Begrippenlijst havo deel 1 en 2 H1 Biologie overal



Dovnload 380.17 Kb.
Pagina1/6
Datum21.08.2016
Grootte380.17 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Begrippenlijst HAVO deel 1 en 2




H1 Biologie overal





abiotische factoren

invloeden van de levenloze natuur op organismen; bijvoorbeeld: temperatuur, zuurgraad, wind, water, licht, zout en andere mineralen

20

biotische factoren

invloeden van organismen op andere organismen; bijvoorbeeld: konijnen beïnvloeden de groei van gras door het op te eten

20

cytostatica

stoffen die de celdeling afremmen; worden gebruikt in medicijnen tegen kanker

32

determineersleutel

een schema waarin de kenmerken van verschillende geslachten en soorten zo zijn geordend dat je via het beantwoorden van vragen bij de juiste soortnaam terecht komt

41

determineren

het op naam brengen van een organisme met behulp van zoekkaarten of determineer -sleutels of schema’s

40

ecosysteem

een netwerk van relaties tussen organismen onderling en tussen die organismen en de levenloze natuur; een ruimtelijke eenheid bepaald door plaatselijke omstandigheden

20, 23

geslacht

eenheid van indeling die een stapje groter is dan de soort: individuen binnen hetzelfde geslacht, maar van verschillende soort krijgen geen vruchtbare nakomelingen

27

kruisen

seksuele voortplanting tussen geselecteerde ouders met als doel het verkrijgen van een bepaald type nakomelingen

37

levenskenmerken

kenmerken die alle organismen gemeenschappelijk hebben; bijvoorbeeld: het vermogen tot voortplanting

24

milieu

omgeving waarin een organisme leeft, bestaat uit zowel abiotische als biotische factoren

20

milieuonderzoek

biologisch onderzoek op het niveau van ecosystemen

32

organisatieniveau

schaal waarop levensprocessen plaatsvinden; voorbeeld: celniveau, populatieniveau, biosfeer niveau

30

populatie

alle organismen van eenzelfde soort binnen een bepaald gebied

25

relatie

de manier waarop organismen elkaar onderling beïnvloeden of de manier waarop de levenloze natuur invloed uitoefent op een organisme

20

rijk

grootste eenheid binnen de indeling van organismen; er zijn vier rijken: planten, dieren, schimmels en bacteriën; virussen vallen hierbuiten want ze bestaan niet uit één of meer cellen

27

soort

uitgangspunt van de indeling van organismen; organismen binnen één soort kunnen kruisen en vruchtbare nakomelingen krijgen

24

soortenrijkdom (diversiteit)

aantal soorten binnen een aangegeven gebied

20

veredelen

het kweken of fokken van nieuwe rassen door middel van kruisen

37

wetenschappelijke naam

de systematisch opgebouwde, Latijnse, naam van een soort(bijvoorbeeld: Felis domestica –huiskat-); bestaat uit een geslachtsnaam (Felis –kat-) en een soortaanduiding (domestica –‘huiselijk’)

26



H2 Biologie bedrijven





actief transport

transport van moleculen waarbij energie verbruikt wordt, bijvoorbeeld een transport tegen de diffusie richting in

59

afhankelijke variabele

de variabele in een experiment waarvan je redelijkerwijze kunt verwachten dat ze een gevolg is van de onafhankelijke variabele; bijvoorbeeld: de toename van het groeigewicht in de tijd, de lengtegroei van tuinkers kiemplantjes bij verschillende doseringen kunstmest.

49,56

beschrijvend onderzoek

onderzoek dat gericht is op het ordenen van bepaalde verschijnselen; bijvoorbeeld: beschrijven van een nieuwe soort, het aantal algen in schoon of vies water

52

celmembraan

het ‘velletje’ van de cel, scheidt het grondplasma met z’n organellen af van de buitenwereld; zie BINAS tabel 81

59

celwand

een bouwsel van cellulose of andere suikers rondom de celmembraan, bij planten, schimmels en bacteriën; zie BINAS tabel 81

60

conclusie

het slot van je onderzoek: kwamen je voorspellingen uit? zo nee, lag het aan je experiment of aan je hypothese?

57

controle experiment

een ‘blanco’ experiment waarmee je het eigenlijke experiment test; bijvoorbeeld: je doet een experiment waarbij je de groei van planten test onder invloed van vloeibare meststoffen; je controle experiment is een groepje planten dat alleen water krijgt

58

diagram

een manier waarop je onderzoeksresultaten presenteert;er zijn onder andere: staaf-, lijn-, sector-, stroomdiagrammen

49

diffusie

verplaatsing van moleculen van een plaats met een hoge concentratie van die moleculen naar plaatsen met een lagere concentratie van dat soort moleculen

59

experiment

een onderzoeksopzet waarbij je een hypothese test;zie ‘hypothese’

56

experimenteel onderzoek

onderzoek dat gericht is op het testen van een hypothese, dit in tegenstelling tot beschrijvend onderzoek; zie ‘hypothese’

52

genoom

de erfelijke eigenschappen van een individu zoals die op het DNA zijn ‘opgeslagen’(zie H3); ook: de totale basen volgorde van het DNA van een organisme of organel

53

hypothese

vooronderstelling; bijvoorbeeld:alle planten groeien goed bij een zo hoog mogelijke concentratie kunstmast; bij zo’n stelling kun je een manier vinden om het tegendeel te bewijzen,

52, 55

onafhankelijke variabele

het deel van je meting dat niet door veranderende omstandigheden is beïnvloedt, bijvoorbeeld tijd; een door jou systematisch veranderde variabele, bijvoorbeeld de zuurgraad in reageerbuis 1 en die in buisje 2

49,56

osmose

diffusie van water door een semi-permeabel membraan

61

osmotische waarde

de concentratie opgeloste deeltjes binnen een semi-permeabel membraan

60

permeabel

doorlatend, zoals een celwand of een lekke regenjas

60

plasmolyse

osmotisch proces waarbij de turgor van een planten (of schimmel)cel zo ver af neemt dat het celmembraan loskomt van de celwand

62

resultaten

de meetresultaten afkomstig uit je experiment; ook bij een beschrijvend onderzoek verzamel je zoveel mogelijk meetresultaten; bijvoorbeeld: de gemiddelde lengte en breedte van een blaadje van een nieuwe soort plant

57

selectief-permeabel

zoiets als semi-permeabel, maar betekent: laat sommige stoffen door en andere niet

60

semi-permeabel

half doorlatend, water kan er wel door, opgeloste stoffen niet; een vorm van selectief-permeabel

60

turgor

spanning op een celwand door waterdruk binnen een cel; komt alleen voor bij organismen met cellen met een celwand

62

voorspelling

gebaseerd op je hypothese formuleer je een voorspelling; bijvoorbeeld: als alle planten goed groeien bij hoge concentraties kunstmest verwacht je dat de grootte van veel verschillende plantensoorten toeneemt met stijgende kunstmestgift; als uit je experiment blijkt dat je voorspelling niet klopt moet je gaan bedenken waar het mis is gegaan: bij het experiment of bij de hypothese

56

waarnemen

goed en bewust kijken, horen ruiken, voelen

55


H3 Wie het kleine niet eert..


adenine

zie ‘stikstofbase’

79

ATP

een stof die in een cel energie kan opslaan en afgeven; de ‘cel accu’

77

bestraling

het toedienen van een dosis (radioactieve)straling, specifiek bij het behandelen van tumoren

92

celcyclus

alle fasen van de celdeling bij elkaar; zie S-fase, G2-fase, M-fase, G1-fase; zie BINAS tabel 78

85

celdeling

vorming van nieuwe cellen door deling; zie BINAS tabel 78

83

centromeer

de dwarsverbinding tussen beide chromatiden van een chromosoom

86

chromatide

de twee ‘poten’ van een chromosoom; één poot bevat het originele DNA, de andere is een identieke kopie

86

chromosoom

tijdens de celdeling (G2 en M fase) verdubbeld en opgerold DNA, ziet er grofweg uit als een letter ‘H’; zie ‘chromatiden’en ‘centromeer’; zie BINAS tabel 78

79

collageen

een tussencelstof die, de cel een stevige buitenlaag geeft; zie ook ‘elastine’

78

cytoplasma

grondplasma (zie BINAS tabel 81), bestaat voornamelijk uit water met opgeloste stoffen die van belang zijn bij de groei en stofwissling van de cel

76

cytosine

zie stikstofbase;

79

cytostatica

medicijnen tegen kanker die de celdeling van tumor (en gezonde) cellen stoppen

92

dekweefsel

bedekt het lichaam van binnen (slijmvliezen) en van buiten (huid)

87

delingsfrequentie

snelheid waarmee cellen zich delen

83

DNA verdubbeling

proces waarbij beide suikerfosfaat leuningen van de DNA wenteltrap uit elkaar gaan (zoals een ritssluiting)door het verbreken van de binding tussen de beide stikstofbasen( de stikstofbasen zijn de tandjes van de ritssluiting); de beide helften worden weer aangevuld en opgebouwd met stoffen afkomstig uit het cytoplasma; zie BINAS tabel 70

84

DNA

een groot molecuul dat opgebouwd is als een dubbele spiraal van een suikerfosfaat; de beide suikerfosfaat spiralen zijn dwars verbonden door ‘treden’ van stikstofbasen; bevat erfelijke informatie; zie ‘genoom’

79

doelwitcellen

cellen die receptoren voor een bepaald hormoon bevatten

90

eiwitsynthese

de productie van eiwitten in de cel, van DNA ‘bouwplan’ tot het werkelijke eiwit; zie BINAS tabel 70

81

elastine

een tussencelstof die de cel een stevige buitenlaag geeft; zie ook ‘collageen’

78

endoplasmatisch reticulum (ER)

een celorganel met als functie het transport van stoffen binnen de cel; in functie vergelijkbaar met de bloedsomloop

76

feromonen

stoffen betrokken bij chemische communicatie tussen organismen; feromonen die een rol spelen bij de communicatie tussen geslachten worden soms als lokstoffen gebruikt bij biologische bestrijding van plagen (feromoonvallen); er zijn ook feromonen die juist afschrikken; bijvoorbeeld ‘schrikstoffen’ die door een gewond of angstig individu worden afgescheiden

89

G1,G2- fase

fasen in de celcyclus waarbij het aantal celorganellen en hulpstoffen toeneemt; beide G-fasen horen bij de interfase; zie BINAS tabel 78

85

guanine

zie stikstofbase

79

hormonen

stoffen betrokken bij chemische communicatie tussen cellen binnen één organisme; vergelijk feromonen

90

interfase

fase in de celcyclus die de beide G-fasen en de S-fase omvat; zie BINAS tabel 78

85

kanker

gemuteerde cellen die maar blijven doorgroeien (woekeren) en het omringende weefsel binnendringen

92

kiemlaag

een deel van je huid waar cellen delen en zorgen voor vervanging van versleten huidcellen

85

metastasen

uitzaaiingen; losgeraakte cellen van een kankergezwel, die zelf ook weer een gezwel veroorzaken

92

M-fase

mitose, fase in de celcyclus waarbij de chromosomen uitéén getrokken worden en het celmateriaal zich verdubbeld; zie ook G1, S en G2-fasen en BINAS tabel 78

85

mitochondriën

een celorganel met als functie het ‘opladen’ van ATP; zie ATP

77

mutatie

verandering, meestal gebruikt voor een verandering in het DNA als gevolg van beschadiging; het gevolg kan positief zijn, neutraal of negatief; mutaties zijn de oorzaak van kanker, maar zijn ook de motor achter de evolutie

91

organellen

‘organen’ van een cel, ze bestaan niet uit meerdere cellen, maar uit membranen met een specifieke functie; organellen bevatten meestal specifiek DNA

76

organen

groepen cellen of combinatie van verschillende weefsels met een specifieke functie, bijvoorbeeld het hart dat bloed rondpompt

76, 87

plasmagroei

toename van stoffen en water in de nieuwe cel (G1-fase van de celcyclus)

86

receptoren

‘ontvangers’, specifieke bindingsplaatsen op het celmembraan die binden aan een bepaalde stof, bijvoorbeeld aan een hormoon of groeistof

90

ribosoom

organel waar de eiwitsynthese plaatsvindt; bevindt zich vrij in de cel of op het oppervlak van het endoplasmatisch reticulum

81

risicofactoren

factoren die het risico op mutaties verhogen

91

S-fase

fase in de celcyclus waarbij DNA verdubbeling (synthese) plaatsvindt; met de G fasen hoort de S-fase in de interfase; zie BINAS tabel 78

85

specialisatie

cellen die een bepaalde functie krijgen, zoals spiercellen; zij delen zich niet meet, maar worden (in noodgevallen) vervangen door nog ongespecialiseerde cellen

86

spierweefsel

bevat langgerekte cellen die zich kunnen samentrekken, zorgen voor beweging

87

steunweefsels

bindweefsel, kraakbeen en been (bot); worden stevig door de tussencelstof die de cellen uitscheiden; steunweefsels geven je lichaam stevigheid

78, 87

stikstofbasen

de ‘treden’ van het DNA; er zijn er vier A(denine), C(ytosine), T(hymine)en G(uanine); zie BINAS tabel 70

79

thymine

zie stikstofbase

79

triplet

drie opeenvolgende stikstofbasen in het DNA; coderen voor een aminozuur voor een te bouwen eiwit; zie BINAS tabel 70

79

tumor

gezwel

92

tussencelstof

een stof die tussen de verschillende cellen in ligt, uitgescheiden door die cellen; elastine en collageen zorgen voor stevigheid in huid, banden, pezen, kraakbeen en bot

78

weefsels

een groep cellen met dezelfde bouw en functie; bijvoorbeeldsteunweefsels, zenuwweefsel

87

zenuwweefsel

bevat vertakte cellen die impulsen kunnen doorgeven

87



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina