn kop

Liggen plat of staan rechtop
FOTO 2: Konijnen graven met hun poten een heleboel gangen om in te wonen en zich te verstoppen. Misschien vind je holen in de berm. Soms maken ze hun holletjes terug dicht zodat je ze moeilijk kan vinden.

Nijntje is nooit alleen. Hij leeft samen met heel zijn familie. Overdag zitten ze meestal onder de grond in een hol. Tegen de avond en heel vroeg in de morgen komen ze naar buiten.


FOTO 3: Nijntje komt uit zijn holletje. Hij kijkt even rond en snuffelt. Ruikt hij geen onraad? Wanneer het veilig is, kan hij naar buiten. Het neusje van het konijntje staat nooit stil, het snuffelt voortdurend. Met zijn neus kan hij heel goed ruiken. Kunnen jullie ook snuffelen zoals Nijntje?
FOTO 4: Nijntje is dol op malse blaadjes, de harde steeltjes eet hij als laatste op. Hij eet vooral gras, klaver, blaadjes van de paardenbloemen en soms ook schors van bomen. De tanden van Nijntje zijn sterk en scherp, zo kan hij goed knagen.
FOTO 5: Nijntje doet soms rare dingen. Hij eet zijn eigen keuteltjes op als ze nog groen en zacht zijn. De harde keuteltjes vindt hij niet meer lekker. Hij laat ze netjes bij elkaar op dezelfde plaats achter. Het lijkt wel een ‘konijnentoilet’. Zijn er konijnenkeutels in de buurt? Zijn ze hard of zacht?
FOTO 6: Nijntje kan heel goed horen. Zodra hij geluid hoort, spits hij zijn lange oren. Hoort hij gevaar, dan trommelt hij met zijn achterpoot hard op de grond. Zo weten zijn broertjes en zusjes dat ze zich moeten verstoppen. Ze vluchten snel hun hol binnen. Konijntjes moeten goed oppassen voor jagers, roofdieren en vossen. Gelukkig hebben ze stevige achterpoten waarmee ze snel kunnen wegspringen

Spelletjes:

  • Waar is Mijn Staartje?

Konijntjes hebben een klein wit wipstaartje. Maak een halve kring voor het bord. Wanneer je goed kijkt, zie je dat het konijntje zijn staartje verloren is. Een kleuter krijgt het staartje van het konijn en probeert die geblinddoekt zo juist mogelijk op het konijn te hangen.

Materiaal:

    • magneetbord met afbeelding van konijn zonder staart

    • staartje met magneet

    • blinddoek




  • Wat Hoor Ik?

Konijntjes kunnen heel goed horen. De kleuters nemen een geluidsdoosje. Ze schudden met hun doosje en luisteren aandachtig naar het geluid. In de groep zijn er nog kinderen met hetzelfde geluidsdoosje. Probeer elkaar te vinden en maak een groepje. Elk groepje schudt afzonderlijk met de doosjes. De andere groepjes luisteren aandachtig naar een eventuele valse noot. Controle: de doosjes met hetzelfde geluid hebben hetzelfde stickertje aan de onderkant.

Materiaal: 25 geluiddoosjes (5 zand, 5 steentjes, 5 houten stokjes, 5 water en 5 belletjes)


Pier, de regenworm


FOTO 1

Versje:

Ik kan niet zien en niet horen

Ik heb geen ogen en geen oren

Ik heb geen poten aan mijn lijfje

Ik ben een mannetje en een wijfje

Ik heb een lange kronkelvorm

Ik ben Pier de…(regenworm)
FOTO 2: We zoeken Pier de regenworm… Draai eens een blok hout of een steen om, de kans is groot dat er een regenworm onder zit. In elke tuin vind je regenwormen. Het is een lang kronkelend diertje. De regenworm glibbert op je hand. Hij kriebelt en kronkelt. Hij doet niemand kwaad. Pier, de regenworm prikt niet, bijt niet, stinkt niet. Hij zit het liefst onder de grond.
FOTO 3: Pier is een hulpje voor de tuinman. Hij maakt kleine gangetjes in de aarde. Hierdoor kan er meer lucht en water tot bij de wortels van de planten komen waardoor de planten beter groeien. Hij helpt bij het opruimen van dode blaadjes en planten. Zo doet hij de tuinman een plezier.
FOTO 4: Pier de regenworm is glibberig, want er zit slijm op zijn lijf. Dit slijm beschermt zijn dunne vel. Het is zo dun dat je er dwars doorheen kan kijken. Een worm heeft geen pootjes. Hij heeft heel veel kleine ringetjes die dikker en dunner worden. Hij maakt zich korter en langer. Zo kruipt hij voort. Op zijn buik heeft hij harde haartjes, net borsteltjes. Hij kan er zich mee vasthouden in de aarde, zo glijdt hij niet uit. Laat hem eens op het schuurpapiertje kruipen en luister goed. Wrijf over zijn buik. Voel je de haartjes? Met een loep kun je ze zien.
FOTO 5: Pier kruipt in de grond, eet een hapje aarde en nog een hapje en nog een en weer een… al die hapjes slikt hij door. Zo graaft hij gangetjes. Wormen willen geen zon en geen licht. Ze gaan er dood van daarom zie je overdag niet vaak wormen. De worm heeft geen ogen en geen oren, maar toch loopt hij nooit verloren. Hij voelt licht en donker met zijn vel. Schijn eens met een zaklamp op de worm… floep, hij kruipt snel weg!
FOTO 6: Als je goed kijkt, heeft Pier een speciale ring. Deze ring noemen we “het zadel”. Het zadel heeft hij nodig om eitjes te leggen. Elke worm kan eitjes leggen, want ze zijn mannetje en vrouwtje tegelijk. Eerst gaan ze dicht tegen elkaar languit op de grond liggen. De kop van de een bij de staart van de ander. Ze plakken met hun lijfjes aan elkaar en zo blijven ze urenlang liggen.
FOTO 7: Overal loert gevaar… vele dieren zijn gek op zo’n mals stukje vlees. Beneden in de grond sluipt de mol…
FOTO 8: … En boven wacht de merel. Die heeft een trucje om de regenworm naar boven te krijgen. Hij trappelt met zijn poten op de grond, zo doet hij het tikken van de regendruppels na. De worm kruipt snel naar boven wanneer hij de grond voelt trillen. De merel ziet de worm en pikt. De worm zet zijn haartjes uit en houdt zich vast aan de grond. De merel trekt, de worm trekt…
FOTO 9: Wormen houden van regen, maar niet teveel. Dan lopen zijn gangen vol. De regenworm kruipt dan snel naar omhoog, anders verdrinkt hij. Daarom zie je veel regenwormen na een stevige regenbui. Vandaar zijn naam. Neem een grote kei en leg die op de grond. Pak nu een kleine kei en klop daarmee op de grote kei. Zo maak je trillingen in de grond. Lukt dit trucje?

Spelletjes

  • Nabootsingspel:

Kruipen zoals Pier de regenworm. Pier kruipt vooruit door zich eerst kort te maken en zich daarna uit te rekken. De kleuters kruipen om beurt door de tunnel. Ze proberen de bewegingen van de worm na te bootsen.

Materiaal: kruiptunnel


Sloompje, de slak


FOTO 1

Versje:

Ik ben een slak,

Slakke, slakke, slak

Ik schuifel rond

Mijn buik sleept op de grond
Ik – ben – niet – vlug

Ik hoef nooit terug

Want slakke, slakke slak

Mijn huis zit op mijn rug
FOTO 2: Slakken vinden blaadjes lekker. Zoek blaadjes met gaatjes. Misschien vind je wel een slakje. Sloompje heeft een huisje, ze is een huisjesslak.
FOTO 3: Er zijn ook slakken zonder huisjes; zij kruipen naakt rond, dit noemen we naaktslakken.
FOTO 4: De huisjesslak is altijd thuis. Haar huisje groeit mee. Neem voorzichtig het slakje op en zet het op het plexiglas. Wacht tot het slakje helemaal uit haar huisje komt. Wat gebeurt er? Kan je zien waar ze gekropen heeft? Sloompje heeft geen poten, maar één voet. Die is wel heel sterk. De slak is glibberig. Het slijm onder de voet zorgt ervoor dat ze gemakkelijk vooruit glijdt. Overal waar ze komt, laat ze een slijmspoor achter.
FOTO 5: Sloopje houdt van vochtige plekjes. Als het regent, vindt zij het heerlijk buiten. De voet glijdt gemakkelijker wanneer het vochtig is.
FOTO 6: Bij warm of te koud weer trekt zij zich terug in haar huisje en sluit het deurtje met een laagje slijm. Zij kan heel lang in haar huisje blijven zonder te eten. Lopen zonder poten gaat natuurlijk niet vlug. Bij gevaar is zo’n huisje wel handig.
FOTO 7: Wanneer de slak uit haar huisje komt, steekt ze voorzichtig haar voelhoorntjes uit. Met de voelhoorntjes kan zij heel goed ruiken, zo vindt zij lekkere plantjes om van te smullen. De ogen staan op de langste steeltjes. Wanneer je goed kijkt, zie je zwarte puntjes. Ze kan niet zo goed zien. Ze kan alleen licht en donker van elkaar onderscheiden.
FOTO 8: Sloompje heeft honger, ze eet van de malse blaadjes. Zij heeft een ruwe tong, daarmee kan ze stukjes van de bladeren scheuren om op te eten.
FOTO 9: Slakken moeten goed oppassen voor egels, mollen en vogels. Zelfs wanneer ze in haar huisje zit, is de slak niet veilig voor de lijster. Ze slaat het slakkenhuisje stuk op een steen. Zo kan ze gemakkelijk het slakje pakken.

Spelletjes:

  • Slak, Kom uit je Huisje:

Sloompje de slak vindt het fijn in de regen. Wanneer de zon schijnt, kruipt zij in haar huisje. De kinderen krijgen 2 pingpongballetjes, 1 in elke hand (= ogen op steeltjes). De kleuters spelen slak, ze slapen in hun huisje (ze zitten gehurkt, hoofd en armen ingetrokken). De slakken horen de regen (ritmestokjes) en worden wakker. Ze kruipen traag vooruit. Ze kijken rond (armen omhoog) en gaan op zoek naar een lekker hapje. Wanneer de zon schijnt (belletjes) kruipen de “slakken” terug in hun huisje (armen ingetrokken).

Materiaal: pingpongballetjes, ritmestokjes en belletjes


Kriebel, de spin


FOTO 1

Versje:

Spin spin spinnen maar

Draadje hier en draadje daar

Knoop de eindjes aan elkaar

t Spinnenweb is klaar


FOTO2: Kriebel, de spin durft niet goed uit haar schuilplaats komen. Ze is bang van de kinderen die gillen. Veel mensen zijn bang voor haar. Meestal gillen ze als ze haar zien, sommigen willen haar wel plat trappen. Toch is het een nuttig dier. Ze zorgt ervoor dat er niet teveel vliegen, muggen en andere insecten zijn.
FOTO 3: Kriebel de spin kan spinnen, ze kan draden maken. Ze trekt die draden uit haar achterlijf.
FOTO 4: Waarom heeft ze deze draden nodig? Met de draden maakt ze een web. Het is een val voor vliegende insecten. Het web van Kriebel is klaar. Ze verstopt zich aan de rand van het web. Ze wacht tot er wat eten in het web vliegt. Het lekkere hapje blijft in het web kleven. De draden bewegen en dat voelt de spin. Ze rent naar de prooi en bijt erin. Nu kan de prooi niet meer bewegen. Ze wikkelt haar hapje in een kleefdraad. Nu kan ze rustig eten.
FOTO 5: In de tuin zie je allerlei webben. Zoek een spinnenweb. Heb je er één gevonden? Spuit wat water met de plantenspuit op het web, dan kan je het beter zien. Lijkt het web op een wiel, een hangmat of is het een wirwar van draden? Raak heel voorzichtig het web even aan. Hoe voelt het? (kleverig) Hoe komt het dat Kriebel de spin niet in haar web blijft kleven? De spin maakt droge en kleverige draden. Wanneer ze zich in haar web verplaatst, houdt ze alleen de droge draden vast. Bovendien heeft ze olie op haar pootjes waardoor ze niet blijft kleven. Het web dient niet alleen om insecten te vangen, het is ook het huis van Kriebel. Als het web stuk is, weeft ze vlug een nieuw web.
FOTO 6: Zie je de spin? Probeer een spin in een loepenpotje te vangen om ze te bekijken. Hoe ziet ze eruit? Kan je het aantal poten tellen? De spin heeft 8 poten. Wanneer je met een loep kijkt, zie je dat ze harige poten heeft. De meeste spinnen hebben ook 8 ogen. Ze kunnen helemaal niet goed zien. Daarom weven ze een web om voedsel te vangen. Ze hebben een kop en een lijf en gifkaken waarmee ze hun prooi kunnen verlammen.
FOTO 7: Op het achterlijf van deze spinnen zitten witte vlekken. Vaak vormen die vlekken samen een kruis. Weet je welke soort spin dit is?

Spelletjes:

  • Tikspel “Een Lekker Hapje Spin”:

Maak een kring met de spin (kleuter) in het midden. De andere kleuters zijn insecten (voedsel). Ze krijgen een identiteitskaartje met een tekening van een insect op (vlieg, mug of bij). Wanneer de spin roept “ik eet vliegen”, dan wisselen alle vliegen van plaats. De spin probeert er een te pakken. Lukt dit, dan wordt de gevangene de spin en de spin de prooi.

Materiaal: kaarten met afbeeldingen van spin, bij, vlieg en mug


  • Bewegingsspel “Pas op voor de Draden”:

Er wordt een web gespannen met draden tussen de bomen. De kinderen proberen zich te verplaatsen in het web zonder de draden te raken. De draden van het web zijn kleverig. Wie een draad raakt blijft plakken en gaat zitten.

Materiaal: touw om draden te spannen


  • Verhaal: De Spin die het te Druk Had:

Materiaal: voorleesboek

Bewerking Beestig Natuurpad NMEC ‘De Helix’ voor BC De palingbeek 31/07/08





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina