Behoeften zaken waar mensen naar verlangen Behoeften zijn oneindig groot



Dovnload 336.49 Kb.
Pagina1/6
Datum22.07.2016
Grootte336.49 Kb.
  1   2   3   4   5   6
Schaarste
Behoeften - zaken waar mensen naar verlangen
Behoeften zijn oneindig groot:

- sommige behoeften keren steeds terug

- welvaart en wereldbevolking nemen toe

- er komen steeds nieuwe behoeften bij


goederen - zaken waarmee behoeften worden bevredigd,

immateriële goederen worden diensten genoemd


vrije goederen - goederen die in overvloed aanwezig zijn
economische goederen - goederen die door bedrijven worden

geproduceerd. Deze zijn schaars


verbruiksgoederen - goederen die slechts één keer mee gaan

gebruiksgoederen - goederen die voor langere tijd meegaan


consumptie - het kopen van consumptiegoederen

investeren - het kopen van kapitaal- of investeringsgoederen

productie - het vervaardigen van economische goederen
distributie - het verspreiden en verkopen van geproduceerde

goederen
produktiefactoren - middelen dien nodig zijn om te kunnen

produceren en distribueren. Deze bestaan

uit arbeid, kapitaal en natuur.


kapitaalgoederen - goederen die gebruikt worden in een pro-

ductieproces


Soms wordt ondernemerschap tot een vierde produktiefactor gere­kend.
schaarste - de spanning tussen aan de ene kant de oneindige

menselijke behoefeten en aan de andere kant het

beperkte aantal productiefactoren
Bestrijding van de schaarste:

- volledig gebruik van de beschikbare productiefactoren

- stijging van de hoeveelheid en kwaliteit van de productiefac-

toren


- doelmatig gebruik van de productiefactoren

- terugdringing van de menselijke behoeften


Niet optimale allocatie van productiefactoren:

ondoelmatig gebruik van productiefactoren


Drie belangrijke economische data:

- het behoeftenschema van de bevolking van een land

- de beschikbare hoeveelheid en kwaliteit van de productiefac-

toren


- de economische orde in een land

Afnemende abstractie - Wanneer bij een economische analyse

enige zaken buiten beschouwing worden

gelaten
Ceteris-paribus - Wanneer bij een economische analyse ove-

rige omstandigheden gelijk blijven

inductie - een analyse op grond van feitenmateriaal

deductie - een analyse op grond van enige veronderstellingen
normatieve uitspraken - waarde oordelen

positieve uitspraken - formuleringen op basis van gegeven

veronderstellingen en door anderen

gestelde waarden


macro-economie - houdt zich bezig met de economische ver-

schijnselen in een land

micro-economie - houdt zich bezig met de economische ver-

schijnselen van één gezin of één bedrijf

meso-economie - houdt zich bezig met de economische ver-

schijnselen van een groep gezinnen of be-

drijven

Samenhang en orde
De geldkringloop geeft betalingen weer

De goederenkringloop geeft de levering van:

- productiefactoren

- consumptiegoederen

- en investeringsgoederen weer
Nationaal inkomen (Y) - Het totaal van alle in een jaar ver-

diende inkomens

Nationaal produkt (W) - De waarde van de in een jaar verkoch-

te consumptie- en investeringsgoede-

ren (Y = W)
consumptiegoederen - goederen die rechtstreeks de behoef-

ten van een mens kunnen bevredigen

investeringsgoederen - goederen die in een productieproces

worden ingezet


Markt - samenhang van vraag en aanbod

concrete markt - een plaats waar vragers en aanbieders elkaar

ontmoeten

abstracte markt - bijvoorbeeld de arbeidsmarkt


Economische orde van een land - economische organisatievorm

van een land


Verschillende economische ordes:

- vrije markteconomie

- centraal geleide economie (planeconomie)

- democratische economie

- georiënteerde markteconomie (mengvorm)
Vrije markteconomie

Dit is een economie met vrij ruilverkeer

- economische belsissingen worden door elk individu naar eigen

inzicht genomen

- productiefactoren zijn particulier eigendom

- de overheid mengt zich niet in het economische leven


Prijsvorming - in de vrije markteconomie wordt de prijs ge-

vormd door het spel van vraag en aanbod


Klassiek liberalisme - politieke stroming die voorstander is

van een vrije markteconomie


Centraal geleide economie (planeconomie)

- economische beslissingen worden genomen door de overheid en

opgelegd aan de burgers

- productiefactoren zijn eigendom van de centrale overheid

- marktmechanisme wordt aan banden gelegd; prijzen, inkomens

vraag en aanbod worden centraal vastgesteld

- de overheid heeft een beslissende rol in de economie
communisme - politieke stroming die voostander is van de plan-

economie. Dit zijn tegenhangers van het libera-

lisme (Karl Marx)
Democratische economie (budgeteconomie)

- economische beslissingen worden op democratische wijze geno-

men

- productie, consumptie, investeringen en de prijsvorming wordt



na democratische besluitvorming opgelegd aan de gehele bevol-

king


- iedere stemgerechtigde mag zijn economische kenbaar maken en

anderen beïnvloeden

- productiefactoren zijn bezit van alle belanghebbenden gezame-

lijk
Mengvormen

In de meeste westerse landen wordt echter uitgegaan van ge­oriënteerde markteconomiën. Hierbij wordt uitgegaan van een vrije markteconomie. De overheid kan en zal corrigerend op-

treden
In sommige landen gaat men uit van socialistisch georiënteerde economiën. Hierbij gaat men uit van een planeconomie. De over­heid kan echter door wetgeving de mogelijkheid scheppen bepaal­de economische gebieden particulier eigendom te maken


economische politiek - alle overheidsmaatregelen gericht op

beïnvloeding van de economie


Werkeloosheid
Overcapaciteit van kapitaal of natuur:

Wanneer niet alle kapitaal en natuurgoederen worden ingezet in productieprocessen


1. Gevolgen voor werkelozen:

- inkomensverlies

- werkelozen zijn van anderen afhankelijk

- verveling


2. Gevolgen voor maatschappij

- capaciteiten en kunde in een land worden niet volledig benut

- inkomens van anderen worden ongunstig beïnvloed

- minder investeringen --> minder winst

- sociale premies nemen toe

- gezinsleden van werkelozen zullen minder geld te besteden

hebben

- ontstaan van grote tegenstelingen en conflicten



- ontstaan van maatschappelijke onvrede

- vandalisme, criminaliteit en het zwartegeld-circuit

kan toenemen
Totale beroepsbevolking bestaat uit afhankelijke beroepsbevol­king en zelfstandige beroepsbevolking
afhankelijke beroepsbevolking:

personen tussen 15 - 65 jaar die in dienst van iemand anders werken of willen werken (werknemers)


zelfstandige beroepsbevolking:

personen tussen 15 - 65 die voor zichzelf werken of willen werken (ondernemers / advocaten / artsen)


Participatiegraad / Deelnemingspercentage:

Percentage van de bevolking in de beroepsbevolking (45%)


De participatiegraad van vrouwen is sterk toegenomen vanwege:

- lagere kindertal

- gestegen opleidingsniveau

- gestegen loonpeil van de vrouw


werkgelegenheid

werkende deel van de beroepsbevolking, uitgedrukt in arbeidsja­ren (verborgen werkgelegenheid = zwart werk, vrijwilligerswerk)


Arbeidsjaren (twee mensen met een halve baan tellen maar voor één mee) Het aantal werkende personen ligt dus altijd hoger.
Omvang totale werkgelegenheid wordt bepaald door:

- vraag en produktie (+ = meer werkgelegenheid)

- arbeidsproduktiviteit (+ = minder werkgelegenheid)

- arbeidsinkomen (dure krachten zijn minder gevraagd)


Officieel werkeloos:

- 15+


- 65-

- ingeschreven bij arbeidsbureau als werkzoekende

- +20 uur per week willen werken en direct inzetbaar zijn
Verborgen werkeloosheid:

- onvrijwillig (moed opgegeven, -20u p/w, +57,5 jr)

- bij bestane arbeid (niet genoeg werk om +20u op te vul­len)

- werkzoekenden die ouder zijn dan 57,5 jaar hebben geen sol-

licitatieplicht meer
Werkzoekenden willen binnen 14 dagen aan de slag en hebben de afgelopen maand naar werk gezocht
Werkeloosheidspercentage

Percentage dat aangeeft hoeveel procent van de afhankelijke beroepsbevolking werkeloos is


Spreiding van de werkeloosheid:

Mannen / vrouwen

- er wilden plotseling steeds meer vrouwen een baan buitenshuis

het aanbod op de arbeidsmarkt werd plotseling te groot en

de werkeloosheid onder vrouwen nam toe

- achterstand op de arbeidsmarkt bestond (bv. discriminatie)


Jong / oud

Het is ongunstig voor werknemers om jongeren in dienst te ne­men vanwege:

- geringe werkervaring

- arbeidsrechten van werknemers

- leerplicht

Stad / platteland:

Werkeloosheid in de grote steden ligt vaak hoog omdat daar naar verhouding veel mensen wonen die minder kans hebben op de ar­beidsmarkt (laaggeschoolden, buitenlanders)
Autochtoon / Alochtoon:

Werkeloosheid onder buitenlanders is groot omdat buitenlanders:

- taal en cultuurproblemen hebben

- lager geschoold zijn

- gediscrimineerd worden op de arbeidsmarkt
Conjucturele werkeloosheid
Productiecapaciteit - het maximale aantal goederen dat met

de beschikbare hoeveelheid productie-

factoren kan worden geproduceerd
Conjuctuurbewegingen - Op en neer gaande bewegingen van de nationale produktie als gevolg van schomme­lin­gen van de vraag
Conjucturele werkeloosheid ontstaat wanneer de vraag naar goe­deren bij een gegeven productiecapaciteit tekort schiet

Structurele werkeloosheid

Structurele werkeloosheid kan worden opgedeeld in:

- werkeloosheid van minder geschikten

- seizoenswerkeloosheid

- frictiewerkeloosheid

- Structurele werkeloosheid in enge zin


Werkeloosheid van minder geschikten (redenen):

- ongustig arbeidstijdaanbod

- dicriminatie door bedrijven
Seizoenswerkeloosheid:

De werkeloosheid die ontstaat door het verschil van vraag naar arbeid in verschillende seizoenen.


Frictiewerkeloosheid:

Frictiewerkeloosheid is werkeloosheid die ontstaat ten gevolge van ondoorzichtigheid op de arbeidsmarkt


--> Ondoorzichtigheid op de arbeidsmarkt:

Wanneer werkgevers en werkzoekenden niet goed op de hoogte zijn van welke soort arbeid waar, wanneer em tegen welke prijs wordt gevraagd en aangeboden


Door al deze aspecten is de werkeloosheid nooit helemaal terug te dringen.
Structurele werkeloosheid in enge zin:

Werkeloosheid die haar oorzaak vindt in de bestaande kwanti­teit­ en kwaliteit van de productiefactoren

Productiefactor Arbeid kwantitatief:

Daling van het aantal arbeidsplaatsen kan ontstaan door:

- concurrentie (bv uit buitenland waar lonen laag liggen)

- bedrijfsreorganisaties (opnieuw afstemmen productiefactoren)

- automatisering (arbeidsbesparende investeringen)

Toename beroepsbevolking kan gevolg zijn van:

- (toename van) de bevolkingsgroei (o.a. door immigratie)

- emancipatie

Productinnovatie - Het ontwikkelen en produceren van nieuwe

of vernieuwde producten


Ook kan de kwantitatieve werkeloosheid ontstaan door:

- verschillen tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt

- discriminatie op de arbeidsmarkt

- slechte arbeidsomstandigheden


Kwalitatieve aspecten:

- verschillen tussen de gevraagde en aangeboden soorten arbeid

- discriminatie op de arbeidsmarkt

- verschillen in arbeidstijd


Mobiliteit van de arbeid - De mate waarin mensen bereid zijn

te verhuizen voor een nieuwe baan

Er kan tevens sprake zijn van overcapaciteit (productiefactoren zijn als het ware werkeloos). Een nadeel hiervan is dat de schaarste groter is dan noodzakelijk
Bezettingsgraad:

De bezettingsgraad geeft aan hoeveel procent de beschikbare productiecapaciteit wordt benut:


produktie

Bezettingsgraad: ------------------- x 100%

productiecapaciteit
Ook de overcapaciteit kan worden verdeeld in conjucturele en structurele onderbezetting van kapitaal en natuur.
Conjuctureel:

Er is niet genoeg vraag naar goederen --> machines staan stil


Structureel kwalitatief:

- onderbenutting van minder geschikte eenheden natuur en ka-

pitaal

- onvolledig gebruik als gevolg van de wisseling der seizoenen



- 'frictie-onderbesteding' Het zal enige tijd duren voordat

bestelde machines worden geïnstalleerd


kwantitatief:

- wegvallen van productie door concurrentie

- interne bedrijfsreorganisaties

- overheidsmaatregelen





  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina