Behoeften zaken waar mensen naar verlangen Behoeften zijn oneindig groot



Dovnload 336.49 Kb.
Pagina2/6
Datum22.07.2016
Grootte336.49 Kb.
1   2   3   4   5   6

Inkomensvorming en produktiecapaciteit

Hoe is het mogelijk dat de productiecapaciteit na WOII zo is toegenomen?


Productiecapaciteit is o.m. afhankelijk van

1. de productie­factor arbeid. De omvang hiervan wordt bepaald

door:

- emancipatie (steeds meer vrouwen gaan werken)



- migratie

- bevolkingsgroei


2. de produktifactor kapitaal wordt bepaald door de investe­ ringen van de bedrijven. De om­vang hiervan wordt bepaald door:

- goede winstverwachtingen van de investering

- lage rentestand (gunstige leningsmogelijkheden)

- goede winstpositie (goedlopende bedrijven investeren meer)


3. de produktiefactor natuur. Het aanbod hiervan wordt bepaald door:

- klimaat

- geografische ligging

- grondoppervlakte


Bruto investeringen:

Het geheel van de in een jaar aangeschafte kapitaalgoederen

Vervangingsinvesteringen:

Investeringen ter vervanging van afgeschreven kapitaalgoe­deren

Netto investeringen:

Bruto investeringen - Vervangingsinvesteringen

Uitbreidingsinvesteringen:

Investeringen in duurzame kapitaalgoederen


Technische levensduur - De termijn waarin een machine tech-

nisch bruikbaar is

Economische levensduur - De termijn waarin een machine renda-

bel is
Productiviteit van een productiefactor:

De gemiddelde productie per productiefactor per jaar

- arbeidsproductiviteit

- kapitaalproductiviteit

- productiviteit van de natuur


Arbeidscoëfficiënt - geeft aan hoeveel eenheden arbeid nodig

zijn om één eenheid (nationaal) produkt

voort te brengen
Berekeningen:

Nationaal produkt W

Arbeidsproduktiviteit a = ---------------------------------

Werkgelegenheid Av (arbeidsja­ren)


Nationaal produkt W

Kapitaalproduktiviteit k = ---------------------------------

Kapitaalgoederenvoorraad Kv

Av

Arbeidscoëfficiënt = -- (eenheden arbeid voor één produkt)



W (1/a)
Kv

Kapitaalcoëfficiënt = --

W (1/k)
W

Conjucturele werkeloosheid = ---

a
Wmax

Structurele werkeloosheid = ----

A
Arbeidsschaarste - De omvang van Wmax wordt bepaald door de be-

roepsbevolking


Kapitaalschaarste - omvang van Wmax wordt bepaald door de

aanwezige kapitaalvoorraad

Toelatingsbeleid:

beleid dat betrekking heeft op de toelating van buitenlanders om in Nederland te komen werken


De Kwaliteit van de produktiefactoren

1. Arbeid is afhankelijk van:

- kwaliteit onderwijs / bedrijfsopleidingen

- volksgezondheid

- arbeidsvreugde
2. Kwaliteit kapitaal is afhankelijk

- technische vooruitgang

- procesinnovatie (toepassing innovaties in productieproces)
3. Kwalitiet van de natuur is vooral afhankelijk van de mi­lieuvervuiling
Diepte-investeringen

Investeringen die leiden tot besparing van arbeid, kapitaal of natuur (vergroting productiecapaciteit)


Breedte-investeringen

Investeringen die niet leiden tot besparing van arbeid, kapi­taal of natuur


Mechanisatiegraad - weergave van de verhouding kapitaal / ar-

beid
Structuurmodel - beknopte weergave van de samenhang tussen de beschikbare produktiefactoren


Structurele werkeloosheid kun je terugdringen door:

- de beroepsbevolking te verkleinen (belastingen tweeverdie-

ners verhogen, leerplicht verlengen, pensioenleeftijd terug-

dringen enz.)

- de investeringen te stimuleren (belastingverlagingen voor be-

drijven, interestdaling, investeringssubsidies)


Arbeidsmarkt - geheel van vraag en aanbod van arbeid
Voorbeelden werknemersorganisaties: CNV FNV

Voorbeelden werkgeversorganisaties: VNO KNOV NCW


Stichting van de Arbeid

Een orgaan waarin werkgevers- en werknemersorganisaties elk jaar algemene afspraken maken over de arbeidsvoorwaarden. Bij een CAO moet met deze afspraken rekening worden gehouden.


Wig - verschil tussen loonkosten van een werk-

nemer en het nettoloon. Als de wig groter

wordt wordt het voor de werkgever aan-

trekkelijk om zwart uit te keren


Prijscompensatie - Wanneer lonen stijgen met hetzelfde per-

centage als de prijsstijging (inflatie)


Inkomensontwikkeling en productiecapaciteit
Indeling inkomens (Categoriale inkomensverdeling)

- arbeidsinkomens (inkomen uit verrichte arbeid)

- vermogensinkomens (beloningen voor beleggingen (huur, ren­te))

Quote: altijd delen door Y


looninkomen + arbeidsinkomen zelfstan­digen

arbeidsinkomensquote ------------------------------------------

nationaal inkomen
interestinkomen + winstinkomen

vermogensinkomensqu. ------------------------------------------

nationaal inkomen
interestquote = interestinkomen / nationaal inkomen

winstquote = winstinkomen / nationaal inkomen


arbeidsinkomensq. + vermogensinkomensq. (interestq. winstq.)= 1
Daling winsten jaren `60 en `70 veroorzaakt door:

- verhoging arbeidskosten (bv lonen)

- gestegen interestkosten

- sterk gestegen energiekosten


Bedrijven gingen failliet vanwege:

- lagere winsten --> daling investeringen

- rentestijging --> daling investeringen

- overtollig geld werd belegd --> daling investeringen


Kredietwaardigheid - Het in staat zijn schulden terug te beta-

len
Inkomensevenwicht en bestedingsevenwicht


Bestedingsinflatie - Inflatie ten gevolge van een te grote

vraag naar goederen


Nadelen inflatie:

- concurrentiepositie van een land verslechtert

- koopkracht neemt af

- mensen die geld uitlenen merken dat hun geld minder waard

wordt
Bij een gegeven produktiecapaciteit (Wmax) zijn er drie situa­ties mogelijk:

- onderbesteding

- overbesteding

- bestedingsevenwicht


onderbesteding: EV < Wmax

overbesteding: EV > Wmax

bestedings evenwicht: EV = Wmax
Onderbesteding:

- conjucturele werkeloosheid

- niet al het kapitaal wordt benut
Overbesteding:

- (bestedings)inflatie

--> concurrentiepositie buitenland verslechtert, werkeloosheid
bestedingsevenwicht:

- een land moet naar een bestedingsevenwicht streven

Conjuctuurmodel:

EV = C + I + O + E - X


C: Consumptie gezinnen is afhankelijk van:

- verdiende besteedbaar inkomen (Yb)

- autonome consumptie (Co) = wat in ieder geval besteed wordt

functie: C= c . Yb + Co

c = marginale consumptiequote (deel van Yb)
Besteedbaar inkomen

Het deel van het nationale inkomen minus de belastingen

In formule: Yb = Y - B
B: (Belastingen) is afhankelijk van Y en van belastingspercen­ta­ge (b). In formule: B = b . Y
I: Investeringen bedrijven zijn afhankelijk van:

- winstpositie bedrijven

I wordt altijd autonoom uitgedrukt want er is weinig verband met Y. In formule: I = Io
O: Overheidsbestedingen

Ook deze worden autonoom verondersteld

In functie: O = Oo
E: Export is afhankelijk van:

- EV in het buitenland

Ook de export wordt autonoom verondersteld

In functie: E = Eo


I: Import is afhankelijk van:

- Het nationaal inkomen (dus niet autonoom)

In functie: X = x . Y

Werkgelegenheid:

Nationaal produkt (W)

Vraag naar arbeid (Av) = -------------------------

arbeidsproduktiviteit (a)
Oplossing van het model
Bij de oplossing van het Keynesiaans conjuctuurmodel gaat men er altijd vanuit dat W = EV

De oplossing van het model wordt het evenwichtsinkomen genoemd.


Betalingbalanssaldo wordt alsvolgt berekend: E - X

E - X = < 0 --> tekort E - X = > 0 --> over­schot

Begrotingssaldo wordt alsvolgt berekend: B - O

B - O = < 0 --> tekort B - O = > 0 --> over­schot


Nationale rekeningen:

Boekhoudkundige beschrijving van de geldstromen in een land


Ontsparen - geld dat in het verleden is gespaard wordt uitge-

geven aan autonome bestedingen


Proportionele belastingheffing - Iedereen moet procentueel e-

venveel belasting betalen


Bestedingseffect - effect na het kopen van investeringsgoe-

deren
Capacitietseffect - wanneer bestedingen direct een grotere

productiecapaciteit tot gevolg hebben
Begrotingstekort - overheidsuitgaven zijn groter dan de

overheidsinkomsten (B - O)


Betalingsbalans - schematisch overzicht van alle transac-

ties gedurende een bepaalde periode

tussen een land en het buitenland
Endogene grootheden - ontbrekende factoren in een model (Y)
Spaarsaldo = Y - C - B
Kringloopmodel:

Gezinnen


Banken Over­heid

Bedrijven


Buitenland


Bij onderbesteding is de productiecapaciteit groter dan het nationaal produkt. Dit is uit te drukken in een bezettings­graad. Bij onderbesteding is dus sprake van conjucturele werke­loosheid.
Bij overbesteding is de produktiecapaciteit kleiner dan het nationaal produkt. Er heerst geen conjucturele werkeloosheid maar er zal inflatie ontstaan. De inflatie kan op zijn beurt wel weer (conjucturele) werkeloosheid tot gevolg hebben (I omlaag, EV omlaag, conj. werkeloosheid)
Multiplier:

Het getal dat de stijging van het nationaal produkt weergeeft bij een stijging van bijvoorbeeld de investeringen. (Io neemt met 32 toe, W neemt daardoor met 40 toe.

Multiplier = 40/32 = 1,25)
De formule:

1

Delta Y = ------------------- . (verschil autonome bestedin­gen)



1 - c (1 - b) + x
Bestedingsinflatie - Wanneer het nationaal inkomen toeneemt

maar de produktiecapaciteit gelijk

blijft
Keynes, de klassieken en de overheid
Aticyclisch beleid - Bij onderbesteding moet EV gestimuleerd

worden (B omlaag), bij overbesteding moet EV beperkt worden (B om­hoog)

commentaren: - aanbod schept eigen vraag

- het prijsmechanisme en de concurrentie

tussen de bedrijven zouden tot beste-

dingsevenwicht leiden


In de modellen van Keynes wordt veel meer gelet op de EV dan op de productiecapaciteit. In de modellen van de klassieken is dit net omgekeerd.


1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina